[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-drug-offences-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":20,"total":16,"page":16,"limit":32},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},110,"drug-offences-nl","Drug Offences","NL","2026-07-08T16:56:56.630Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},1,{"min":18,"max":18},"2022-10-31T00:00:00.000Z",[],[21],{"id":22,"ecli":23,"slug":24,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":26,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":28,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"984","ECLI:NL:RBMNE:2022:6657","ecli-nl-rbmne-2022-6657","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F086277-22 (P)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 31 oktober 2022\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,\n\nhierna: verdachte.1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 juli 2022 en 17 oktober 2022. Op laatst genoemde datum is de zaak inhoudelijk behandeld.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.M. Rademaker en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. B.H.J. van Rhijn, advocaat te Doorn, naar voren hebben gebracht.2. TENLASTELEGGING\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:\n\nFeit 1in de periode van 1 juni 2021 tot en met 6 april 2022 te Utrecht en\u002Fof Nieuwegein heeft deelgenomen aan een organisatie welke tot oogmerk heeft gehad misdrijven als bedoeld in de Opiumwet;Feit 2in de periode van 1 juni 2021 tot met 6 april 2022 te Utrecht en\u002Fof Nieuwegein samen met (een) ander(en) in cocaïne en\u002Fof heroïne heeft gehandeld;\n\nFeit 3in de periode van 2 augustus 2021 tot en met 6 april 2022 te Utrecht en\u002Fof Nieuwegein samen met (een) ander(en) aanwezig heeft gehad cocaïne en heroïne.3. VOORVRAGEN\n\nDe dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.4. WAARDERING VAN HET BEWIJS\n\n4.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.\n\n4.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde. Hij voert aan dat er geen sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 11b Opiumwet, omdat verdachte niet duurzaam en structureel heeft samengewerkt met anderen en er geen sprake was van een hiërarchie. Volgens de raadsman bestaat het samenwerkingsverband dat uit het dossier naar voren komt min of meer uit toevalligheden.\n\n4.3. Het oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1. \n\nVrijspraak van het onder feit 1 ten laste gelegde\n\nUit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot een samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk, te weten het plegen van een aantal misdrijven uit de Opiumwet.\n\nVoor de bewezenverklaring van 'een organisatie' als bedoeld in art. 11b van de Opiumwet is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur. Het feit dat op 6 april 2022 nadat afnemer [A ] een bericht heeft gestuurd naar een dealernummer en er een deal heeft plaatsgevonden met verdachte, is onvoldoende om te spreken van een dergelijk samenwerkingsverband.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de in beslag genomen iPhone XS zijn telefoon is. Op deze telefoon is een Telegrambericht aangetroffen waarin ene [B ] aangeeft dat hij alleen snuif verkoopt. Ook dit bericht is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de verdachte behoorde tot een samenwerkingsverband of een aandeel had in of ondersteuning bood aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie. Daarnaast is onvoldoende komen vast te staan dat verdachte wetenschap had van de deelname aan een criminele organisatie. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij alleen en gedurende maar twee weken heeft gehandeld in cocaïne. Bovendien heeft medeverdachte [medeverdachte] verklaard, toen hij en verdachte zijn opgepakt met verdovende middelen, dat hij alleen heeft gehandeld en verdachte van niets afwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het dossier onvoldoende overtuigend bewijs bevat dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband in vorenbedoelde zin, waaraan verdachte heeft deelgenomen.\n\nDe rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.\n\n4.3.2. \n\nBewezenverklaring van het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde\n\nVerdachte heeft het onder feit 2 en 3 ten laste gelegde bekend voor zover het de handel in cocaïne en het aanwezig hebben van cocaïne een kortere periode betreft. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 oktober 2022;\n\neen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 Wetboek van Strafvordering, te weten een NFI-rapport d.d. 21 oktober 2021 (pag. 284 van proces-verbaal nr. PL0900-2021303210);\n\neen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 Wetboek van Strafvordering, te weten een NFI-rapport d.d. 21 oktober 2021 (pag. 285 van proces-verbaal nr. PL0900-2021303210);\n\neen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 Wetboek van Strafvordering, te weten een NFI-rapport d.d. 21 oktober 2021 (pag. 287 van proces-verbaal nr. PL0900-2021303210);\n\neen ambtsedig proces-verbaal van bevindingen nr. PL0900-2022076606-14 d.d. 26 april 2022, opgemaakt door [verbalisant] (blz. 44 van proces-verbaal nr. PL0900-2022076606), inhoudende de bevindingen van voornoemde verbalisant;\n\neen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 Wetboek van Strafvordering, te weten een NFI-rapport d.d. 14 april 2022 (pag. 91 van proces-verbaal nr. PL0900-2022076606-A);\n\neen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 Wetboek van Strafvordering, te weten een NFI-rapport d.d. 19 april 2022 (pag. 335 van proces-verbaal nr. PL0900-2022076606).\n\nDe hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.