[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-contract-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":54,"total":16,"page":25,"limit":92},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-02-18T00:00:00.000Z","2026-06-17T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,39,42,45,48,51],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122718","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 705",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122719","art. 705 lid 2",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"123185","art. 190 lid 3",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"123186","art. 187",{"provisionId":36,"code":37,"article":38,"count":25},"124469","Burgerlijk Wetboek","art. 7:9",{"provisionId":40,"code":37,"article":41,"count":25},"124470","art. 3:86 lid 1",{"provisionId":43,"code":37,"article":44,"count":25},"124477","art. 6:129 lid 1",{"provisionId":46,"code":23,"article":47,"count":25},"122283","art. 154",{"provisionId":49,"code":37,"article":50,"count":25},"122284","art. 7:610",{"provisionId":52,"code":23,"article":53,"count":25},"122285","art. 704 lid 2",[55,66,75,84],{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":65},"674","ECLI:NL:RBMNE:2026:3733","ecli-nl-rbmne-2026-3733","","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F591883 \u002F HA ZA 25-214\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. R.S. [G.] ,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. K. Klaasen en mr. R.F. Feenstra.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van [eiser] tevens vordering in incident ex. artikel 208, 194 en 195 Rv;\n\n- de akte van [eiser] met productie 10 (beslagstukken);\n\n- de conclusie van antwoord in incident tevens inhoudende een zelfstandige incidentele vordering tot inzage ex. 194 en 195 Rv van [gedaagde] ;\n\n- de conclusie van antwoord inzake de zelfstandige incidentele vordering tot inzage ex 194 en 195 Rv van [eiser] ;\n\n- het vonnis in de incidenten van 17 september 2025;\n\n- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van [gedaagde] ;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] ; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de akte van [eiser] met vermeerdering eis en aanvullende producties;\n\n- de akte van [gedaagde] met aanvullende producties.\n\n1.2. Op 17 april 2026 vond de mondelinge behandeling plaats. Namens [eiser] waren de heer [A] (indirect statutair bestuurder van [eiser] , hierna: ‘ [A] ’) en mevrouw [B] (adjunct-directeur, hierna: ‘ [B] ’) aanwezig. Zij werden bijgestaan door mr. R.S. [G.] . [gedaagde] was ook aanwezig en hij werd bijgestaan door mr. K. Klaasen en mr. R.F. Feenstra. Partijen en hun advocaten hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.\n\n1.3. Met partijen is besproken dat tijdens de mondelinge behandeling zowel de conventie als de reconventie inhoudelijk zou worden behandeld, ondanks het door [gedaagde] opgeworpen bevoegdheidsincident. [gedaagde] stelt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, waardoor niet de rechtbank maar de kantonrechter exclusief bevoegd is om over de zaak te oordelen. Partijen hebben ingestemd met het voorstel van de rechtbank om pas in dit vonnis een oordeel te geven over de juridische kwalificatie van de relatie tussen hen, en de zaak gelijk af te doen, zodat niet nog een mondelinge behandeling hoeft te worden gepland wanneer zou blijken dat de zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter.\n\n1.4. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [gedaagde] heeft van 2 september 2024 tot en met 15 januari 2025 gewerkt voor [eiser] als Operationeel Manager. [eiser] is actief in de schoonmaakbranche. Op 16 januari 2025 heeft [eiser] de overeenkomst tussen partijen opgezegd. [eiser] vordert onder meer contractuele boetes, omdat [gedaagde] zijn geheimhouding zou hebben geschonden. [eiser] heeft in dat kader bewijsbeslag gelegd en inzage verkregen in de gegevensdragers van [gedaagde] . [gedaagde] voert verweer. Hij stelt zich daarnaast op het standpunt dat hij werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] vordert in reconventie onder meer betaling van loon. De rechtbank wijst de vorderingen over en weer grotendeels af. Het is niet gebleken dat [gedaagde] zijn geheimhouding heeft geschonden, en het is ook niet gebleken dat [gedaagde] werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] heeft wel zijn contractuele verplichtingen geschonden door zakelijke e-mails naar zijn privé mailadres te sturen, maar daaraan is geen boete gekoppeld.\n\n3. De beoordeling\n\nRechtbank is bevoegd\n\n3.1. \n [gedaagde] verzoekt verwijzing van de zaak naar de kantonrechter, omdat de kantonrechter exclusief bevoegd is om over zaken aangaande de arbeidsovereenkomst te oordelen (artikel 71 lid 2 jo. 93 sub c en 94 lid 2 en 3 Rv).\n\n3.2. De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken dat [gedaagde] werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat de rechtbank bevoegd is om over de zaak te oordelen. Hierna, bij de bespreking van de vorderingen in reconventie, wordt toegelicht hoe de rechtbank tot dit oordeel komt. Daarna zal de rechtbank de vorderingen in conventie beoordelen. Tot slot bespreekt de rechtbank de vorderingen met betrekking tot het bewijsbeslag.\n\nRECONVENTIE\n\nTussen partijen heeft geen arbeidsovereenkomst bestaan\n\nStelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst is niet tardief\n\n3.3. Volgens [eiser] is de stelling van [gedaagde] , dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, tardief, want te laat ingenomen. De rechtbank is het daar niet mee eens. De overeenkomst tussen partijen is in januari 2025 opgezegd. [gedaagde] heeft in december 2025, in de conclusie van antwoord, voor het eerst het standpunt ingenomen dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Dat is inderdaad laat. Maar, het staat een partij vrij om op ieder moment een standpunt in te nemen ten aanzien van de kwalificatie van de relatie tussen partijen, zolang de andere partij voldoende gelegenheid heeft om daar adequaat op te reageren. Het beginsel van hoor en wederhoor is daarvoor bepalend. Dit neemt niet weg dat in de wet wel termijnen zijn gekoppeld aan het inroepen van bepaalde rechtsgevolgen, zoals vernietiging van de opzegging of betaling van een transitievergoeding.Of het innemen van het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst ook het beoogde effect heeft, staat daar dus los van.\n\n3.4. \n [eiser] stelt daarnaast dat [gedaagde] in de procedure heeft erkend dat hij werkzaam was op basis van een overeenkomst van opdracht. In de conclusie van antwoord in het incident van 4 juni 2025 staat namelijk dat [gedaagde] op projectbasis werkt en dat het daarom wenselijk is dat hij op basis van een overeenkomst van opdracht werkt en niet in loondienst is. In de conclusie van antwoord van 24 december 2025 wordt vervolgens namens [gedaagde] het standpunt ingenomen dat men bij nadere beschouwing van mening is dat toch sprake is van een arbeidsovereenkomst. In feite komt [gedaagde] daarmee terug op wat eerder in de procedure is erkend.\n\n3.5. Toch zal de rechtbank inhoudelijk moeten beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het gaat hier namelijk om een (dwingendrechtelijke) juridische kwalificatie en niet een feitelijke stelling. Artikel 154 Rv, het wetsartikel waarin staat dat niet zonder meer kan worden teruggekomen op een gerechtelijke erkentenis, is hier dan ook niet van toepassing.\n\nToetsingskader kwalificatie arbeidsrelatie\n\n3.6. Artikel 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst (dus onder leiding en gezag) van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet in de eerste fase door uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. In deze fase is ruimte voor de partijbedoelingen en kan de maatschappelijke positie van partijen een rol spelen. In de tweede fase wordt beoordeeld of de overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst. Daarbij is niet van belang of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Vervolgens moet een holistische weging worden gemaakt van alle relevante feiten en omstandigheden en (contra-)indicatoren die volgen uit de twee fasen. Als na de holistische weging het oordeel volgt dat de overeenkomst voldoet aan de wettelijke vereisten, wordt de overeenkomst tussen partijen gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst.\n\nOvereengekomen rechten en verplichtingen\n\n3.7. Op 1 juni 2020 heeft [gedaagde] zijn eenmanszaak [bedrijf 1] ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel. [gedaagde] is toen als zzp’er gaan werken voor [bedrijf 2] (hierna: ‘ [bedrijf 2] ’), de rechtsvoorgangster van [eiser] . De samenwerking tussen [bedrijf 2] en [gedaagde] is destijds, in september 2021, in een geschil geëindigd.\n\n3.8. In december 2022 neemt [A] contact op met [gedaagde] . Hij biedt zijn excuses aan en partijen gaan met elkaar in gesprek, onder andere over een potentiële nieuwe samenwerking. Dat loopt op niets uit.\n\n3.9. Een jaar later, in december 2023, neemt [gedaagde] contact op met [A] voor ‘een nieuwe start’. Dit keer biedt [gedaagde] zijn excuses aan en partijen raken weer in gesprek. In mei 2024 doet [gedaagde] een voorstel voor de invulling van een samenwerking. Hij wil wekelijks factureren als zzp’er en ook doorbetaling van vakantie- en feestdagen, een tankpas en een laptop om thuis te kunnen werken. Op 15 augustus 2024 deelt [A] een conceptovereenkomst met [gedaagde] via Whatsapp en op 27 augustus 2024 stuurt [B] de conceptovereenkomst per e-mail. In die overeenkomst staat niks over betaling van vakantie- en feestdagen, tankpas en een laptop om thuis te werken.\n\n3.10. Op 2 september 2024 tekenen partijen vervolgens een overeenkomst met als titel ‘overeenkomst van opdracht’(hierna: de overeenkomst). Dat partijen bij aanvang een overeenkomst van opdracht hebben beoogd, staat vast.\n\n3.11. In de overeenkomst is onder meer het volgende vastgelegd:\n\n [bedrijf 1] verricht voor eigen rekening en risico werkzaamheden in facilitaire diensten.\n\n [eiser] wenst voor het uitvoeren van werkzaamheden op operationeel gebied gebruik te maken van de diensten van [gedaagde] .\n\n [gedaagde] zal de werkzaamheden naar eigen inzicht, deskundigheid en planning uitvoeren in overeenstemming met [eiser] .\n\nPartijen wensen uitdrukkelijk geen arbeidsovereenkomst aan te gaan, dan wel een daarmee gelijkgestelde betrekking.\n\n [eiser] zal een duidelijke taakomschrijving delen met [gedaagde] , waar [gedaagde] zich aan dient te houden en niet van af mag wijken.\n\nDe werkzaamheden worden fysiek op het hoofdkantoor in Utrecht verricht.\n\n [gedaagde] deelt zijn werkzaamheden zelfstandig in, echter onder afstemming ervan met [eiser] , zodat in geval van samenwerking met anderen, deze optimaal zal verlopen.\n\n [gedaagde] zal de werkzaamheden verrichten binnen de arbeidstijden van [eiser] , die lopen van 08.00 tot 17.00 uur.\n\nDe overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan worden opgezegd met inachtneming van een maand opzegtermijn.\n\nIn geval van langdurige verhindering of overmacht van [gedaagde] , langer dan een week, zal de overeenkomst per direct worden beëindigd.\n\nDe werkzaamheden worden verricht binnen 4 werkdagen van 8 uur.\n\n [eiser] betaalt een wekelijkse vergoeding van € 1.6750,-. Deze vergoeding is inclusief reiskosten. Reistijd en pauzes mogen niet als werktijd in rekening worden gebracht.\n\n [gedaagde] ontvangt geen vergoeding reizen.\n\n [gedaagde] dient iedere werkweek een opgave van gemaakte uren over de afgelopen week te verstrekken. [eiser] accordeert het aantal uren en naar aanleiding daarvan mag [gedaagde] een factuur sturen.\n\n [eiser] betaalt dan binnen zeven dagen na factuurdatum.\n\n [gedaagde] verklaart dat hij voor de uitvoering van de opdracht in bezit is van:\n\no inschrijving KvK als zelfstandig ondernemer;\n\no VAR-verklaring;\n\no verzekering voor langdurige arbeidsongeschiktheid;\n\no verzekering voor beroeps-\u002Fbedrijfsaansprakelijkheid;\n\no ongevallenverzekering.\n\nOm reden van continuïteit en kwaliteit vindt gedurende de overeenkomst regelmatig overleg plaats tussen [eiser] en [gedaagde] over de voortgang en uitvoering van het werk.\n\n [gedaagde] is aansprakelijk voor schade, ontstaan door zijn handelen, als deze is ontstaan door opzet, roekeloosheid en grove schuld van [gedaagde] . In dat geval is [gedaagde] voor schade aansprakelijk tot maximaal een bedrag van € 1.000.000,-.\n\n3.12. Daarnaast bevat de overeenkomst een geheimhoudingsbeding en een verbod om bedrijfseigendommen toe te eigenen, mee naar huis te nemen of te kopiëren. Deze bedingen komen later in dit vonnis aan de orde.\n\n3.13. In de praktijk is grotendeels uitvoering gegeven aan de overeengekomen rechten en verplichtingen. [gedaagde] heeft wekelijks gefactureerd voor de uitgevoerde werkzaamheden en [eiser] heeft de facturen betaald. [gedaagde] is op 15 januari 2025 op non-actief gesteld, want hij zou zich negatief hebben uitgelaten over [eiser] en [A] . Op 16 januari 2025 is de overeenkomst door [eiser] opgezegd. Bij de opzegging heeft [gedaagde] zich vervolgens neergelegd, want het is niet gebleken dat hij zich hiertegen heeft verzet. Wel heeft hij meermaals verzocht om betaling van zijn laatste facturen, waaronder de opzegtermijn van één maand die [gedaagde] heeft gefactureerd.\n\n3.14. Op 24 december 2025 neemt [gedaagde] voor het eerst het standpunt in dat hij bij [eiser] werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. Na kwalificatie van de hiervoor genoemde overeengekomen rechten en verplichtingen, blijkt echter niet dat ze voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.\n\nKwalificatiefase\n\n3.15. \n\nDe Hoge Raad heeft in de zaak van Deliveroo (Hoge Raad, 24 maart 2023, WCLI:NL:HR:2023:443) overwogen dat bij de beoordeling of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst onder meer de volgende tien (niet-limitatieve) gezichtspunten van belang kunnen zijn: (1) de aard en duur van de werkzaamheden; (2) de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald; (3) de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht; (4) het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren; (5) de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen; (6) de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd; (7) de hoogte van deze beloningen; (8) en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. (9) Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. (10) Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet\n\nworden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht.\n\n1) de aard en duur van de werkzaamheden\n\n3.16. Volgens [eiser] bestond de opdracht uit het optimaliseren van het bedrijfsbureau. Volgens [gedaagde] bestond de opdracht uit het aansturen van het bedrijfsbureau en de operatie, en het onderbrengen van data in een nieuwe database ‘Nocore’. De aard van de werkzaamheden had dus geen betrekking op de kernactiviteit van [eiser] of het aansturen van medewerkers die zich bezighouden met de kernactiviteit van [eiser] . Dat is namelijk schoonmaken.\n\n3.17. \n [gedaagde] verwijst naar een taakomschrijving, maar het is onduidelijk of deze taakomschrijving hoort bij de overeenkomst van 2 september 2024. [gedaagde] verwijst naar een Whatsappbericht van [A] aan hem waarin het document ‘Taakomschrijving Functie District Manager’ wordt gedeeld. Dat is een andere functie dan Operationeel Manager. Uit de schermafbeelding kan ook worden afgeleid dat het bericht vóór 28 januari 2023 is gestuurd. Dat is anderhalf jaar voordat partijen de overeenkomst van 2 september 2023 sloten. [gedaagde] heeft daarom onvoldoende onderbouwd dat dit de taakomschrijving is waarnaar wordt gerefereerd in de overeenkomst van 2 september 2024.\n\n3.18. \n [gedaagde] heeft in de conclusie van antwoord in het incident erkend dat hij meer op projectbasis werkt. Gelet hierop past de aard van de werkzaamheden meer bij een opdrachtovereenkomst dan bij een arbeidsovereenkomst.