[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-tort-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":14,"decisions":28,"total":15,"page":24,"limit":48},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":5,"slug":10,"name":11,"country":12,"createdAt":13},"tort-law-nl","Tort Law","NL","2026-07-08T16:54:31.314Z",{"totalDecisions":15,"dateRange":16,"topProvisions":19},2,{"min":17,"max":18},"2026-03-26T00:00:00.000Z","2026-04-15T00:00:00.000Z",[20,25],{"provisionId":21,"code":22,"article":23,"count":24},"122986","Burgerlijk Wetboek","art. 6:101 lid 1",1,{"provisionId":26,"code":22,"article":27,"count":24},"122808","art. 7:954 lid 1",[29,40],{"id":30,"ecli":31,"slug":32,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":34,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":36,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":38,"updatedAt":39},"1028","ECLI:NL:RBOBR:2026:2492","ecli-nl-rbobr-2026-2492","","RECHTBANK Oost-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nVonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 15 april 2026\n\nin de zaak met zaaknummer C\u002F01\u002F337086 \u002F HA ZA 18-523 van\n\n1. [eiser 1 in de hoofdzaak] ,\n\nte [plaats] (gemeente [gemeente] ), 2. [eiser 2 in de hoofdzaak],\n\nte [plaats] (gemeente [gemeente] ),\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers in de hoofdzaak] ,\n\nadvocaat: mr. A.Ch.H. Franken,\n\ntegen\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring],\n\nte [plaats] ( [land] ),\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] ,\n\nadvocaat: mr. J.M.H.W. Bindels,\n\nen in de zaak met zaaknummer C\u002F01\u002F343438 \u002F HA ZA 19-144 van\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring],\n\nte [plaats] ( [land] ),\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] ,\n\nadvocaat mr. J.M.H.W. Bindels,\n\ntegen\n\n [gedaagde in vrijwaring] B.V.,\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde in vrijwaring] ,\n\nadvocaat mr. W.C.T. Weterings.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:\n\nhet tussenvonnis van 1 februari 2023\n\nde akte van [eisers in de hoofdzaak] van 8 februari 2023 met producties 70 t\u002Fm 75\n\nde akte van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] van 14 juni 2023 met producties 20 en 21\n\nde akte van [eisers in de hoofdzaak] van 12 juni 2024 met productie 76\n\nhet deskundigenbericht\n\nde conclusie na deskundigenbericht van [eisers in de hoofdzaak]\n\nde conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring]\n\nhet proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 januari 2026\n\nde akte vermeerdering van eis.\n\n1.2.. \n\nHet verloop van de procedure in vrijwaring blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 1 februari 2023.1.3.. Ten slotte is in beide zaken vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling in de hoofdzaak\n\nDe vermeerdering van eis\n\n2.1.. \n [eisers in de hoofdzaak] heeft bij akte van 23 januari 2026 haar eis vermeerderd. In de dagvaarding vorderde [eisers in de hoofdzaak] onder andere primair bedrijfsschade, vermeerderd met wettelijke rente met ingang van 1 januari 2017 en 1 januari 2018. In de vermeerdering van eis komt daar de wettelijke rente over de periode daarna erbij. Na eiswijziging vordert [eisers in de hoofdzaak] dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:\n\nverklaart voor recht dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] aansprakelijk is voor de schade die [eisers in de hoofdzaak] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] ;\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] veroordeelt tot vergoeding van de door [eisers in de hoofdzaak] geleden schade ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] , bestaande uit:\n\ni. de bedrijfsschade die [eisers in de hoofdzaak] geleden heeft en zal lijden, te weten:\n\nprimair:\n\nde gederfde winst en de gemaakte kosten, te begroten op € 1.659.221,62, vermeerderd met de wettelijke rente over:\n\n1) € 196.420,00 met ingang van 1 januari 2017;\n\n2) € 171.130,00 met ingang van 1 januari 2018;\n\n3) € 175.290,00 met ingang van 1 januari 2019;\n\n4) € 181.015,00 met ingang van 1 januari 2020;\n\n5) € 191.540,00 met ingang van 1 januari 2021;\n\n6) € 159.248,00 met ingang van 1 januari 2022;\n\n7) € 117.248,00 met ingang van 1 januari 2023;\n\n8) € 97.926,00 met ingang van 1 januari 2024;\n\n9) € 72.762,00 met ingang van 1 januari 2025;\n\n10) € 72.471,00 met ingang van 1 januari 2026;\n\n11) € 72.509,00 met ingang van 1 januari 2027;\n\nsubsidiair:\n\nde directe schade en de gemaakte kosten, te begroten op € 1.111.204,15, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 december 2015;\n\nmeer subsidiair:\n\neen in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 december 2015;\n\nii. de overige schade die [eisers in de hoofdzaak] zal lijden en die thans nog niet kan worden vastgesteld,\n\nop te maken bij staat;\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis;\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] veroordeelt in de eventuele nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.\n\n2.2.. \n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de akte vermeerdering van eis op zichzelf, maar wel gelegenheid gevraagd daar nog op te kunnen reageren, nu daar door de late indiening van de akte eerder geen gelegenheid voor was. De rechtbank zal [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] die gelegenheid geven.\n\nWelke vragen moeten nog worden beantwoord?\n\n2.3.. In het tussenvonnis van 16 maart 2022 is in rechtsoverweging 4.33 overwogen dat in rechte is komen vast te staan dat de paarden van [eisers in de hoofdzaak] een hoeveelheid colchicine hebben binnengekregen door het eten van met herfsttijloos besmet weidehooi.\n\n2.4.. De vragen die vervolgens moeten worden beantwoord is of het met colchicine besmette hooi afkomstig is van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] en of er een causaal verband bestaat tussen de opname van colchicine door de paarden van [eisers in de hoofdzaak] en het ontstaan van de gezondheidsproblemen die zich bij die paarden hebben voorgedaan. Als deze vragen beide met ‘ja’ kunnen worden beantwoord, dan moet vervolgens worden beoordeeld of sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eisers in de hoofdzaak] en welke schadevergoeding [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] aan [eisers in de hoofdzaak] moet betalen. Deze onderwerpen zullen hierna worden besproken.\n\nWas het met colchicine besmette hooi afkomstig van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] ?\n\nHet tussenvonnis\n\n2.5.. In het tussenvonnis van 16 maart 2022 heeft de rechtbank [eisers in de hoofdzaak] opgedragen haar stelling te bewijzen dat het met herfsttijloos vervuilde hooi dat haar paarden hebben gegeten, afkomstig was van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . Daarvoor heeft de rechtbank het volgende overwogen in rechtsoverweging 4.39:\n\n“4.39. (…) Voor het door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] geschetste scenario dat het met colchicine besmet hooi afkomstig is geweest van een andere leverancier (al dan niet ook bij [eisers in de hoofdzaak] afgeleverd door [gedaagde in vrijwaring] ), bevatten de gedingstukken weinig aanknopingspunten. (…) [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft er echter óók op gewezen dat hij zijn balen hooi laat persen met een Krohne- dan wel een Claas-pers, terwijl [A] in zijn rapport aangeeft dat de baal waarin bij [eisers in de hoofdzaak] het herfsttijloos zat, een Vicon-hooibaal was. [eisers in de hoofdzaak] heeft in reactie hierop gesteld dat zij in de relevante periode ook een partij weidehooi heeft gekocht van een andere leverancier dan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] , namelijk [B] , en dat dit ` [B] -hooi' was verpakt in balen van 1,25 x 0,90 meter (door [eisers in de hoofdzaak] aangeduid als `90-ers'). Volgens [eisers in de hoofdzaak] zijn de balen van [B] duidelijk te onderscheiden van de kleinere `Claas-pakken' (van 1,25 bij 0,60 meter) die zij afneemt van [gedaagde in vrijwaring] \u002F [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . De balen van [B] verschillen behalve in afmetingen ook in kleur en geur van die van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] , aldus [eisers in de hoofdzaak] , en waren omwikkeld met een andere kleur touw. [eisers in de hoofdzaak] stelt tenslotte dat [gedaagde in vrijwaring] het zeker zou hebben opgemerkt als hij bij [eisers in de hoofdzaak] en bij [C] de verkeerde balen mee terug zou hebben gekregen. Deze nadere stellingen van [eisers in de hoofdzaak] laten echter nog steeds de mogelijkheid open dat het met herfsttijloos vervuilde hooi afkomstig is geweest van een andere leverancier dan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . Bij deze stand van zaken kan het immers nog niet uitgesloten worden dat de balen van [B] Vicon-balen zijn geweest en dan kan [A] mogelijk juist in de baal van [B] herfsttijloos hebben gezien. Het lijkt op het eerste gezicht weliswaar niet waarschijnlijk dat [A] het herfsttijloos in een ándere baal dan die van zijn verzekerde heeft aangetroffen, maar daarmee is nog niet met een voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat de baal van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] afkomstig is geweest. Daarom zal VBG die stelling nader dienen te bewijzen en zal zij worden opgedragen tot het bewijs daarvan.”\n\n2.6.. \n [eisers in de hoofdzaak] dient dus te bewijzen dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] de leverancier is van het hooi en dat zoveel mogelijk wordt uitgesloten dat een andere leverancier (bijvoorbeeld [B] (hierna: [B] )) het besmette hooi had geleverd.\n\nDe overwegingen\n\n2.7.. De rechtbank is van oordeel dat [eisers in de hoofdzaak] aan haar bewijsopdracht heeft voldaan.. [eisers in de hoofdzaak] heeft bij haar akte van 8 februari 2023 foto’s overgelegd. Op deze foto’s staat volgens [eisers in de hoofdzaak] de door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] geleverde baal hooi waar herfsttijloos in is aangetroffen, voordat de baal hooi uit elkaar werd gehaald. Op één van de foto’s is een houten lat te zien met daarop een aantal cijfers, met daarnaast een meetlat. De houten lat is vervolgens naast de baal hooi gezet:\n\n(uit productie 74 bij de akte van [eisers in de hoofdzaak] van 8 februari 2023)\n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit de foto’s duidelijk blijkt dat de baal hooi waarin het herfsttijloos zat, ongeveer 70 cm hoog was en niet 90 cm zoals de balen hooi van [B] . Daarbij merkt de rechtbank op dat – hoewel in het eerdere tussenvonnis is overwogen dat [eisers in de hoofdzaak] heeft gesteld dat de door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] geleverde baal hooi 60 cm hoog was – [eisers in de hoofdzaak] in haar akte van 8 februari 2023 onbetwist heeft gesteld dat de hoogte 70 cm was. De afmetingen van de balen [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] -hooi waren 120x70x240 cm, hetgeen ook volgt uit door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] overgelegde factuur voor het persen van de balen.\n\n2.8.. \n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] voert aan dat het niet kan worden uitgesloten dat de baal hooi op de foto eigenlijk groter was en dat de cijfers op de meetlat niet goed leesbaar zijn. De heer [D] , degene die de balen hooi van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] in de schuur van [eisers in de hoofdzaak] heeft geplaatst, heeft echter verklaard dat de achtergebleven baal hooi waar het herfsttijloos in was aangetroffen door de lengte was opgedeeld en dat de hoogte (van 70 cm) en de breedte (van 120 cm) nog intact waren. De rechtbank constateert dat de cijfers op de meetlat goed leesbaar zijn. Aan het verweer van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] dat het herfsttijloos afkomstig kan zijn uit de bij [eisers in de hoofdzaak] achtergebleven partij stoffig hooi gaat de rechtbank ook voorbij. Het eerder geleverde stoffig hooi is bij gelegenheid van de levering van de (nieuwe) partij op 29 januari 2014 door [gedaagde in vrijwaring] retour genomen.