[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-employment-contract-termination-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":29,"total":16,"page":25,"limit":58},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},156,"employment-contract-termination-nl","Employment Contract Termination","NL","2026-07-08T17:00:45.330Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2025-02-26T00:00:00.000Z","2026-06-19T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122279","Burgerlijk Wetboek","art. 7:625",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122280","art. 7:628",[30,41,50],{"id":31,"ecli":32,"slug":33,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"673","ECLI:NL:RBMNE:2026:3767","ecli-nl-rbmne-2026-3767","","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12134743 \\ UE VERZ 26-102\n\nBeschikking van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. B. Bostancieri-Dinc,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. T.G. Martens.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met productie 1 tot en met 10,\n\n- het aanvullend verzoekschrift met productie 11 tot en met 13,\n\n- het verweerschrift met productie 1 tot en met 6 met zelfstandige tegenvordering,\n\n- de brief van [verweerder] van 20 mei 2026 met productie 7 en 8,\n\n- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waar [eiser] is verschenen met haar gemachtigde en waar [verweerder] zich heeft laten vertegenwoordigen door mevrouw [A] (bestuurder) en mevrouw [B] (administratief medewerkster en begeleider) en haar gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting.\n\n1.2. De producties die mr. Bostancieri heeft meegenomen naar de zitting zijn te laat aangeboden en zijn buiten beschouwing gelaten.\n\n1.3. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De kern van de zaak\n\nHet gaat in deze zaak over de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd door de opzegging van [eiser] , of dat [verweerder] daarna heeft opgezegd tegen een eerdere datum en de arbeidsovereenkomst daardoor tegen die eerdere datum is geëindigd. Aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of er een loondoorbetalingsplicht voor [verweerder] bestaat en zo ja tot wanneer precies. Ook is aan de orde hoeveel onregelmatigheidstoeslag (ORT) nog aan [eiser] moet worden betaald. Op verzoek van [verweerder] moet worden beoordeeld of [eiser] aan [verweerder] de kosten moet vergoeden van het vervangen van alle sleutels van de opvanglocaties van [verweerder] , omdat die niet of niet op de juiste manier zijn ingeleverd en of [eiser] de kosten voor haar eigen vervanging aan [verweerder] moet vergoeden, omdat zij niet is komen werken op het moment dat dat volgens [verweerder] wel moest. Allebei de partijen verzoeken subsidiair om toekenning van een gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat beide partijen een vorderingen hadden op de ander en veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [eiser] van het resultaat van de over en weer verschuldigde bedragen. Ook wijst de kantonrechter het verzoek tot het verstrekken van een correcte eindafrekening aan [eiser] .\n\n3. De achtergrond van de zaak\n\n3.1. \n [eiser] , geboren [geboortedatum] 2003, is sinds 10 maart 2025 in dienst bij [verweerder] . De functie van [eiser] is Begeleider. Zij werkt tegen een loon van € 2.956,77 bruto per maand, te vermeerderen met IKB toeslag van 16,4 % (inclusief vakantiegeld). Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Sociaal Werk van toepassing.\n\n3.2. \n [verweerder] biedt jongeren van 8 tot 18 jaar een veilige stabiele woonomgeving waarin persoonlijke groei en herstel centraal staan. De organisatie begeleidt kwetsbare jongeren die door complexe thuissituaties, psychische problemen of vastgelopen hulpverlening extra ondersteuning nodig hebben. [verweerder] werkt onder de paraplu van AZ-Multizorg B.V., waardoor in de praktijk ook [verweerder] aan andere doelgroepen, zoals ouderen, wordt verstrekt. [eiser] werkte zowel op de jeugdlocaties als in de thuiszorg voor ouderen.\n\n3.3. Per e-mailbericht van 12 december 2025 heeft [eiser] haar arbeidsovereenkomst opgezegd. In het bericht staat dat [eiser] zich bewust is van de opzegtermijn van 2 maanden en dat zij daarom opzegt per 12 februari 2026 en voorafgaand aan die einddatum haar eventueel resterende vakantiedagen zal opnemen.