\n\n3.19. Aan de andere kant zijn partijen wel een overeenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan. Dat past meer bij een arbeidsovereenkomst. Maar, het sluit een overeenkomst van opdracht ook niet uit. De overeenkomst kon door partijen gemakkelijk worden opgezegd met een opzegtermijn van één maand. De risico’s van het aangaan van een overeenkomst voor onbepaalde tijd waren dus beperkt.\n\n2) de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald\n\n3.20. \n [eiser] wilde dat de werkzaamheden op kantoor werden verricht. Dat is ook vastgelegd in de overeenkomst. [gedaagde] werkte in de praktijk echter ook vanuit huis. De IT-beheerder heeft [gedaagde] op diens verzoek toegang verleend tot de IT systemen van [eiser] , zodat hij ook vanuit huis kon werken. Volgens [eiser] mocht hij niet thuis werken, maar [eiser] stelt ook dat [gedaagde] buiten kantoortijden werkte en dat hij geen tag\u002Fsleutel had van kantoor. Daaruit kan worden afgeleid dat [eiser] in ieder geval op de hoogte was van het feit dat [gedaagde] ook vanuit huis voor [eiser] werkte. Het is niet gebleken dat [gedaagde] hierop is aangesproken door [eiser] .\n\n3.21. Volgens [gedaagde] heeft hij toestemming gevraagd en gekregen van [B] om vanuit huis in te loggen in de systemen. Dit zou blijken uit een mailwisseling van 20 november 2024. Dit wordt door [B] betwist. [gedaagde] heeft die mailwisseling niet laten zien, terwijl hij wel beschikt over zijn zakelijke mailbox, zodat hij verweer kan voeren in deze procedure. Of [gedaagde] toestemming had om vanuit huis te werken, kan dus niet worden vastgesteld.\n\n3.22. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] grotendeels zelf de wijze bepaalde waarop de werkzaamheden werden verricht.\n\n3.23. Ook de werktijden bepaalde hij zelf. In de overeenkomst staat dat [gedaagde] zich moest conformeren aan de kantoortijden van [eiser] , maar in de praktijk werkte hij regelmatig buiten die kantoortijden. Dat is door [eiser] aangetoond met verwijzing naar e-mails waaruit volgt dat [gedaagde] de werkdag later begon of in de avond\u002Fweekend aan het werk was.\n\n3.24. Of [eiser] werkinhoudelijke instructies gaf, is niet gebleken. Partijen hadden regelmatig overleg met elkaar, maar dat is onvoldoende om daaruit af te leiden dat [eiser] werkinhoudelijke instructies gaf. Het houden van gesprekken past binnen de kaders van de opdrachtovereenkomst, omdat die gesprekken nodig zijn om de opdracht naar tevredenheid van de opdrachtgever uit te voeren. [eiser] betwist dat zij werkinhoudelijke instructies gaf aan [gedaagde] .\n\n3.25. \n [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangeboden om bewijs te leveren van zijn stelling dat hij werkinhoudelijke instructies kreeg van [B] , door het overleggen van e-mails. Dat bewijsaanbod wordt gepasseerd, want [gedaagde] had deze e-mails voorafgaand aan de zitting kunnen en moeten laten zien. Daar was voldoende gelegenheid en reden voor. Dat [gedaagde] dit niet heeft gedaan, komt daarom voor zijn risico. Daar komt bij dat [B] pas in januari 2025 is aangesteld als Adjunct-Directeur. Daarvoor was zij werkzaam als HR medewerker. Als [gedaagde] inderdaad werkinstructies kreeg van [B] , wat gelet op haar functie niet voor de hand ligt, dan had [gedaagde] dit moeten aantonen met bewijsstukken.\n\n3.26. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] grotendeels zelf bepaalde hoe en wanneer hij zijn werk uitvoerde. Die vrijheid van [gedaagde] past binnen het kader van een opdrachtovereenkomst.\n\n3) de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht\n\n3.27. Het werk van [gedaagde] was niet ingebed in de organisatie van [eiser] , althans niet als het gaat om de optimalisatie van het bedrijfsbureau en het overzetten van data naar een nieuw systeem. Dat zijn namelijk projecten met een einde, waarvoor op enig moment de diensten van [gedaagde] dus niet meer nodig waren. Zoals eerder overwogen, zagen deze werkzaamheden van [gedaagde] ook niet op de kernactiviteit van [eiser] .\n\n3.28. Dit is wellicht anders met betrekking tot de operationele aansturing. Ook dat werk betreft niet de kernactiviteit van [eiser] , maar vanuit die rol was [gedaagde] wel breed in de organisatie zichtbaar en betrokken. In de e-mail van 14 januari 2025, waarin door [eiser] wordt aangekondigd dat [gedaagde] per direct zal aftreden als Operationeel Manager, staat dat iedereen [gedaagde] uit alle correspondentie van de uitvoering moet halen. Er staat ook dat voor operationele vragen en voor klantvragen men voortaan bij de daar genoemde medewerkers moeten zijn. Hieruit kan de rechtbank afleiden dat [gedaagde] wel een aanspreekpunt was voor veel mensen in de organisatie. [gedaagde] had ook een e-mailadres van [eiser] , waardoor zowel intern als extern niet duidelijk was dat [gedaagde] geen onderdeel uitmaakte van de organisatie.\n\n3.29. De persoon van [gedaagde] was dus wel ingebed in de organisatie en de bedrijfsvoering van [eiser] . Dat wijst in de richting van een arbeidsovereenkomst, maar sluit een overeenkomst van opdracht niet uit.\n\n4) het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren\n\n3.30. Of [gedaagde] zich mocht laten vervangen is niet duidelijk. In de overeenkomst is daarover niets afgesproken en de situatie heeft zich in de praktijk ook niet voorgedaan. Aan dit gezichtspunt komt hier dan ook geen waarde toe.\n\n5) de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen\n\n3.31. Partijen waren het erover eens dat zij een overeenkomst van opdracht wilden aangaan. [gedaagde] heeft een voorstel gedaan aan [eiser] over de arbeidsvoorwaarden. Daarover is onderhandeld, want niet alle onderdelen van het voorstel van [gedaagde] hebben de eindstreep gehaald. Dat [gedaagde] het eerste voorstel heeft gedaan en onder meer inspraak heeft gehad in de hoogte van de beloning, wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\n6) De wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd\n\n3.32. \n [gedaagde] heeft in mei 2024 voorgesteld om een tarief van € 1.675,- te hanteren per week. Daar is [eiser] mee akkoord gegaan. [gedaagde] factureerde vervolgens wekelijks via zijn eenmanszaak aan [eiser] . Hij zorgde zelf voor afdracht van btw en belastingen, althans daar gaat de rechtbank vanuit. De manier van belonen past bij een overeenkomst van opdracht en past duidelijk niet bij een arbeidsovereenkomst.\n\n7) de hoogte van de beloning\n\n3.33. \n [gedaagde] verdiende een vergoeding van € 1.675 per week exclusief btw . Dat is voor 4 dagen werk van 8 uur per dag, oftewel 32 uur. Omgerekend verdiende [gedaagde] € 52,34 per uur. In het Wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) is de grens op € 36,00 per uur bepaald voor het aannemen van een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst. Het bedrag dat [gedaagde] verdiende ligt hoger.\n\n3.34. Verder verdiende [gedaagde] een vast wekelijks tarief, ongeacht hoe veel uur hij die week werkte. Dat wijst in de richting van een arbeidsovereenkomst. In de overeenkomst is weliswaar bepaald dat [gedaagde] een opgave van zijn uren moest verstrekken en dat hij op basis daarvan mocht factureren, maar het is niet gebleken dat partijen in de praktijk hieraan uitvoering hebben gegeven. [gedaagde] stelt dat hij veel overuren werkte en dat die uren niet zijn betaald. Hieruit zou volgen dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Maar, als [gedaagde] zijn gewerkte uren had doorgegeven aan [eiser] , zoals ook de bedoeling was, dan had hij wellicht die uren wel uitbetaald had gekregen. Dat is nu niet vast te stellen.\n\n3.35. De factuur die [gedaagde] heeft gestuurd tijdens de kerstvakantie en de indexering die hij zonder overleg vanaf 1 januari 2025 heeft toegepast, zijn door [eiser] geweigerd. Hiervoor heeft [gedaagde] (onder protest) creditfacturen gestuurd. Dit past weer bij een overeenkomst van opdracht en duidelijk niet bij een arbeidsovereenkomst.\n\n8) de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt\n\n3.36. \n [gedaagde] ontving wekelijks een vergoeding, behalve tijdens vakantie. In de overeenkomst is niks afgesproken over doorbetaling tijdens ziekte en die situatie heeft zich niet voorgedaan, maar de rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde] ook dan geen vergoeding zou ontvangen. In de overeenkomst is namelijk bepaald dat [gedaagde] zelf een verzekering voor arbeidsongeschiktheid moest afsluiten. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\n3.37. Dat de overeenkomst slechts met inachtneming van een opzegtermijn van één maand kon worden opgezegd, is niet ongebruikelijk voor zzp’ers die afhankelijk zijn van de opdracht voor hun levensonderhoud. Doordat [gedaagde] 32 uur per week voor [eiser] werkte, kon hij niet ook andere opdrachten accepteren, althans niet voor veel uur in de week. Dit wijst in de richting van een arbeidsovereenkomst, maar sluit een overeenkomst van opdracht niet uit.\n\n9) ondernemerschap\n\n3.38. \n [gedaagde] heeft gedurende zijn werkzaamheden voor [eiser] geen opdrachten voor derden verricht. Wel staat vast dat [gedaagde] eerder in zijn loopbaan een onderneming had met 30 man personeel, en dat hij zowel vóór als na zijn tijd bij [eiser] werkzaam was als zzp’er. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij, nadat hij weg was bij [eiser] , gewerkt heeft voor [bedrijf 3] , een concurrent van [eiser] , en dat hij dit (ook) deed als zzp’er. Aan dit gezichtspunt komt in dit geval dus niet zoveel waarde toe.\n\n10) contractuele bedingen\n\n3.39. In de overeenkomst staan geen contractuele bedingen die [gedaagde] beperken om anders dan voor [eiser] werkzaam te zijn. Hij had bijvoorbeeld geen relatiebeding en ook geen concurrentiebeding. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\nHolistische weging\n\n3.40. Alle feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, waarderend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] kreeg de vrijheid om de werkzaamheden grotendeels naar eigen inzicht uit te voeren. Daarbij had [gedaagde] in grote mate de vrijheid om zelf te bepalen waar en wanneer hij de werkzaamheden uitvoerde, althans gaf hij zichzelf die vrijheid. Het is daarom niet gebleken dat [gedaagde] het werk uitvoerde ‘onder het gezag’ van [eiser] . Ook de totstandkoming van de overeenkomst, de beloning en de manier waarop die werd uitgekeerd, wijzen op een overeenkomst van opdracht. Alles tegen elkaar afgewogen, weegt het voorgaande zwaarder dan de enkele gezichtspunten die wel in de richting van een arbeidsovereenkomst wijzen.\n\nPrimaire vorderingen in reconventie over arbeidsovereenkomst worden afgewezen\n\n3.41. Omdat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan, heeft [gedaagde] geen recht op achterstallig loon en wettelijke verhoging.\n\n3.42. Overigens had [gedaagde] daar ook geen recht op gehad als wel sprake was van een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] heeft niet tijdig de vernietiging van de opzegging verzocht bij de kantonrechter, want dit had binnen twee maanden na einde overeenkomst gemoeten.De overeenkomst is op 16 januari 2026 per direct opgezegd, waardoor deze is geëindigd. De stelling van [gedaagde] , dat de overeenkomst nog steeds doorloopt, omdat niet rechtsgeldig is opgezegd, is onjuist.\n\n3.43. De vordering van [gedaagde] tot opheffing van de gelegde beslagen wordt later in dit vonnis behandeld. Dat geldt ook voor de vordering tot veroordeling van [eiser] in de proceskosten.\n\nSubsidiaire vorderingen in reconventie wel deels toewijsbaar\n\nEen van de twee facturen moet [eiser] betalen\n\n3.44. Voor het geval geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, vordert [gedaagde] betaling van twee facturen te vermeerderen met handelsrente. De eerste factuur ziet op week 52, toen [gedaagde] met vakantie was, en een indexering voor week 1 tot en met 8. Deze factuur bedraagt € 2.245,- exclusief btw. De tweede factuur ziet op de opzegtermijn en bedraagt € 7.705,- exclusief btw.\n\n3.45. \n [gedaagde] heeft geen recht op betaling van de eerste factuur. Hij heeft niet onderbouwd op grond waarvan hij recht zou hebben op betaling tijdens vakantie en\u002Fof een indexering vanaf januari 2025. Betaling hiervan blijkt niet uit de overeenkomst en wordt door [eiser] betwist. [eiser] heeft dit zelfs expliciet geweigerd waarna [gedaagde] , weliswaar onder protest, creditfacturen heeft gestuurd. Waarom hij nu alsnog recht zou hebben op betaling van deze bedragen, is niet gebleken. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.\n\n3.46. De tweede factuur, betaling van de opzegtermijn, is wel grotendeels toewijsbaar. [gedaagde] heeft op 28 januari 2025 een bedrag van € 7.705,- gefactureerd voor de opzegtermijn. Uit de factuur blijkt dat hij uitgaat van de periode 20 januari tot en met 19 februari 2025. Volgens [eiser] is dit onjuist, want de overeenkomst is opgezegd op 16 januari 2025. Ook het bedrag is volgens [eiser] lager, want het moet volgens haar € 7.258,33 zijn, althans dat is de stelling van [eiser] in conclusie van antwoord in reconventie. Waarop dit bedrag is gebaseerd, heeft [eiser] niet gemotiveerd. In de dagvaarding nam [eiser] nog de stelling in dat de opzegvergoeding € 7.417,86 bedraagt, want met dit bedrag wil [eiser] de door haar gevorderde boetes verminderen. Dit bedrag is door [eiser] wel gemotiveerd met een berekening, namelijk € 1.675 : 7 dagen x 31 dagen. [gedaagde] heeft in de eis in reconventie de hoogte van opzegtermijn niet nader onderbouwd. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de opzegtermijn € 7.417,86 (exclusief btw) bedraagt en dat [eiser] dit bedrag moet betalen.\n\n3.47. Volgens [gedaagde] mag de factuur worden verrekend, mocht hij in conventie een bedrag aan [eiser] moeten betalen. Zoals hierna zal blijken, worden de vorderingen van [eiser] grotendeels afgewezen. Er is geen bedrag waarmee de factuur kan worden verrekend.\n\n3.48. \n [gedaagde] vordert de betaling van de hiervoor genoemde factuur te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 1 maart 2025. [eiser] heeft hiertegen geen verweer gevoerd en moet de gevorderde handelsrente betalen.\n\nVordering ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen\n\n3.49. \n [gedaagde] vordert betaling van de door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Hij vordert een bedrag van € 895,39 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 24 december 2025. Ter onderbouwing verwijst [gedaagde] naar een e-mail van hem zelf van 24 februari 2025 waarin hij [eiser] tot de dag erna de tijd geeft om de factuur alsnog te voldoen, en dat hij de vordering anders uit handen geeft ter incasso. Het is niet gebleken dat [gedaagde] vervolgens daadwerkelijk de factuur uit handen heeft gegeven ter incasso. Dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is niet gesteld of gebleken. [gedaagde] heeft niet voldaan aan zijn stelplicht, waardoor de vordering wordt afgewezen.\n\nCONVENTIE\n\nFormeel verweer: belang bij vorderingen in conventie\n\n3.50. \n [gedaagde] stelt dat [eiser] geen belang heeft bij haar vorderingen in conventie, omdat [eiser] geen activiteiten meer zou hebben en in feite een lege huls is. [gedaagde] heeft die stelling niet onderbouwd, terwijl [eiser] de stelling gemotiveerd heeft betwist. Het is dus niet komen vast te staan dat [eiser] geen belang heeft bij haar vorderingen. Dit betekent dat de vorderingen hierna inhoudelijk worden beoordeeld.\n\nGeen overtreding geheimhoudingsbeding\n\n3.51. In artikel 9 van de overeenkomst staat dat [gedaagde] “is gehouden alle kennis, gegevens en informatie betreffende elkaar geheim te (doen) houden. De geheimhoudingsplicht geldt zowel tijdens de duur van de overeenkomst als na beëindiging daarvan, om welke reden dan ook”. Onder sub C van artikel 9 staat dat bij overtreding [gedaagde] een boete verbeurt van € 250.000,- per gebeurtenis, onverminderd het recht van [eiser] om via de rechter nakoming en\u002Fof aanvullende schadevergoeding te vorderen.\n\n3.52. \n [eiser] vordert betaling van acht boetes (totaal € 2.000.000,-), want [gedaagde] zou acht keer het geheimhoudingsbeding hebben overtreden.