\n\n2.9.. Daarnaast heeft [eisers in de hoofdzaak] bij haar akte van 8 februari 2023 de factuur en de weegbon van het door [B] bij haar afgeleverde hooi overgelegd. De juistheid van de gegevens op deze factuur en weegbon is niet door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] betwist. Op de weegbon staat dat er 52 pakken hooi zijn geleverd, met een totaalgewicht van 21.060 kg. Dat betekent dat één pak [B] -hooi gemiddeld 405 kg woog. [eisers in de hoofdzaak] heeft verder onbetwist gesteld dat de 37 balen [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] -hooi die [gedaagde in vrijwaring] op 29 januari 2014 bij haar heeft afgeleverd een totaalgewicht hadden van 13.180 kg (afgerond 356 kg per baal) en dus gemiddeld 49 kg lichter waren dan de pakken van [B] . Ook heeft [eisers in de hoofdzaak] onbetwist gesteld dat de 12 balen die [gedaagde in vrijwaring] op 26 maart 2014 bij [eisers in de hoofdzaak] heeft opgehaald, een totaalgewicht hadden van 4.360 kg (zij wogen afgerond 363 kg per baal). Het is daarmee aannemelijk dat de genoemde 12 balen hooi die op 26 maart 2014 door [gedaagde in vrijwaring] zijn teruggehaald, afkomstig waren uit de partij die zij op 29 januari 2014 zelf bij [eisers in de hoofdzaak] had afgeleverd, en daarmee ook dat die balen afkomstig waren van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] en niet van een andere leverancier zoals [B] . De balen [B] -hooi zijn veel zwaarder dan 363 kg per baal terwijl het gemiddelde gewicht van de [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] -baal maar 7 kilo per baal afwijkt (hetgeen verwaarloosbaar is op het totaalgewicht van meer dan 350 kilo). De rechtbank volgt ook de stelling van [eisers in de hoofdzaak] dat [gedaagde in vrijwaring] het zou hebben opgemerkt als zij van [eisers in de hoofdzaak] de verkeerde balen mee terug zou hebben gekregen, althans dat er vanuit mag worden gegaan dat [gedaagde in vrijwaring] geen balen hooi retour neemt die niet van haar afkomstig zijn. Zeker niet in het geval dat de koper klachten heeft over de kwaliteit van het hooi. Ten slotte heeft [A] , die in een eerdere verklaring sprak over een ‘Vicon-baal’, in een latere verklaring aangegeven dat hij daarmee niet een baal uit een specifiek merk pers bedoelde, maar meer in het algemeen een ‘grootpak’ baal van 300 à 400 kg, in tegenstelling tot een baal van bijvoorbeeld 25 kg. Ook dat draagt bij aan de overtuiging van de rechtbank dat het hooi dat herfsttijloos bevatte, afkomstig was [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] .\n\n2.10.. In het tussenvonnis van 16 maart 2022 is al vastgesteld dat [gedaagde in vrijwaring] zelf een monster van de retourpartij hooi voor onderzoek naar de Tierärtliche Hochschule in Hannover heeft gestuurd. De Tierärtliche Hochschule heeft vervolgens aan [gedaagde in vrijwaring] laten weten dat de door haar ingestuurde plant inderdaad herfsttijloos betrof.\n\n2.11.. \n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft verder nog als verweer aangevoerd dat het touw om de baal hooi op de boven genoemde foto’s dikker zou zijn dan het touw dat hij daar zelf voor gebruikt. Ter onderbouwing heeft hij, bij zijn akte van 14 juni 2023, een foto overgelegd waarop een baal te zien is met een touw daaromheen. [eisers in de hoofdzaak] heeft betwist dat die foto in 2013 of in 2014 is gemaakt en ook dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] sinds die tijd altijd hetzelfde type touw is blijven gebruiken. Op een vraag van de rechtbank heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] ook tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat de bij de akte gevoegde foto van het touw recenter is gemaakt. Het is dus geen foto van het touw dat in 2013\u002F2014 om de vervuilde partij hooi heeft gezeten. Dit verweer van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] overtuigt daarom niet.\n\n2.12.. In het tussenvonnis van 16 maart 2022 heeft de rechtbank al vastgesteld dat de paarden colchicine hebben binnengekregen en dat dit is gebeurd via het eten van met herfsttijloos besmet weidehooi. Gelet op wat hiervoor is overwogen (zoals over de hoogte van de achtergehouden baal hooi en over het gewicht dat is vermeld op de weegbon van [B] ), is de rechtbank van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat dit besmette hooi inderdaad afkomstig was van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . [eisers in de hoofdzaak] heeft dus aan haar bewijsopdracht voldaan.\n\n2.13.. \n [eisers in de hoofdzaak] heeft ook nog bij haar akte van 8 februari 2023 een rapport overgelegd van de heer [E] van [E] (hierna: [E] ). Uit dit rapport blijkt volgens [eisers in de hoofdzaak] dat het zeer aannemelijk is dat het hooi afkomstig was van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . Vervolgens heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] in zijn antwoordakte van 14 juni 2023 een rapport van Nutrilab B.V. (hierna: Nutrilab) overgelegd. Uit dat rapport blijkt volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] dat de door [E] gebruikte methoden niet tot statistische relevante of betrouwbare onderzoeksresultaten kunnen leiden en dat het rapport van [E] bovendien aanwijzingen geeft dat het hooi juist niét afkomstig is van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . In reactie daarop heeft [eisers in de hoofdzaak] in haar akte van 12 juni 2024 een aanvullend rapport overgelegd van [E] , waarop [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] weer heeft gereageerd met een rapport van ing. [F] , voorheen verbonden aan Nutrilab en thans werkzaam als zelfstandige. Al deze rapporten gaan over de vraag of het aannemelijk of waarschijnlijk is dat het vervuilde hooi afkomstig was van het land van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . De rechtbank leidt uit de rapporten van Nutrilab en [F] af dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] de bewijsopdracht zo heeft opgevat dat [eisers in de hoofdzaak] zou moeten bewijzen dat het hooi uitsluitend van het land van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] afkomstig geweest kan zijn. Dat is echter een verkeerde interpretatie van de bewijsopdracht zoals die hiervoor uiteen is gezet. Wat er verder van de rapporten ook zij: géén van deze rapporten (ook niet die van de zijde van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] ) sluit uit dat het hooi van het land van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] afkomstig is geweest. Ze doen daarom niet af aan de vaststelling van de rechtbank dat [eisers in de hoofdzaak] in haar bewijs is geslaagd. Wat er verder in deze rapporten naar voren is gekomen, kan daarom onbesproken blijven.\n\nBestaat er causaal verband tussen de opname van colchicine door de paarden van [eisers in de hoofdzaak] en het ontstaan van de gezondheidsproblemen die zich bij die paarden hebben voorgedaan?\n\nHet tussenvonnis\n\n2.14.. In het tussenvonnis van 16 maart 2022 heeft de rechtbank [eisers in de hoofdzaak] opgedragen haar stelling te bewijzen dat de gezondheidsproblemen en het daarop volgende overlijden van haar paarden was te wijten aan een (chronische) vergiftiging met colchicine. De rechtbank heeft daarvoor in het tussenvonnis van 16 november 2022 een onderzoek door een deskundige bevolen voor de beantwoording van de in dat tussenvonnis genoemde vragen. Prof. Dr. I. Vervuert (hierna: Vervuert) is vervolgens in het tussenvonnis van 1 februari 2023 benoemd tot deskundige. Vervuert heeft op 17 januari 2025 een rapport opgesteld. Vervolgens heeft Vervuert op 13 mei 2025 haar rapport aangevuld naar aanleiding van vragen van partijen.\n\nHet rapport van Vervuert\n\n2.15.. Vervuert concludeert dat chronische colchicine vergiftiging bestaat, maar dat er weinig bekend is over de symptomen bij paarden. In haar rapport staat over de symptomen het volgende:\n\n“Chronic colchicine intoxication affects target tissues such as bone marrow, liver and kidneys. However, information of a chronic colchicine intoxication in horses can be only derived from other animal species, humans and one case report in horses (PEEK et al. 2007). The symptoms from the case report (PEEK et al. 2007) about chronic colchicine intoxication in one horse which was treated with colchicine (0.03 mg\u002Fkg body weight orally once a day) are described as follows: Body weight losses, depression, pyrexia, epistaxis and mucosal haemorrhages. Blood tests revealed persistent pancytopenia (leucopenia, lymphopenia and thrombocytopenia) after withdrawal the colchicine treatment over 10 weeks. In addition, higher serum GGT and serum alkaline phosphatase activities as well as low serum albumin levels were found in the horse. Because of the fatal prognosis, the horse was euthanised. Post-mortem examination of the bone marrow revealed significant cellular\n\nabnormalities. Furthermore, tissues such as liver, spleen, kidneys and adrenal glands\n\nshowed signs of inflammation.\n\nHowever, symptoms of chronic colchicine intoxication and \u002F or other related residual or\n\nlong-term side effects may vary in horses depending on the total colchicine intake, the time\n\nperiod of exposure and other as yet unknown factors.”\n\n2.16.. Vervuert concludeert dat het zeer waarschijnlijk is dat de symptomen van paard [G] een gevolg zijn van een colchicine vergiftiging. De waargenomen gezondheidsproblemen bij de andere paarden zijn echter volgens Vervuert niet beschreven als gerelateerd aan chronische colchicine vergiftiging bij paarden. In haar rapport schrijft zij hierover het volgende:\n\n“The severe colic symptoms of \" [G] \" and the rapid fatal outcome of the colic is very likely a result of colchicine poisoning by hay intake contaminated with Colchicum autumnale L.\n\nThe observed health disorders in the other horses (e.g. Productie 16 & Productie 31) have not yet been described to be associated with chronic colchicine intoxication in horses. The results of the blood tests and the symptoms such as lethargy, poor body condition, poor performance and muscle atrophy in the affected horses are not fully specific for chronic colchicine intoxication. Most striking persistent pancytopenia (leucopenia, lymphopenia and thrombocytopenia) as a main finding in chronic colchicine intoxication was not evident in these horses. In addition, autopsies (two horses and one foetus) did not verify a chronic colchicine intoxication.”\n\n2.17.. Vervuert voegt daar wel aan toe dat diverse lange-termijn bijwerkingen of restverschijnselen die verband houden met eerdere colchicine inname bij paarden niet volledig kunnen worden uitgesloten en dat het niet mogelijk is om te concluderen of uit te sluiten dat de symptomen van de paarden van [eisers in de hoofdzaak] al dan niet verband houden met rest of late effecten van een eerdere colchicine inname. In haar rapport schrijft zij hierover het volgende:\n\n“However, up to date long-term side effects or residual symptoms with unspecific blood tests and unspecific symptoms such as lethargy, poor body condition, poor performance and muscle atrophy cannot be fully excluded to be associated with a previous colchicine intake in horses.\n\nFrom the present knowledge, it is not possible to conclude or exclude whether the symptoms in the affected horses from the farm from [eisers in de hoofdzaak] may relate or may not relate to residual or late effects of a previous colchicine intake by the ingestion of hay which was contaminated with Colchicum autumnale L.”\n\n2.18.. Over alternatieve oorzaken zegt Vervuert in haar rapport onder andere het volgende:\n\n“Other causes of the different symptoms of an inadequate health state in the respective horses may refer to an inadequate provision of nutrients such as energy, protein (amino acids), minerals or vitamins which affect body weight development, immune and musculoskeletal system as well as other tissue functions such as thyroid function.\n\n(…)\n\nAnalysis such as botanical inspection, nutrient, microbial or mycotoxin analysis in the feedstuffs fed in 2014 and 2015, or ration formulation are missing for the present case. Therefore, it is impossible to draw any conclusion about energy and nutrient imbalances or other feed-related disturbances in the affected horses.\n\nI would like to emphasize that horses which came to the farm after 18 March 2014 were in\n\na good health state (Productie 31) which allows the conclusion that all horses with respect\n\nto age, exercise or reproduction were fed the same diet and had access to the same\n\npastures on the [eisers in de hoofdzaak] farm in 2014 and 2015.”