[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-family-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-03-30T00:00:00.000Z","2026-06-25T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1292","ECLI:NL:RBOBR:2026:4805","ecli-nl-rbobr-2026-4805","","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats ’s-Hertogenbosch\n\nzaaknummers : 12105467 TD VERZ 26-110 & 12133250 TD VERZ 26-165\n\ndatum : 25 juni 2026\n\n [griffier]beschikking op een verzoek tot onderbewindstelling en instelling mentorschap\n\nop verzoek van\n\n [verzoeker] ,\n\nwonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,\n\nhierna te noemen: de zus,\n\nmet betrekking tot\n\n [betrokkene] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,\n\nwonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,\n\nhierna te noemen: betrokkene,\n\ngemachtigde mr. J.B.G. Gelissen.\n\nprocedure\n\nDe kantonrechter heeft kennisgenomen van:\n\nhet verzoek van de zus tot het instellen van een bewind voor betrokkene, met bijlagen, ontvangen op 19 februari 2026;\n\nde e-mails van de zus met bijlage, ontvangen op 3 maart 2026;\n\nhet verzoek van de zus tot het instellen van een mentorschap voor betrokkene, met bijlagen, waaronder haar bereidverklaringen bewindvoerder en mentor, ontvangen op 10 maart 2026;\n\nhet verweerschrift van [nicht] (hierna te noemen: de nicht), ontvangen op 18 maart 2026;\n\nde brief met bijlagen van de zus, ontvangen op 20 maart 2026;\n\nde brief van de zus van 31 maart 2026;\n\nde e-mail van [broer] (hierna te noemen: de broer), ontvangen op 26 maart 2026;\n\nde e-mail van de gemachtigde van betrokkene, ontvangen op 15 april 2026;\n\nde e-mail van de broer, met als bijlage een verweerschrift houdende een zelfstandig verzoek, ontvangen op 25 april 2026;\n\nhet verweerschrift met bijlagen van betrokkene, ingediend door zijn gemachtigde, ontvangen op 22 mei 2026;\n\nde e-mail van de gemachtigde van betrokkene met aanvullende producties, waaronder de bereidverklaringen bewindvoerder en mentor van de nicht, ontvangen op 26 mei 2026;\n\nde aanvullende informatie en bereidverklaringen van de broer, ontvangen op 23 juni 2026.\n\nHet verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 28 mei 2026. Ter zitting zijn verschenen: betrokkene en zijn gemachtigde mr. J.B.G. Gelissen, de zus van betrokkene met haar echtgenoot, en de nicht van betrokkene (dochter van een overleden zus van betrokkene). De broer van betrokkene is via een Teams videoverbinding over het verzoek gehoord.\n\nbeoordeling\n\nSamengevat moet de kantonrechter beoordelen of het noodzakelijk is de goederen van betrokkene onder bewind te stellen en een mentorschap ten behoeve van betrokkene in te stellen. Als die noodzaak bestaat, moet worden bepaald wie de maatregelen zal gaan uitvoeren. Betrokkene en zijn familieleden verschillen hierover onderling van mening.\n\nDe nadere inhoudelijke beoordeling door de kantonrechter is uit privacyoverwegingen voor betrokkene opgenomen in een aparte bijlage bij deze beschikking. Deze bijlage maakt in zijn geheel onderdeel uit van de beschikking.\n\n Uit de processtukken en de behandeling op de zitting blijkt dat betrokkene als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand onvoldoende in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Daarom zal de kantonrechter bewind instellen. De kantonrechter zal de in de beslissing genoemde personen tot bewindvoerders benoemen, nu daartegen geen gegronde bezwaren zijn gebleken.\n\nBetrokkene is (op dit moment) niet in staat om de rekening en verantwoording te beoordelen. Betrokkene is (op dit moment) niet in staat om toestemming te geven voor de handelingen als bedoeld in artikel 1:441 Burgerlijk Wetboek.