\n\n3.53. \n [eiser] stelt dat alle bedrijfsgegevens en bedrijfsinformatie onder het geheimhoudingsbeding vallen. Met verwijzing naar de eerdere samenwerking met [gedaagde] die in een geschil was geëindigd, heeft [eiser] gewild dat sprake was van volledige geheimhouding. Het praten over [eiser] met derden is volgens [eiser] al een overtreding van het geheimhoudingsbeding. De rechtbank is het daar niet mee eens. Er kan slechts iets geheim worden gehouden als het niet bij derden buiten het bedrijf bekend is of bekend kan zijn. Het moet dus gaan om geheime bedrijfsinformatie. Een andere lezing is moeilijk denkbaar, want dan zou het geheimhoudingsbeding te breed en vaag geformuleerd zijn.\n\n3.54. \n [eiser] heeft bewijsbeslag laten leggen op de gegevensdragers van [gedaagde] . Vervolgens heeft [eiser] toestemming gekregen van de rechter om de gegevensdragers van [gedaagde] in te zien aan de hand van vooraf bepaalde zoektermen. Uit het vonnis van 17 september 2025 blijkt dat [eiser] inzage mocht hebben in alle bestanden waar klantnamen van [eiser] in voor kwamen.\n\n3.55. Het is vervolgens niet komen vast te staan dat [gedaagde] geheime bedrijfsinformatie over [eiser] heeft gedeeld. De rechtbank zal dit toelichten.\n\n [bedrijf 4] (1 boete)\n\n3.56. Eind februari 2025 is een dagvaarding aan [eiser] betekend door [bedrijf 4] , een onderaannemer van [eiser] . In die dagvaarding staat: “Een (voormalig) werknemer van [eiser] , [gedaagde] , heeft zelfs contact opgenomen met [bedrijf 4] in januari 2025 en aangegeven dat [eiser] na maart 2025 nog steeds werkzaamheden blijft verrichten voor [bedrijf 5] ”. Volgens [eiser] blijkt hieruit dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden. [gedaagde] betwist dat hij geheime informatie heeft gedeeld met [bedrijf 4] . Dat [eiser] na maart 2025 nog steeds werkzaamheden zou blijven verrichten voor [bedrijf 5] is naar het oordeel van de rechtbank geen geheime bedrijfsinformatie. Het is daarnaast niet gebleken dat [gedaagde] die informatie heeft gedeeld. Dat [bedrijf 4] dit schrijft, betekent nog niet dat het zo is. Volgens [gedaagde] heeft hij – in het kader van zijn werkzaamheden voor [eiser] – tegen [bedrijf 4] gezegd dat [bedrijf 5] mondeling had opgezegd, maar dat er schriftelijk nog geen opzegging was gedaan. [bedrijf 4] zou daar kennelijk uit hebben opgemaakt dat er nog na maart 2025 werd doorgewerkt en dat er dus niet zou zijn opgezegd. [eiser] heeft niet nader onderbouwd wat en wanneer [gedaagde] heeft gedeeld met [bedrijf 4] . Het contact met [bedrijf 4] levert dus geen schending van het geheimhoudingsbeding op.\n\n [G.] (1 boete)\n\n3.57. \n [eiser] stelt dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden door contact op te nemen met de heer [G.] , de voormalig boekhouder van [eiser] . [eiser] heeft nagelaten de rechtbank te informeren over welke informatie [gedaagde] met [G.] zou hebben gedeeld. [gedaagde] betwist dat hij geheime bedrijfsinformatie heeft gedeeld met [G.] . De rechtbank is daarom van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om vast te stellen dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden. Het enkele feit dat [gedaagde] contact heeft gehad met de heer [G.] is daarvoor onvoldoende.\n\n [C ] (1 boete)\n\n3.58. \n [eiser] stelt dat [gedaagde] op 24 februari 2025 contact heeft gehad met de heer [C ] , vertegenwoordiger van [bedrijf 6] ., een onderaannemer van [eiser] . [gedaagde] zou zich zeer negatief hebben uitgelaten over [eiser] . Ook zou [gedaagde] verteld hebben dat [eiser] hem niet meer betaalde. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] hierdoor zijn geheimhoudingsbeding overtreden. [gedaagde] betwist dat hij zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden. [gedaagde] erkent dat hij contact heeft gehad met de heer [C ] , maar hij betwist dat hij geheime bedrijfsinformatie heeft gedeeld. [gedaagde] heeft geïnformeerd naar eventuele steunvorderingen, zodat hij incassomaatregelen kon treffen, zoals een faillissementsaanvraag. [gedaagde] werd niet betaald door [eiser] . De rechtbank oordeelt dat het niet is gebleken dat [gedaagde] geheime bedrijfsinformatie heeft gedeeld. Dat [gedaagde] niet meer werd betaald door [eiser] , is geen geheime informatie. [gedaagde] had daarnaast belang bij die mededeling, want hij was op zoek naar een steunvordering. [eiser] heeft onvoldoende aangetoond dat dit geheime informatie betreft waarop het geheimhoudingsbeding van toepassing is.\n\n [D ] (1 boete)\n\n3.59. \n [eiser] verwijt [gedaagde] dat hij contact heeft gehad met de heer en mevrouw [D ] van [bedrijf 7] . [gedaagde] zou ook aan hen verteld hebben dat hij niet meer werd betaald door [eiser] . Zoals hiervoor overwogen, is dat naar het oordeel van de rechtbank geen geheime bedrijfsinformatie waarop het geheimhoudingsbeding van toepassing is. [gedaagde] was op zoek naar een steunvordering. Het is niet gebleken dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden door contact te hebben met de heer en mevrouw [D ] . Daarvoor heeft [eiser] onvoldoende gesteld en aangetoond.\n\n [E ] (2 boetes)\n\n3.60. \n [eiser] verwijt [gedaagde] dat hij informatie heeft gedeeld met de heer [E ] (hierna: ‘ [E ] ’). [E ] en [A] zijn in conflict met elkaar. [A] heeft in 2021 de aandelen in [bedrijf 2] gekocht van [E ] . Sinds augustus 2024 bestaat tussen [A] en [E ] een geschil over het restant van de koopsom. Daarnaast heeft [E ] in februari 2025 [bedrijf 3] (hierna: ‘ [bedrijf 3] ’) opgericht, een concurrent van [eiser] . [gedaagde] is na zijn vertrek bij [eiser] gaan werken voor [bedrijf 3] . [gedaagde] had geen concurrentie- en\u002Fof relatiebeding, dus dat was hem toegestaan. Het was hem niet toegestaan geheime bedrijfsinformatie te delen met [E ] , maar niet is komen vast te staan dat hij dat heeft gedaan.\n\n3.61. \n [eiser] insinueert dat [gedaagde] foto’s van de financiële administratie van [eiser] heeft gedeeld met [E ] . [E ] heeft namelijk geen toegang tot de administratie, maar hij beschikte wel over foto’s van de facturatie aan de [gemeente] . Die foto’s heeft [E ] eind januari 2025 gebruikt in een beslagrekest om ten laste van [eiser] en [bedrijf 8] , een zustervennootschap van [eiser] , beslag te kunnen leggen. [E ] heeft de foto’s gekregen van iemand die op het kantoor van [eiser] toegang had tot Nocore (de financiële administratie). Kennelijk was er daarvoor een briefje met de inlogcode en het wachtwoord, waardoor een kwaadwillende heeft kunnen inloggen. [eiser] stelt niet dat [gedaagde] die kwaadwillende was, maar insinueert dat wel, en vordert in de dagvaarding betaling van € 250.000,- voor dit feit. [gedaagde] betwist dat hij die foto’s heeft gedeeld met [E ] . [eiser] heeft vervolgens niet aangetoond dat het [gedaagde] is geweest die de foto’s heeft gedeeld. Het kan dus ook iemand anders zijn geweest. De rechtbank beschikt alleen over de foto’s en niet over bewijs waaruit blijkt of en hoe die foto’s bij [E ] terecht zijn gekomen. Volgens het whatsappbericht van [A] aan [gedaagde] van 13 februari 2025 zijn er meerdere ‘ratjes’ in zijn onderneming die informatie hebben gedeeld met [E ] . Het is daarom onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] de foto’s heeft gedeeld met [E ] , waardoor niet is komen vast te staan dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden.\n\n3.62. \n [eiser] stelt daarnaast dat [gedaagde] op 7 februari 2025 informatie heeft gedeeld met [E ] waardoor hij nog een boete zou hebben verbeurd. Het gaat om vertrouwelijke informatie over [bedrijf 9] , een onderneming die de vader van [A] tot circa 2015 heeft gehad. [A] heeft destijds dit bedrijf voor zijn vader gesaneerd en schuldenvrij gemaakt. [gedaagde] heeft onder andere een brief van de afdeling Bijzonder Beheer van de ABN AMRO bank over [bedrijf 9] gemaild naar [E ] . Dat [gedaagde] dit heeft gedaan staat vast. Maar, dit levert geen overtreding van het geheimhoudingsbeding op. Het is immers informatie over een voormalige vennootschap van de vader van [A] en niet informatie over [eiser] . Het geheimhoudingsbeding heeft alleen betrekking op [eiser] . Dat volgt uit de tekst van het geheimhoudingsbeding, want er wordt verwezen naar ‘informatie betreffende elkaar’. De overeenkomst is gesloten tussen [eiser] en [gedaagde] , dus met elkaar wordt enkel die partijen bedoeld. Als [eiser] ook andere gelieerde en inmiddels opgeheven vennootschappen onder het geheimhoudingsbeding had willen brengen, dan had zij dit expliciet in de tekst van het beding moeten opnemen. Dit heeft zij niet gedaan. Het oogmerk van [gedaagde] is weliswaar niet juist, want hij heeft andermans vertrouwelijke informatie gedeeld met [E ] , maar het valt niet onder de werkingssfeer van het geheimhoudingsbeding.\n\n3.63. Ook de omstandigheid dat [gedaagde] op 7 februari 2025 diverse documenten en informatie over vermeend paulianeus handelen heeft gedeeld met [E ] , levert naar het oordeel van de rechtbank geen schending van het geheimhoudingsbeding op. Het is namelijk niet komen vast te staan dat het om geheime informatie over [eiser] gaat. [eiser] heeft de e-mail van 7 februari 2025 overgelegd, waarin te zien is dat [gedaagde] verschillende documenten deelt met [E ] , maar de documenten zelf zijn (ten onrechte) niet met de rechtbank gedeeld. Welke informatie is gedeeld en of het geheime informatie over [eiser] betreft, kan dus niet worden vastgesteld. [eiser] verwijst ook naar een Excelbestand, waar [gedaagde] in een cel heeft geschreven “hier lees je hoe hij het bedrijf naar de afgrond brengt na de overname”, maar ook daaruit kan niet worden afgeleid dat het om [eiser] gaat. Het Excelbestand bevat verder geen bedrijfsinformatie. Uit de stellingen van [eiser] blijkt dat [gedaagde] informatie heeft gedeeld met [E ] met als doel om [A] persoonlijk te raken in het faillissement van [bedrijf 2] , dat later zou volgen. Informatie over [A] of informatie over [bedrijf 2] valt echter niet onder de werkingssfeer van het geheimhoudingsbeding, want dat ziet zoals hiervoor overwogen slechts op [eiser] .\n\n3.64. \n [gedaagde] betwist dat hij geheime bedrijfsinformatie over [eiser] heeft gedeeld met [E ] . [eiser] heeft dat vervolgens niet aangetoond. Dit betekent dat [eiser] niet heeft voldaan aan haar stelplicht, waardoor niet is komen vast te staan dat [gedaagde] het contractuele geheimhoudingsbeding heeft geschonden.\n\n3.65. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het duidelijk is dat er een conflict bestaat tussen [A] en [E ] en dat [gedaagde] daarbij betrokken is geraakt. Ook is duidelijk dat [gedaagde] niet altijd de waarheid heeft gesproken richting [A] , bijvoorbeeld over het feit dat hij al langer in contact was met [E ] dan hij [A] deed geloven. Liegen valt echter niet onder de werking van het contractuele geheimhoudingsbeding.\n\n [bedrijf 3] (1 boete)\n\n3.66. \n [eiser] verwijt [gedaagde] dat hij vertrouwelijke gegevens heeft gedeeld met [bedrijf 3] . Ter onderbouwing wordt verwezen naar het contact dat [gedaagde] heeft gehad met [bedrijf 10] (hierna: ‘ [bedrijf 10] ’) en [F ] . Op 12 april 2025 heeft [gedaagde] contact opgenomen met [bedrijf 10] en [F ] , om hen te ronselen voor [bedrijf 3] . [bedrijf 10] is een klant van [eiser] en [F ] is een medewerker van [eiser] . Volgens [eiser] blijkt daaruit dat [gedaagde] klantinformatie en informatie over medewerkers van [eiser] heeft gedeeld met [bedrijf 3] . [eiser] stelt dat [gedaagde] hiermee zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden. De rechtbank is het daar niet mee eens.\n\n3.67. In de overeenkomst met [gedaagde] is geen anti-ronselbeding opgenomen. Dat [gedaagde] namens de concurrent ronselde, kan hem dus niet contractueel worden verweten. Het is daarnaast niet bekend welke informatie [gedaagde] heeft gedeeld met [bedrijf 3] . Dat heeft [eiser] niet aangetoond. Deze stelling van [eiser] lijkt gebaseerd op aannames. Het is daarom onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] geheime bedrijfsinformatie heeft gedeeld met [bedrijf 3] . Het gesprek met [F ] is door haar opgenomen en gedeeld met [eiser] . Uit de transcriptie volgt dat [gedaagde] praat over torenhoge schulden van [bedrijf 2] en [eiser] en dat hij niet meer werd betaald. Maar, naar het oordeel van de rechtbank is dat geen geheime bedrijfsinformatie. Dat [bedrijf 10] een klant is van [eiser] en dat [F ] werkt bij [eiser] , zijn verder geen geheime gegevens. Ook ten aanzien van [bedrijf 3] is dus niet gebleken dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden.\n\n [bedrijf 11] (1 boete)\n\n3.68. \n [eiser] stelt dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden door informatie te delen met een advocaat van het advocatenkantoor [bedrijf 11] . Deze advocaat heeft namens drie partijen het faillissement van [eiser] verzocht. Tijdens de faillissementszitting was [gedaagde] aanwezig met de mededeling dat hij de vertegenwoordiger was van die drie partijen. [gedaagde] is dus betrokken bij een poging om [eiser] failliet te laten verklaren. Volgens [eiser] is de conclusie dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden, want hij heeft informatie over openstaande vorderingen gedeeld met een advocaat waarmee hij geen cliëntrelatie had. De rechtbank is het daar niet mee eens. Het gaat immers om vorderingen van derden partijen op [eiser] en niet om vorderingen van [eiser] op derde partijen. Het gaat dus niet om geheime bedrijfsinformatie van of over [eiser] . Wederom gaat het om steunvorderingen, en in dit geval het samenbrengen van partijen, in een poging om [eiser] failliet te verklaren. Maar, dat valt niet onder de reikwijdte van het geheimhoudingsbeding. Het is dan ook niet gebleken dat [gedaagde] hiermee zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden.\n\nWel schending artikel 10 overeenkomst van opdracht\n\n3.69. \n [eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door zich bedrijfseigendommen van [eiser] toe te eigenen. In artikel 10 van de overeenkomst van opdracht staat dat [gedaagde] is verboden om (a) bedrijfseigendommen toe te eigenen, (b) kopieën te maken van vertrouwelijke documenten en (c) bedrijfseigendommen mee naar huis te nemen. [gedaagde] heeft dit artikel geschonden.\n\nZakelijke bestanden naar privé mailadres gestuurd\n\n3.70. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] het klantenbestand en een groot aantal bestanden naar zijn privé-mail gestuurd. [eiser] heeft dit niet aangetoond, want zij heeft hiervan geen bewijsstukken overgelegd, maar het is door [gedaagde] ook niet weersproken. [gedaagde] erkent dat hij bestanden naar zijn privémail heeft gestuurd. Zijn verklaring hiervoor is dat hij dit deed dit zodat hij vanuit huis kon werken. [eiser] stelt dat [gedaagde] niet thuis mocht werken en dat het dus niet de bedoeling was dat hij zakelijke bestanden naar zijn privé mailadres stuurde. Dit zou volgen uit artikel 1 van de overeenkomst, waar staat dat de werkzaamheden fysiek op kantoor worden verricht, en uit artikel 10, waar staat dat het verboden is om bedrijfseigendommen mee naar huis te nemen. [gedaagde] beroept zich op toestemming, maar hij heeft die toestemming niet aangetoond. [gedaagde] verwijst naar een Whatsappbericht van [B] van 6 december 2024 en een e-mail van [H.] van 20 november 2024, maar daaruit blijkt geen toestemming om thuis te werken en\u002Fof om bedrijfsgegevens naar privé te mailen. Bovendien had [gedaagde] daarvoor, op 9 oktober 2024, al zakelijke bestanden (de rayonindeling) naar zijn privé gemaild. Dat hij hiervoor toestemming had, is niet gebleken. Omdat in de overeenkomst staat dat het niet is toegestaan om bedrijfseigendommen toe te eigenen en\u002Fof mee naar huis te nemen, had [gedaagde] die bestanden (waaronder het klantenbestand) niet, althans niet zonder toestemming, naar zichzelf mogen mailen. Dat hij dit toch heeft gedaan, levert daarom een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op.\n\n3.71. Daar komt bij dat [gedaagde] ook nadat hij al op non-actief was gesteld een zakelijke mail naar zijn privé mailadres heeft gestuurd. [gedaagde] is op 15 januari 2025 om 21.11 uur via Whatsapp op non-actief gesteld. Die avond, om 23.14 uur, stuurt hij een zakelijk bestand naar zijn privé mailadres. Daarvoor is geen goede verklaring gegeven door [gedaagde] . Het staat dus vast dat [gedaagde] artikel 10 van de overeenkomst heeft geschonden.