\n\n2.19.. In haar aanvullend rapport merkt ze hierover ook het volgende op:\n\n“As no substantial diagnoses were made for the different horses, it remains open whether the health impairments have a common cause or differing individual causes. But, the accumulation of health problems only in horses that were on the farm at the time Colchicum autumnale L. was present in the hay is remarkable.”\n\nDe overwegingen\n\nCausaal verband\n\n2.20.. Nu vast staat dat de paarden met herfsttijloos vervuild hooi hebben gegeten, komt de rechtbank toe aan de vraag of de gezondheidsproblemen van de paarden – die objectief medisch zijn vastgesteld en gedocumenteerd – al dan niet zijn veroorzaakt door de aanwezigheid van herfsttijloos in dat hooi (conditio sine qua non-verband). Bij de beoordeling van die vraag is van belang dat voor het vaststellen van het (juridisch) causaal verband niet is vereist dat er evidence basedwetenschappelijk\u002Fmedisch bewijs voor dat verband is. Het is dus ook niet noodzakelijk dat bij de paarden op basis van geldende standaarden een in de diergeneeskunde erkend ziektebeeld is vastgesteld.De rechter moet, als dat bewijs er (gelet op de huidige stand van de medische wetenschap) niet is, op grond van alle beschikbare feitelijke informatie tot een eigen oordeel komen. De rechtbank zal de feitelijke informatie hierna stap voor stap bespreken.2.20.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat zich bij de paarden van [eisers in de hoofdzaak] ernstige gezondheidsproblemen hebben ontwikkeld en dat die problemen in het overgrote deel van de gevallen hebben geleid tot de dood van die paarden.\n\n2.20.2.. De rechtbank stelt verder vast dat de gezondheidsproblemen allemaal zijn ontstaan nadat de paarden het giftige hooi hadden gegeten. Deze problemen zijn wellicht niet in alle gevallen direct na het eten van het hooi opgetreden, maar er zijn in ieder geval geen aanwijzingen dat de paarden eerder, dus vóór het eten van het giftige hooi, soortgelijke klachten hadden of hadden gehad. Integendeel, drs. [J] , de dierenarts die volgens [eisers in de hoofdzaak] de diergeneeskundige begeleiding op de manege verzorgt, schrijft in haar verklaring (productie 16 bij dagvaarding) onder ander dat zij in het verleden nauwelijks zieke paarden bij [eisers in de hoofdzaak] heeft behandeld:\n\n“Sinds 2006 verzorg ik de veterinaire begeleiding op het bedrijf van de familie [eisers in de hoofdzaak] . Jaarlijks kom ik in het voorjaar en de zomer zeer geregeld op dit bedrijf voor de drachtigheidsbegeleiding van hun fokmerries. De familie [eisers in de hoofdzaak] heeft een buitengewoon net bedrijf met een nauwgezette bedrijfsvoering. In de eerste 8 jaar heb ik derhalve nauwelijks zieke paarden op dit bedrijf behandeld.\n\nHet verschil in het aantal paarden met afwijkingen en ziekte dit laatste anderhalf jaar is\n\nschrijnend.(…)”\n\nHet enige wat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] als verweer heeft aangevoerd voor wat betreft het ontstaansmoment van de gezondheidsproblemen, is dat ‘enkele paarden last hadden van wratten’. Uit de gedingstukken blijkt echter dat er één paard was dat een wrat had. Die wrat is bovendien pas geconstateerd nadat het betreffende paard van het giftige hooi had gegeten. De rechtbank gaat dan ook aan dit verweer voorbij.\n\n2.20.3.. Uit het rapport van deskundige Vervuert blijkt dat de gezondheidsproblemen van de paarden ook verklaard kúnnen worden uit het feit dat de paarden colchicine hebben opgenomen. Zij komt allereerst tot de conclusie dat het ‘zeer waarschijnlijk’ (very likely) is dat de symptomen van het paard [G] het gevolg zijn van een (acute) colchicinevergiftiging. Daarnaast concludeert ze dat de aandoening ‘chronische colchicinevergiftiging’ bestaat, maar dat er maar weinig bekend is over de symptomen daarvan bij paarden (er is alleen maar ééncase report). Er is nog geen wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de lange termijneffecten van colchicinevergiftiging bij paarden. Vervuert beschrijft dat de zeer uiteenlopende gezondheidsproblemen zoals die zijn waargenomen bij de andere paarden van [eisers in de hoofdzaak] niet (eerder) beschreven zijn als specifiek voor chronische colchicinevergiftiging bij paarden, maar concludeert dat ook niet volledig kan worden uitgesloten dat die problemen lange termijneffecten of restverschijnselen zijn van de colchicine-inname door die paarden. De rechtbank merkt hierbij op dat dierenarts [I] (zie productie 30 bij dagvaarding), die evenals Vervuert het ene geval van mogelijke chronische colchicinevergiftiging aanhaalt (Peek et al. 2007), stelt dat de bijwerking pancytopenie in dat geval ook kan worden verklaard door de leeftijd van het paard. Ook hieruit volgt dat geenszins is uit te sluiten dat chronische colchicinevergiftiging gepaard kan gaan met zeer diverse verschijnselen. Met andere woorden: het is (nog) niet mogelijk om met wetenschappelijke zekerheid vast te stellen dat de symptomen van de andere paarden van [eisers in de hoofdzaak] lange termijneffecten zijn van hun blootstelling aan colchicine, maar dat verband is evenmin wetenschappelijk uit te sluiten.\n\n2.20.4.. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat een plausibele alternatieve verklaring voor de gezondheidsproblemen van de paarden ontbreekt. Dat blijkt allereerst uit het rapport van Vervuert. Zij geeft aan dat denkbaar is dat de gezondheidsproblemen te maken hebben gehad met andere factoren, zoals voeding of omgeving. Zij onderkent ook dat er geen botanisch onderzoek is gedaan naar het hooi dat de paarden in 2014 en 2015 gevoerd hebben gekregen, dat er geen microbiologisch onderzoek is gedaan naar eventuele vervuiling van het hooi met microben (bacteriën, schimmels en gist) en dat er geen analyse heeft plaatsgevonden van de (verdere) samenstelling van het rantsoen. Dat maakt dat Vervuert geen uitspraken kan doen over mogelijke onevenwichtigheden in het dieet van de paarden of andere aan voeding gerelateerde verstoringen. Echter, zij wijst er vervolgens nadrukkelijk op (zie hiervoor onder 2.18) dat álle paarden die ná 18 maart 2014 naar de manege van [eisers in de hoofdzaak] zijn gekomen in goede gezondheid verkeerden, terwijl deze paarden (afgezien van de partij giftig hooi) in 2014 en 2015 precies hetzelfde dieet hebben gekregen als de paarden met gezondheidsproblemen en dat alle paarden toegang hadden tot dezelfde weiden. Dit opmerkelijke verschil is ook door andere deskundigen geconstateerd:\n\nDrs. [J] schrijft in haar verklaring (productie 16 bij dagvaarding)\n\n“Opvallend is het verschil met de paarden die in de periode dat het met herfsttijloos verontreinigde hooi gevoerd werd elders gestald stonden. Ondanks dat zij sindsdien langdurig terug zijn op het bedrijf en onder dezelfde bedrijfsomstandigheden leven zien zij er blakend van gezondheid uit.”\n\nDe heer [A] , agrarisch expert, schrijft in zijn rapport (productie 33 bij dagvaarding):\n\n“De paarden die de gehele periode van ca. 40 dagen met het hooi uit de partij van 29 januari 2014 zijn gevoerd, zagen er slecht uit en dat geldt ook voor de veulens, thans jaarlingen die in 2014 zijn geboren. De paarden die een kortere periode, circa 30 dagen, van het hooi hebben gegeten zagen er aannemelijk beter uit, al waren de dieren niet geheel zonder klachten. De paarden die later op stal bij [eisers in de hoofdzaak] zijn gekomen zagen er goed en gezond uit.”\n\nProf. Dr. [K] , hoogleraar inwendige ziekten van het paard van de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, schrijft in haar rapport (productie 31 bij dagvaarding):\n\n“Vervolgens is een aantal paarden individueel voorgesteld waarbij opvallend is dat de paarden die nu al wel meerdere maanden tot meer dan een jaar op het bedrijf aanwezig zijn, maar gekomen zijn na 18 maart 2015 (en dus hetzelfde voer, bodembedekking en verzorging krijgen als de andere paarden) er allemaal goed uitzien en naar ons wordt verteld ook verder geen klachten hebben. (…)\n\nConclusies\n\nEr vanuit gaande dat eerlijke informatie is verstrekt en dat alle paarden inderdaad goed gevoerd en verzorgd worden (inclusief voldoende frequent ontwormen etc. zoals ons is verzekerd), is het opvallend dat de paarden die tijdens de hooi-met-herfsttijloos-periode aanwezig waren, er nu (veel) minder goed uitzien dan de paarden die pas na deze periode op het bedrijf zijn gekomen.\n\nEr is voor niemand, op welke wijze dan ook, nu 20 maanden na deze episode, nog te bewijzen dat dit alles voortkomt uit het voeren van hooi verontreinigd met herfsttijloos, maar dit lijkt, gezien alles wat verder is onderzocht en de toestand van de paarden die geen hooi met mogelijk herfsttijloos hebben opgenomen en al vele maanden op het zelfde bedrijf staan, wel (zeer) waarschijnlijk.\n\n(…)\n\n(…) . Er is weliswaar geen hard bewijs, maar er is wel grote waarschijnlijkheid dat veel van de problemen toe te schrijven zijn aan de blootstelling gedurende meer dan een maand aan colchicine. Mogelijk wordt dit de eerste casus van chronische colchicine intoxicatie bij paarden.”\n\nDe rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat het énige feitelijke verschil in leefomstandigheden tussen enerzijds de gezonde paarden van [eisers in de hoofdzaak] die ná 18 maart 2014 kwamen op of terugkeerden naar de manege van [eisers in de hoofdzaak] en anderzijds de paarden die ziek werden, is gelegen in het feit dat die laatste groep in de periode vóór 18 maart 2024 van het giftige hooi hebben gegeten en de gezonde paarden niet. Ook de omstandigheid dat de paarden van derden die in de periode vóór 18 maart 2014 gestald waren bij [eisers in de hoofdzaak] wél ziek zijn geworden, draagt bij aan het bewijs dat het giftige hooi de oorzaak is geweest van de gezondheidsproblemen: als de problemen niet zouden zijn veroorzaakt door het giftige hooi, maar door andere bedrijfsomstandigheden bij [eisers in de hoofdzaak] die zich vóór de komst van de paarden van derden naar de manege van [eisers in de hoofdzaak] hebben voorgedaan, dan zouden alleen de eigen paarden van [eisers in de hoofdzaak] ziek zijn geworden. Opvallend is ook dat [A] beschrijft dat de periode van blootstelling aan het giftige hooi van invloed was op de ernst van de gezondheidsproblemen: hoe langer de blootstelling, hoe ernstiger de symptomen (zie hierboven).\n\n2.20.5.. \n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft in dit verband nog aangevoerd dat de GD ook het bloed van het paard [L] heeft onderzocht en dat uit dat onderzoek naar voeren kwam dat bepaalde bloedwaarden van [L] verlaagd waren en dat zijn bloed diverse afwijkingen vertoonde, terwijl hij in februari en maart 2014 niét op de manege van [eisers in de hoofdzaak] stond, maar in het najaar van 2015 wél. [eisers in de hoofdzaak] heeft daar onbetwist tegenover gesteld dat [L] in februari\u002Fmaart 2014 juist bij een ander pension was gestald vanwege ziekte en dat de afwijkingen die in zijn bloed zijn aangetroffen, zijn te verklaren door die ziekte. Verder heeft [eisers in de hoofdzaak] onbetwist gestelde dat [L] weer is opgeknapt, dit in tegenstelling tot de paarden die van het giftige hooi hebben gegeten. Dit verweer van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] slaagt daarom niet.\n\n2.20.6.. \n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft ook nog als verweer aangevoerd dat de resultaten van de onderzoeken die [eisers in de hoofdzaak] en [gedaagde in vrijwaring] hebben laten uitvoeren, zoals de bloedonderzoeken, juist duiden op een andere oorzaak dan een colchicinevergiftiging. Er zijn volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] tal van alternatieve oorzaken mogelijk, zoals atypische myopathie, p. Equorum, een te lage selenium-niveau van de grond op de manege van [eisers in de hoofdzaak] , de ziekte van Cushing, een eiwittekort in het rantsoen, infectieuze anemie en zandkoliek. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft echter niet méér gedaan dan al deze alternatieven opsommen. Bezien tegen het licht van de gemotiveerde stellingen van [eisers in de hoofdzaak] ten aanzien van het causaal verband tussen het giftige hooi en de gezondheidsproblemen van de paarden, had van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] mogen worden verwacht dat hij zijn verweer op dit punt nader zou substantiëren, bijvoorbeeld door concrete feiten of omstandigheden te noemen waaruit zou kunnen blijken dat één of meer van de door hem genoemde alternatieve ziektebeelden\u002Ftekorten zich daadwerkelijk bij de paarden van [eisers in de hoofdzaak] heeft\u002Fhebben voorgedaan. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft ook niet onderbouwd op welke wijze de door hem genoemde ziektebeelden\u002Ftekorten de gezondheidsproblemen van de gehele groep paarden van [eisers in de hoofdzaak] zouden kunnen verklaren. De losse opmerkingen in rapporten en e-mails waarnaar [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] verwijst, zijn daarvoor onvoldoende.\n\n2.20.7.. De symptomen van de paarden passen volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] ook bij vergiftiging van andere plantjes, die in de wei van [eisers in de hoofdzaak] aanwezig geweest kunnen zijn en die de paarden kunnen hebben gegeten, waaronder de adelaarsveren, de bastaardklaver, de beuk, de eik en de esdoorn. [eisers in de hoofdzaak] heeft echter onbetwist aangevoerd dat deze planten en bomen helemaal niet groeien in de wei van hun manege. Daar heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] vervolgens niet meer op gereageerd.\n\n2.20.8.. Ten slotte voert [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] (nogmaals) aan dat diverse paarden last hadden van wratten en dat er een medicijn tegen wratten bestaat waar colchicine in zit. Zoals hiervoor al is overwogen blijkt uit de stukken dat het voor wat betreft de wratten slechts gaat om één paard. Als dat paard al zou zijn behandeld met een colchicine-houdend medicijn (dat blijkt nergens uit), legt [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] legt niet uit hoe of waarom dat medicijn dan bij álle paarden van [eisers in de hoofdzaak] zou zijn toegepast. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan dit verweer. Datzelfde geldt voor het verweer van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] dat er een artritis-medicijn bestaat wat veelvuldig bij paarden zou worden toegepast en colchicine bevat: uit niets blijkt dat de paarden van [eisers in de hoofdzaak] (voorafgaand aan de gezondheidsklachten die zij ontwikkelden in de periode dat zij aten van het vervuilde hooi) leden aan artritis, noch dat zij daarvoor medicijnen zouden hebben gekregen.\n\n2.20.9.. Het voorgaande betekent dat het bestaan van causaal verband tussen de opname van colchicine door de paarden van [eisers in de hoofdzaak] en de gezondheidsproblemen die zich bij de betreffende paarden hebben voorgedaan zódanig waarschijnlijk en aannemelijk is, dat het juridisch causaal verband is komen vast te staan. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft giftig weidehooi geproduceerd en dat in het verkeer gebracht. Dat heeft hij niet met opzet gedaan. Het is echter wel aan hem toe te rekenen. De rechtbank vindt dat hij op de mogelijke aanwezigheid daarvan bedacht had moeten zijn: hij was als producent bij uitstek in de gelegenheid om zijn gras tijdens de verschillende groeistadia te controleren op de aanwezigheid van herfsttijloos. Daarbij acht de rechtbank verder relevant dat dit plantje in [land] vaker voorkomt. De gezondheidsproblemen van de paarden en het daaropvolgend overlijden kunnen dus daarom aan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] worden toegerekend. Dat betekent dat [eisers in de hoofdzaak] [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] kan aanspreken voor de schade die zij hierdoor heeft geleden.\n\n2.21.. De vragen die vervolgens nog moeten worden beantwoord zijn in hoeverre de vergoedingsplicht moet worden verminderd wegens eigen schuld aan de zijde van [eisers in de hoofdzaak] en wat de omvang is van de schadevergoeding.\n\nIs er sprake van eigen schuld aan de zijde van [eisers in de hoofdzaak] ?\n\n2.22.. \n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] beroept zich op eigen schuld aan de zijde van [eisers in de hoofdzaak] . In artikel 6:101 lid 1 BW is bepaald dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Het bevat dus de algemene regel dat de schadevergoedingsplicht in beginsel wordt verminderd wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Het woord ‘mede’ geeft aan dat het artikel pas van toepassing is wanneer de schade in causaal verband staat zowel met de gebeurtenis op grond waarvan de aangesprokene aansprakelijk gesteld kan worden als met een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend.\n\n2.23.. Volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft [eisers in de hoofdzaak] een groot aandeel gehad in het ontstaan van de door haar gestelde schade en kosten. Iedere nalatigheid in het toezicht van [eisers in de hoofdzaak] op de paarden en hun voeding, kan volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] hebben bijgedragen aan en staat als onmisbare schakel in rechtstreeks verband met deze gebeurtenis. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] onderbouwt dit als volgt:\n\n [eisers in de hoofdzaak] heeft het hooi van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] in ontvangst genomen zonder een deugdelijke controle uit te voeren en zonder het hooi te onderzoeken op de aanwezigheid van eventuele (bij)producten die niet in het hooi zouden behoren te zitten. [eisers in de hoofdzaak] hoort zich ervan bewust te zijn dat weidehooi bestaat uit een mix van verschillende planten. Bij een deugdelijke controle van het hooi had [eisers in de hoofdzaak] kunnen en moeten zien dat in het hooi herfsttijloos zat. Dat had vervolgens reden moeten zijn om het hooi niet (in ieder geval niet zonder nader onderzoek) aan haar paarden te voeren. [eisers in de hoofdzaak] exploiteert een professionele paardenmanege en is actief als paardenfokker. Zij behoort het hooi dat zij aan haar paarden voert zorgvuldig te controleren, temeer omdat [eisers in de hoofdzaak] kennelijk bijzondere dressuurpaarden had. Het hooi niet controleren is onprofessioneel en onzorgvuldig.\n\nBij het openbreken van de balen hooi zag [eisers in de hoofdzaak] dat er zich ‘onbekende plantjes’ in het hooi bevonden en dat de paarden de kapsels van die plantjes lieten liggen. Pas ongeveer 1,5 maand na levering van het hooi heeft [eisers in de hoofdzaak] voor het eerst bij [gedaagde in vrijwaring] aangegeven dat zich ‘vreemde plantjes’ in het hooi bevonden en dat deze door de (meeste) paarden niet werden gegeten. Als een professionele paardenmanege en paardenfokker ziet dat er een ‘vreemd plantje’ in het hooi zit, dan zouden in ieder geval de alarmbellen af moeten gaan. [eisers in de hoofdzaak] had [gedaagde in vrijwaring] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] dus meteen moeten berichten. Dat heeft zij niet gedaan. [eisers in de hoofdzaak] heeft buitengewoon nalatig en onzorgvuldig gehandeld.\n\n [eisers in de hoofdzaak] had het hooi niet (langer) aan de paarden moeten voeren of in ieder geval niet totdat controle van het hooi een bevredigend resultaat zou hebben opgeleverd. Nadat [gedaagde in vrijwaring] had gezegd dat ‘alles goed’ zou zijn, is [eisers in de hoofdzaak] het hooi blijven voeren aan de paarden. Dat is onbegrijpelijk en onzorgvuldig. [eisers in de hoofdzaak] had in ieder geval meteen bij de eerste klachten van de paarden actie moeten ondernemen. Bij een juiste handelwijze had de gebeurtenis en had (een ieder geval een deel van) de schade kunnen worden voorkomen.\n\n [eisers in de hoofdzaak] had eerder tot een behandeling moeten overgaan. Een colchicine vergiftiging kan namelijk gemakkelijk worden behandeld met actieve kool, bijvoorbeeld Norit. Ook daarmee had [eisers in de hoofdzaak] de schade kunnen beperken.\n\n2.24.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op eigen schuld niet slaagt. De rechtbank volgt het verweer van [eisers in de hoofdzaak] dat het voldoende is dat zij bij de aflevering de balen van buitenaf heeft bekeken en een losgetrokken pluk heeft beoordeeld door eraan te ruiken. Van een koper van hooi kan niet worden verwacht dat zij bij aflevering iedere baal hooi openbreekt om te kijken of er een ongerechtigheid in het hooi zit. Het openbreken gebeurt pas op het moment dat een baal ‘aan de beurt’ is om te worden gevoerd. De plantjes waren aan de buitenkant niet zichtbaar: ze waren pas te zien bij het openbreken van de balen hooi. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] zelf, [gedaagde in vrijwaring] en de NVWA hebben de plantjes aan de buitenkant van de balen hooi ook niet gezien, zoals [eisers in de hoofdzaak] terecht aanvoert.\n\n2.25.. Dat [eisers in de hoofdzaak] niet eerder contact heeft opgenomen met [gedaagde in vrijwaring] en het hooi is blijven voeren tot het overlijden van [G] , kan [eisers in de hoofdzaak] ook niet worden verweten. Zij heeft onbetwist aangevoerd dat herfsttijloos een zeer onbekende plant is in de Nederlandse paardenwereld en dat vergiftiging van paarden met herfsttijloos bovendien zelden voorkomt. Drs. [J] heeft het plantje niet herkend. Ook bij navraag door [eisers in de hoofdzaak] bij tientallen boeren, bleek dat niemand het plantje kende. Het komt de rechtbank daarom niet vreemd voor dat [eisers in de hoofdzaak] het plantje zelf ook niet herkende. Naar het oordeel van de rechtbank hóefde zij het ook niet te (her)kennen. [eisers in de hoofdzaak] heeft bovendien onbetwist gesteld dat paarden bij kruidenhooi wel vaker bepaald plantenresten laten liggen. Dat kan volgens [eisers in de hoofdzaak] te maken hebben met de smaakvoorkeuren van de paarden. Dat [eisers in de hoofdzaak] niet meteen aan de bel heeft getrokken bij [gedaagde in vrijwaring] en ook niet meteen is gestopt met het voeren van het hooi is daarom begrijpelijk. Op enig moment heeft [eisers in de hoofdzaak] wel contact opgenomen met [gedaagde in vrijwaring] . [eisers in de hoofdzaak] heeft daarover tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij voor het eerst op 15 februari 2014 een melding heeft gemaakt bij [gedaagde in vrijwaring] en daarna nog twee keer. [gedaagde in vrijwaring] heeft toen volgens [eisers in de hoofdzaak] geruststellende opmerkingen gemaakt in de trant van “dat kan niks zijn” en “daar moet je geen acht op slaan”. Daar heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] tijdens de mondelinge behandeling niet op gereageerd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [gedaagde in vrijwaring] inderdaad dergelijke geruststellende mededelingen heeft gedaan aan [eisers in de hoofdzaak] . [eisers in de hoofdzaak] mocht ook van die mededelingen uitgaan. [gedaagde in vrijwaring] drijft immers een groothandel in onder andere hooi en is verantwoordelijk voor de kwaliteit ervan. Toen [G] ziek werd en overleed is [eisers in de hoofdzaak] wel direct gestopt met het voeren van het hooi. Dat er eerder sprake is geweest van klachten die zijn te herleiden tot het plantje in het hooi, blijkt niet uit de stukken.\n\n2.26.. Het standpunt van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] dat een colchicinevergiftiging gemakkelijk kan worden behandeld met actieve kool, is door [eisers in de hoofdzaak] betwist. De dierenarts die [eisers in de hoofdzaak] heeft ingeschakeld, heeft dit middel ook niet ingezet. Daarnaast voert [eisers in de hoofdzaak] aan dat áls een behandeling met actieve kool al werkzaam zou zijn bij een paard met colchicinevergiftiging, dat de schade niet had beperkt. Er is immers gedurende een lange periode besmet hooi gevoerd en volgens [eisers in de hoofdzaak] werkt actieve kool (als dat al een oplossing zou zijn geweest) alleen als het direct na een vergiftiging wordt toegediend. Dat actieve kool ook in het scenario van chronische colchicinevergiftiging de klachten bij de paarden had kunnen verminderen\u002Fvoorkomen blijkt nergens uit. Daar is vervolgens door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] niet meer op gereageerd. De rechtbank gaat daarom aan deze stelling van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] voorbij.\n\n2.27.. De omstandigheid dat [gedaagde in vrijwaring] zich ook zou hebben beroepen op eigen schuld van [eisers in de hoofdzaak] en dit is verdisconteerd in de afspraken in de vaststellingsovereenkomst (zie hierna onder 2.29. en verder), is in verhouding tussen [eisers in de hoofdzaak] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] niet relevant.\n\n2.28.. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eisers in de hoofdzaak] .