\n\nUit de processtukken en behandeling op de zitting blijkt ook dat betrokkene vanwege zijn geestelijke of lichamelijke toestand onvoldoende in staat is zijn niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Daarom zal de kantonrechter naast het bewind een mentorschap instellen. De kantonrechter zal de in de beslissing genoemde mentoren benoemen, nu daartegen geen gegronde bezwaren zijn gebleken.beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n- stelt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking\n\neen bewind in over de goederen die [betrokkene](zullen) toebehoren vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand;\n\n- benoemt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking tot bewindvoerders: [nicht] , wonende te [postcode] ’ [woonplaats] , [adres] , en [broer] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ;\n\n- stelt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking\n\neen mentorschap in ten behoeve van [betrokkene];\n\n- benoemt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking tot mentoren: [nicht] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] , en [broer] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ;\n\n- wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C.S.M. Morel, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger\n\nberoep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:\n\na. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nb. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan\n\nof nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.\n\nBijlage\n\nOverwegingen van de kantonrechter\n\nDe verzoeken en de verweren\n\nDe zus van betrokkene verzoekt de goederen van betrokkene onder bewind te stellen, met benoeming van zichzelf tot bewindvoerder. Zij verzoekt ook een mentorschap in te stellen ten behoeve van betrokkene, met benoeming van zichzelf tot mentor.\n\nDe zus acht betrokkene niet meer in staat om zelfstandig zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijk belangen naar behoren te behartigen. Zij verwijst naar een verklaring van de casemanager dementie uit [woonplaats] van 31 januari 2026, waarin staat dat betrokkene is gediagnosticeerd met dementie en dat zijn cognitieve vermogens afnemen.\n\nZij verwijst ook naar de brief van een notaris van 9 juli 2024, waaruit blijkt dat deze notaris betrokkene op dat moment niet wilsbekwaam achtte. De nicht regelt veel zaken voor betrokkene. In de afgelopen jaren heeft echter een aantal zaken plaatsgevonden waardoor de zus haar vertrouwen in de nicht is verloren. Bovendien is betrokkene recent door zijn nicht van [woonplaats] naar ’ [woonplaats] verhuisd zonder dat de zus daarover is geïnformeerd. Hoewel zij op dat moment eerste contactpersoon was voor de zorg in [woonplaats] , wist zij enige tijd niet waar betrokkene zich bevond en of alles in orde was met hem. Zij maakt zich zorgen.\n\nNa indiening van haar verzoeken heeft de zus verklaard niet langer zelf benoemd te willen worden tot bewindvoerder en mentor van betrokkene. Zij acht in plaats daarvan benoeming van een onafhankelijke professionele bewindvoerder en mentor aangewezen.\n\nDe nicht vraagt in haar verweerschrift een onafhankelijk medisch deskundige aan te wijzen om de wilsbekwaamheid en de aard van het hersenletsel van betrokkene objectief vast te stellen. Zij acht betrokkene nog voldoende in staat om zelfstandig zijn belangen te behartigen. Zij twijfelt aan de diagnose dementie. Betrokkene is in het voorjaar van 2026 in overleg met de nicht en de broer verhuisd, iets waar zij al een aantal jaar mee bezig waren. Hij is sindsdien behandeld voor het syndroom van Wernicke en het gaat veel beter met hem, nu hij al enige tijd veel minder drinkt dan voorheen. Voor het geval de kantonrechter instelling van een bewind en mentorschap noodzakelijk acht, verzoekt zij onafhankelijke professionals te benoemen. In een later schrijven heeft zij zichzelf bereid verklaard om tot bewindvoerder en mentor benoemd te worden. Zij is de meest betrokken mantelzorger en nauw betrokken contactpersoon en vertrouwenspersoon van haar oom. Zij ziet zich in haar mogelijkheden om haar oom bij te staan in financiële en medische zaken gesaboteerd door de zus. Betrokkene heeft volgens haar veel last van de strijd die binnen de familie is ontstaan.\n\nDe broer (oom van de nicht) vraagt in zijn verweerschrift het verzoek van de zus af te wijzen en op dit moment geen enkel verzoek tot het instellen van een bewind en mentorschap te behandelen, omdat er geen spoed voor bestaat. Betrokkene woont op een goede nieuwe plek binnen de muren van een verzorgingshuis, waar het goed met hem gaat. De broer wenst dat de huidige situatie in stand blijft. Als de kantonrechter toch een maatregel noodzakelijk acht, dan verzoekt hij om de vertrouwensband tussen betrokkene en zijn mantelzorger, de nicht, niet los te koppelen, en de nicht én zichzelf tot bewindvoerders en mentoren te benoemen.