\n\n3.72. Verder stelt [eiser] dat [gedaagde] vervolgens in de nacht van 15 op 16 januari 2025 circa 3.800 e-mails heeft verwijderd, ‘om zijn sporen te verhullen’, maar dat is niet gebleken. [eiser] heeft wel aangetoond dat de IT-beheerder op 16 januari 2025 ongeveer 3.800 heeft teruggeplaatst, maar het is niet aangetoond wanneer de mails zijn verwijderd. [gedaagde] betwist dat hij in de nacht van 15 op 16 januari 2025 zijn mailbox heeft gewist.\n\nFoto’s van het notitieboekje\n\n3.73. \n [eiser] heeft, na inzage in de bestanden die onderdeel waren van het bewijsbeslag, gezien dat [gedaagde] een PDF bestand heeft met 31 foto’s van het notitieboekje dat [gedaagde] gebruikte op zijn werk bij [eiser] . De inhoud van het notitieboekje betreft volgens [eiser] bedrijfsinformatie van [eiser] , zoals telefoonnummers van klanten, contactpersonen, tarieven en zelfs een analyse van de omzet en winstgroei die [eiser] voor ogen heeft. [eiser] stelt dat [gedaagde] met het bezit hiervan artikel 10 van de overeenkomst heeft overtreden. [eiser] heeft echter alleen de eerste twee foto’s van het notitieboekje in het geding gebracht. Daaruit kan de rechtbank niet afleiden dat [gedaagde] kopieën heeft gemaakt van vertrouwelijke documenten. Die eerste twee pagina’s bevatten namelijk geen vertrouwelijke informatie. [eiser] had dus alle 31 foto’s moeten overleggen om de rechtbank te kunnen overtuigen dat sprake is van een schending van artikel 10 van de overeenkomst. Ook is geen sprake van het toe-eigenen of mee naar huis nemen van bedrijfseigendommen, want het notitieboekje is van [gedaagde] zelf. De foto’s van het notitieboekje leveren dus geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op.\n\nDe zwarte harde schijf\n\n3.74. \n [eiser] stelt dat [gedaagde] een zwarte externe harde schijf heeft ontvreemd uit de kast in de werkkamer van [A] . Dit zou namelijk blijken uit het feit dat op de gegevensdragers van [gedaagde] informatie is aangetroffen die enkel was opgeslagen op deze harde schijf. De harde schijf is verdwenen. Volgens [eiser] kan het niet anders dan dat [gedaagde] de harde schijf heeft gestolen, dan wel de informatie op de harde schijf heeft gestolen. De rechtbank gaat hier niet in mee. [gedaagde] betwist dat hij de zwarte harde schijf heeft gestolen. [eiser] heeft niet aangetoond dat [gedaagde] de harde schijf heeft ontvreemd. Het kan dus ook iemand anders zijn geweest. Zoals [A] zelf schreef in een Whatsappbericht aan [gedaagde] , zijn er meerdere ‘ratjes’ in zijn onderneming. Dat [gedaagde] informatie van de harde schijf op zijn gegevensdragers had staan, levert ook geen schending van artikel 10 van de overeenkomst op. Het is niet gebleken dat [gedaagde] de informatie heeft toegeëigend, gekopieerd, of mee naar huis heeft genomen.. Daarnaast is niet gebleken dat het om informatie over [eiser] gaat. [eiser] heeft alleen laten zien dat [gedaagde] vertrouwelijke informatie over [bedrijf 9] in zijn bezit had en heeft gedeeld met [E ] . Artikel 10 ziet alleen op de bedrijfseigendommen en vertrouwelijke informatie van [eiser] . Het is niet gesteld of gebleken dat dit artikel een ruimer bereik heeft.\n\nGeen boete gekoppeld aan overtreding van artikel 10\n\n3.75. In de overeenkomst is geen boete gekoppeld aan overtreding van artikel 10. De rechtbank zal verklaren dat [gedaagde] artikel 10 heeft geschonden door zakelijke bestanden naar zijn privé mail te sturen, maar daar kan geen directe (financiële) consequentie aan worden verbonden.\n\nGeen onrechtmatige daad vastgesteld\n\n3.76. \n [eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld indien mocht blijken dat [gedaagde] bedrijfsgegevens van [eiser] heeft gedeeld met derden. [eiser] heeft deze stelling niet nader onderbouwd. Zoals hiervoor overwogen bij de bespreking van het geheimhoudingsbeding, is niet komen vast te staan dat dat [gedaagde] vertrouwelijke bedrijfsinformatie van [eiser] heeft gedeeld met derden.\n\n3.77. Voor zover [eiser] doelt op de faillissementsaanvragen die zijn gedaan en waar [gedaagde] bij betrokken was, dan geldt ook dan dat [eiser] niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Dat [gedaagde] geprobeerd heeft om [eiser] en de andere ondernemingen van [A] failliet te krijgen (al dan niet op verzoek van [E ] ) is onvoldoende om een onrechtmatige daad vast te stellen. Daarvoor is meer vereist, zoals een onrechtmatige gedraging, schade en causaal verband. Dat is niet gesteld of gebleken.\n\n3.78. Voor zover [eiser] doelt op de anonieme bedreiging van een belangrijke klant van [eiser] , dan is niet gebleken dat [gedaagde] dit heeft gedaan. [eiser] vermoedt dat [gedaagde] dit heeft gedaan, maar zij heeft dit niet concreet gemaakt en [gedaagde] betwist dat hij een klant van [eiser] heeft bedreigd.\n\nSchade niet concreet gemaakt\n\n3.79. \n [eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de hiervoor genoemde tekortkoming en\u002Fof onrechtmatige daad. Van een onrechtmatige daad is zoals hiervoor overwogen geen sprake, maar [gedaagde] is wel tekortgeschoten in de nakoming van artikel 10 van de overeenkomst. [eiser] heeft echter niet concreet gemaakt dat zij schade heeft gelegen door deze tekortkoming van [gedaagde] . De schade is niet aannemelijk gemaakt of onderbouwd met stukken. [gedaagde] betwist dat [eiser] schade heeft geleden. Op [eiser] rust de verplichting om de gestelde schade concreet te maken. Dat is niet gebeurd, waardoor de gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.\n\n3.80. Daarnaast vordert [eiser] een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die optreedt indien de Arbeidsinspectie boetes oplegt aan [eiser] voor het inzetten van illegale medewerkers van [bedrijf 12] en [eiser] deze boetes en de door haar aan [bedrijf 12] betaalde rente en buitengerechtelijke kosten niet zou kunnen verhalen op [bedrijf 12] . [bedrijf 12] is een onderaannemer van [eiser] . [eiser] en [bedrijf 12] hebben een geschil over de inzet van illegale medewerkers. Er dreigen nu grote boetes voor [eiser] door de Arbeidsinspectie. Ook zou de inzet van een medewerker van [bedrijf 12] ertoe geleid hebben dat [eiser] een grote klant is kwijtgeraakt. Volgens [eiser] moet [bedrijf 12] schade vergoeden, terwijl [bedrijf 12] ook een vordering had op [eiser] . [eiser] wilde dat verrekenen, maar vanwege de faillissementsaanvraag – die door [gedaagde] is georkestreerd – heeft [eiser] een bedrag moeten betalen aan [bedrijf 12] inclusief rente en kosten. Bij verrekening waren de rente en kosten niet aan de orde geweest. Daarnaast vreest [eiser] dat zij eventuele boetes van de Arbeidsinspectie niet kan verhalen op [bedrijf 12] , bijvoorbeeld vanwege een faillissement van [bedrijf 12] . [eiser] verwijt [gedaagde] dat hij samen met [bedrijf 12] het faillissement van [eiser] heeft aangevraagd, waardoor zij nu wellicht geschaad wordt in haar verhaalspositie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] echter totaal niet concreet gemaakt waarom en op grond waarvan [gedaagde] deze onzekere toekomstige vorderingen moet betalen. [eiser] heeft haar stellingen niet onderbouwd. [eiser] gaat uit van een vanzelfsprekendheid dat [gedaagde] hiervoor (wat dat ook mag zijn) moet opdraaien, omdat hij – al dan niet via andere partijen – het faillissement van [eiser] heeft aangevraagd. Het is echter niet gebleken dat dit laatste een onrechtmatige daad oplevert, want daarvoor heeft [eiser] onvoldoende gesteld. De gevraagde verklaring voor recht zal worden afgewezen.\n\nVerbod om kennis, gegevens of informatie te delen\n\n3.81. \n [eiser] wil dat de rechtbank [gedaagde] verbiedt om kennis, gegevens of informatie van of over [eiser] te delen met derden. Hieronder valt dan ook de informatie afkomstig van de zwarte harde schijf. Volgens [gedaagde] is een dergelijk verbod niet nodig. Inmiddels zou er geen vertrouwelijke informatie van [eiser] meer op zijn computer staan. [eiser] heeft deze stelling vervolgens niet weersproken, waardoor de rechtbank aanneemt dat [gedaagde] niet langer in het bezit is van informatie van [eiser] . Dat [gedaagde] in het bezit is van de zwarte harde schijf is niet komen vast te staan. Bovendien bevat de overeenkomst van opdracht een geheimhoudingsbeding dat nog steeds van kracht is. De rechtbank wijst de vordering daarom af vanwege een gebrek aan belang.\n\nDe zwarte harde schijf\n\n3.82. \n [eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het persoonlijk terugbrengen van de zwarte harde schijf die verdwenen is uit de werkkast van [A] . De rechtbank kan dit niet toewijzen, want [eiser] heeft niet aangetoond dat de zwarte harde schijf in het bezit is van [gedaagde] . [gedaagde] betwist dat hij de harde schijf heeft.\n\nVerwijderen gegevens (via IT specialist Digijuris)\n\n3.83. \n [eiser] vordert daarnaast dat [gedaagde] wordt veroordeeld om:\n\nmedewerking te verlenen aan Digijuris om alle documenten die door [gedaagde] zijn gekopieerd van de zwarte harde schijf terug te krijgen;\n\nmedewerking te verlenen aan Digijuris bij het nagaan welke documenten van de harde schijf op de gegevensdragers van [gedaagde] staan;\n\nmedewerking te verlenen aan Digijuris bij het verwijderen van de documenten van de harde schijf op de gegevensdragers van [gedaagde] ;\n\nmedewerking te verlenen aan Digijuris bij het verwijderen van alle overige informatie van [eiser] ,\n\no het voorgaande op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag met een maximum van € 500.000,-.\n\no alsmede [gedaagde] te veroordelen om de kosten van Digijuris te betalen.\n\n3.84. \n [gedaagde] betwist dat hij vertrouwelijke informatie van [eiser] op zijn computer heeft staan. Volgens [gedaagde] zijn alle gegevens al verwijderd en [eiser] heeft die stelling vervolgens niet weersproken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om [gedaagde] te veroordelen om op zijn kosten door Digijuris onderzoek te laten doen en gegevens te laten verwijderen.\n\n3.85. \n [eiser] vordert ook nog een verklaring voor recht dat [gedaagde] geen gegevens van [eiser] meer mag hebben op zijn gegevensdragers. [eiser] heeft echter niet onderbouwd waarom zij belang heeft bij een dergelijke verklaring voor recht. De gevorderde verklaring wordt daarom afgewezen.\n\nCONSERVATOIR BEWIJSBESLAG\n\nOpheffen beslag\n\n3.86. \n [gedaagde] vordert in reconventie opheffing van het bewijsbeslag. Volgens [gedaagde] heeft het beslag geen bewijs opgeleverd van de stellingen van [eiser] , waardoor het bewijsbeslag op grond van artikel 704 lid 2 Rv moet worden opgeheven. Daarnaast vordert [gedaagde] dat [eiser] wordt veroordeeld om Digijuris instructie te geven om alle gegevens te verwijderen die zij in het kader van het bewijsbeslag onder zich heeft.\n\n3.87. Of het beslag geen bewijs heeft opgeleverd van de stellingen van [eiser] , kan de rechtbank niet vaststellen. Wel is duidelijk dat [eiser] geen inzage heeft gehad in bewijs dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden, dan wel dat zij dat wel heeft gehad, maar die bewijsstukken vervolgens niet in deze procedure heeft gebracht. [eiser] is terughoudend in het overleggen van bewijsstukken, omdat [gedaagde] dezelfde advocaat heeft als [E ] . [eiser] wil voorkomen dat [E ] beschikt over stukken die hij tegen [A] kan gebruiken. Of de afwijzing van de vorderingen van [eiser] over schending van het geheimhoudingsbeding ertoe leidt dat het bewijsbeslag moet worden opgeheven, wordt beoordeeld aan de hand van het procesrecht zoals dat geldt sinds 1 januari 2025 (artikel 205 en 206 Rv). Het bewijsbeslag is namelijk in maart 2025 gelegd.\n\n3.88. In artikel 206 lid 3 Rv staat het volgende: “Heeft de rechter beslist dat recht op kennisneming bestaat, dan vervalt het beslag van rechtswege zodra het vonnis of de beschikking in de procedure waarin de in beslag genomen gegevens of zaken tot bewijs kunnen dienen, in kracht van gewijsde is gegaan. De in beslag genomen gegevens of zaken worden onverwijld teruggegeven aan degene onder wie het beslag is gelegd onder gelijktijdige vernietiging van alle kopieën. Als de in beslag genomen gegevens of zaken in gerechtelijke bewaring zijn gegeven, is de bewaarder verplicht tot afgifte daarvan aan degene onder wie het beslag is gelegd. De rechter kan op verzoek van partijen of ambtshalve anders bepalen en nadere aanwijzingen geven.”\n\n3.89. Kracht van gewijsde is de situatie dat tegen een vonnis geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, zoals hoger beroep. Het vonnis moet dus onaantastbaar zijn en pas dan vervalt het bewijsbeslag van rechtswege. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt uit de wet. Dit betekent dat de rechtbank de vordering van [gedaagde] tot opheffing van het bewijsbeslag zal afwijzen, want partijen kunnen nog in hoger beroep tegen dit vonnis. Hieruit volgt dat Digijuris de gegevens (nog) niet hoeft te verwijderen en dat ook dit gedeelte van de vordering van [gedaagde] wordt afgewezen.\n\nBeslagkosten\n\n3.90. \n [eiser] vordert betaling van de beslagkosten door [gedaagde] . In het vonnis in incident van 17 september 2025 is daarover geen beslissing genomen. De beslagkosten bedragen volgens [eiser] inmiddels € 15.358,50 ex btw voor Digijuris, € 6.219,75 ex btw voor de deurwaarder ( [deurwaarder] en Partners) en € 714,- griffierecht voor het beslagrekest. Ter onderbouwing heeft [eiser] facturen overgelegd. [gedaagde] verweert zich hiertegen met de stelling dat geen bewijs is aangetroffen van de beschuldigingen aan [gedaagde] , en dat het beslag onrechtmatig en onnodig is gebleken. In dat geval is hij niet gehouden om beslagkosten te betalen op grond van artikel 706 Rv.\n\n3.91. In artikel 706 Rv staat dat de kosten van het beslag van de beslagene kunnen worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Een vordering wordt als onrechtmatig aangemerkt als de vordering waarvoor beslag is gelegd niet toewijsbaar is.\n\n3.92. \n [eiser] heeft in dit geval beslag gelegd ter onderbouwing van haar vorderingen dat [gedaagde] zijn contractuele verplichtingen heeft geschonden en dat hij daardoor boetes heeft verbeurd. De vorderingen die zien op het geheimhoudingsbeding en de boetes zijn niet toewijsbaar, maar de vordering dat [gedaagde] artikel 10 van de overeenkomst heeft geschonden, wel. [gedaagde] heeft namelijk zakelijke mails naar zijn privé mail gestuurd, wat hem was verboden. Om dat te bewijzen had [eiser] echter geen bewijsbeslag nodig, want zij beschikte al over de zakelijke mails van [gedaagde] . Die waren namelijk op 16 januari 2025 al teruggeplaatst in de zakelijke mailbox door de IT-beheerder van [eiser] . Omdat dit de enige vordering van [eiser] is die wordt toegewezen, kan de rechtbank niet anders dan de vordering van [eiser] tot betaling van de beslagkosten afwijzen.\n\nPROCESKOSTEN\n\nin conventie\n\n3.93. \n [eiser] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.723,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n9.262,00\n\n(2 punten × € 4.631,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n12.174,00\n\n3.94. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nin reconventie\n\n3.95. \n [gedaagde] is in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n4.631,00\n\n(2 punten × factor 0,5 × € 4.631,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.820,00\n\n3.96. \n [eiser] heeft in reconventie geen wettelijke rente gevorderd over de proceskosten, waardoor de rechtbank die niet kan toewijzen.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n4.1. verklaart voor recht dat [gedaagde] in de nakoming van de overeenkomst is tekortgeschoten door het toezenden van enkele zakelijke e-mails naar zijn privé mailadres waarmee hij zich in strijd met artikel 10 van de overeenkomst tussen partijen bedrijfseigendommen van [eiser] heeft toegeëindigd,\n\n4.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 12.174,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald\n\n4.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.2 en 4.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.5. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n4.6. veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 7.417,86 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf 1 maart 2025 tot de dag van volledige betaling,\n\n4.7. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend\n\n4.8. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.6 en 4.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.9. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\nSB5790\n\n zie 7:686a BW\n\n artikel 7:681 BW jo. 7:686a BW.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3733","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:42.532Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":70,"fullText":71,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":64,"updatedAt":74},"1135","ECLI:NL:RBMNE:2026:2153","ecli-nl-rbmne-2026-2153","2026-04-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F594768 \u002F HA ZA 25-295\n\nVonnis van 22 april 2026\n\nin de zaak van\n\nTENBACK HOLDING B.V.,\n\ngevestigd te Doetinchem,\n\neiser,\n\nhierna te noemen: Tenback,\n\nadvocaat: mr. J. Zandberg,\n\ntegen\n\nINNAX DUURZAME ENERGIE B.V.,\n\ngevestigd te Veenendaal,\n\ngedaagde,\n\nhierna te noemen: Innax,\n\nadvocaat: mr. J.M. de Koning.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 26 mei 2025 met producties, - de conclusie van antwoord met producties,\n\n- de akte van Tenback met twee verklaringen,\n\n- de akte van Innax met één productie, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de mondelinge behandeling van 20 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. Partijen hebben in 2007 een overeenkomst gesloten waarin is afgesproken dat Innax een Warmte Koude Opslag-installatie (hierna: WKO) aanlegt voor Tenback en tien jaar het onderhoud en beheer daarvan verzorgt. Na de contractperiode zijn eind 2020 de bronnen van de WKO uitgevallen en konden niet meer worden hersteld. Volgens Tenback is dit toe te rekenen aan Innax. Zij vordert dat voor recht wordt verklaard dat Innax toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van de overeenkomst en vordert schadevergoeding, nader op te maken bij staat. De rechtbank oordeelt dat Innax tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en heeft het voornemen om een deskundige te benoemen voor het vaststellen van (de hoogte van) de schade.\n\n3. De achtergrond van het geschil\n\n3.1. In 2007 heeft Innax Tenback geadviseerd om een WKO te installeren om haar bedrijfspand te verwarmen en te koelen. Daarbij wordt warmte en koude opgeslagen in aparte bronnen onder de grond. Dit systeem werkt als volgt: in de zomer wordt koud water uit de koude bron gehaald om het gebouw te koelen. Daarbij wordt warmte uit het gebouw via dat opgepompte water afgevoerd en weer in de bodem, in de warme bron, opgeslagen. In de winter wordt vervolgens warm water uit de warme bron opgepompt. Met behulp van een warmtewisselaar wordt aan het warme water warmte onttrokken. De onttrokken warmte wordt gebruikt om het gebouw te verwarmen en het afgekoelde water wordt opgeslagen in de koude bron. In de afbeelding hieronder is de werking van een WKO schematisch weergegeven.\n\n3.2. Verder wordt bij de WKO gebruik gemaakt van een warmtepomp. De warmtepomp geeft meer energie af dan hij opneemt en het rendement van de warmtepomp wordt aangeduid door de COP (Coëfficiënt Of Performance). De COP is de verhouding tussen de hoeveelheid energie die de installatie afgeeft en de hoeveelheid elektrische energie die de installatie opneemt. Bij een COP van 1 geeft de installatie evenveel warmte af als hij verbruikt, bij een COP van 4 geeft de installatie 4 keer zoveel warmte af als hij verbruikt.\n\n3.3. Vervolgens heeft Tenback aan Innax de opdracht gegeven om de WKO te installeren. Bij de opdrachtbevestiging hoort ook de overeenkomst (met de titel verklaring van afstand) die partijen hebben gesloten voor het onderhoud en beheer van de WKO (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst staat dat Innax een energielevering garandeert die in staat is om de showroom en garage van Tenback te verwarmen en te koelen. Innax garandeert dat zij alles in het werk zal stellen om de installatie te laten functioneren met optimale rendementen, waarbij het COP bij verwarmen minimaal 4 zal zijn en het COP bij koelen minimaal 7. Alle – in verband met de toepasselijke wet- en regelgeving - verantwoording betreffende de onttrekking richting de provincie zal Innax verzorgen.\n\n3.4. Eind 2017 loopt de overeenkomst tussen partijen af en hebben zij geen nieuwe overeenkomst gesloten met betrekking tot het onderhoud aan de WKO. Maar Innax heeft nog wel op regiebasis meegewerkt aan het verschaffen van informatie aan de provincie.\n\n3.5. In december 2020 merkt Tenback op dat er problemen zijn met het verwarmen van het bedrijfspand. Na onderzoek door een lokale installateur blijkt dat de bronnen van de WKO niet meer functioneerden. Deze waren niet meer te gebruiken en niet meer te herstellen. Tenback heeft toen besloten om een gasaansluiting met een cv-ketel te plaatsen om het bedrijfspand te verwarmen.\n\n3.6. In deze procedure stelt Tenback dat Innax te kort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en wil zij dat Innax haar schade vergoedt. Voor de vaststelling van de schade wil Tenback dat de zaak naar de schadestaatprocedure wordt verwezen.\n\n4. De beoordeling\n\nInnax is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst\n\n4.1. Op grond van de overeenkomst was Innax verplicht om gedurende tien jaar het management, beheer en allrisk onderhoud van de WKO te verzorgen. Onderdeel van het allrisk onderhoud is regulier c.q. periodiek onderhoud uitvoeren aan de WKO en de bronnen. De rechtbank stelt vast dat Innax tijdens de contractperiode het reguliere onderhoud aan de WKO en de bronnen niet heeft uitgevoerd waardoor zij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst.\n\n4.2. Na het uitvallen van de bronnen eind 2020 heeft Tenback IF Technology de opdracht gegeven om de oorzaak van de problemen met de WKO en het uitvallen van de bronnen te onderzoeken. In het rapport van IF Technology van 11 juni 2021 (hierna: het rapport) concludeert zij dat er in de afgelopen jaren geen sprake is geweest van periodiek onderhoud bij de bronnen. Uit het rapport volgt deze conclusie uit de volgende punten:\n\nde beveiligingen in de bronnen hebben niet gefunctioneerd;\n\nhet is niet gebleken dat de bronnen zijn gespuid.\n\n4.3. Het eerste punt gaat over de beveiligingen die niet hebben gefunctioneerd. Volgens IF zijn de bronnen van de WKO voorzien van een beveiliging die de bronnen continue bewaken en beveiligen. Een onderdeel van het reguliere onderhoud is dat deze meetcomponenten moeten worden gecontroleerd of zij nog werken en signaleren. IF concludeert dat dit niet is gedaan. Op deze conclusie heeft Innax alleen gereageerd dat zij betwist dat zij geen onderhoud heeft gepleegd. Zij heeft dit niet verder onderbouwd waardoor de betwisting onvoldoende gemotiveerd is. Daarnaast betwist Innax niet dat de beveiligingen van de bronnen niet hebben gefunctioneerd of stukken naar voren gebracht waaruit blijkt dat de beveiligingen van de bronnen wel hebben gefunctioneerd.\n\n4.4. Het tweede punt gaat over het spuien van de bronnen. Tussen partijen staat vast dat het spuien van de bronnen een onderdeel is van het reguliere onderhoud aan de bronnen van de WKO. In het rapport staat dat het gebruikelijk is dat dit twee keer per jaar wordt gedaan. Volgens Tenback heeft Innax dit nooit gedaan want zij heeft nooit iemand van Innax gezien die daarvoor langskwam en Innax heeft geen rapportages met bevindingen over het spuien gestuurd. Hierop heeft Innax gereageerd dat zij een sleutel had en daarom niet bij Tenback langs hoefde te gaan om de bronnen te spuien. Tenback betwist dit, waardoor dit op dit moment onvoldoende is om vast te stellen of Innax de bronnen wel of niet heeft gespuid. Met betrekking tot het sturen van rapportages met bevindingen staat vast dat Innax niet verplicht was om dit te doen. Hierover hebben partijen niks afgesproken in de overeenkomst. Dit betekent niet dat er geen rapportages van het spuien zijn opgemaakt, want Innax had wel de verplichting om aan de provincie rapportages te sturen over het spuien van de bronnen. Deze verplichting stond in de vergunning van de provincie waarin stond dat er een maximaal aantal kubieke meter was toegestaan voor het spuien en moest in de rapportage aan de provincie worden doorgegeven hoeveel kubieke meter er jaarlijks was gespuid.\n\n4.5. Op basis van de rapportages aan de provincie blijkt niet dat Innax regulier onderhoud heeft uitgevoerd door de bronnen te spuien, want Innax rapporteerde jaarlijks aan de provincie dat zij 0 m³ spuide. Volgens Innax kan hieruit niet worden geconcludeerd dat er geen regulier onderhoud is uitgevoerd, maar de rechtbank oordeelt dat Innax dit onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Het had op de weg van Innax gelegen om rapporten of notities van het spuien van de bronnen te overleggen. Dit geldt ook voor het andere reguliere onderhoud aan de WKO. Deze informatie ligt bij Innax en het had op haar weg gelegen om gemotiveerd onderbouwd te betwisten dat zij geen onderhoud heeft uitgevoerd door onderhoudsrapportages of getuigenverklaringen te overleggen. Dit heeft Innax niet gedaan. De verwijzing van Innax naar de e-mail van Carrier van 17 november 2021is voor de betwisting onvoldoende. In de e-mail schrijft Carrier weliswaar dat zij ‘daar’ in 2017 voor het laatst is geweest voor onderhoud, maar wie of wat ‘daar’ is schrijft zij niet. Het is voor de rechtbank onbekend wie Carrier in de e-mail bedoelt. Ook blijkt uit de e-mail niet welk onderhoud wordt bedoeld. Met het overleggen van de e-mail heeft Innax de stelling van Tenback onvoldoende gemotiveerd betwist.\n\n4.6. De conclusie is dat Innax tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door geen regulier onderhoud uit te voeren tijdens de contractsperiode. De gevorderde verklaring voor recht dat Innax toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst wijst de rechtbank daarom toe.\n\nDe schade van Tenback en de hoogte daarvan staat nog niet vast\n\n4.7. Het staat vast dat nakoming van de overeenkomst blijvend onmogelijk is, want de WKO-installatie en de bronnen zijn opgegeven. Innax kan het niet uitgevoerde onderhoud niet alsnog uitvoeren. Dit betekent dat Innax aansprakelijk is voor de schade die Tenback als gevolg van de tekortkoming lijdt. Innax heeft het reguliere onderhoud niet uitgevoerd en zij heeft niet gesteld dat deze tekortkoming niet aan haar kan worden toegerekend. Het gevolg van deze aansprakelijkheid is dat Innax de schade van Tenback moet vergoeden.\n\n4.8. Volgens Tenback ziet haar schade op het volgende:\n\nde kosten van energieverbruik waarmee het door Innax opgegeven verbruik werd overschreden;\n\nhet nog niet afgeschreven deel van de WKO-installatie, uitgaande van een levensduur van 40 jaar en een gebruik tot 1 januari 2020;\n\nde kosten van aanleg en aanschaf van de cv-ketel en de kosten van de aanleg van de gasleiding c.a.;\n\ne kosten van het meerverbruik van de gasgestookte cv-installatie ten opzichte van het door Innax opgegeven energieverbruik van de WKO-installatie voor verwarming;\n\nde kosten van onderzoek, advies en vaststelling van de schade;\n\nde kosten van het deel van de kosten voor beheer, management en onderhoud voor zover dat niet is uitgevoerd.\n\nVoor vergoeding van deze schade verzoekt Tenback om de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure, maar de rechtbank oordeelt dat de door Tenback aangevoerde feiten en omstandigheden niet de conclusie wettigen dat de door Tenback geleden schade nog niet (voldoende) kan worden vastgesteld. Het zou al bekend moeten zijn wat bijvoorbeeld de kosten zijn van het aanleggen van de nieuwe gasaansluiting, de meerkosten van de gasaansluiting ten opzichte van de WKO-installatie en de kosten van onderzoek. Dit betekent dat voor een veroordeling van Innax tot vergoeding van de schade op te maken bij staat geen plaats is en dat de omvang van de schade in deze procedure moet worden vastgesteld. Tenback heeft echter geen stukken overgelegd waaruit concreet kan worden afgeleid wat de hoogte van de schade is. Daarnaast is het niet duidelijk of de vastgestelde tekortkoming tot de schade heeft geleid in de vormen zoals gevorderd en spelen er nog een aantal geschilpunten tussen partijen die invloed kunnen hebben op de schade.\n\n4.9. Het eerste punt gaat over de stelling van Tenback dat er door Innax in 2015 een klep van één van de bronnen is opengezet waardoor er water op het riool werd geloosd. Dat is duidelijk geworden uit de verklaring van een anonieme getuige die door Innax als monteur op pad was gestuurd om een storing aan de installatie te controleren Hiervan staat vast dat er in 2015 een probleem was met één van de bronnen, de A18 bron zoals geschreven in de e-mail van [A] , medewerker van Innax, van 21 januari 2021. Volgens Tenback heeft Innax niet gemeld dat zij toen een klep heeft opengezet en heeft Innax dit niet hersteld. Dit volgt uit de getuigenverklaring van de heer [B] waarin hij schrijft dat de klep in 2020 nog openstond. Dit wordt door Innax betwist, want volgens Innax wordt er dan heel veel water op het riool geloosd. De gemeente of de provincie zou dit dan moeten opmerken en dit is niet gebeurd. Gelet op deze betwisting van Innax staat de stelling van Tenback nog niet vast. Wanneer wel komt vast te staan dat er in 2015 een klep is opengezet en de achterliggende storing niet is hersteld, is dit ook een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Het had op de weg van Innax gelegen om voor de openstaande klep oplossingen voor te stellen aan Tenback, maar dit niet heeft gedaan. In dat geval bestaat de kans dat het niet melden van het openstaan van de klep en het niet herstellen daarvan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het uiteindelijke teloorgaan van de WKO en de bronnen.\n\n4.10. Maar het uiteindelijke teloorgaan van de WKO en de bronnen kan ook te maken hebben met het feit dat Tenback zelf in de periode van eind 2017 tot en met het uitvallen van de WKO en de bronnen geen regulier onderhoud daaraan heeft laten uitvoeren. De rechtbank neemt in overweging dat er ook sprake kan zijn van een mix van het openzetten van de klep, het niet uitvoeren van onderhoud door Tenback zelf en de vastgestelde tekortkoming waardoor de WKO en de bronnen zijn uitgevallen. Anderzijds zou het ook mogelijk kunnen zijn dat de installatie in 2015 al niet meer te herstellen was.\n\n4.11. Het laatste geschilpunt tussen partijen is de vraag of de rendementen in combinatie met de gegarandeerde COP van 4 bij verwarmen en 7 bij koelen zijn gehaald. Het is ook de vraag of dit is te wijten aan de tekortkoming of iets anders. De COP van 4 bij verwarmen en 7 bij koelen heeft Innax gegarandeerd in de overeenkomst. Tenback stelt dat deze niet is gehaald en dat de WKO meer energie verbruikte dan vooraf was berekend. Tenback verwijst hiervoor naar een overzicht van SPF waarin staat dat er over een jaar een gemiddeld COP is gehaald van 2,1 en een overzicht van het totaal aan energieverbruik per jaar.Deze overzichten zijn echter onvoldoende om op dit moment vast te stellen dat de gegarandeerde COP niet is behaald. In het overzicht van het totaal aan energieverbruikis volgens Innax geen onderscheid gemaakt tussen de showroom, de kantoren en de rest van het gebouw terwijl in de berekening van Innax alleen de showroom en de kantoren zijn meegenomen. Dit is door Tenback ter zitting gemotiveerd betwist. Daarnaast blijkt uit het overzicht van SPF niet in welk jaar de COP gemiddeld 2,1 is. Hieruit volgt dat op dit moment nog niet vaststaat dat de gegarandeerde COP niet is behaald. Wanneer dit wel komt vast te staan is het de vraag of dit te wijten is aan het niet regulier onderhouden van de WKO of iets anders.\n\n4.12. Gelet op bovenstaande punten is de conclusie dat de schade en de hoogte van de totale schade nog niet kan worden bepaald.