[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-immigration-detention-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},45,"immigration-detention-nl","Immigration Detention","NL","2026-07-08T16:53:39.887Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2025-11-10T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1568","ECLI:NL:RBDHA:2026:18519","ecli-nl-rbdha-2026-18519","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35195\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\n(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).\n\nProcesverloop\n\n1. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n1.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft partijen op 25 juni 2026 uitgenodigd voor de behandeling van de zaak op zitting. Partijen hebben vervolgens ingestemd met schriftelijke afdoening van de zaak en de behandeling ter zitting op 25 juni 2026 is niet door gegaan.\n\n1.3.. Eiser heeft op 29 juni 2026 beroepsgronden ingediend. De minister heeft daarop op 1 juli 2026 gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 3 juli 2026 gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nKan de kennisgeving van de minister worden ingetrokken door eiser?\n\nFeiten en omstandigheden\n\n2. Nadat de rechtbank de kennisgeving van de inbewaringstelling van eiser had ontvangen, is onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting bepaald.Gemachtigde van eiser heeft daarop contact opgenomen met de rechtbank en aangegeven dat hij op dat tijdstip verhinderd is. De dag van de zitting heeft hij, verdeeld over het land, meerdere bewaringszittingen en van hem kan niet verwacht worden dat hij overal kan verschijnen. Gemachtigde van eiser heeft aangegeven de zaak te willen intrekken en heeft vervolgens een intrekkingsverklaring aan het digitale dossier toegevoegd. De rechtbank heeft daarop contact opgenomen met de gemachtigde van eiser en aangegeven dat de behandeling van de zaak wordt voorgezet, ondanks de aan het digitale dossier toegevoegde intrekkingsverklaring. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens verzocht de zaak schriftelijk te behandelen. De minister heeft ingestemd met schriftelijke behandeling.\n\nStandpunt eiser\n\n3. In de gronden van beroep van 29 juni 2026 persisteert eiser bij zijn intrekking. Namens eiser is nogmaals aangegeven dat het voor zijn gemachtigde niet mogelijk is om op meerdere plaatsen tegelijkertijd op bewaringszittingen te verschijnen en in dat kader wordt gewezen op de (on)mogelijkheden voor het CIV om meerdere zaken van één gemachtigde gebundeld te laten plannen bij een zittingsplaats. Indien de intrekking door de rechtbank niet wordt geaccepteerd dan hoort eiser graag waarom dat zo is en verzoekt hij de rechtbank de maatregel van bewaring ambtshalve te beoordelen.\n\nStandpunt minister\n\n4. De minister stelt zich op het standpunt dat, gelet op artikel 94, vijfde lid van de Vw 2000 en artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijnhet beroep door middel van een kennisgeving niet kan worden ingetrokken door (de gemachtigde van) de vreemdeling. Op het moment dat een kennisgeving door (de gemachtigde van) de vreemdeling kan worden ingetrokken, heeft dat tot gevolg dat de rechtmatigheid van de bewaring niet (meer) door de rechter wordt getoetst. Dit is strijdig met artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn omdat de rechtmatigheid van de bewaring in een dergelijk geval ongetoetst blijft.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. Bij deze beoordeling gaat het om een maateregel van bewaring die is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 en deze maatregel van bewaring duurde tot het moment van sluiting van het onderzoek nog voort.\n\n5.1.. Omdat het gaat om een maatregel op grond van artikel 59b van de Vw 2000 is de Opvangrichtlijn van toepassing. Uit artikel 11, tweede lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat bewaring wordt bevolen door rechterlijke of administratieve instanties. Artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn bepaalt dat wanneer de bewaring wordt bevolen door een administratieve instantie, de lidstaten er ambtshalve of op verzoek van de verzoeker, of beide, voor zorgen dat de rechtmatigheid van de bewaring door de rechter met spoed wordt getoetst.\n\n5.2.. In artikel 94, eerste lid van de Vw 2000 is opgenomen dat de minister onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikel 59b van de Vw 2000 de rechtbank hiervan in kennis stelt.\n\n5.3.. Dit betekent dat de wetgever ervoor gekozen heeft de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring ambtshalve aan de rechter voor te leggen door middel van het verzenden van een kennisgeving. De mogelijkheid voor het instellen van beroep door de vreemdeling is niet (meer) opgenomen in de Vw 2000. Dat dit een bewuste keuze is, blijkt expliciet uit de Memorie van Toelichting (MvT)waarin is opgenomen dat:\n\n“In dit wetsvoorstel wordt artikel 94, eerste lid, Vw 2000 aangepast aan de keuze van de regering om enkel ambtshalve beroep open te stellen tegen een vrijheidsontnemende maatregel. De vreemdeling hoeft daardoor niet zelf beroep in te stellen. In verband met de kortere uitspraaktermijn in bewaringszaken wordt in het voorgestelde artikel 94, eerste lid, Vw 2000 opgenomen dat de Minister van Asiel en Migratie de rechtbank onverwijld in kennis stelt van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel na de bekendmaking daarvan.