\n\nDe gemachtigde van betrokkene vraagt in het verweerschrift de verzoeken van de zus nietig of niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen omdat op geen enkele wijze is aangetoond dat betrokkene niet in staat zou zijn om zijn belangen behoorlijk waar te nemen. Betrokkene heeft geen schulden. Hij is onlangs verhuisd en woont momenteel zelfstandig in een appartement in een zorgcomplex. Uit niets blijkt dat het niet goed zou gaan. Mocht de kantonrechter instelling van bewind en mentorschap noodzakelijk achten, is het de wens van betrokkene dat zijn nicht en zijn broer benoemd worden tot bewindvoerders en mentoren.\n\nDe overwegingen van de kantonrechter – procedureel verweer\n\nDe gemachtigde van betrokkene heeft primair gesteld dat de inleidende verzoeken van de zus nietig of niet-ontvankelijk zijn. Zij zouden niet aan de wettelijke eisen voldoen, omdat in het mentorschapsverzoek het actuele adres van betrokkene niet juist is vermeld en ten onrechte de broer als medeverzoeker is genoemd. Ook is de nicht niet als belanghebbende vermeld, zijn de stellingen van de zus niet deugdelijk onderbouwd en heeft zij niet alle onderdelen van de formulieren volledig ingevuld.\n\nDe kantonrechter wijst dit verweer af. De gestelde tekortkomingen leiden niet tot nietigheid van het verzoekschrift. Voor niet-ontvankelijkheid ziet de kantonrechter geen aanleiding. Zoals ter zitting is gebleken, was het op grond van de stukken en de toelichting daarop voor alle betrokkenen en ook voor de kantonrechter (over)duidelijk welke verzoeken ter beoordeling voorliggen en op welke gronden. De verzoeken zijn vervolgens uitgebreid besproken, waarbij alle betrokkenen op elkaars stellingen en argumenten hebben kunnen reageren.\n\nDe overwegingen van de kantonrechter – bewind en mentorschap\n\n Op grond van de stukken en hetgeen is besproken op de zitting acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat betrokkene als gevolg van een lichamelijke of geestelijke toestand niet langer in staat is zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen zelfstandig voldoende te behartigen.\n\nBetrokkene is eerder gediagnosticeerd met dementie. Ook als die diagnose niet juist zou zijn, is volgens zijn nicht sprake van niet-aangeboren hersenletsel, mogelijk als gevolg van langdurig alcoholgebruik. Hij valt regelmatig. De kantonrechter heeft op de zitting geconstateerd dat betrokkene moeite heeft met zijn kortetermijngeheugen en dat hij zich veel dingen uit het recente verleden niet herinnert. Betrokkene heeft dat ook zelf bevestigd. Om die reden schrijft hij zaken in zijn agenda op. Hij gebruikt dit als geheugensteuntje. Op de zitting heeft betrokkene zijn agenda onder meer bekeken toen het ging over zijn adres, de gang van zaken rondom zijn verhuizing en zijn ziekenhuisverblijf in het voorjaar, dat hij zich in eerste instantie niet herinnerde. Duidelijk is dat betrokkene hulp nodig heeft bij het regelen van financiële en niet-financiële zaken.\n\nBetrokkene heeft op de zitting aangegeven dat hij zich neerlegt bij de beslissing van de kantonrechter, maar dat hij liefst heeft dat de situatie blijft zoals die nu is. Zoals op de zitting echter duidelijk is geworden, lopen zowel de zus als de nicht tegen problemen aan omdat niet eenduidig is geregeld wie betrokkene mag vertegenwoordigen. Door de conflicten tussen beiden kunnen bepaalde zaken op dit moment niet (goed) geregeld worden.\n\nDe kantonrechter zal om de hiervoor genoemde redenen een bewind en mentorschap instellen ten behoeve van betrokkene.\n\nVervolgens is de vraag wie als bewindvoerder en mentor benoemd moet worden. Daarover overweegt de kantonrechter als volgt.\n\nHet uitgangspunt van de wet is dat bij de benoeming van een bewindvoerder en\u002Fof mentor de voorkeur van betrokkene wordt gevolgd, tenzij er gegronde redenen zijn die zich daartegen verzetten. Op de zitting heeft betrokkene een duidelijke voorkeur te kennen gegeven voor zijn nicht als bewindvoerder en mentor. Hij vertrouwt zijn nicht en hij accepteert haar. Zij hebben altijd veel contact gehouden en nu zij dichter bij elkaar wonen zien ze elkaar nog vaker. Hij voelt zich prima in zijn nieuwe woning en leven in ’s-Hertogenbosch. Als iemand hem moet helpen, dan moet zijn nicht dat doen. Daarnaast vindt hij het goed als ook zijn broer tot bewindvoerder en mentor wordt benoemd.