\n\nWelke schadevergoeding moet [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] aan [eisers in de hoofdzaak] betalen?\n\nDe VSO\n\n2.29.. \n [eisers in de hoofdzaak] , [gedaagde in vrijwaring] en Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. (hierna: Delta Lloyd), de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde in vrijwaring] , hebben in augustus 2017 een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) gesloten. Daarin hebben zij onder andere afgesproken dat Delta Lloyd aan [eisers in de hoofdzaak] een renteloze lening verstrekt van € 430.000,00. Deze lening moet [eisers in de hoofdzaak] aan Delta Lloyd terugbetalen indien en voor zover zij hun schade op [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] kunnen verhalen en ook door\u002Fnamens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] feitelijk betaald hebben gekregen op grond van een onherroepelijke titel.\n\n2.30.. Volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] betekent dit dat € 430.000,00 op de schadevordering op hem in mindering moet komen. Uit de aard en achtergrond van de VSO en de daarin genoemde overwegingen, blijkt duidelijk dat het geen lening maar een voorwaardelijke schadevergoeding betreft. [eisers in de hoofdzaak] is door deze overeenkomst al geheel of ten dele gecompenseerd voor haar schade. Dat zij mogelijk aan [gedaagde in vrijwaring] of Delta Lloyd € 430.000,00 moet terugbetalen, doet daar niet aan af. Er zijn ook delen van de VSO weggelakt, waardoor het onzeker is welke afspraken er zijn gemaakt en onder welke omstandigheden [eisers in de hoofdzaak] (een deel van) dit bedrag moet terugbetalen, aldus [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] .\n\n2.31.. Volgens [eisers in de hoofdzaak] kan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] helemaal geen beroep doen op deze VSO, omdat deze afspraken alleen de bij de VSO betrokken partijen binden. Daarnaast is de lening geen schadevergoeding en doet het niet af aan de omvang van de aansprakelijkheidsverplichting van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . Deze lening komt in de verhouding tussen [eisers in de hoofdzaak] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] geen betekenis toe, aldus [eisers in de hoofdzaak] .\n\n2.32.. De rechtbank volgt [eisers in de hoofdzaak] dat de afspraken zijn gemaakt tussen andere partijen en dus in een andere verhouding. Het is inderdaad niet de bedoeling dat [eisers in de hoofdzaak] dezelfde schade (deels) twee maal vergoed krijgt. Echter, uit de VSO blijkt duidelijk dat [eisers in de hoofdzaak] het bedrag van € 430.000,00 moet terugbetalen indien zij haar schade kan verhalen op [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . Of dat nu op grond is van een lening of een voorwaardelijke schadevergoeding, maakt niet uit. [eisers in de hoofdzaak] krijgt, zo blijkt uit de VSO, in ieder geval geen dubbele vergoeding voor dezelfde schade.\n\nHoogte van de schadevergoeding\n\n2.33.. \n [eisers in de hoofdzaak] vordert primair – kortgezegd – om [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] te veroordelen tot betaling van haar bedrijfsschade bestaande uit de gederfde winst over de jaren 2016 tot en met 2026 (een bedrag van € 1.480.559,32) en de gemaakte kosten over de jaren 2014 en 2015 (een bedrag van € 178.662,30), een en ander te verhogen met wettelijke rente. Zij legt daaraan ten grondslag dat zij gebracht moet worden in de positie waarin zij verkeerde zonder het onrechtmatig handelen. In die positie bezat zij een door haar ontwikkelde fokstam die geschikt was om op hoog niveau ingezet te worden in de dressuursport. Zij wenst in de gelegenheid te worden gesteld met de drie resterende merries de fokstam opnieuw op te bouwen en baseert daarop haar primaire schadevordering. Met het enkel vervangen van de paarden (en het vergoeden van de waarde daarvan) zoals [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] voorstaat wordt de door haar geleden schade onvoldoende vergoed.\n\n2.34.. \n [eisers in de hoofdzaak] heeft door de deskundige drs. [M] (hierna: [M] ) een berekening van haar schade laten maken (zie productie 36 bij dagvaarding en productie 57 bij conclusie van repliek). [M] heeft bij die berekening gebruik gemaakt van een accountantsrapport dat de financiële situatie van [eisers in de hoofdzaak] over een periode van vijf jaar in kaart heeft gebracht. [M] heeft in het rapport uitgebreid toegelicht welke kosten aan de orde zijn, hoe hoog die kosten zijn, welke winst met de voormalige fokstam werd en zou worden behaald en welk winst [eisers in de hoofdzaak] derft door de jaren heen dat zij bezig zou zijn met het opbouwen van de nieuwe fokstam.\n\n2.35.. De rechtbank volgt [eisers in de hoofdzaak] in haar primaire vordering tot vergoeding van gederfde winst en gemaakte kosten in verband met het opnieuw opbouwen van de fokstam. [eisers in de hoofdzaak] dient immers zoveel mogelijk in de positie te worden gebracht waarin zij zonder het onrechtmatig handelen zou hebben verkeerd. Als onbetwist staat vast dat de geëuthanaseerde paarden tot een door [eisers in de hoofdzaak] gedurende een lange periode opgebouwde fokstam van goed in de sport presterende paarden behoorden. Een dergelijke groep paarden is niet zonder meer vervangbaar door willekeurige paarden zonder genetische samenhang. [eisers in de hoofdzaak] mag verlangen dat zij opnieuw een dergelijke fokstam op kan bouwen met de drie resterende paarden en mag de daarmee gemoeide kosten en de daarmee samenhangende winstderving vorderen.\n\n2.36.. Bij de begroting van de schade neemt de rechtbank het rapport van [M] van februari 2017 tot uitgangspunt. Zij heeft de schade over de jaren 2014 en 2015 bepaald op € 177.791,14, uitgaande van de als gevolg van het onrechtmatig handelen gemaakte kosten, en over de jaren 2016 tot en met 2026 op € 1.480.559,00 op basis van de gederfde winst.\n\n2.37.. \n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft noch tegen de wijze van totstandkoming, noch tegen de inhoud van dit rapport voldoende ingebracht om dit rapport terzijde te schuiven.\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] stelt dat de rechtbank een deskundige zou moeten benoemen om de schade te begroten ‘uitgaande van de gebruikelijke parameters.’ [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] voert evenwel niet aan wat hij daarbij op het oog heeft en waarom het rapport van [M] methodisch of qua uitgangspunten niet gebruikt zou kunnen worden.\n\n2.38.. Ten aanzien van de gederfde winst voert [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] nog aan dat de door [M] bij de berekening van de winstderving gehanteerde gemiddelde winst over drie jaar van € 153.000,00 niet onderbouwd is, maar anderzijds maakt hij geen bezwaar tegen de inhoud van het zijdens [eisers in de hoofdzaak] opgemaakte accountantsrapport, dat de basis vormt voor het rapport van [M] . Tegen de in dat rapport gehanteerde cijfers verzet [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] zich ook niet, zoals hierna nog aan de orde zal komen. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] wil dat de gemiddelde winst over een groter aantal jaren berekend wordt. [M] heeft het gekozen bedrag evenwel gemotiveerd: zij stelt dat het redelijk is dit bedrag als uitgangspunt te nemen gelet op de toenmalige crisistijd in de paardenwereld. Dat van een crisis sprake was, is door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] niet betwist. [M] toont zich bij de hantering van het bedrag van € 153.000,00 winst per jaar in de hypothetische situatie zonder wegvallen van de fokstam conservatief: zij hanteert dit ook voor de opvolgende tien jaren en verhoogt het tussentijds niet.\n\n2.39.. \n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] voert tegen de gehanteerde methode van berekening van de schade over de periode 2016 tot en met 2026 en de gebruikte cijfers aan kosten die gemoeid gaan met de (her)opbouw van de fokstam (ter vaststelling van de gederfde winst) geen verweer.\n\n2.40.. Wel voert [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] aan dat [M] de kosten twee maal meerekent: de door haar opgevoerde kosten zijn immers reeds verdisconteerd in de gepresenteerde winstderving, aldus [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . Dit betreft evenwel een verkeerde lezing van het rapport. [M] voert immers alleen de extra kosten in verband met het opnieuw opbouwen van de fokstam op en alleen die kosten waartegenover geen opbrengst staat.\n\n2.41.. De rechtbank stelt vast dat [M] bij het vaststellen van de kosten voor het heropbouwen van de fokstam ook conservatief te werk is gegaan. Diverse kostenposten zijn niet meegenomen in de berekeningen (bijvoorbeeld de kosten van verzorging en training die door [eisers in de hoofdzaak] zelf is uitgevoerd) of zijn laag gehouden (bijvoorbeeld dierenartskosten buiten de standaardbehandelingen; kosten van het hoefbeslag in meer bijzondere gevallen; kosten van dekking zijn op een standaardbedrag van € 2.000,00 gehouden).\n\n2.42.. \n\nBij de mondelinge behandeling is aan de orde gekomen dat [eisers in de hoofdzaak] het bedrijf inmiddels heeft verkocht. Mr. Franken heeft namens [eisers in de hoofdzaak] opgemerkt dat dit geen invloed heeft op de hoogte van de gevorderde schade omdat de winstderving over de jaren na verkoop verdisconteerd is in de (lagere) verkoopprijs. Daarop heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] niet meer gereageerd.\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft nog wel opgemerkt dat bij de begroting van de gederfde winst niet alleen de goede maar ook de kwade kansen verdisconteerd moeten worden. Uit het rapport van [M] blijkt dat daarmee bij de berekening rekening is gehouden. Zij gaat immers uit van de geboorte en ontwikkeling van twee veulens per jaar op drie merries (dus een fokopbrengst van 2\u002F3) in plaats van drie veulens op drie merries, juist om rekening te houden met niet geslaagde dekking, vroeggeboorte en ander euvel, kortom de kwade kansen.\n\n2.43.. \n\nOver de jaren 2014 en 2015 vordert [eisers in de hoofdzaak] als gezegd een bedrag aan schadevergoeding van € 178.662,30, bestaande uit kosten van voeding, stalling, dierenarts c.a. waartegenover als gevolg van het onrechtmatig handelen geen opbrengst staat en de direct als gevolg van het onrechtmatig handelen gemaakte kosten aan deskundigen (taxatiekosten, kosten van [M] voor schadeberekening, kosten accountant in verband met de schadeberekening). [M] heeft een bedrag van € 177.791,14 berekend. [eisers in de hoofdzaak] komt tot een totaal van € 178.662,30 vanwege de factuur van [N] van € 871,20 waarmee door [M] in haar rapport nog geen rekening was gehouden.\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] betwist de omvang van deze kosten niet, maar voert tegen dit deel van de vordering het verweer dat betalingsbewijzen ontbreken. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Niet voorstelbaar is dat [eisers in de hoofdzaak] de kosten al die jaren onbetaald zou hebben gelaten.\n\n2.44.. \n\nSpecifiek tegen de kosten van taxatie voert [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] als verweer dat het niet redelijk is meerdere taxateurs in te schakelen zoals [eisers in de hoofdzaak] heeft gedaan en alle kosten daarvan voor rekening van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] te brengen.\n\nDe rechtbank oordeelt dat het [eisers in de hoofdzaak] vrij stond zowel een deskundige (als [M] ) in te schakelen om de schade te berekenen als een taxateur die de waarde van de paarden zou taxeren. Tegen de (hoogte van) de door [M] in rekening gebrachte kosten heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] geen verweer gevoerd. De rechtbank ziet dan ook geen reden die kosten niet mee te nemen in de te betalen schadevergoeding.\n\n2.45.. Met [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] is de rechtbank van oordeel dat het [eisers in de hoofdzaak] niet vrijstaat de kosten van meer dan één taxateur van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] te vorderen. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat door [O] een bedrag van € 6.319,83 in rekening is gebracht, welk bedrag ziet op het door hen opgemaakte uitvoerig gemotiveerde rapport. Daarnaast vordert [eisers in de hoofdzaak] zoals gezegd betaling van de factuur van [N] van € 871,20. Het is redelijk dat [eisers in de hoofdzaak] één taxateur heeft ingeschakeld en de kosten daarvan in rekening brengt. De rechtbank zal daarom alleen de kosten van € 6.319,83 [O] toewijzen en de kosten van [N] afwijzen.