\n\nEr zal een deskundigenonderzoek worden bevolen\n\n4.13. De rechtbank is van oordeel dat een deskundigenonderzoek nodig is om een eindbeslissing te kunnen nemen in deze zaak. Op grond van artikel 186 lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) heeft de rechtbank de mogelijkheid om te bevelen dat er een deskundigenonderzoek wordt gedaan en zij is van plan om dat te doen. Partijen krijgen de gelegenheid om zich daarover uit te laten.\n\n4.14. Op grond van de wet zijn partijen verplicht mee te werken aan het onderzoek door de deskundige (artikel 190 lid 3 Rv). Indien en voor zover de deskundige dit nodig acht om de opdracht te kunnen uitvoeren, kan daarbij bijvoorbeeld gedacht worden aan het ter beschikking stellen van rapportages van Innax over de WKO-installatie en het meewerken aan het bezoeken van de locatie bij Tenback. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.\n\n4.15. Aangezien de rechtbank al het voornemen heeft om een deskundige te benoemen, acht zij het in het kader van de goede procesorde van belang dat ook de punten onder randnummers 4.9 t\u002Fm 4.11 in het deskundigenonderzoek worden meegenomen. Wanneer de deskundige deze punten heeft kunnen onderzoeken en vaststellen, kan dat worden meegenomen in het vaststellen van de schade en de hoogte daarvan. Partijen krijgen de gelegenheid om hierop te reageren.\n\nPunten waarover partijen zich kunnen uitlaten\n\n4.16. De rechtbank zal de zaak aanhouden zodat partijen een akte kunnen nemen, waarin zij op het voornemen van de rechtbank kunnen reageren. Meer specifiek krijgen partijen de mogelijkheid om zich over de volgende punten uit te laten:\n\nde wenselijkheid van een deskundigenbericht;\n\nhet aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n);\n\nde aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.\n\nhoeveel deskundigen moeten worden benoemd;\n\nwelk type deskundigheid vereist is;\n\nwelke vragen aan de deskundige(n) moeten worden gesteld;\n\nde uitvoering van het onderzoek.\n\n4.17. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één of twee deskundige(n) op het gebied van duurzame installaties en schade en dat de volgende vragen moeten worden gesteld:\n\nKunnen de WKO en de bronnen zijn uitgevallen doordat er in de periode van 2007 t\u002Fm 2017 geen regulier onderhoud is uitgevoerd?\n\nWelke invloed heeft het feit dat er in de periode van eind 2018 tot en met het uitvallen van de WKO en de bronnen door Tenback zelf geen regulier onderhoud is uitgevoerd op het uitvallen van de WKO en de bronnen eind 2020?\n\nKunt u vaststellen welke COP de WKO en de bronnen vanaf het begin hebben behaald?\n\nIn hoeverre heeft de behaalde COP van de WKO en de bronnen invloed gehad op het verbruik aan energie?\n\nAls dit zo is, om hoeveel meer- of minderverbruik gaat het dan? Dit kan een schatting zijn.\n\nWat is de gemiddelde levensduur van de WKO en bronnen zoals geïnstalleerd bij Tenback?\n\nAls er in 2015 één klep van de bronnen naar het riool is opengezet en dit niet meer is hersteld, kan dit invloed hebben gehad op de werking van de WKO en de bronnen?\n\nZou het openzetten van één van de klep van de bronnen naar het riool in 2015 een oorzaak kunnen zijn voor het uitvallen van de bronnen in 2020?\n\nKunt u vaststellen of er in 2015 één klep van de bronnen naar het riool is opengezet?\n\nZijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\n4.18. Voor zover partijen reden zien om in hun akte te verzoeken om de benoeming van (een) specifieke deskundige(n), vraagt de rechtbank hun dit alleen te doen als over de benoeming van die deskundige(n) tussen partijen overeenstemming bestaat.\n\nInnax moet het voorschot van de deskundige betalen\n\n4.19. Het wettelijke uitgangspunt is dat de eisende partij de kosten van een deskundigenonderzoek moet voorschieten (artikel 187 Rv). De rechtbank ziet in dit geval echter reden om van dat uitgangspunt af te wijken. Zoals hiervoor is aangegeven is al vastgesteld dat Innax tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Hoewel de exacte schade nog niet vaststaat, staat de aansprakelijkheid van Innax voor de ontstane schade bij Tenback wel vast. Innax zal daarom het voorschot moeten betalen. De hoogte van het voorschot zal na overleg met de te benoemen deskundige door de rechtbank op een later moment worden vastgesteld.\n\n4.20. In het eindvonnis zal worden bepaald voor wiens rekening de definitieve kosten uiteindelijk zullen komen. In beginsel is dat de partij die (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld.\n\nVervolg van de procedure\n\n4.21. De rechtbank verwijst de zaak naar de rolzitting over zes weken vanaf de datum van dit vonnis voor het nemen van een akte door partijen waarin zij zich uitlaten over het voornemen en de te stellen vragen.\n\n4.22. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 3 juni 2026en bepaalt dat partijen zich op die datum bij akte kunnen uitlaten over het voornemen van de rechtbank om een deskundige te benoemen,\n\n5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.\n\n Afbeelding pagina 5 van de dagvaarding.\n\n Onder punt 5 monitoring, beheer en onderhoud in het rapport van IF Technology.\n\n Productie 6 bij de conclusie van antwoord.\n\n Artikel 6:74 BW.\n\n Productie 14 bij de dagvaarding.\n\n Productie 8 bij de dagvaarding.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2153","2026-05-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:06.013Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":80,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":64,"updatedAt":83},"878","ECLI:NL:RBMNE:2026:1122","ecli-nl-rbmne-2026-1122","2026-03-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F606483 \u002F KG ZA 26-47\n\nVonnis in kort geding van 11 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. F. Arts,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats] (Duitsland),\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. H.C.J. Coumou.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 10 februari 2026 met 27 producties, - de producties 1 tot en met 9 van [gedaagde] ,\n\n- productie 28 van [eiser] ,\n\n- de producties 10 en 11 van [gedaagde] , - de mondelinge behandeling van 25 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van [eiser] , - de pleitnota van [gedaagde] .\n\n1.2.. In verband met de spoedeisendheid van het gevorderde is vonnis bepaald op 27 februari 2026 in de vorm van een ‘kopstaartvonnis’. Dit is de uitwerking daarvan die op 11 maart 2026 is afgegeven.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [gedaagde] heeft op of omstreeks 16 januari 2026 beslag gelegd ten laste van zijn zoon [eiser] , op diens woning aan de [adres] in [plaats] . Partijen hebben een geschil met elkaar over een geldleningsovereenkomst (waarbij ook deels sprake was van een schenking) van 25 maart 2025, waarbij [gedaagde] een lening aan [eiser] heeft verstrekt. [gedaagde] is van mening dat [eiser] de lening aan hem moet terugbetalen en dat sprake is van dwaling dan wel misbruik van omstandigheden. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geschonden door de voorzieningenrechter meermaals op het verkeerde been te zetten bij de beoordeling van het beslagrekest. Daarnaast vindt [eiser] dat de vordering van [gedaagde] als summierlijk ondeugdelijk moet worden beoordeeld. [eiser] vordert in dit kort geding daarom dat het beslag op zijn woning moet worden opgeheven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] artikel 21 Rv heeft geschonden en heft het beslag op.\n\n3. De beoordeling\n\nHet toetsingskader voor het opheffen van conservatoir beslag\n\n3.1.. Artikel 705 Rv wijst de voorzieningenrechter die het beslagverlof heeft gegeven aan als een van de rechters die een beslag kan opheffen. Een opheffingsvordering is bovendien naar zijn aard spoedeisend.\n\n3.2.. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld (artikel 705 lid 2 Rv).\n\n3.3.. Artikel 705 lid 2 Rv bevat geen limitatieve opsomming van de opsommingsgronden. Opheffing kan bijvoorbeeld ook plaatsvinden als het beslagobject van een derde is of als de beslagverzoeker de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden. Artikel 21 Rv houdt in dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Blijkens de wetsgeschiedenis is het de bedoeling om met deze bepaling de bewuste leugen uit te bannen en staat het de rechter vrij om aan schending van de waarheidsplicht al dan niet een sanctie naar keuze te verbinden. De waarheidsplicht geldt voor alle in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgenomen procedures en dus ook voor de procedure voor het verkrijgen van beslagverlof. Bij een beslagrekest klemt naleving van artikel 21 Rv des te meer omdat sprake is van een eenzijdig verzoek waarop de rechter na slechts summier onderzoek beslist, (doorgaans) zonder de beslagschuldenaar te horen. De toewijzing daarvan kan voor de beslagschuldenaar (zeer) ingrijpende gevolgen hebben. In de regel mag, en in de praktijk zal, de voorzieningenrechter afgaan op de mededelingen van de beslagverzoeker in het rekest – dat alle voor de beslissing relevante feiten en omstandigheden bevat – en de daarbij gevoegde stukken.\n\n [gedaagde] heeft artikel 21 Rv geschonden\n\n3.4.. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] in het beslagrekest meermaals artikel 21 Rv op ernstige wijze geschonden met als enige doel om verlof voor beslaglegging te verkrijgen en in de wetenschap dat [eiser] voor het verlenen van het verlof waarschijnlijk niet zou worden gehoord. [eiser] noemt hiervoor een vijftal schendingen. Tegen deze stellingen heeft [gedaagde] geen inhoudelijk verweer gevoerd, ook niet tijdens de mondelinge behandeling.\n\n3.5.. De voorzieningenrechter oordeelt dat [gedaagde] artikel 21 Rv heeft geschonden. Het gaat om de volgende schendingen:\n\n [gedaagde] heeft in het beslagrekest onder randnummer 8 vermeld dat hij de geldleningsovereenkomst, toen hij deze tekende, nog niet eerder had gezien. De voorzieningenrechter constateert dat deze stelling van [gedaagde] niet juist kan zijn. Het is namelijk gebleken dat [gedaagde] de geldleningsovereenkomst wel eerder heeft gezien dan het moment van ondertekenen. Uit productie 16 bij de dagvaarding blijkt namelijk dat [gedaagde] de conceptovereenkomst vijf dagen voor de ondertekening per mail van [eiser] heeft ontvangen. En uit productie 17 bij de dagvaarding blijkt vervolgens dat [gedaagde] daar, twee dagen voor de ondertekening, akkoord op heeft gegeven. [gedaagde] schrijft in die e-mail namelijk: “Prima [eiser] , er valt niets op aan te merken Dank.”.\n\nIn randnummer 36 van het beslagrekest heeft [gedaagde] gesteld dat de geldleningsovereenkomst nooit is besproken. De voorzieningenrechter constateert dat [gedaagde] ook op dit punt een onjuiste gang van zaken heeft weergegeven. Zoals hiervoor al is overwogen, blijkt uit productie 16 en 17 dat [gedaagde] en [eiser] met elkaar contact hebben gehad over de geldleningsovereenkomst. Daarnaast is de voorzieningenrechter gebleken dat in ieder geval één onderwerp uit de geldleningsovereenkomst op 5 maart 2025, en dus 20 dagen voor het ondertekenen van de geldleningsovereenkomst, al is besproken tussen partijen. [gedaagde] heeft via Whatsapp (zoals blijkt uit productie 28 van [eiser] ) namelijk onder meer het volgende naar [eiser] gestuurd: “Dus stel na 5 jaar op de helft van het contact dan kunnen we toch een clausule opnemen dat mocht er ernstige ziekte of overlijden plaatsvinden van mij of [A] na 5 jaar er een heroverweging maar met dezelfde uitgangspunten moet worden aangepast Zoiets?” Kennelijk hebben partijen met elkaar gesproken over een herzieningsclausule, die ook zij het met een andere termijn in de geldleningsovereenkomst terecht is gekomen.\n\nHet staat tussen partijen niet ter discussie dat [eiser] een woning in België heeft gekocht. Volgens [gedaagde] had [eiser] het van zijn vader geleende geld moeten aanwenden om zijn problemen met de bank met betrekking tot de [adres] op te lossen. In plaats daarvan zou [eiser] het geld hebben gebruikt voor de aankoop van de woning in België. [eiser] betwist dat hij het geld hiervoor heeft gebruikt. [gedaagde] heeft in randnummer 12 van het beslagrekest het volgende opgenomen met betrekking tot de woning in België: “Eerst langere tijd nadat in april 2025 de overboekingen aan verweerder waren verricht, kwam verzoeker ervan op de hoogte dat verweerder rond 25 maart 2025 een woning in België had aangekocht.”.\n\nMet [eiser] is de voorzieningenrechter het eens dat [gedaagde] wel al eerder op de hoogte was van de koop van een woning in België en [gedaagde] dit dus onjuist heeft vermeld in het beslagrekest. Zo blijkt uit productie 9 bij de dagvaarding dat [gedaagde] richting [eiser] is begonnen over het kopen van een huis in België en uit productie 14 bij de dagvaarding volgt dat [gedaagde] een Funda-link aan [eiser] heeft doorgestuurd “mocht België niet doorgaan”. Ook heeft [gedaagde] al op 12 april 2025 het adres van de woning in België aan [eiser] gevraagd (productie 18 bij de dagvaarding).\n\n4. In randnummer 18 van het beslagrekest heeft [gedaagde] het volgende citaat opgenomen “De aflossing van € 2000, per maand impliceert een periode van bijna 21 jaar.”. De voorzieningenrechter constateert dat [gedaagde] dit citaat onjuist heeft overgenomen uit de betreffende e-mail van [eiser] (productie 3 bij het beslagrekest). De oorspronkelijke tekst is namelijk als volgt: “De aflossing van € 2000 per maand impliceert en periode van bijna 10 jaar.”. Hoewel het mogelijk is dat een verschrijving terecht komt in een processtuk, valt een dergelijke verschrijving [gedaagde] wel te verwijten. Het betreft namelijk essentiële informatie over wat partijen met elkaar hebben afgesproken en wat ten grondslag ligt aan het beslag. Zorgvuldigheid voor wat betreft het opnemen van een citaat in het beslagrekest was daarom op zijn plaats geweest.\n\n5. Tot slot heeft [gedaagde] in randnummers 32 tot en met 37 van het beslagrekest gesteld dat hij een zware TIA heeft gehad en dat hij daarvoor onder behandeling was bij een geriater. De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat [gedaagde] een zware TIA heeft gehad waarvan hij twee jaar daarna nog ernstige en blijvende klachten en beperkingen ervaart en waarvoor hij onder behandeling zou zijn bij een geriater. [gedaagde] heeft geen enkele medische documentatie overgelegd waaruit dit zou blijken, terwijl deze documentatie volgens randnummer 19 van het beslagrekest wel beschikbaar zou zijn. Met [eiser] is de voorzieningenrechter het eens dat uit de producties 10 en 20 tot en met 26 bij de dagvaarding eerder blijkt dat [gedaagde] slechts tijdelijke lichte klachten aan de TIA in mei 2023 heeft overgehouden.\n\n3.6.. Bovenstaande omstandigheden maken, in onderlinge samenhang bezien, dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat [gedaagde] artikel 21 Rv heeft geschonden. [gedaagde] heeft op de hiervoor genoemde onderwerpen namelijk niet de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aangevoerd. Dit betreffen geen details, maar dit was essentiële informatie op basis waarvan het beslagrekest moest worden beoordeeld. De voorzieningenrechter acht dit dan ook een ernstige schending, omdat het hoofdargumenten betreffen die de grondslag vormen voor het leggen van het beslag en op basis waarvan het verlof is verleend door de voorzieningenrechter. Dit geldt des te meer omdat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van een beslagrekest af moet gaan op een eenzijdig verzoek en zonder het horen van de beslagene. Indien de voorzieningenrechter correct was geïnformeerd in het beslagrekest, dan was de kans zeer aannemelijk dat het verlof niet was verleend. Dit leidt ertoe dat het een passende consequentie is om het op (of omstreeks) 16 januari 2026 gelegde beslag op de woning aan de [adres] in [plaats] op te heffen.\n\n [gedaagde] moet de proceskosten betalen\n\n3.7.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n151,94\n\n- griffierecht\n\n€\n\n341,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.858,94\n\n4. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n4.1.. heft op het op (of omstreeks) 16 januari 2026 door [gedaagde] ten laste van [eiser] op het registergoed, plaatselijk bekend onder het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , kadastraal bekend Hilversum [nummer] , gelegde beslag,\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.858,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.