\n\nDe kantonrechter ziet geen gegronde reden om af te wijken van de duidelijke voorkeur van betrokkene en licht dat als volgt toe.\n\nDuidelijk is dat sprake is van verstoorde familieverhoudingen tussen de zus enerzijds en de broer en nicht anderzijds. Zij maken elkaar over en weer verwijten en vertrouwen elkaar niet meer, hoewel zij allemaal het beste met betrokkene voor hebben en de afgelopen jaren betrokkene op verschillende momenten en manieren hebben bijgestaan.\n\nDe zus heeft aangegeven dat zij heeft gezien dat de nieuwe woonsituatie van betrokkene prima is. Zij meent echter vanwege haar eerdere ervaringen dat de nicht niet geschikt zou zijn als bewindvoerder en mentor. De nicht heeft dit in een uitgebreide reactie weersproken. Zij heeft de afgelopen maanden veel zorg geboden aan betrokkene en hij heeft ook een aantal weken bij haar gelogeerd na een val, voordat hij kon verhuizen. De broer (oom van nicht) heeft bevestigd dat het goed met betrokkene gaat en dat zijn nicht in overleg met betrokkene en de broer de verhuizing heeft geregeld naar een geschikte nieuwe woonplek. Hij meent dat de belangen van betrokkene op dit moment goed worden behartigd door de nicht als mantelzorger. Zij kent de wensen van betrokkene en is nauw betrokken bij zijn dagelijkse zorg en onderhoudt een goede relatie met de hulpverleners. Volgens de gemachtigde van betrokkene zijn er geen aanwijzingen voor financieel misbruik en heeft de bank van betrokkene dit bevestigd. Naar het oordeel van de kantonrechter is aldus niet gebleken van concrete feiten en omstandigheden die in de huidige situatie een belemmering vormen om de nicht en de broer als bewindvoerders en mentoren van betrokkene te benoemen.\n\nDe kantonrechter zal daarom de voorkeur van betrokkene volgen en de nicht en de broer gezamenlijk benoemen tot bewindvoerders en mentoren ten behoeve van betrokkene. De kantonrechter zal op de gebruikelijke wijze toezicht houden op de uitvoering van het bewind en het mentorschap. Dat betekent dat de bewindvoerders-mentoren verantwoording zullen afleggen aan de kantonrechter. Omdat betrokkene niet in staat wordt geacht om toestemming te geven voor de handelingen als bedoeld in artikel 1:441 Burgerlijk Wetboek, zullen de bewindvoerders voor dergelijke handelingen steeds tevoren toestemming aan de kantonrechter moeten verzoeken. Voor een nadere toelichting op de taken en verantwoordelijkheden van bewindvoerder en mentor verwijst de kantonrechter onder meer naar de informatie die is opgenomen op de website van de rechtspraak en in de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4805","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:14.270Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1925","ECLI:NL:RBOBR:2026:4324","ecli-nl-rbobr-2026-4324","beschikkingRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummer : C\u002F01\u002F413993 \u002F FA RK 25-1229\n\nUitspraak : 30 maart 2026\n\nBeschikking van de meervoudige kamer betreffende voornaamswijziging in de zaak van:\n\n [Verzoeker] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , hierna te noemen: verzoeker, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. P.A. Schippers.\n\nDe rechtbank merkt als belanghebbende aan:\n\nhet Openbaar Ministerie in het arrondissement Oost-Brabant,\n\nhierna te noemen: het OM.\n\nDeze beschikking is een vervolg op de beschikking van deze rechtbank van 1 september 2025.\n\n1. De procedure1.1.. De rechtbank heeft na de beschikking van 1 september 2025 kennisgenomen van:\n\nde conclusie van het OM van 2 oktober 2025;\n\nde brief met bijlage van mr. Schippers van 3 februari 2026.\n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Verschenen zijn verzoeker en zijn advocaat en [vertegenwoordiger OM] namens het OM.\n\n2. De beoordeling2.1.. Bij beschikking van 1 september 2025 heeft de rechtbank het OM verzocht een conclusie te nemen. De rechtbank heeft het OM verzocht daarbij de justitiële documentatie te raadplegen en de daarin ten aanzien van verzoeker opgenomen gegevens te betrekken in de conclusie.