\n\nPartiële vrijspraak feit 2 en 3\n\nDe rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte opzettelijk cocaïne aanwezig heeft gehad tijdens zijn aanhoudingen, op 6 april 2022, gedurende twee weken voor zijn aanhouding en op 20 oktober 2021. Daarnaast heeft hij zich, zo blijkt uit zijn bekennende verklaring ter terechtzitting, op laatstgenoemde datum ook schuldig gemaakt aan het vervoeren van cocaïne waar een ander, medeverdachte [medeverdachte] , bij aanwezig is geweest. Uit het dossier is echter onvoldoende gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] of enig samenwerkingsverband tussen verdachte en anderen. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten in het dossier te vinden die erop wijzen dat verdachte wetenschap had van de drugs die medeverdachte [medeverdachte] bij zich had. Dit geldt te meer nu medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij alleen heeft gehandeld en verdachte van niets afwist. De rechtbank zal verdachte daarom ten aanzien van feit 2 en feit 3 partieel vrijspreken van het medeplegen.\n\nDe rechtbank is ten aanzien van feit 2 van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte langer dan een periode van twee weken in cocaïne heeft gehandeld, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren en verstrekken. Weliswaar staat vast dat verdachte op 6 april 2022 cocaïne heeft verkocht aan afnemer [A ] , terwijl die [A ] een bestelling had gedaan bij een dealertelefoon, maar het dossier bevat geen andere bewijsmiddelen waaruit kan worden afgeleid dat verdachte langer dan twee weken heeft gehandeld. Uit het dossier blijkt namelijk geen rechtstreeks verband tussen verdachte en de dealertelefoon(s). De IMEI-nummers van de telefoons van verdachte zijn op geen enkele wijze gekoppeld aan de dealertelefoon(s) -of nummers. De rechtbank zal daarom bij de bewezenverklaring uitgaan van de, door de verdachte bekende dealperiode van twee weken voor zijn aanhouding op 6 april 2022 en zal verdachte voor het resterende gedeelte van de ten laste gelegde periode vrijspreken.5. BEWEZENVERKLARING\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:\n\n2\n\nop 20 oktober 2021 te Utrecht opzettelijk heeft vervoerd en op één of meerdere tijdstippen in de periode van 23 maart 2022 tot en met 6 april 2022 te Utrecht en\u002Fof Nieuwegein, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n3\n\nOp 20 oktober 2021 en op één of meerdere tijdstippen in de periode van 23 maart 2022 tot en met 6 april 2022 te Utrecht en Nieuwegein, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nfeit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE\n\nEr is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.8. OPLEGGING VAN STRAF\n\n8.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, deelname aan gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en dagbesteding.\n\n8.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman verzoekt om het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk te stellen aan het voorarrest, zodat verdachte niet meer terug hoeft naar de gevangenis. Daarbij bepleit de raadsman een lange voorwaardelijke gevangenisstraf met eventueel een proeftijd van drie jaren. Verdachte heeft een flinke stok achter de deur nodig, aldus de raadsman. Verder verzoekt de raadsman om rekening te houden met het feit dat verdachte een jonge verdachte is waarbij het jeugdstrafrecht van toepassing zou kunnen zijn en verdachte first offender is.\n\n8.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. Daarnaast heeft verdachte gedurende een periode van twee weken in cocaïne gehandeld en op één dag in oktober 2021 cocaïne vervoerd. Het is algemeen bekend dat harddrugs, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. Ook is het gebruik van drugs, onder andere door de daarmee gepaard gaande gewelddadige criminaliteit, bezwarend voor de samenleving. Verdachte heeft zich van deze gevolgen niets aangetrokken en kennelijk uitsluitend gedacht aan de opbrengsten van de cocaïnehandel. Daar komt bij dat verdachte in december 2021 een last onder dwangsom voor de handel in verdovende middelen opgelegd heeft gekregen van de burgemeester van Utrecht, maar dit hem niet heeft weerhouden om harddrugs te gaan verkopen. De rechtbank rekent het verdachte in hoge mate aan dat hij na de last onder dwangsom alsnog harddrugs is gaan verkopen en door het handelen in en aanwezig hebben van de harddrugs heeft bijgedragen aan het in stand houden van de drugscriminaliteit en het in gevaar brengen van de gezondheid van de gebruikers.\n\nPersoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van 4 juli 2022, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en geen relevante documentatie heeft.\n\nVoorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 12 oktober 2022. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat de reclassering meerwaarde ziet in een toezichtkader om de jeugdige verdachte te monitoren en eventuele risicofactoren te verlagen door middel van een COVA-training. De reclassering adviseert om het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat er geen doorslaggevende factoren zijn voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden de meldplicht, deelname aan gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en dagbesteding.\n\nOp te leggen straf\n\nGelet op de hiervoor besproken ernst van de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank een gevangenisstraf passend. Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de vastgestelde landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor het verkopen van harddrugs op straat. Volgens de vastgestelde oriëntatiepunten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden het oriëntatiepunt voor het verkopen van harddrugs op straat gedurende minder dan een maand. Omdat de rechtbank aanleiding ziet om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, zal zij het eerdergenoemde oriëntatiepunt voor verkopen van harddrugs als uitgangspunt nemen voor het onvoorwaardelijke deel van de straf wat ongeveer gelijk is aan het voorarrest van verdachte. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte first offender is en dat de reclassering meerwaarde ziet in een toezichtkader. Daarbij heeft verdachte ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat hij mee wil werken aan het reclasseringstoezicht en openstaat voor de bijzondere voorwaarden.\n\nAlles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 63 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering.9. BESLAG\n\n9.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert tot verbeurdverklaring van de auto, de telefoon en het geld, en tot onttrekking aan het verkeer van de verdovende middelen en de weegschaal.\n\n9.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het beslag.\n\n9.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nVerbeurdverklaring\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen telefoon en personenauto (nummers 2 en 3 op de beslaglijst) verbeurd verklaren. Met behulp van deze voorwerpen is het onder feit 2 bewezen verklaarde begaan.\n\nDe rechtbank zal tevens het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- (nummer 1 op de beslaglijst) verbeurd verklaren. Dit voorwerp is geheel of grotendeels door middel van of uit baten van het strafbare feit verkregen.\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen verdovende middelen en weegschaal onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht aangetroffen. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.10. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN\n\nDe beslissing berust op de artikelen\n\n14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n2, 10 en 13a van de Opiumwet,\n\nzoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.11. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- verklaart het onder feit 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;\n\n- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart het onder feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nOplegging straf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 150 dagen;\n\n- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 63 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jarenvast;\n\n- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:\n\n* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:\n\n* zich meldt binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2 te Utrecht. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\n* actief deelneemt aan de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheden of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer\u002Fbegeleider;\n\n* over dagbesteding beschikt over een nader te bepalen aantal dagdelen per week, zulks ter beoordeling van de reclassering. Het volgen van onderwijs kan hier onderdeel van zijn;\n\nGeeft aan genoemde instelling opdracht veroordeelde toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nBeslag\n\n- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:\n\nde telefoon (G2972620);\n\nde personenauto, [kenteken] (G481914);\n\nhet geldbedrag, 100 EURO (G2972649);\n\n- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:\n\nde verdovende middelen (G2972620);\n\nde weegschaal (G2972682);\n\nVoorlopige hechtenis\n\n- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L.C. Michon, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en mr. A.M.M. Lemmen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2022.\n\nMr. A.M.M. Lemmen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage: de tenlastelegging\n\nAan verdachte wordt ten laste gelegd dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juni 2021 tot en met 6 april 2022 te Utrecht\n\nen\u002Fof Nieuwegein, althans in het arrondissement Midden-Nederland,\n\nin elk geval in Nederland,\n\nheeft deelgenomen aan een organisatie,\n\nbestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten hij,\n\nverdachte, en\u002Fof één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en),\n\nwelke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als\n\nbedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en\u002Fof\n\n11a Opiumwet;\n\n( art 11b lid 1 Opiumwet )\n\n2\n\nhij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2021 tot en\n\nmet 6 april 2022 te Utrecht en\u002Fof Nieuwegein, althans in het arrondissement\n\nMidden-Nederland,\n\nin elk geval in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\n(telkens)\n\nopzettelijk\n\nheeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof\n\nverstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\neen hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\neen hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de\n\nOpiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel\n\n3a van die wet;\n\n( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf\u002Fond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek\n\nvan Strafrecht )\n\n3\n\nhij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 augustus 2021\n\ntot en met 6 april 2022 te Utrecht en\u002Fof Nieuwegein, althans in het arrondissement\n\nMidden-Nederland,\n\nin elk geval in Nederland, tezamen en vereniging met een of meer anderen, althans\n\nalleen,\n\nopzettelijk\n\naanwezig heeft gehad\n\nongeveer 10,43 gram en\u002Fof 27,55 gram en\u002Fof 0,88, in elk geval een hoeveelheid van\n\neen materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\nongeveer 5,17 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende\n\nheroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne\n\nin elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende\n\nlijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf\u002Fond C Opiumwet )","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:6657","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:57.479Z",20]