\n\nWM (5442)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1122","2026-03-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.495Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":88,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":64,"updatedAt":91},"1898","ECLI:NL:RBMNE:2026:710","ecli-nl-rbmne-2026-710","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: 11395484 \\ UC EXPL 24-7565 VL\u002F58599\n\nVonnis in verzet van 18 februari 2026\n\nin de zaak van\n\n1. de vennootschap onder firma [opposant sub 1] ,\n\ngevestigd te [plaats] ,\n\nhierna te noemen: [opposant sub 1] , 2. [opposant sub 2] , vennoot van sub 1,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen: vennoot 1, 3. [opposant sub 3] , vennoot van sub 1,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen: vennoot 2, 4. [opposant sub 4] , vennoot van sub 1,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen: vennoot 3,\n\nverder ook tezamen en in mannelijk enkelvoud te noemen: [opposanten] ,\n\neisende partij in het verzet,\n\ngedaagde partij in de oorspronkelijke procedure,\n\ngemachtigde: mr. B.H.M. Nijsten,\n\ntegen\n\n [geopposeerde],\n\nwonende te [plaats] ,\n\nverder ook te noemen: [geopposeerde] ,\n\ngedaagde partij in het verzet,\n\neisende partij in de oorspronkelijke procedure,\n\ngemachtigde: drs. M. Taja, werkzaam bij Tax & Legalhof.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet verstekvonnis van 25 september 2024 in de procedure met zaaknummer 11268195 UC EXPL 24-5653;\n\nde verzetdagvaarding van [opposanten] van 30 oktober 2024;\n\nde conclusie van antwoord in oppositie van [geopposeerde] , tevens houdende wijzigingen van eis;\n\nde aanvullende productie van [opposanten] , verzonden bij een e-mail van 1 mei 2025;\n\nhet proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 mei 2025;\n\nde conclusie van repliek in oppositie van [geopposeerde] , tevens houdende wijzigingen van eis;\n\nde conclusie van dupliek in oppositie van [opposanten] ;\n\nde brief waarin is meegedeeld dat een tweede mondelinge behandeling is bepaald.\n\n1.2.. De tweede mondelinge behandeling heeft op 24 oktober 2025 plaatsgevonden. Namens [opposanten] was de heer [opposant sub 2] aanwezig, bijgestaan door mr. Nijsten. De heer [geopposeerde] was aanwezig, bijgestaan door mr. Taja. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en hebben hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Tenslotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. Op 15 februari 2024 heeft [opposanten] een auto aan [geopposeerde] verkocht en geleverd. [geopposeerde] stelt dat deze auto een verduisterde auto is en is gekloond (door de letter [letter] in het chassisnummer te veranderen in de letter [letter] ). Omdat [opposanten] niet bevoegd is om over deze verduisterde auto te beschikken, kan hij de eigendom niet rechtsgeldig aan [geopposeerde] overdragen.Dit is een tekortkoming op grond waarvan de koopovereenkomst ontbonden moet worden. [geopposeerde] wil de auto aan [opposanten] teruggeven en hij wil dat [opposanten] hem het aankoopbedrag terugbetaalt. Daarnaast wil [geopposeerde] dat [opposanten] hem (schade)vergoedingen betaalt. [opposanten] is het hier niet mee eens. Volgens hem is de auto die hij aan [geopposeerde] heeft verkocht en geleverd niet verduisterd en gekloond. En als dit wel het geval is, dan is nog steeds sprake van een rechtsgeldige eigendomsoverdracht omdat [opposanten] zelf te goeder trouwwas toen hij de auto in België van een particulier kocht. De kantonrechter wijst een groot deel van de vordering van [geopposeerde] toe.\n\n3. De achtergrond van de zaak\n\n3.1.. Voor of rond 21 december 2023 wordt een auto van het merk Audi en model A3 als tweedehands auto ingevoerd in België en wordt een aanvraag gedaan tot inschrijvingbij de Dienst voor Inschrijving van Voertuigen (hierna: DIV). De DIV heeft vervolgens na een visuelekeuring een Belgisch kenteken afgegeven voor deze auto en “ [chassisnummer] ” als het ingeslagen chassisnummer (hierna ook te noemen: het chassisnummer [letter] ) van deze auto geregistreerd.\n\n3.2.. Op enig moment is in België een auto van het merk Audi en model A3 met een Belgisch kenteken en het ingeslagen chassisnummer “ [chassisnummer] ” (hierna ook te noemen: het chassisnummer [letter] ) verduisterd, nadat deze van een verhuurbedrijf was gehuurd.\n\n3.3.. Op enig moment heeft [opposanten] in België een auto van het merk Audi en model A3 met een Belgisch kenteken gekocht van een particulier in België. In de door deze particulier aan [opposanten] verstrekte autobescheidenstaat als het chassisnummer van deze auto het chassisnummer [letter] vermeld. Op 15 februari 2024 heeft [opposanten] deze auto doorverkocht aan [geopposeerde] . Voormelde autobescheiden heeft [opposanten] aan [geopposeerde] overhandigd. Het betreft eenschade-auto.\n\n3.4.. Op 19 februari 2024heeft [geopposeerde] een auto van het merk Audi en model A3 aan een RDW keuringsstation aangeboden, mede ter verkrijging van een Nederlands kenteken. De RDW heeft het chassisnummer [letter] als het chassisnummer van deze auto geregistreerd.\n\n3.5.. Ongeveer een maand later heeft [geopposeerde] een auto van het merk Audi en model A3 voor een keuring naar Audi dealer [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) gebracht. [bedrijf] kwam er achter dat het chassisnummer [letter] , zoals op de carrosserie van deze auto zichtbaar was en op de in deze auto geplaatste stickers stond vermeld, niet overeenkwam met het chassisnummer in het in deze auto geïnstalleerde MMI radio navigatiesysteem en de boardcomputer, waarin het chassisnummer [letter] stond. Daarvan heeft [bedrijf] melding gemaakt. Naar aanleiding van deze melding heeft de politie op 28 mei 2024 deze auto in beslag genomen voor forensisch onderzoek. Uit dat onderzoek blijkt dat die in beslag genomen auto een gekloonde auto is. Het originele ingeslagen chassisnummer van deze auto blijkt het chassisnummer [letter] te zijn. Deze auto staat als verduisterd geregistreerd; het gaat om de onder 3.2 bedoelde auto. Het Nederlandse kenteken is op 28 mei 2024 ongeldig verklaard. Deze verduisterde auto, waarvan de letter [letter] in het chassisnummer is gewijzigd in de letter [letter] , is op 27 augustus 2024 geretourneerd aan de kentekenhouder, zijnde de echtgenote van [geopposeerde] , omdat het Openbaar Ministerie\u002Fde officier van justitie vindt dat de Nederlandse bezitter een sterker recht heeft dan de Belgische eigenaar (de verhuurder van de verduisterde auto).\n\n4. De beoordeling\n\n [opposanten] is ontvankelijk in het verzet\n\n4.1.. \n [opposanten] heeft vijf weken na betekening van het verstekvonnis verzet aangetekend. Hij heeft dus op tijd en op de juiste manier verzet ingesteld.\n\nRechtsgeldige eigendomsoverdracht? Nee\n\n4.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat de koopovereenkomst een consumentenkoop is als bedoeld in artikel 7:5 lid 1 BW. Oorspronkelijk verwees [geopposeerde] naar artikel 7:17 BW (dat gaat over nonconformiteit) als de juridische grondslag van zijn vorderingen en stellingen. [opposanten] heeft aanvankelijk in dat juridisch kader verweer gevoerd. Tijdens de eerste mondelinge behandeling heeft de kantonrechter uitgelegd dat artikel 7:17 BW betrekking heeft op fysieke gebreken aan een roerende zaak, terwijl het in deze zaak gaat om een gestelde verduisterde en gekloonde auto. De kantonrechter heeft met ambtshalve aanvulling van rechtsgronden met partijen besproken dat artikel 7:9 BW de juridische grondslag is, welk artikel bepaalt dat een verkoper verplicht is de verkochte zaak in eigendom over te dragen. De kantonrechter heeft ook met partijen besproken dat de stelling van [opposanten] dat hij te goeder trouw heeft gehandeld, wordt aangemerkt als een beroep op artikel 3:86 lid 1 BW. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om hun stellingen mede in het licht van deze artikelen aan te vullen door middel van nadere conclusies.\n\n4.3.. Als komt vast te staan dat de auto die [opposanten] aan [geopposeerde] heeft verkocht en geleverd de verduisterde auto met het ingeslagen chassisnummer [letter] is en niet kan worden vastgesteld dat [opposanten] te goeder trouw was toen hij deze auto zelf in België van een particulier aankocht en geleverd heeft gekregen, dan heeft dit tot gevolg dat [opposanten] de eigendom van de verkochte en geleverde auto met het ingeslagen chassisnummer [letter] niet rechtsgeldig heeft overdragen aan [geopposeerde] . De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Dit levert een tekortkoming op van [opposanten] , zodat [geopposeerde] de koopovereenkomst tussen partijen mag ontbinden. Dit wordt hieronder toegelicht.\n\n [opposanten] heeft aan [geopposeerde] een verduisterde auto verkocht en geleverd\n\n4.4.. \n [geopposeerde] stelt dat de auto die [opposanten] aan hem heeft verkocht en geleverd, een verduisterde auto is. Hij voert hiertoe aan dat [opposanten] de aan hem geleverde auto heeft verkocht als een auto met het chassisnummer [letter] , terwijl deze verkochte en geleverde auto het ingeslagen chassisnummer [letter] heeft waarvan de letter [letter] in de letter [letter] is gewijzigd. Deze auto is verduisterd. [opposanten] betwist dat de auto die het ingeslagen chassisnummer [letter] heeft en waarvan het chassisnummer van [letter] in [letter] is gewijzigd, de auto is die hij aan [geopposeerde] heeft verkocht en geleverd. Volgens hem heeft [geopposeerde] een andere auto bij [bedrijf] gebracht die vervolgens door de politie in beslag is genomen voor forensisch onderzoek, dan de auto die [opposanten] aan [geopposeerde] heeft verkocht en geleverd.\n\n4.5.. De kantonrechter overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [opposanten] aan [geopposeerde] een auto heeft verkocht en geleverd waarbij het chassisnummer [letter] in de carrosserie van de geleverde auto zichtbaar was en het chassisnummer [letter] in de papieren van de DIV stond vermeld. Uit de e-mail van [bedrijf]volgt dat in de carrosserie van de auto die [geopposeerde] aldaar heeft gebracht, het chassisnummer [letter] zichtbaar was en dat dit chassisnummer niet overeenkwam met het chassisnummer [letter] dat in het in deze auto geïnstalleerde MMI radio navigatiesysteem en de boardcomputer stond en dat het chassisnummer [letter] stond geregistreerd alsgestolen– later blijkt dat het niet omdiefstalmaar omverduisteringgaat –. Nadat [bedrijf] dit heeft gemeld, heeft de politie deze auto bij [bedrijf] in beslag genomen voor forensisch onderzoek. Uit het forensisch onderzoek van het Openbaar Ministerie volgt dat deze bij [bedrijf] in beslag genomen auto, waarbij het chassisnummer [letter] in de carrosserie zichtbaar is, het oorspronkelijke ingeslagen chassisnummer [letter] heeft die als verduisterd staat geregistreerd.[opposanten] heeft weliswaar ter betwisting gesteld dat [geopposeerde] niet de auto die [opposanten] aan hem heeft verkocht en geleverd naar [bedrijf] heeft gebracht, maar hij heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot die conclusie kunnen leiden. Zo heeft [opposanten] bijvoorbeeld niet gesteld – en evenmin is gebleken – dat hetschadebeeldvan de door hem aan [geopposeerde] verkochte en geleverde auto niet overeenkomt met het (herstelde schade)beeld van de auto die [geopposeerde] naar [bedrijf] heeft gebracht en die door de politie aldaar in beslag is genomen voor forensisch onderzoek. De kantonrechter stelt daarom vast dat [opposanten] aan [geopposeerde] een verduisterde auto waarvan het chassisnummer [letter] is gewijzigd in chassisnummer [letter] (hierna: de auto), heeft verkocht en geleverd.\n\nNiet is vast te stellen dat [opposanten] te goeder trouw was\n\n4.6.. \n [geopposeerde] stelt dat [opposanten] weliswaar de te koop aangeboden, verduisterde auto aan hem heeft geleverd maar niet in eigendom heeft overgedragen, omdat [opposanten] niet bevoegd was om over deze auto te beschikken. Daardoor is [opposanten] tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichting uit de koopovereenkomst, aldus [geopposeerde] .\n\n4.7.. \n [opposanten] verweert zich en stelt dat hij te goeder trouw was op het moment dat hij zelf deze auto kocht van een particulier in België. Hij voert hiertoe aan dat hij van de toenmalige verkoper de originele papieren van de auto heeft gekregen, waarop het chassisnummer [letter] stond vermeld, en de carrosserie van de auto heeft bekeken, alwaar het chassisnummer [letter] stond ingegraveerd. De DIV heeft ook niet aangegeven dat de auto gekloond was. Doordat [opposanten] te goeder trouw was toen hij de auto kocht, is hij eigenaar geworden van deze verduisterde auto en heeft hij bij de verkoop van de verduisterde auto aan [geopposeerde] de eigendom aan [geopposeerde] overgedragen, aldus [opposanten]\n\n4.8.. De kantonrechter overweegt als volgt. [opposanten] heeft onweersproken gesteld dat hij, toen hij de auto kocht, het chassisnummer [letter] in de autobescheiden zag staan en de carrosserie van de auto heeft bekeken alwaar hij ook het chassisnummer [letter] heeft zien staan. Daarbij mocht hij afgaan op de omstandigheid dat het DIV na onderzoek van de auto een Belgisch kenteken heeft afgegeven zonder verdere aantekeningen die zouden kunnen doen vermoeden dat de auto niet op reguliere wijze is verkregen. [opposanten] is echter een professionele in-\u002Fverkoper van auto’s, niet alleen in Nederland maar ook in België. In die hoedanigheid mag van hem worden verwacht dat hij, wanneer hij een auto (met een Belgisch kenteken) inkoopt, vóór de inkoop controleert of deze auto al dan niet is verduisterd\u002Fgekloond. Naar het oordeel van de kantonrechter had [opposanten] daarom, ter verificatie van de identiteit van de auto, ook de software van de auto moeten uitlezen en moeten onderzoeken of het chassisnummer zoals deze in de software stond vermeld, overeenkwam met het chassisnummer zoals stond vermeld in de autobescheiden en op de carrosserie zichtbaar was. Dit geldt temeer nu hij, naar eigen zeggen, in het verleden al eens te maken heeft gehad met een gestolen auto.4.9.. \n [opposanten] heeft niet betwist dat hij de software had kunnen uitlezen. Uit de email van [bedrijf]blijkt dat [bedrijf] de software van de auto heeft uitgelezen en daar het chassisnummer [letter] uitkwam. Als [opposanten] vóór de inkoop van de auto de software had uitgelezen, dan had hij dus kunnen ontdekken dat de auto het chassisnummer [letter] had en niet het chassisnummer [letter] zoals in de aan hem overhandigde autobescheiden staat, althans had hij kunnen ontdekken dat de auto verschillende chassisnummers had. Het doen van nader onderzoek lag dan in de rede. [opposanten] heeft dat echter niet gedaan. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat [opposanten] ten tijde van de inkoop van de auto te goeder trouw was. Om die reden heeft hij de eigendom van de verduisterde auto niet rechtsgeldig kunnen overdragen aan [geopposeerde] .\n\nDe koopovereenkomst wordt ontbonden\n\n4.10.. \n [geopposeerde] vordert primair een verklaring van recht dat partijen een stilzwijgende ontbindende voorwaarde zijn overeengekomen die inhoudt dat de koopovereenkomst zou worden ontbonden als geen rechtsgeldig voertuig zou worden geleverd. [geopposeerde] heeft niet gemotiveerd of onderbouwd op welke wijze partijen deze stilzwijgende ontbindende voorwaarde zijn overeengekomen. Deze vordering wordt daarom afgewezen.\n\n4.11.. Subsidiair vordert [geopposeerde] dat de koopovereenkomst wordt ontbonden op grond van artikel 6:265 BW. Deze vordering wordt toegewezen. Doordat [opposanten] de eigendom van de te koop aangeboden auto niet rechtsgeldig aan [geopposeerde] heeft overgedragen, is hij tekortgeschoten in zijn verplichting uit artikel 7:9 BW. Aangezien [opposanten] deze tekortkoming niet meer kan herstellen, is hij per direct in verzuim. De kantonrechter ontbindt de overeenkomst daarom per vandaag.