\n\n2.2.. \n\nHet OM geeft de rechtbank in overweging om het verzoek af te wijzen.\n\nHet OM heeft in zijn conclusie aangegeven dat op de justitiële documentatie van verzoeker drie verschillende registraties voorkomen, waarvan de laatste de kwestie betreft waarbij verzoeker zijn moeder om het leven bracht. Verzoeker is voor deze kwestie veroordeeld. De strafmaat luidde vier jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden. De tbs is na meerdere verlengingen geëindigd op 26 januari 2025. Sindsdien zijn geen incidenten geregistreerd.\n\n2.3.. \n\nVoor wat betreft de verhouding tussen het persoonlijk belang van verzoeker en\n\nhet algemeen maatschappelijk belang merkt het OM het volgende op. Het OM kent een grote waarde toe aan de producten van de justitiële informatiedienst van het ministerie van justitie en veiligheid (Justid). Justid verzamelt en beheert gegevens zoals vingerafdrukken en strafverleden, onder meer ten behoeve van een correcte strafrechtspleging. Betrouwbaarheid, volledigheid en continuïteit van de gegevens zijn daarbij cruciaal. Het verzoek tot voornaamswijziging heeft vragen opgeroepen over de gevolgen die dat met zich meebrengt in het systeem van Justid. Navraag bij Justid heeft hierover de volgende informatie opgeleverd: “Wanneer een voornaam wordt gewijzigd in de Basisregistratie Personen (BRP), wordt deze wijziging automatisch doorgevoerd in alle systemen die aan de BRP zijn gekoppeld. De Strafrechtketendatabank (SKDB) is verbonden met de BRP,\n\nwaardoor de nieuwe naam wordt gekoppeld aan de registratie. De SKDB\n\ncommuniceert deze wijziging vervolgens door naar de Justitiële Documentatie\n\n(JD). Er bestaat dus een koppeling tussen oude en nieuwe namen via het\n\nBurgerservicenummer (BSN), wat ervoor zorgt dat informatie onder beide\n\nnamen toegankelijk blijft. Echter, indien iemand op JD-online zoekt met oude personalia in plaats van via het BSN, kunnen er onjuiste gegevens worden verstrekt omdat de JD geen link heeft met historische namen, anders dan SKDB”. Het hiaat in het registratiesysteem waar Justid op wijst acht het OM zorgelijk en onwenselijk in algemene zin indien er vóór een naamswijziging reeds sprake is van een JD. Meer specifiek acht het OM het zorgelijk en onwenselijk ten aanzien van het onderhavige verzoek, in aanmerking genomen dat het in casu een zeer ernstig feit betreft op de JD, waarvan de opgelegde maatregel bovendien recent is geëindigd. Los van de vraag hoe groot de kans op recidive is, is een hiaat in de JD onwenselijk indien er gerecidiveerd wordt.\n\n2.4.. Aanvullend merkt het OM nog op dat enkel het gebruik van de voorletter van de voornaam gecombineerd met de achternaam eveneens de door verzoeker genoemde ongewenste ‘hits’ oplevert. Verzoeker zal derhalve ook na de beoogde voornaamswijziging altijd nog geconfronteerd kunnen worden met ongewenste gevolgen.\n\n2.5.. Tijdens de mondelinge behandeling hebben betrokkenen hun standpunt toegelicht.\n\n2.6.. \n\nDe rechtbank overweegt als volgt.\n\nOp grond van artikel 1:4 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter wijziging van de voornamen gelasten op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijk vertegenwoordiger. Voor een dergelijke wijziging dient een voldoende zwaarwichtig belang te bestaan. De vraag wanneer sprake is van een voldoende zwaarwichtig belang, wordt in de wet en de wetsgeschiedenis niet beantwoord. Daarvoor dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Voornamen vallen onder het begrip privéleven en familie- of gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM, omdat zij een middel zijn om personen binnen hun familie en in het maatschappelijk verkeer te identificeren. Het door dit artikel beschermde belang brengt mee dat inmenging van enig openbaar gezag niet is toegestaan. Niet iedere regulering houdt evenwel ook een inmenging in. Een weigering om een voornaam te wijzigen kan niet zonder meer als ongeoorloofde inmenging worden aangemerkt. Daarvoor zal steeds moeten worden onderzocht of sprake is van een evenwichtige belangenafweging (“fair balance”) tussen enerzijds de belangen van het individu en anderzijds de belangen van de staat, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat de staat een zekere mate van beoordelingsvrijheid toekomt. Of de weigering om een voornaam te wijzigen, een ongerechtvaardigde inmenging oplevert, hangt af van de mate van ongemak en overlast die de betrokkene, in dit geval verzoeker, hiervan ondervindt. Daarbij dienen alle feiten en omstandigheden te worden meegewogen, waaronder de vraag of het voor betrokkene feitelijk toch mogelijk is de gewenste voornaam te voeren.