\n\n2.46.. Over de kosten van de accountant heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] aangevoerd dat deze kosten zijn gemaakt in het kader van het geschil tussen [eisers in de hoofdzaak] en [gedaagde in vrijwaring] en mogelijk\u002F waarschijnlijk zijn gedragen door de verzekeraar van [gedaagde in vrijwaring] . [eisers in de hoofdzaak] heeft (ondanks dat zij daartoe ruimschoots de gelegenheid heeft gehad) niet aangetoond dat die kosten daadwerkelijk voor haar rekening zijn gekomen, reden waarom de rechtbank dit deel van de vordering zal afwijzen.\n\n2.47.. De rechtbank zal daarom bij eindvonnis van de gevorderde € 178.662,30 toewijzen een bedrag van € 168.716,10 (€ 178.662,30 -\u002F- € 871,20 -\u002F- € 9.075,00) te verhogen met wettelijke rente.\n\n2.48.. De rechtbank zal bij eindvonnis de gederfde winst en kosten over de jaren 2016 tot en met 2026 toewijzen als gevorderd, te weten een bedrag van in totaal € 1.480.559,32 te verhogen met wettelijke rente, zoals hierna nog aan de orde zal komen.\n\n2.49.. \n [eisers in de hoofdzaak] heeft aanvankelijk wettelijke rente gevorderd over de gederfde winst met ingang van 1 januari 2017 en 1 januari 2018. Die vordering kan zonder meer worden toegewezen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft zij bij akte wijziging van eis ook de wettelijke rente over de periode daarna gevorderd. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft zich zoals gezegd daarover nog niet kunnen uitlaten. Hij zal in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte daarover alsnog uit te laten, als na te melden.\n\n2.50.. \n [eisers in de hoofdzaak] heeft voor schade die zij nog niet heeft kunnen berekenen bij dagvaarding van 23 juli 2018 verwijzing naar de schadestaat gevorderd. Dit betreft naar de rechtbank begrijpt schade als gevolg van onrechtmatig handelen waarvoor zij door derden is aangesproken (door eigenaren van paarden die bij [eisers in de hoofdzaak] stonden en die ziek zijn geworden). De rechtbank gaat ervan uit – gelet op het lange tijdsverloop – dat [eisers in de hoofdzaak] inmiddels concreet kan aangeven of een dergelijke schadepost bestaat en hoe groot die is. [eisers in de hoofdzaak] zal in de gelegenheid worden gesteld zich (alleen) daarover bij akte uit te laten, als na te melden. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om (alleen) daarop te reageren.\n\n2.51.. De rechtbank zal de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding uitvoerbaar bij voorraad verklaren, maar [eisers in de hoofdzaak] wel opleggen dat zij daarvoor een zekerheid stelt. Vast staat immers dat [eisers in de hoofdzaak] haar bedrijf inmiddels heeft verkocht.\n\n3. De verdere beoordeling in de zaak in vrijwaring\n\n3.1.. De rechtbank houdt iedere beslissing in de vrijwaring aan.\n\n4. De beslissing\n\nin de hoofdzaak\n\n4.1.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 13 mei 2026voor het nemen van een akte door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] over wat is vermeld onder 2.2. en 2.49. van dit tussenvonnis en voor het nemen van een akte door [eisers in de hoofdzaak] over wat is vermeld onder 2.50. van dit tussenvonnis, waarna [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,\n\n4.2.. houdt iedere verdere beslissing aan,\n\nin de zaak in vrijwaring\n\n4.3.. houdt de beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. O.R.M. van Dam, mr. I.L.P. Crombeen en mr. A. Wijsman-van Veen en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\n Productie 15 bij akte van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] van 10 februari 2021\n\n Productie 61 bij akte van [eisers in de hoofdzaak] van 10 februari 2021\n\n Vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3988\n\n Vervuert heeft er in haar rapport (pg. 14) ook nog op gewezen dat uit een recente, door haar onderzoeksgroep uitgevoerde studie is gebleken dat het – ondanks andere ervaringen van paardeneigenaren – niet zo is dat volwassen paarden de herfsttijloos in hun hooi vermijden, maar dat vier van de zes onderzochte paarden er zelfs een voorkeur voor hadden.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2492","2026-04-20T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:59.996Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":17,"fullText":44,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":38,"updatedAt":47},"927","ECLI:NL:RBOBR:2026:2000","ecli-nl-rbobr-2026-2000","RECHTBANK Oost-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F01\u002F417806 \u002F EX RK 25-105\n\nBeschikking van 26 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeksters],\n\nte [plaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeksters] ,\n\nadvocaat: mr. F. Sobczak,\n\ntegen\n\n1. STICHTING MÁXIMA MEDISCH CENTRUM,\n\nte Veldhoven, 2. ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ VOOR INSTELLINGEN IN DE GEZONDHEIDSZORG MEDIRISK B.A.,\n\nte Utrecht,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna respectievelijk te noemen: MMC en MediRisk,\n\nadvocaat: mr. M. van Gool.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [verzoeksters] , destijds in opleiding tot chirurg, is door medisch onzorgvuldig handelen ongewenst zwanger geraakt. Zij bepleit dat zij als gevolg daarvan haar opleiding tot chirurg niet heeft kunnen afronden. De rechtbank oordeelt dat dat niet vastgesteld kan worden, maar dat zij wel een kans heeft verloren die opleiding met succes af te ronden.\n\n2. procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met 9 producties\n\n- het verweerschrift\n\n- de brief van MMC en MediRisk van 21 november 2025 met 1 productie\n\n2.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. De advocaten van partijen hebben daar spreekaantekeningen overgelegd en voorgelezen. Van wat er overigens aan de orde is geweest heeft de griffier aantekeningen gemaakt.\n\n2.3.. De beschikking, die aanvankelijk was bepaald op 29 januari 2026, is na verlenging bepaald op vandaag.\n\n3. De feiten\n\nAansprakelijkstelling wegens wrongful birth\n\n3.1.. \n [verzoeksters] heeft op 16 mei 2014 een spiraal laten plaatsen in het MMC. Bij een nacontrole is de ligging van de spiraal gemanipuleerd. [verzoeksters] is vervolgens zwanger geraakt en op [datum] 2016 bevallen van haar derde kind.\n\n3.2.. \n [verzoeksters] heeft het MMC en MediRisk aansprakelijk gesteld wegens onzorgvuldig handelen. Na een medische expertise hebben MMC en MediRisk op 16 november 2020 aansprakelijkheid erkend en aangegeven bereid te zijn de schade die voortvloeit uit het onzorgvuldig handelen te vergoeden. Het lukt partijen niet de schade vast te stellen, onder andere omdat zij het er niet over eens zijn welke gevolgen de derde zwangerschap heeft gehad op het carrièreverloop van [verzoeksters] .\n\nHet feitelijke carrièreverloop van [verzoeksters]\n\n3.3.. Na afronding van haar studie geneeskunde heeft [verzoeksters] van september 2007 tot medio 2009 gewerkt als arts niet in opleiding tot specialist (ANIOS) op de afdeling chirurgie in het VieCuri Medisch Centrum in Venlo (hierna: VieCuri).\n\n3.4.. Per 1 juli 2009 is [verzoeksters] gestart met de opleiding heelkunde in het MUMC+ in Maastricht, waar zij werd ingezet op de Intensive Care en de Spoedeisende Hulp. Vanaf januari 2010 heeft zij haar opleiding voortgezet in het VieCuri, waar zij als arts in opleiding tot specialist (AIOS) werkte op de afdeling chirurgie, met als opleider dr. [A] . De opleiding werd in die tijd onderbroken door een periode van ziekte van [verzoeksters] wegens een burn-out (waarna re-integratie) en door een periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof in verband met de komst van haar eerste kind op [geboortedatum 1] 2011. [verzoeksters] ontving in het VieCuri extra begeleiding en coaching en er vonden meerdere voortgangsgesprekken plaats. In juni 2012 is besloten dat [verzoeksters] niet geschikt was voor de opleiding tot chirurg en is de opleiding beëindigd.\n\n3.5.. \n [verzoeksters] was het met dat besluit niet eens en wilde een herkansing. Besloten is toen dat zij een extern beoordelingstraject van enkele maanden zou volgen bij het MMC in Veldhoven. Zij is toen zes maanden intensief gevolgd na ommekomst waarvan zij haar opleiding in het MMC kon voortzetten.\n\n3.6.. \n [verzoeksters] heeft zodoende van juli 2012 tot half januari 2015 als AIOS chirurgie in het MMC gewerkt. Haar opleiding werd in die tijd onderbroken door een periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof in verband met de komst van haar tweede kind op [geboortedatum 2] 2014.\n\n3.7.. Per februari 2015 zou [verzoeksters] haar opleiding vervolgen in het MUMC+, maar de beoordelend opleider van [verzoeksters] in het MMC, dr. [B] , heeft op 12 januari 2015 besloten de opleiding tot chirurg van [verzoeksters] te beëindigen omdat zij niet geschikt werd geacht voor het beroep chirurg.\n\n3.8.. \n [verzoeksters] was het ook toen niet eens met de beëindiging van haar opleiding en heeft zich gewend tot de KNMG Geschillencommissie (hierna: de Geschillencommissie).\n\n3.9.. \n [verzoeksters] , die zich in januari 2015 ziek had gemeld, is in juli 2015 in het kader van re-integratie weer (deels) aan het werk gegaan bij het MUMC+ . Zij was daar niet langer in opleiding maar verrichtte daar werkzaamheden als ANIOS op de afdeling chirurgie.\n\n3.10.. De Geschillencommissie oordeelde op 1 september 2015 dat [verzoeksters] in de gelegenheid moest worden gesteld de opleiding voort te zetten. Dit moest dan wel in een ander ziekenhuis dan het MMC gebeuren, waarbij gestart moest worden met een zes maanden durend Geïntensiveerd Begeleidings Traject (GBT), waarna de geschiktheid van [verzoeksters] voor de opleiding opnieuw moest worden beoordeeld.\n\n3.11.. In november 2015 heeft [verzoeksters] samen met haar opleider prof. [C] een plan van aanpak gemaakt voor een GBT van 6 maanden in het MUMC+, waarmee ze haar opleiding zou voortzetten. Dat traject zou starten wanneer [verzoeksters] hersteld zou zijn van een knie-operatie die zij onderging in oktober 2015. De verwachting was dat de start in januari 2016 zou zijn. Half december 2015 werd echter de partner van [verzoeksters] langdurig ziek, waardoor zij een aantal maanden zorgverlof moest opnemen om voor haar gezin te zorgen en niet met het GBT kon starten. In die periode speelden ook een verhuizing en verbouwing. Vervolgens bleek [verzoeksters] ongepland zwanger van haar derde kind, met de daarbij komende stress, controles en een operatie in juni 2016 om de (in de buikholte geïnfiltreerde) spiraal te verwijderen. Ook in die tijd achtte [verzoeksters] zich niet in staat om het GBT te starten. Zij heeft vanaf oktober 2015 geen werkzaamheden meer verricht.\n\n3.12.. In september 2016 gaf prof. [C] van het MUMC+ in voortgangsgesprekken met [verzoeksters] aan dat hij haar niet meer opleidbaar achtte. [C] gaf aan zeer bezorgd te zijn over de toekomst van [verzoeksters] als aankomend chirurg, en baseerde dat op het verleden (met tweemaal een beoordelingstraject), het functioneren in het MUMC+ toen zij daar nog klinisch actief was, en de duur van de arbeidsongeschiktheid tot dat moment, wat met inbegrip van het aankomende zwangerschapsverlof zou leiden tot een onderbreking van de opleiding van ruim twee jaar. [C] achtte [verzoeksters] hierdoor niet meer opleidbaar tot chirurg.\n\n3.13.. Op [datum] 2016 is [verzoeksters] bevallen van haar derde kind.\n\n3.14.. In februari 2017 vonden nog twee evaluatiegesprekken plaats, waarbij [verzoeksters] heeft aangegeven zich neer te leggen bij het besluit om haar opleiding te beëindigen.\n\n3.15.. Op 1 april 2017 is de opleiding formeel beëindigd.\n\n3.16.. Per 1 mei 2017 is [verzoeksters] gaan werken in de functie van praktijkarts bij Veiligheidsregio Limburg-Noord voor 24 uur per week.\n\n3.17.. Op verzoek van [verzoeksters] zijn voorafgaande aan de deelschilprocedure een viertal getuigen gehoord, te weten: [verzoeksters] zelf, de voormalige opleider prof. [C] , en twee voormalige collega’s [D] en [E] . In tegenverhoor zijn gehoord de voormalige opleiders [A] en [B] .