\n\nAanvankelijk werd beoogd zowel de ambtshalve toetsing door de rechter als de mogelijkheid voor de vreemdeling om zelf beroep in te stellen, open te houden. Naar aanleiding van de consultatiereacties, in het bijzonder met betrekking tot de uitvoerbaarheid, kiest de regering ervoor alleen nog de ambtshalve toetsing door de rechter te behouden, waarbij de rechtbank onverwijld na de bekendmaking in kennis wordt gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Dit levert namelijk minder administratieve lasten op voor de uitvoering en de rechtspraak en zorgt ervoor dat de kortere uitspraaktermijn optimaal kan worden benut.”\n\n5.4.. Gelet op de bewoordingen van artikel 11 van de Opvangrichtlijn, waarin is aangegeven dat de lidstaat er ambtshalve ofop verzoek van de verzoeker,ofbeide voor zorgdraagt dat de rechtmatigheid van de bewaring zo spoedig mogelijk wordt getoetst, heeft de wetgever er dus voor kunnen kiezen het eerste beroep ter toetsing van de inbewaringstelling telkens in te leiden met een kennisgeving en daarmee alleen de ambtshalve weg open te stellen.\n\n5.5.. Ter waarborging van de spoedige rechterlijke toetsing is in artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn eveneens bepaald dat deze toets zo snel mogelijk wordt afgerond, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval, en uiterlijk 15 dagen of, in uitzonderlijke omstandigheden, uiterlijk 21 dagen na de aanvang van de bewaring. Indien de in de eerste alinea bedoelde rechterlijke toetsing ambtshalve wordt uitgevoerd en niet binnen 21 dagen na de aanvang van de bewaring is afgerond, wordt de betrokken verzoeker onmiddellijk vrijgelaten. Deze bepalingen uit de Opvangrichtlijn zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000.\n\n5.6.. Voorgaande betekent dat de spoedige rechtelijke toetsing van het opleggen van de maatregel van bewaring alleen kan worden ingeleid via de kennisgeving daarvan door de minister en dat met deze kennisgeving vervolgens ook de verplichting ontstaat voor de rechtbank om de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring te toetsen.\n\n5.7.. Hoewel in artikel 94, eerste lid, tweede volzin van de Vw 2000 is bepaald dat wanneer de kennisgeving is ontvangen, de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld, betekent dit niet dat het de vreemdeling ook vrijstaat de met een beroep gelijkgestelde kennisgeving in te trekken. Als deze mogelijkheid open zou staan dan wordt het de rechtbank onmogelijk gemaakt te voldoen aan de bepalingen uit de Opvangrichtlijn zoals deze zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid van de Vw 2000. De rechtbank kan dan immers niet binnen 15, uiterlijk 21 dagen de rechterlijke toetsing uitvoeren. De consequentie daarvan is dat de maatregel van bewaring moet worden opgeheven na 21 dagen.\n\n5.8.. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar het arrest C.B.X. (ambtshalve toetsing van de bewaring) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Hoewel dit arrest is gewezen onder de werking van de inmiddels herziene Opvangrichtlijn van 2013, gelden de uitgangspunten uit dat arrest onverkort. In de punten 92 en 93 van het arrest benadrukt het Hof dat, het door de Uniewetgever vastgestelde strikte kader voor bewaring en voortduring van een bewaringsmaatregel, tot een situatie leidt die niet geheel te vergelijken valt met een bestuursrechtelijk geschil waarin het initiatief en de afbakening van het geschil bij de partijen berusten. Voor de rechterlijke autoriteit geldt de verplichting om ambtshalve vast te stellen of een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van een dergelijke maatregel niet is nageleefd. De rechtbank overweegt dat, nu alleen met het verzenden van de kennisgeving de maatregel van bewaring aan de rechtbank ter toetsing kan worden voorgelegd, de rechtbank de rechtmatigheid daarvan ook alleen via die weg kan en ook moet beoordelen. Dat in bestuursrechtelijke geschillen een ingesteld beroep kan worden ingetrokken, doet niet af aan de uit de Opvangrichtlijn volgende verplichting voor de rechterlijke autoriteit om een aan de rechtbank voorgelegde maatregel van bewaring, spoedig te toetsen, ook al heeft de vreemdeling daaraan -kennelijk- geen behoefte.\n\n5.9.. Daarbij komt dat de door het Hof genoemde strikte kaders met de huidige Opvangrichtlijn nog strikter zijn geworden, nu een niet tijdige rechterlijke toets tot onmiddellijke invrijheidsstelling leidt. Een mogelijkheid voor de vreemdeling om deze rechtelijke toets onmogelijk te maken door de met een beroep gelijkgestelde kennisgeving in te trekken en daarmee zijn invrijheidstelling te bewerkstelligen, verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet met de doelstellingen van het Unierecht.