\n\n [opposanten] moet de koopprijs terugbetalen\n\n4.12.. Op grond van artikel 6:271 BW ontstaan door een ontbinding ongedaanmakings-verbintenissen. Dit betekent dat [geopposeerde] de auto terug moet geven aan [opposanten] en dat [opposanten] de koopprijs aan [geopposeerde] moet terugbetalen. [opposanten] wordt daartoe veroordeeld.\n\n4.13.. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de koopprijs. [geopposeerde] stelt dat de koopprijs € 18.750,00 was, waarvan hij € 15.000,00 heeft overgemaakt en € 3.750,00 contant heeft afgerekend. Hij onderbouwt dit met de verklaring van zijn echtgenote, mevrouw [A] (hierna te noemen: [A] ).[opposanten] betwist dit. Volgens hem hadden partijen een koopprijs van € 15.000,00 afgesproken en heeft [geopposeerde] niet meer betaald dan € 15.000,00. Dit bedrag staat ook op de factuur vermeld.\n\n4.14.. De kantonrechter overweegt als volgt. De verklaring van [A] vertoont een discrepantie met de stellingen\u002Fproducties van [geopposeerde] . [A] verklaart dat zij op 14 februari 2024 samen met haar echtgenoot een proefrit heeft gemaakt en aan [opposanten] heeft verzocht de auto voor hen te reserveren. [opposanten] zou hebben aangegeven dat een reservering mogelijk was, als [A] \u002F [geopposeerde] een voorschot van € 15.000,00 zou overmaken. [A] verklaart dat zij dit bedrag toen heeft overgemaakt. Vervolgens zou zij de auto op 15 februari 2024 hebben opgehaald en op dat moment nog het restantbedrag van € 3.750,00 contant hebben betaald. Op de overgelegde pin\u002Fbetaalbewijzenis echter te zien dat op 13 februari 2024 al een bedrag van € 3.750,00 is gepind en op 14 februari 2025 een bedrag van € 15.000,00 is overgemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling van 7 mei 2025 zijn door [geopposeerde] ook wisselende stellingen ingenomen. Tijdens deze zitting is eerst gesteld dat het restantbedrag ook op 14 februari 2024 is betaald en vervolgens is gesteld dat het restantbedrag op 15 februari 2024 is betaald. [geopposeerde] heeft geen rechtens acceptabele reden gegeven voor deze discrepantie en wisselende stellingen. Gelet hierop heeft [geopposeerde] zijn stelling dat een koopprijs van € 18.750,00 is overeengekomen, niet voldoende gemotiveerd en\u002Fof onderbouwd. Daar komt bij dat op de factuur een koopprijs staat van € 15.000,00 en [geopposeerde] deze factuur heeft getekend. De kantonrechter is daarom van oordeel dat vaststaat dat de koopprijs € 15.000,00 bedraagt. Dit bedrag moet [opposanten] aan [geopposeerde] teruggeven.\n\nStallingskosten & Transportkosten & Herstelkosten\n\n4.15.. \n [geopposeerde] vordert verschillende bedragen aan respectievelijk stallingskosten, transportkosten en herstelkosten. [opposanten] heeft betwist dat [geopposeerde] deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. De kantonrechter wijst deze vorderingen af, omdat [geopposeerde] (ook na het verstekvonnis) geen (bancaire) stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt.\n\n [opposanten] wordt ongerechtvaardigd verrijkt\n\n4.16.. \n [geopposeerde] vordert € 1.919,00 aan BPM kosten op grond van ongerechtvaardigde verrijking.Ter onderbouwing van de betaling hiervan heeft hij een bancair betalingsbewijs overgelegd.[geopposeerde] stelt dat de BPM wordt verdisconteerd in de marktwaarde, waardoor [opposanten] bij teruggave van de auto ongerechtvaardigd wordt verrijkt ten koste van [geopposeerde] . [opposanten] betwist dat hij deze kosten moet vergoeden en voert hiertoe aan dat hij te goeder trouw was bij de in\u002Fverkoop van de auto. De kantonrechter heeft onder 4.6 tot en met 4.9 reeds overwogen dat niet vastgesteld kan worden dat [opposanten] te goeder trouw was. Dit verweer gaat dus niet op. De kantonrechter wijst de gevorderde BPM kosten daarom toe.\n\nImmateriële schadevergoeding & onderzoekskosten\u002Fhuurkosten\n\n4.17.. \n [geopposeerde] had aanvankelijk ook immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 105,00 aan onderzoekskosten\u002Fhuurkosten gevorderd, maar deze vorderingen heeft hij ingetrokken. Voormelde vorderingen behoeven dan ook geen beoordeling.\n\nAdministratie- en bijkomende schade\n\n4.18.. \n [geopposeerde] heeft in de conclusie van antwoord in oppositie ook administratie- en bijkomende schade gevorderd, nader op te maken bij staat. Deze vordering wordt afgewezen omdat [geopposeerde] deze vordering niet heeft gemotiveerd en\u002Fof onderbouwd.\n\nVerrekening bedrag ter grootte van de beslagkosten\n\n4.19.. Na het verstekvonnis heeft [geopposeerde] beslag laten leggen op de volledige handelsvoorraad en alle bankrekeningen van [opposanten] Vóór de tweede mondelinge behandeling van 24 oktober 2025 heeft [opposanten] aan [geopposeerde] in totaal een bedrag van € 24.985,29betaald en daarnaast de beslagkosten van € 5.203,41 aan hem vergoed.\n\n4.20.. De kantonrechter verwerpt de stelling van [geopposeerde] dat het hierna te bespreken beroep van [opposanten] op verrekening buiten de beoordeling van deze zaak moet blijven. [opposanten] heeft immers reeds tijdens de eerste mondelinge behandeling dit beroep op verrekening gedaan, waarop [geopposeerde] in de conclusie van repliek en tijdens de mondelinge behandeling heeft gereageerd. Van schending van de beginselen van de goede procesorde, waaronder het beginsel van hoor en wederhoor dan wel het verdedigingsbeginsel, is dan ook geen sprake.\n\n4.21.. \n [opposanten] wil dat de door hem aan [geopposeerde] vergoede beslagkosten van € 5.203,41 worden verrekend met de vorderingen van [geopposeerde] die in deze procedure worden toegewezen. Hij voert hiertoe aan dat hij na het verstekvonnis van 25 september 2024 aan [geopposeerde] had voorgesteld om de volledige bij verstekvonnis toegewezen bedragen inclusief de proceskosten over te maken op een derdenrekening bij zijn advocaat of de deurwaarder. [geopposeerde] heeft dit voorstel geweigerd en is daarna overgegaan tot beslaglegging op de volledige handelsvoorraad en alle bankrekeningen van [opposanten] Dit staat in geen verhouding tot de omvang van de bij verstek toegewezen vorderingen en is ook in strijd met de eis van subsidiariteit, aldus [opposanten]\n\n4.22.. \n [geopposeerde] is het hier niet mee eens. Hij voert aan dat hij [opposanten] na het verstekvonnis van 25 september 2024 meermaals heeft aangeschreven, maar dat [opposanten] daarop niet heeft gereageerd en niet is overgegaan tot betaling van de toegewezen vorderingen. Hij had daarom geen andere keus dan het leggen van executoriaal beslag.\n\n4.23.. De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van het veroordelende verstekvonnis van 25 september 2024 had [geopposeerde] een executoriale titel ter verkrijging van betaling waartoe [opposanten] bij verstek was veroordeeld. Niet is weersproken dat [opposanten] na het verstekvonnis aanvankelijk niet op de aanschrijvingen van [geopposeerde] heeft gereageerd. [opposanten] heeft echter onbetwist gesteld dat hij daarna ter voorkoming van daadwerkelijke beslaglegging op zijn gehele handelsvoorraad en alle bankrekeningen contact met [geopposeerde] heeft opgenomen en aan [geopposeerde] heeft aangeboden een bedrag gelijk aan de volledige bij verstekvonnis toegewezen bedragen inclusief proceskosten over te maken op een derdenrekening bij zijn advocaat of de deurwaarder. Hiermee had [geopposeerde] voldoende zekerheid gehad dat zijn bij verstekvonnis toegewezen vorderingen zouden worden voldaan als [opposanten] in de verzetprocedure ongelijk zou krijgen\u002Fook zou worden veroordeeld tot betaling. Het belang dat [geopposeerde] nog had bij beslaglegging is daarmee onevenredig aan het belang van [opposanten] dat met beslaglegging is geschaad: het kunnen blijven uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. Naar het oordeel van de kantonrechter had [geopposeerde] in redelijkheid moeten afzien van het laten leggen van executoriaal beslag. Door ondanks het aanbod tot zekerheidstelling van [opposanten] executoriaal beslag te laten leggen op de volledige handelsvoorraad en alle bankrekeningen van [opposanten] heeft [geopposeerde] in strijd met de eis van subsidiariteit gehandeld. Er is dan ook sprake van misbruik van bevoegdheiden dus onrechtmatig handelen. De schade die [opposanten] daardoor heeft geleden, bestaande in de aan [geopposeerde] vergoede beslagkosten van € 5.203,41, moet [geopposeerde] dan ook aan [opposanten] vergoeden. Het beroep van [opposanten] op verrekening slaagt dan ook. Een bedrag gelijk aan de door [opposanten] aan [geopposeerde] betaalde beslagkosten van € 5.203,41 wordt daarom verrekend met de aan [geopposeerde] toegewezen hoofdsom.\n\n4.24.. Gelet op het voorgaande wordt de vordering van [geopposeerde] om [opposanten] te veroordelen in de beslagkosten, afgewezen.\n\nTussenconclusie\n\n4.25.. \n [opposanten] is (€ 15.000,00 + € 1.919,00 =) € 16.919,00 aan [geopposeerde] verschuldigd. Met dit bedrag wordt een bedrag gelijk aan de door [opposanten] betaalde beslagkosten van € 5.203,41 verrekend. Dit betekent dat [opposanten] nog een bedrag van (€ 16.919,00 - € 5.203,41 =) € 11.715,59 aan [geopposeerde] verschuldigd is (voor zover hij dit bedrag niet reeds heeft voldaan).\n\nWettelijke rente over de hoofdsom\n\n4.26.. De over € 16.919,00 gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is toewijsbaar, zoals in de beslissing staat. Bij de berekening van de rente dient rekening te worden gehouden met de betalingen die [opposanten] na het verstekvonnis aan [geopposeerde] heeft gedaan en de omstandigheid dat de verrekening terugwerkt tot het tijdstip, waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan.\n\n [opposanten] is buitengerechtelijke incassokosten aan [geopposeerde] verschuldigd\n\n4.27.. \n [geopposeerde] vordert € 931,13 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [geopposeerde] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is lager dan het in het Besluit bepaalde tarief en wordt toegewezen.\n\nRente over de buitengerechtelijk incassokosten wordt afgewezen\n\n4.28.. \n [geopposeerde] vordert de wettelijke (handels)rente over de buitengerechtelijke incassokosten. Nog los van het feit dat geen grondslag is gesteld of gebleken voor de gevorderde wettelijke handelsrente, is evenmin gesteld of gebleken dat [geopposeerde] deze kosten al daadwerkelijk aan zijn gemachtigde heeft betaald of met de betaling daarvan in verzuim verkeert en als zodanig vermogensschade heeft geleden. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom niet toegewezen.\n\n [opposanten] moet de proceskosten en wettelijke rente betalen\n\n4.29.. \n [opposanten] is grotendeels in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat hij zijn eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van [geopposeerde] aan hem moet betalen. De kosten voor het herstelexploot van 13 augustus 2024 blijven als nodeloos gemaakte kosten voor rekening van [geopposeerde] . De proceskosten van [geopposeerde] worden begroot op:\n\n- dagvaarding\n\n€\n\n143,66\n\n- griffierecht\n\n€\n\n706,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n2.443,50\n\n(4,5 punten x tarief € 577,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus eventuele kosten van betekening)\n\nTotaal\n\n€\n\n3.437,16\n\n4.30.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals in de beslissing staat.\n\n [opposant sub 1] , vennoot 1, vennoot 2 en vennoot 3 worden hoofdelijk veroordeeld\n\n4.31.. De veroordeling van [opposanten] wordt hoofdelijkuitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\nDit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard\n\n4.32.. De kantonrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\nVernietiging verstekvonnis\n\n4.33.. Omdat [geopposeerde] zijn vorderingen meerdere keren heeft gewijzigd en de vorderingen in deze procedure daarom verschillen van de vorderingen ten tijde van het verstekvonnis, ziet de kantonrechter aanleiding om het verstekvonnis te vernietigen en opnieuw recht te doen op grond van de huidige vorderingen.\n\nExecutie van dit vonnis\n\n4.34.. Bij de executie van dit vonnis in verzet moet [geopposeerde] rekening houden met de bedragen die [opposanten] reeds aan hem heeft betaald.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. vernietigt het door een kantonrechter van deze rechtbank op 25 september 2024 in de procedure met zaaknummer 11268195 UC EXPL 24-5653 gewezen verstekvonnis,\n\nen opnieuw beslissend:\n\n5.2.. ontbindt de tussen partijen op 15 februari 2024 gesloten koopovereenkomst per vandaag;\n\n5.3.. veroordeelt [opposanten] hoofdelijk tot betaling aan [geopposeerde] van:\n\n € 11.715,59 € 11.715,59aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 16.919,00 vanaf 18 juli 2024 tot de dag van de volledige betaling;\n\n € 931,13 € 931,13 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;\n\n5.4.. veroordeelt [opposanten] hoofdelijk in de kosten; hij moet de proceskosten van [geopposeerde] van € 3.437,16 aan hem betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [opposanten] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n5.5.. veroordeelt [opposanten] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op\n\n18 februari 2026.\n\n Met het zaaknummer 11268195 UC EXPL 24-5653.\n\n Idem.\n\n Zoals bedoeld in artikel 7:9 lid 1 in verbinding met artikel 3:84 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Zoals bedoeld in artikel 3:86 lid 1 BW.\n\n Zie de Car-Pass en de ‘aanvraag tot inschrijving van een voertuig’ (productie 4 van [geopposeerde] bij de dagvaarding).\n\n De DIV is de Belgische variant van de Nederlandse Rijksdienst voor Wegverkeer (RDW).\n\n Zie één van de stukken die [geopposeerde] als productie 4 bij de dagvaarding heeft overgelegd.\n\n Zie in onderlinge samenhang productie 3 van [geopposeerde] bij de dagvaarding, productie 13 van [geopposeerde] (een e-mail van het Openbaar Ministerie (Afdeling Beslag) van 17 april 2025), productie 16 van [geopposeerde] , een bij een e-mail van [opposanten] van 1 mei 2025 gevoegde productie en productie 4 van [geopposeerde] bij de conclusie van antwoord in oppositie.\n\n Zie productie 4 van [geopposeerde] bij de dagvaarding.\n\n Zie productie 2 van [geopposeerde] bij de dagvaarding, zijnde de door [opposanten] op 15 februari 2024 opgemaakte factuur.\n\n Zie de factuur van het RDW Keuringsstation Den Bosch (productie 4 van [geopposeerde] bij de dagvaarding).\n\n Zie productie 9 van [geopposeerde] .\n\n Zie in onderlinge samenhang productie 3 van [geopposeerde] bij de dagvaarding, productie 13 van [geopposeerde] (een e-mail van het Openbaar Ministerie (Afdeling Beslag) van 17 april 2025) en een bij een e-mail van 1 mei 2025 gevoegde productie van [opposanten]\n\n Zie productie 13 van [geopposeerde] bij de dagvaarding (een e-mail van het Openbaar Ministerie (Afdeling Beslag) van 17 april 2025).\n\n Artikel 143 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.\n\n Zie productie 4 van [geopposeerde] bij de conclusie van antwoord in oppositie.\n\n Zie productie 13 van [geopposeerde] (een e-mail van het Openbaar Ministerie (Afdeling Beslag) van 17 april 2025).\n\n Zie in onderlinge samenhang productie 3 van [geopposeerde] bij de dagvaarding, productie 13 van [geopposeerde] (een e-mail van het Openbaar Ministerie (Afdeling Beslag) van 17 april 2025), productie 16 van [geopposeerde] , een bij een e-mail van [opposanten] van 1 mei 2025 gevoegde productie en productie 4 van [geopposeerde] bij de conclusie van antwoord in oppositie.\n\n Zie onder 3.3. De door [opposanten] aan [geopposeerde] verkochte auto betrof een schade-auto.\n\n Zie productie 4 van [geopposeerde] bij de conclusie van antwoord in oppositie.\n\n Zie productie 12 van [geopposeerde] bij de conclusie van antwoord in oppositie.\n\n Zie productie 2 van [geopposeerde] bij de conclusie van antwoord in oppositie.\n\n Artikel 6:212 BW.\n\n Zie productie 7 van [geopposeerde] bij de conclusie van antwoord in oppositie.\n\n Zie productie 2 bij de conclusie van repliek van [geopposeerde] .\n\n Zoals bedoeld in artikel 3:13 BW.\n\n Zie artikel 6:129 lid 1 BW.\n\n Zie artikel 18 van het Wetboek van Koophandel.\n\n Zie voor de berekening van dit bedrag wat onder 4.25 staat.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:710","2026-03-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.408Z",20]