\n\n4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n [verzoeksters] verzoekt de rechtbank te beslissen in deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv), in die zin dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nvoor recht verklaart dat [verzoeksters] in de situatie zonder onzorgvuldig medisch handelen de opleiding tot chirurg met succes zou hebben afgerond, dan wel subsidiair [verzoeksters] door het medisch onzorgvuldig handelen een kans heeft verloren om de opleiding tot chirurg met succes af te ronden en deze kans te schatten in de vorm van een percentage;\n\nde door [verzoeksters] van 31 oktober 2017 tot en met 14 februari 2025 gemaakte buitengerechtelijke kosten vaststelt op € 47.189,78 inclusief btw en verschotten, en bepaalt dat MediRisk op grond van artikel 7:954 lid 1 BW gehouden is dit bedrag rechtstreeks aan [verzoeksters] te voldoen met aftrek van de door MediRisk ten aanzien van deze buitengerechtelijke kosten gedane betalingen;\n\nde door [verzoeksters] gemaakte kosten voor de behandeling van het door haar ingediende verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor vaststelt op € 33.094,14 inclusief btw, griffierechten (€ 314,-) en taxe van de door haar opgeroepen getuigen (€ 1.530,68), en bepaalt dat MediRisk op grond van artikel 7:954 lid 1 BW gehouden is dit bedrag rechtstreeks aan [verzoeksters] te voldoen met aftrek van de door MediRisk ten aanzien van deze kosten gedane betalingen;\n\ne kosten als bedoeld in artikel 1019aa, lid 1 RV begroot op € 11.255,45 inclusief btw en griffierecht (€ 311,-), zoals in randnummer 99 van het verzoekschrift gespecificeerd, en bepaalt dat MediRisk op grond van artikel 7:954 lid 1 BW gehouden is dit bedrag rechtstreeks aan [verzoeksters] te voldoen.\n\n4.2.. \n\nAan het verzoek heeft [verzoeksters] het volgende ten grondslag gelegd. Zij stelt dat zij zonder de ongewenste zwangerschap het GBT op 1 mei 2016 had kunnen starten en ongecompliceerd zou hebben kunnen volbrengen en vervolgens de opleiding tot chirurg met succes zou hebben afgerond. Weliswaar waren de eindbeoordelingen in het VieCuri in 2012 en in het MMC in 2015 negatief, maar bij die beoordelingen is onvoldoende rekening gehouden met haar (eerste twee) zwangerschappen. Uit de beoordelingsportfolio blijkt dat de tussentijdse beoordelingen overwegend positief waren, maar dat de beoordelingen tijdens en na de zwangerschappen kritischer waren. Er werd geen of onvoldoende rekening gehouden met het moeizame verloop van de zwangerschappen, de invloed van de ontzwangeringsfase en in het algemeen met de verminderde belastbaarheid tijdens en na de zwangerschap. Zonder de ongewenste (derde) zwangerschap zou zij in optimale omstandigheden zijn begonnen met het GBT en dit met succes hebben doorlopen.\n\nWaar er kritiek was op haar functioneren is zij onvoldoende in de gelegenheid gesteld haar functioneren te verbeteren. Haar werd in het VieCuri en het MMC geen intensieve begeleiding geboden. Zij stelt dat met het voorgenomen GBT-traject in het MUMC+ haar functioneren aanzienlijk zou hebben kunnen verbeteren waartoe zij zeer gemotiveerd was. [verzoeksters] wijst tot slot op de positieve beoordelingen over de periode van augustus tot en met september 2015 (toen zij klinisch actief was in MUMC+ in het kader van re-integratie en vooruitlopend op de start van het GBT). Er waren verbeterpunten maar daaruit blijkt niet dat zij niet geschikt zou zijn om de opleiding tot chirurg te kunnen afronden. Zij wijst erop dat zij in die periode onder grote druk stond om goed te presteren. Aan het door haar te leveren bewijs mogen geen strenge eisen worden gesteld, nu het de aansprakelijke partij is die aan haar de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in de hypothetische situatie zou zijn geschied, aldus [verzoeksters] . Hoe dan ook heeft [verzoeksters] door het medisch onzorgvuldig handelen een kans verloren om de opleiding tot chirurg met succes af te ronden.\n\n4.3.. MMC en MediRisk verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe onder meer het volgende aan. Zij betwisten het causaal verband tussen de derde zwangerschap en het niet afronden van de opleiding tot chirurg. Zij stellen dat andere factoren, zoals de eerdere beoordelingen van het functioneren en eerdere trajecten bepalend zijn geweest voor het staken van de opleiding. Zij wijzen op de getuigenverklaringen van de drie opleiders van [verzoeksters] die ieder hebben verklaard dat zij ongeschikt werd geacht om de opleiding tot chirurg voort te zetten en dat zij geen vertrouwen hadden in een succesvolle afronding van haar opleiding. Daarbij speelde ook een rol dat [verzoeksters] , toen de beëindiging van de opleiding in het MUMC+ werd besproken (voor het eerst in september 2016) al anderhalf jaar niet meer klinisch actief was.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. \n [verzoeksters] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen.\n\n5.2.. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n5.3.. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over het causaal verband tussen het medisch onzorgvuldig handelen en het niet afronden van de opleiding tot chirurg. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken. Het is evident dat de voorgelegde vraag een deel van het geschil tussen partijen betreft.\n\n5.4.. De rechtbank komt tot het oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om tot het oordeel te kunnen komen dat [verzoeksters] zonder het onzorgvuldig medisch handelen, dus zonder de ongewenste derde zwangerschap, de opleiding tot chirurg (zonder meer) met succes zou hebben doorlopen. Het is niet uitgesloten dat de opleiding alsnog met succes zou zijn afgerond, maar er zijn meerdere factoren die aan het succesvol afronden in de weg hadden kunnen staan, ook in het geval er van een derde zwangerschap geen sprake zou zijn geweest. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het navolgende.\n\n5.5.. De twee eerdere beoordelingstrajecten in het VieCurie en in het MMC waren verre van vlekkeloos verlopen. Er waren op cruciale momenten meerdere punten van kritiek, zowel bij tussentijdse beoordelingen als bij eindbeoordelingen. Er wordt gewezen op gebrekkige communicatie, het niet uit elkaar houden van hoofd- en bijzaken, het niet openstaan voor kritiek, gebrek aan leerbaarheid, onvoldoende tempo en gebrek aan zelfvertrouwen, en ook in techniek liep zij geregeld achter (zoals onder meer blijkt uit het als prod. 5 overgelegde portfolio en de uitspraak van de Geschillencommissie van 1 september 2015, zoals gevoegd bij prod. 2).\n\n5.6.. \n\nOver de opleidingsperiode in het VieCurie verklaart opleider [A] onder meer: “(…) Het centrale punt was bij haar vooral leerbaarheid. Zij kon moeilijk omgaan met kritiek. Ze deed daar ook niet veel mee. Zij was wel eager om zaken te doen en dan bedoel ik met name chirurgisch handelen ook als ze er nog niet klaar voor was. Ze wilde wel, maar was daar nog niet klaar voor. (…) Het is voor een arts in opleiding de bedoeling dat deze in het portfolio feedback verzamelt. [verzoeksters] deed dat beperkt. Te weinig en had problemen met de feedback die ze kreeg. (…)\n\nU vraagt mij om aan te geven wat ik precies bedoel met de onvoldoende groei die [verzoeksters] had doorgemaakt. Er was een vertrouwensbreuk ontstaan. Vakgroep leden hadden geen vertrouwen in het werk van [verzoeksters] . Er waren patiënt gebonden problemen en chirurgen lieten haar geen chirurgische handelingen verrichten die zij normaalgesproken qua anciënniteit had moeten kunnen verrichten. Haar leercurve liep achter. (…) De assistentengroep stond volmodig achter het besluit zoals dat in juni 2012 is genomen. (…)”\n\n5.7.. \n\nOver de opleidingsperiode in het MMC verklaart [B] onder meer:\n\n“(…) Ten aanzien van die competenties ging het met betrekking tot haar in 2013 grosso modo over communicatie, patiënt vriendelijkheid, besluitvaardigheid, werken in teamverband, operatieve vaardigheden en zelfinzicht. (…) In 2014 na terugkeer van haar zwangerschapsverlof waarbij geen verbeteringen in de competenties werd geconstateerd was de inzet van collega [F] en mij om [verzoeksters] ervan te overtuigen dat zij geen goede route volgde en dat zij dit zelf ook zou gaan inzien. (…) Ik heb toen(december 2014, rb)bij alle leden van de maatschap rondvraag gedaan en hen gevraagd of zij [verzoeksters] geschikt of ongeschikt achtte voor de opleiding chirurgie. Unaniem is toen binnen de maatschap besloten dat zij ongeschikt was. (…)”\n\n5.8.. Mogelijk heeft het verloop van haar twee zwangerschappen [verzoeksters] in de opleiding parten gespeeld. Zoals [B] als getuige verklaart: “Ik zeg u dat de onderbreking door een zwangerschapverlof daar geen goed aan doet. Het ging met horten en stoten want je moet na terugkeer alles weer oppakken.”[verzoeksters] heeft evenwel te weinig aangevoerd om te kunnen concluderen dat zij op de zwangerschappen ten onrechte is “afgerekend’ zoals zij lijkt te willen stellen. Ook ontbreken (medische) gegevens van [verzoeksters] op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat het mindere functioneren uitsluitend in en na de perioden van zwangerschap en als gevolg daarvan aan de orde was en dat zonder zwangerschap de hierboven aangehaalde kritiek niet aan de orde was.\n\n5.9.. De rechtbank stelt vast dat er in beide opleidingstrajecten wel degelijk sprake is geweest van intensieve begeleiding. Bij het VieCuri met name na de burn-out waarbij ook een coach is ingeschakeld. In het MMC met name in de eerste zes maanden. Aan [verzoeksters] kan worden toegegeven dat het geen officieel GBT betrof, maar ook [verzoeksters] betwist niet dat opleider [G] haar toen intensief heeft begeleid. Dat leidde ertoe dat zij vervolgens haar opleiding kon voortzetten, maar uiteindelijk ontstond er toch weer kritiek op haar functioneren.\n\n5.10.. De Geschillencommissie heeft op 1 september 2015 geoordeeld dat gelet op door de opleider gesignaleerde tekortkomingen in het functioneren van [verzoeksters] het op de weg van de opleider had gelegen haar intensiever te begeleiden, zodat zij haar functioneren kon verbeteren. Omdat daarvan niet of onvoldoende was gebleken heeft de commissie geoordeeld dat [verzoeksters] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om haar functioneren te verbeteren en dat zij die gelegenheid alsnog moest krijgen in de vorm van een zes maanden durend geïntensiveerd begeleidingstraject (GBT), waarna opnieuw een geschiktheidoordeel zou plaatsvinden.\n\n5.11.. Uit het Plan van aanpak dat voor het GBT in november 2015 is opgesteld door opleider [C] en [verzoeksters] (onderdeel van prod. 2) blijkt dat als aandachtspunten voor dat traject nagenoeg alle competenties aan de orde waren (medisch handelen, communicatie, samenwerking, kennis en wetenschap, organisatie en professionaliteit). Met name werden als aandachtspunt genoemd de handvaardigheid (die eerder als onder de maat werd beoordeeld), het onderscheid van hoofd- en bijzaken, zien van het totale beeld van de patiënt en het maken van beleid (wat eerder punten van kritiek waren), communicatie met collega’s, tevens interdisciplinair, voldoende kennis van de pathologie van de patiënt, zich uitend in blijk geven van voldoende onderscheid van hoofd- en bijzaken, het stellen van prioriteiten, goede afstemming van werk-privébalans om als persoon goed te kunnen blijven functioneren en uitstralen van zelfverzekerdheid en van actieve betrokkenheid, niet te afwachtend zijn en stressbestendigheid.\n\n5.12.. \n\nGelet hierop constateert de rechtbank dat [verzoeksters] een zwaar traject stond te wachten waarbij haar functioneren onder een vergrootglas zou liggen. Het is niet uitgesloten dat zij erin geslaagd zou zijn de punten van kritiek te overwinnen, maar niet kan gezegd worden dat enkel de ongewenste zwangerschap aan het welslagen in de weg heeft gestaan. Ook zonder die zwangerschap had [verzoeksters] nog heel wat te overwinnen alvorens zij na het intensieve beoordelingstraject in de gelegenheid zou zijn gesteld de opleiding voort te zetten. Daarbij komt dat [verzoeksters] bij de start van het GBT op 1 mei 2016 (zoals door haar voorzien in verband met privéperikelen) gedurende een periode van een jaar en vier maanden nauwelijks werkzaamheden als chirurg had uitgevoerd (afgezien van de parttime verrichtingen in augustus en september 2015 in het MMUC+ als anios).\n\nDaarbij kan niet onvermeld blijven dat de privésituatie van [verzoeksters] kwetsbaar was (reeds twee kleine kinderen, ziekteperiode partner) en zij haar prioriteit niet telkens bij de opleiding leek te leggen (verhuizing en verbouwing in de periode dat zij met het GBT had moeten beginnen).