\n\n2.7.. De rechtbank is, gelet op de stukken en de verklaring van verzoeker tijdens de mondelinge behandeling, van oordeel dat verzoeker een voldoende zwaarwegend belang heeft bij de door hem verzochte wijziging van zijn voornaam. Dit belang heeft in dit geval zwaarder te wegen dan het algemeen belang bij naamconsistentie.\n\n2.8.. Verzoeker wordt ernstig belemmerd in zijn resocialisatie. Verzoeker is verhuisd naar een andere stad en zijn resocialisatie staat stil. Verzoeker heeft verklaard dat hij niet kan socialiseren met in zijn achterhoofd de wetenschap dat, wanneer mensen met wie hij in contact komt hem googelen, zijn strafrechtelijke verleden altijd opkomt. Om deze reden is hij ook al eens afgewezen voor een stage, waar hij aanvankelijk voor was aangenomen. Verder is solliciteren haast onmogelijk gebleken, zelfs met tussenkomst van een begeleidende instantie. Ook bij het aangaan van (nieuwe) sociale contacten komt het voor dat men stuit op zijn strafrechtelijk verleden als men hem op zijn naam googelt, reden waarom verzoeker het aangaan van sociale contacten uit de weg gaat.\n\n2.9.. \n\nDe rechtbank ziet in de stellingen van het OM geen aanleiding om het algemeen belang zwaarder te laten wegen dat het belang van verzoeker. Het OM heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn conclusie toegelicht voor wat betreft het hiaat in het registratiesysteem waar Justid op wijst. Het OM heeft in dat verband verklaard dat het grootste bezwaar erin gelegen is dat betrokkene, in geval van wijziging van zijn voornaam, blijft beschikken over zijn oude identiteitsbewijs totdat dit verlopen is en zich hiermee dus tot die tijd kan blijven identificeren, waarbij hij dan in de JD voorkomt als ‘onbekend’. Deze stelling komt de rechtbank onjuist voor. Wijziging van een voornaam van een persoon in de Basisregistratie Personen leidt er immers toe dat alle identiteitsbewijzen van de betrokken persoon ongeldig worden, zodat nieuwe identiteitsbewijzen dienen te worden aangevraagd. De oude documenten moeten daarbij worden ingeleverd of onklaar worden gemaakt. Het is dan niet meer mogelijk om zich te identificeren met de oude identiteitsbewijzen. De rechtbank acht het bovendien onwaarschijnlijk dat verzoeker geen nieuw identiteitsbewijs zal aanvragen omdat hij, wanneer hij dit nalaat, na de wijziging van zijn voornaam niet langer beschikt over een geldig identiteitsbewijs. Bovendien zal verzoeker in dat geval niet de door hem met zijn verzoek beoogde positieve gevolgen ervaren van de wijziging van zijn voornaam, aangezien hij zich dan nergens met zijn nieuwe naam kan legitimeren.\n\nVerder merkt de rechtbank nog op dat een googlezoekopdracht op de naam [Voorletter en achternaam] weliswaar nog steeds tot resultaten leidt die verwijzen naar het door verzoeker begane ernstige strafbare feit, maar dat daarbij de naam [oude naam] naar voren komt en niet de naam [nieuwe voornaam] , zodat deze resultaten niet meer zijn te herleiden naar verzoeker nadat zijn voornaam is gewijzigd.\n\n2.10.. Het is de rechtbank niet gebleken dat de door verzoeker gewenste voornaam ongepast is in de zin van artikel 1:4 lid 2 BW, noch dat deze overeenstemt met een bestaande geslachtsnaam die niet tevens een gebruikelijke voornaam is.\n\n2.11.. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. gelast de wijziging van de voornaam van verzoeker van [oude naam] in [nieuwe voornaam] .\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. L.J. Geerits, voorzitter, mr. V.R. de Meyere en mr. J.W. Brunt, als leden van de meervoudige kamer, allen rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 30 maart 2026.\n\nTegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof [geboorteplaats] a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4324","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:45.826Z",1,20]