\n\n5.10.. Dit betekent dat de rechtbank, in ieder geval zolang de vrijheidsontneming nog voortduurt, de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring die is ingeleid met de kennisgeving moet kunnen toetsen, ook als de vreemdeling daarop geen prijs stelt en de kennisgeving, die wordt aangemerkt als een beroep, wil intrekken.\n\n5.11.. In de concrete zaak van eiser betekent dit dat de rechtbank, nu eiser geen inhoudelijke gronden heeft ingediend, het opleggen en het voortduren van de maatregel ambtshalve zal beoordelen.\n\n5.12.. Naar aanleiding van het standpunt van de gemachtigde van eiser dat hij niet in staat was te verschijnen op de door de rechtbank geplande zitting en daarom geen andere keuze had dan een intrekkingsverklaring aan het digitale dossier toevoegen, merkt de rechtbank nog het volgende op. De gemachtigde had in dat geval had kunnen verzoeken om verplaatsing van de zitting naar een andere dag of tijdstip of, zoals uiteindelijk ook is gebeurd, in overleg met eiser kunnen verzoeken de zaak schriftelijk af te doen.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n6. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de identiteit of nationaliteit en het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico.\n\n6.1.. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nb. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\nc. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\nd. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;\n\np. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\nq. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\nKunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet betwist. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden, bezien in samenhang met de daarop in de maatregel gegeven toelichting, het bestaan van een risico op onderduiken dragen.\n\nLeidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?\n\n8. De rechtbank overweegt dat ook de ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet tot de conclusie leidt dat het opleggen van de maatregel en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek onrechtmatig was.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 juli 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.\n\n Dit volgt uit artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000.\n\n Richtlijn (EU) 2024\u002F1346 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming\n\n MvT, 2025-2026, 36 871, nr. 3, pagina 84 e.v.\n\n Arrest van 8 november 2022, C, B, en X, ECLI:EU:C:2022:858\n\n Richtlijn 2013\u002F33\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking)\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18519","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:27.508Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"554","ECLI:NL:RBDHA:2025:24483","ecli-nl-rbdha-2025-24483","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.52052\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], V-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: [naam]).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 22 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe minister heeft op 30 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is overgedragen aan Duitsland.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.\n\nOverwegingen\n\nInformatieplicht\n\n1. Eiser wijst er op dat de minister stelselmatig de informatieplicht als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schendt omdat hij er vaak niet in slaagt tijdig een volledig dossier aan te leveren. Deze werkwijze levert een schending van het beginsel van fair trial op. Eiser wijst ook op artikel 8.4 van het Procesreglement bestuursrecht (Procesreglement) waaruit volgt dat de op de zaak betrekking hebbende stukken tijdig overgelegd dienen te worden. Ter zitting heeft eiser in het bijzonder gewezen op de piketmelding die pas op de dag van de behandeling van het beroep op zitting door de minister aan het digitale dossier is toegevoegd. Ook heeft hij er op gewezen dat het ‘standaardformulier melding overdracht’, waarmee de minister de overdracht van eiser aan de Duitse autoriteiten heeft medegedeeld, ten onrechte niet aan het dossier is toegevoegd.