\n\n5.13.. Al met al concludeert de rechtbank dat niet vastgesteld kan worden dat [verzoeksters] zonder het onzorgvuldig medisch handelen, dus zonder de ongewenste derde zwangerschap de opleiding tot chirurg met succes zou hebben doorlopen\n\n5.14.. De rechtbank komt wel tot het oordeel dat door het medisch onzorgvuldig handelen voor [verzoeksters] een kans verloren is gegaan om de opleiding tot chirurg met succes af te ronden. De ongewenste zwangerschap als gevolg van het onzorgvuldig medisch handelen kwam op een uiterst ongelukkig tijdstip. [verzoeksters] heeft daardoor niet meer kunnen laten zien dat zij in staat was geweest de kritiek te overwinnen en zich de competenties alsnog meer eigen te maken. Bij het besluit van opleider [C] om de opleiding te beëindigen en het GBT niet na de zwangerschap alsnog te starten, speelde de zwangerschap wel degelijk een rol. Een van de redenen was immers dat [verzoeksters] na de zwangerschap en het zwangerschapsverlof gedurende een periode van circa twee jaar niet in opleiding zou zijn geweest. Hiervoor is aan de orde gekomen dat er behoorlijk wat fundamentele kritiekpunten waren, maar uiteraard is er ook het een en ander goed gegaan, zoals ook blijkt uit het opleidingsportfolio. Uiteindelijk zat [verzoeksters] al in het vijfde jaar van de opleiding. En de Geschillencommissie heeft beslist dat [verzoeksters] nog een gelegenheid moest krijgen haar functioneren te verbeteren. Het is niet onrealistisch ervan uit te gaan dat er ook een gerede kans was dat [verzoeksters] uiteindelijk wel was geslaagd in het afronden van de opleiding. De rechtbank schat de kans dat [verzoeksters] zonder het medisch onzorgvuldig handelen de opleiding tot chirurg met succes zou hebben afgerond, alle omstandigheden in ogenschouw nemend, ex aequo et bono op 30 %.\n\n5.15.. De stelling van verweerders dat het ontbreken van bezwaar door [verzoeksters] tegen het definitieve besluit tot beëindiging van de opleiding bij MUMC+ de vordering tot schadevergoeding wegens verlies aan verdienvermogen (waar het uiteindelijk om gaat) in de weg staat, wordt afgewezen. [verzoeksters] heeft zich om begrijpelijke redenen bij dat besluit neergelegd. Het causaal verband tussen het medisch onzorgvuldig handelen en de daardoor ontstane schade is daarmee niet doorbroken.\n\nBuitengerechtelijke kosten\n\n5.16.. Met betrekking tot de vordering van [verzoeksters] om de van 31 oktober 2017 tot en met 14 februari 2025 gemaakte buitengerechtelijke kosten vast te stellen op € 47.189,78 inclusief btw en verschotten, met aftrek van de door MediRisk reeds gedane betalingen, oordeelt de rechtbank als volgt.\n\n5.17.. \n\nDoor MediRisk is betaald € 29.000,-- zodat resteert een bedrag van € 18.189,78.\n\nOp grond van artikel 6:96 lid 2 onder a BW dient de aansprakelijke partij ook als schade te vergoeden de kosten van rechtsbijstand ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade. Deze kosten dienen wel aan de dubbele redelijkheidstoets te voldoen, dat wil zeggen dat het redelijk moet zijn dat rechtsbijstand is ingeschakeld en dat de gemaakte kosten naar omvang redelijk zijn.\n\n5.18.. Door MediRisk wordt het laatste betwist stellende dat het een overzichtelijk dossier van beperkte complexiteit betreft. De rechtbank constateert dat het drie jaar heeft geduurd voordat de aansprakelijkheid werd erkend, en dat MediRisk tot op heden het causaal verband betwist tussen het medisch onzorgvuldig handelen en het niet afronden van de opleiding tot chirurg door [verzoeksters] . De rechtbank is van oordeel dat niet gesproken kan worden van een overzichtelijk dossier, noch wat betreft de vaststelling van de aansprakelijkheid noch wat betreft de vaststelling van het causaal verband. De bestudering en beoordeling van de gang van zaken rond de chirurgenopleiding en de consequenties daarvan voor de beoordeling van de juridische vraagstukken in dit dossier is een arbeidsintensieve taak. De veronderstelling van MediRisk dat alle werkzaamheden over alle jaren beperkt hadden kunnen blijven tot een aantal van in totaal 50 uur miskent de werkelijkheid. De rechtbank stelt vast dat MediRisk de gespecificeerde werkzaamheden zoals die blijken uit de urenlijsten die bij de facturen zijn gevoegd niet betwist, noch bezwaar maakt tegen de gevorderde kosten van de rekenkundige expertise van Laumen (€ 4.925,51 inclusief btw). MediRisk kan worden toegegeven dat van een gespecialiseerde letseladvocaat verwacht mag worden efficiënt te werk te gaan, maar bij gebrek aan betwisting van de werkzaamheden zelf ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding het urenaantal, hoewel met 130 uur over de periode van 31 oktober 2017 tot en met 14 februari 2025 fors, te matigen.\n\n5.19.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat het merendeel van de uren (te weten ruim 98 uur tot 18 oktober 2021) is afgerekend tegen een uurtarief van € 250,-- exclusief btw, het uurtarief waarmee MediRisk blijkens het verweerschrift kan instemmen.\n\nDe uren over de periode vanaf 3 november 2021 tot en met 25 april 2022 (ruim 19 uur) zijn berekend naar een tarief van € 270,-- exclusief btw per uur, welk tarief voor een gespecialiseerd letseladvocaat in de jurisprudentie wordt aanvaard.\n\nDe uren over de periode 19 december 2023 tot en met 14 februari 2025 (12 uur ) zijn berekend naar een tarief van (voor zover de rechtbank kan nagaan) € 295,-- exclusief btw. Hoewel aan de hoge kant zal de rechtbank in dit geval dat specialistentarief aanvaarden.\n\nDe rechtbank stelt daarom de van 31 oktober 2017 tot en met 14 februari 2025 gemaakte buitengerechtelijke kosten vast op € 47.189,78 inclusief btw en verschotten, en veroordeelt MediRisk op grond van artikel 7:954 lid 1 BW onder aftrek van de door haar reeds gedane betalingen van € 29.000,--, tot betaling aan [verzoeksters] van een bedrag van € 18.189,78.\n\nKosten getuigenverhoren\n\n5.20.. Buiten de hiervoor beoordeelde buitengerechtelijke kosten vordert [verzoeksters] ook een bedrag aan kosten vast te stellen voor de behandeling van het door haar ingediende verzoek voorlopig getuigenverhoor over de periode van 29 april 2022 tot en met 21 november 2023 en wel tot een bedrag van € 33.094,14 inclusief btw, griffierechten en getuigentaxe, en MediRisk tot betaling te veroordelen met aftrek van de reeds gedane betaling.\n\n5.21.. MediRisk stelt zich op het standpunt dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, nu de getuigenverhoren geen wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de door [verzoeksters] te bewijzen stellingen.\n\n5.22.. De rechtbank oordeelt dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Gelet op het standpunt van MMC en MediRisk ten aanzien van het (ontbreken van) causaal verband stond het [verzoeksters] vrij kosten te maken voor een getuigenverhoor om haar bewijspositie helder te krijgen, wat de uitkomst daarvan ook is. Zij heeft ook kosten moeten maken in verband met het horen van de getuigen in het door MediRisk geëntameerde tegenverhoor.\n\n5.23.. De kosten dienen wel aan de hiervoor onder r.o. 5.17 al genoemde dubbele redelijkheidstoets te voldoen. Met MediRisk is de rechtbank van oordeel dat de omvang van de kosten de redelijkheidstoets niet doorstaat. Uit de overgelegde urenspecificaties leidt de rechtbank af dat het gaat om in totaal ca 97 uur. Dat is een hoog aantal voor een enkel verzoekschrift en drie verhoordagen. De rechtbank constateert dat in de urenspecificaties talloze mails en telefoongesprekken zijn opgenomen, waarvan nut en noodzaak niet nader zijn onderbouwd. MediRisk verzoekt het urenaantal te stellen op 44 in totaal, uitgaande van 3 dagen van 8 uur voor de verhoren, 10 uur voor het verzoekschrift en 10 uur voor het voorbereiden van de verhoren. De rechtbank zal dat volgen, zij het dat zij voor de voorbereiding en het nabespreken van de verhoren meer uren zal toekennen, alsmede uren voor correspondentie en andere contactmomenten rondom de getuigenverhoren. Daarmee komt de rechtbank op een aantal van 55 uur. Voor de eerste factuur van 28 juni 2022 is een uurtarief gerekend van € 250,-- exclusief btw. Dat is alleszins aanvaardbaar. Voor de overige uren is gerekend met een uurtarief van € 270,-- exclusief btw welk tarief gelet op de specialisatie van mr. Sobczak wordt aanvaard.\n\n5.24.. De toe te wijzen kosten komen daarmee op een bedrag van in totaal € 19.144,05 (€ 6.322,25 + € 849,42 + € 4.116,42 + € 6.011,28 + € 314,-- (griffierecht) + € 1.530,68 (getuigentaxe) waarbij de rechtbank de twee laatste facturen met nummers 1199 en 1350 om praktische redenen (samen ca 42 uur) buiten beschouwing laat). Er is niet gebleken van enige betaling door MediRisk op deze facturen, om welke reden de rechtbank MediRisk zal veroordelen tot betaling van dit totaalbedrag aan [verzoeksters] .\n\nKosten deelgeschil\n\n5.25.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.\n\n5.26.. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Ook hierbij moet de rechtbank de al vaker genoemde dubbele redelijkheidstoets hanteren.\n\n5.27.. \n [verzoeksters] maakte aanvankelijk aanspraak op € 11.255,45 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht, maar heeft dat ter zitting verhoogd naar € 12.235,55 omdat drie uur meer zijn besteed aan de pleitnota, waardoor het urenaantal komt op 36,5 uur. [verzoeksters] verzoekt de rechtbank ook met meer tijd voor de zitting te rekenen, nu deze langer heeft geduurd dan de voorziene twee uur. De rechtbank stelt vast dat de zitting drie uur heeft geduurd, waarmee het aan het verzoek ten grondslag gelegde urenaantal op 37,5 uur komt.\n\n5.28.. MediRisk voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief van € 270.-- exclusief btw bovenmatig is. Het aantal uren vindt zij onredelijk omdat het verzoekschrift nagenoeg gelijk is aan de brief aan MediRisk van 24 februari 2022 op grond waarvan niet 23 uur maar 8 uur toegekend moet worden. Met de andere opgevoerde uren is MediRisk het eens, althans voert zij daartegen geen verweer, ook niet tegen die uren die in de pleitnota nog aan de orde zijn gekomen.\n\n5.29.. \n\nZoals hiervoor al is geoordeeld, wordt het uurtarief van € 270,-- inclusief btw door de rechtbank aanvaard gelet op de specialisatie van mr. Sobczak. De rechtbank zal het urenaantal matigen. Met MediRisk is de rechtbank van oordeel dat het verzoekschrift gelijkenis vertoont met de eerder verzonden brief, zij het niet in de mate die MediRisk veronderstelt. Het is wel aanleiding om het urenaantal voor het verzoekschrift bij te stellen naar 15 uur in plaats van 23 uur. De overige uren worden geaccepteerd, waardoor het totaal aantal te vergoeden uren uitkomt op 29,5. Daarmee komen de kosten van het deelgeschil op een totaal van € 9.637,65 inclusief btw, te verhogen met griffierecht € 311,--, totaal\n\n€ 9.948,65. De rechtbank begroot de kosten van het deelgeschil op dit bedrag en zal MediRisk veroordelen tot betaling van dit bedrag van € 9.948,65 aan [verzoeksters] .\n\n5.30.. De rechtbank zal deze uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals [verzoeksters] vraagt, omdat niet rechtstreeks tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure kan worden opgekomen. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. verklaart voor recht dat [verzoeksters] door het medisch onzorgvuldig handelen van MMC een kans van 30 % heeft verloren om de opleiding tot chirurg met succes af te ronden;\n\n6.2.. veroordeelt MediRisk tot betaling aan [verzoeksters] van een bedrag van € 18.189,78 aan buitengerechtelijke kosten als bedoeld in r.o. 5.19;\n\n6.3.. veroordeelt MediRisk tot betaling aan [verzoeksters] van een bedrag van € 19.144,05 aan kosten verband houdend met de getuigenverhoren als bedoeld in r.o. 5.24;\n\n6.4.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 9.637,65 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeksters] betaalde griffierecht van € 311,-- en veroordeelt Medirisk tot betaling daarvan aan [verzoeksters] ,\n\n6.5.. wijst hetgeen meer of anders is verzocht af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. O.R.M. van Dam en in het openbaar uitgesproken door mr. E.J.C. Adang op 26 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2000","2026-03-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.077Z",20]