\n\n2. Voor zover het bericht van 28 oktober 2025 moet worden gezien als beroepsgrond ter zake van schending van de informatieplicht op grond van de artikelen 8:42 van de Awb, 94 van de Vw 2000 en 8.4 van het Procesreglement bestuursrecht slaagt deze niet. De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken op 24 oktober 2025 ingediend met uitzondering van de gedingstukken, die in het digitale dossier van de rechtbank zijn genummerd met 26 tot en met 37. De stukken 26, 27 en 28 zijn op 29 oktober 2025 om 17.00 uur ingediend, en betreffen het claimakkoord, het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser en het besluit tot verlengen van de overdrachtstermijn. Dat deze documenten een uur na het tijdstip, genoemd in het procesreglement, zijn ingediend acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat eiser door deze overschrijding in zijn processuele belangen is geschaad. De stukken 29 tot en met 37 zijn op 30 en 31 oktober 2025 ingediend en betreffen voor zover relevant de voortgangsrapportage, de opheffing van de maatregel van bewaring op 30 oktober 2025, en het verslag van het vertrekgesprek van 27 oktober 2025. Alleen ten aanzien van dat laatste verslag kan staande worden gehouden dat dit voor het tijdstip, bedoeld in het procesreglement had kunnen worden overgelegd. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft eisers gemachtigde desondanks een inhoudelijk standpunt over dit document ingenomen. Voorts was het tijdstip van indiening niet zo laat en het document niet zo omvangrijk dat eiser daardoor in zijn processuele belangen is geschaad. De piketmelding is inderdaad pas op 3 november 2025 aan het dossier toegevoegd, maar ook daardoor eis eiser niet in zijn processuele belangen geschaad. Eisers gemachtigde heeft de piketmelding blijkens dat gedingstuk immers op 22 oktober 2025 om 18.09 uur aanvaard. Hoewel eiser er terecht op heeft gewezen dat de minister het ‘standaardformulier melding overdracht’ niet aan het digitale dossier heeft toegevoegd, kan uit het voortgangsrapport worden opgemaakt dat eisers gemachtigde op 27 oktober 2025 op de hoogte is gesteld van de overdrachtsgegevens en heeft de minister ter zitting toegelicht dat op dezelfde dag de overdracht aan de Duitse autoriteiten is aangekondigd. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt op dit punt dus geen relevante informatie in het dossier.\n\nOmvang van het geding\n\n3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\nDe gronden van de maatregel van bewaring\n\n4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zou onderduiken. De minister heeft als zwaregronden vermeld dat eiser:\n\n3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij\u002Fzij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\nen als lichtegronden vermeld dat eiser:\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n4.1.. Eiser heeft de feitelijke juistheid van de gronden niet bestreden, en evenmin betwist dat deze gronden de maatregel kunnen dragen. De rechtbank ziet ambtshalve geen grond voor een ander oordeel.\n\nVoortvarendheid\n\n5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat hij daardoor twee dagen langer dan nodig in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht. Uit het claimakkoord volgt dat de Duitse autoriteiten wensen dat een Dublinoverdracht drie werkdagen van tevoren wordt aangekondigd. De Nederlandse autoriteiten hadden de overdracht volgens eiser op de dag van de inbewaringstelling, 22 oktober 2025, gelijk bij de Duitse autoriteiten aan kunnen kondigen, waardoor de grensoverdracht drie werkdagen later op 27 of anders 28 oktober 2025 had kunnen plaatsvinden. Eiser wijst er verder op dat het tweede vertrekgesprek op 27 oktober 2025 zinloos is geweest. De overdracht had ook onmiddellijk na het eerste vertrekgesprek ingepland kunnen worden, en dan had eiser twee dagen eerder kunnen worden overgedragen aan Duitsland.\n\n5.1.. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister voorafgaand aan de opheffing van de bewaring onvoldoende voortvarend aan de overdracht van eiser heeft gewerkt. Eiser is op 22 oktober 2025 in bewaring gesteld. De minister heeft op 24 oktober 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Uit het door de minister aan het dossier toegevoegde voortgangsrapport volgt dat er op diezelfde dag een planverzoek landoverdracht Duitsland is verzonden aan de DT&V en dat eisers gemachtigde vervolgens op 27 oktober 2025 van de overdrachtsgegevens in kennis is gesteld. Op 27 oktober 2025 heeft tevens een vertrekgesprek plaatsgevonden. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat dit vertrekgesprek zinloos is geweest, aangezien eiser in dit gesprek op de hoogte is gebracht van zijn overdracht en in de gelegenheid is gesteld om eventuele bijzonderheden rondom de overdracht te bespreken. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank niet in dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, te meer nu de minister er ter zitting terecht op heeft gewezen dat geen sprake is geweest van een geplande inbewaringstelling. Het tweede vertrekgesprek op 27 oktober 2025, waarin eiser van de voorgenomen overdracht in kennis is gesteld, heeft de feitelijke overdracht van eiser aan Duitsland niet vertraagd.\n\nConclusie\n\n6. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaand aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geworden. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Noord, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 november 2025\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24483","2025-12-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:36.441Z",1,20]