\n\n3.4. In antwoord op het bericht van [eiser] heeft [C] , administratief medewerker bij [verweerder] , aan [eiser] laten weten:\n\n“Naar aanleiding van je opzegging zijn wij tot de conclusie gekomen dat we afwijken van de geldende opzegtermijn van twee maanden. Dit betekent dat je arbeidsovereenkomst eindigt op 5 januari 2026.”\n\n [C] licht toe dat [verweerder] daarvoor gekozen heeft in verband met de onrust die het wisselen van begeleiders met zich meebrengt voor de cliënten. Verder berekent [C] dat [eiser] nog een negatief vakantiedagensaldo heeft van 18,94 uur, en geeft zij aan dat [eiser] de sleutels van de woongroep en de tag voor het inklokken uiterlijk 5 januari 2026 dient in te leveren.\n\n3.5. Naar aanleiding van een aan haar gestelde vraag heeft [eiser] op 4 januari 2026 in een bericht aan de dochter van een cliënt laten weten dat zij niet meer voor [verweerder] werkte.\n\n3.6. Op 6 januari 2026 heeft [eiser] van collega [D] het volgende Whatsapp bericht gehad: “Hi alles goed? Kan jij alle mensen een bericht sturen zoals advocaat, bewindvoerder, Wooning en artsen van [E] en doorgeven dat jij weggaat en de info mal van AZ multizorg doorgeeft? Anders blijven dingen liggen en niet opgepakt, Dankjewel.”\n\n3.7. Op 12 januari 2026 heeft [eiser] op dit e-mail bericht van [verweerder] gereageerd, heeft zij [verweerder] gewezen op de opzegtermijn van twee maanden en heeft zij gevraagd hoe het zit met de loonbetaling over de opzegtermijn. Daarnaast heeft [eiser] gewezen op het feit dat zij geen ORT heeft ontvangen en dat de vakantiedagen verkeerd zijn berekend.\n\n3.8. Op 13 januari 2026 heeft [verweerder] per e-mail laten weten dat zij niet eenzijdig heeft opgezegd, maar dat [eiser] dat zelf had gedaan. Daarbij geeft [verweerder] aan dat als [eiser] van mening was geweest dat de arbeidsovereenkomst niet was geëindigd, van haar verwacht had mogen worden dat zij op 5 januari 2026 gewoon was komen werken. Met betrekking tot de ORT geeft [verweerder] aan dat [eiser] eerst zelf een overzicht moet aanleveren van de dagen en uren waarop zij recht meent te hebben op ORT. [verweerder] geeft verder aan dat de eindafrekening zal volgen nadat alle bedrijfseigendommen volledig zijn ingeleverd.\n\n3.9. Op 9 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] zich gemeld bij [verweerder] en namens haar aanspraak gemaakt op het loon tot 12 februari 2026 en de wettelijke verhoging daarover.\n\n3.10. In een e-mail van 10 februari 2026 laat [verweerder] weten ervan uit te gaan dat de overeenkomst is geëindigd op 5 januari 2026 en dat uit het bericht van [eiser] aan een cliënt van 4 januari 2026 blijkt dat [eiser] zelf aan derden heeft meegedeeld dat zij niet meer in dienst is. In de brief is eveneens aangegeven dat [verweerder] de loper van de opvanglocaties heeft vervangen, nadat [eiser] haar sleutels (ondanks eerder verzoeken) niet heeft ingeleverd en dat de kosten daarvan € 3.000,00 bedragen. Ook geeft [verweerder] aan dat zij geen gegevens van [eiser] heeft ontvangen over ORT-uren.\n\n3.11. Bij e-mail van 11 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] gereageerd en heeft zij onder meer gesteld dat de sleutels zijn ingeleverd door een nicht van [eiser] en wijst zij namens [eiser] aansprakelijkheid voor de € 3.000,00 schade van de hand. Zij levert ook een overzicht van de ORT-uren aan. De overige verzoeken van [eiser] worden gehandhaafd.\n\n4. Het verzoeken over en weer\n\n4.1. \n [eiser] verzoekt de kantonrechter na wijziging van eis tijdens de mondelinge behandeling:\n\n- Primairhet ontslag van 23 december 2025 te vernietigen en [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon en IKB-toeslag vanaf januari 2026 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, dat wil zeggen ofwel (primair) 1 maart 2026,danwel (subsidiair) 12 februari 2026, en\n\nsubsidiair, voor het geval de kantonrechter de opzegging niet vernietigt, te bepalen dat [verweerder] een gefixeerde schadevergoeding van € 5.912,88 bruto aan [eiser] verschuldigd is,\n\n [verweerder] te veroordelen tot het verstrekken van een correcte eindafrekening met uitbetaling van de opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen tot en met 12 februari 2026,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling van de ORT van € 4.513,84 bruto over de periode van indiensttreding tot en met december 2025,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling gemiddelde ORT over de maanden januari en februari ter hoogte van € 712,95 bruto,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het salaris en de ORT,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het salaris, de ORT en de gefixeerde schadevergoeding, en\n\n [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2. \n\n [verweerder] wil dat de verzoeken worden afgewezen, met uitzondering van het door [verweerder] erkende bedrag aan ORT van € 4.362,52 bruto.\n\nDaarnaast wil [verweerder] dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [verweerder] , bestaande uit\n\n€ 7.920,00 voor kosten die [verweerder] heeft gemaakt omdat zij op korte termijn externe [verweerder] heeft moeten inkopen toen [eiser] na 5 januari 2026 niet meer kwam werken, en\n\n€ 4.059,07 omdat [eiser] haar sleutels niet (bij haar manager) heeft ingeleverd, waardoor de cilinders en sleutels van alle locaties moesten worden vervangen.\n\n [verweerder] vraagt ook de wettelijke rente over de schadebedragen indien deze niet tijdig worden voldaan. Voor de situatie waarin de kantonrechter ervan uitgaat [verweerder] heeft opgezegd, deze opzegging wordt vernietigd en daarmee wordt teruggevallen op de opzegging door [eiser] , vordert [verweerder] nog een gefixeerde schadevergoeding.\n\n5. De beoordeling\n\nDe verzoeken van [eiser]\n\n5.1. verzoekt de kantonrechter de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verweerder] op 23 december 2025 te vernietigen en [verweerder] te veroordelen het loon door te betalen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.\n\nWanneer kan de kantonrechter een opzegging vernietigen?\n\n5.2. De kantonrechter kan de beëindiging van een arbeidsovereenkomst (zoals een ontslag op staande voet of opzegging) vernietigen als het ontslag onrechtmatig is gegeven. Daarvan is onder meer sprake indien het ontslag zonder instemming van de werknemer en\u002Fof zonder toestemming van het UWV is gegeven. De werknemer moet hiervoor wél binnen twee maanden na de ontslagdatum een verzoek indienen bij de rechter.\n\n5.3. Vast staat dat [eiser] haar verzoek tijdig heeft ingediend.\n\nDe mededeling van 23 december 2026 van [verweerder] is een eenzijdige opzegging van de arbeidsovereenkomst\n\n5.4. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst eenzijdige heeft opgezegd. Het is juist dat [eiser] deze aanvankelijk heeft opgezegd op 12 december 2025 tegen 12 februari 2026, maar [verweerder] heeft [eiser] laten weten dat zij de arbeids-overeenkomst eerder zou eindigen, namelijk op 5 januari 2026. Naar eigen zeggen deed [verweerder] dat om te voorkomen dat te veel wisselingen in begeleiding van de cliënten zou komen. [verweerder] stelt weliswaar dat deze brief moet worden gezien als een ‘praktisch voorstel’, maar uit de brief blijkt dat helemaal niet. Het einde van het dienstverband per 5 januari 2026 is geformuleerd als een mededeling en uit de brief blijkt niet dat van [eiser] nog een antwoord wordt verwacht of dat er überhaupt ruimte is voor overleg. Er wordt ook medegedeeld dat [eiser] haar sleutels en tag uiterlijk 5 januari 2026 moet inleveren. Ook dat wijst erop dat [eiser] niet meer wordt verwacht op de werkvloer. [eiser] mocht het bericht dan ook opvatten als een opzegging.\n\n5.5. \n [verweerder] stelt dat niet te zwaar aan de bewoordingen van de brief moet worden getild omdat de brief is opgesteld door een medewerker van [verweerder] die geen jurist is. Ook dat argument gaat niet op. Van een werkgever mag verwacht worden dat zij op de hoogte is van de geldende regelgeving en daar op de juiste wijze uitvoering aan geeft. [verweerder] heeft die taak aan deze medewerker toebedeeld en is gebonden aan en verantwoordelijk voor de wijze waarop deze die taak uitvoert.\n\n5.6. Ook het verweer van [verweerder] dat [eiser] uit het feit dat zij was ingeroosterd had moeten begrijpen dat eigenlijk sprake was van een voorstel en dat de arbeidsovereenkomst feitelijk niet was geëindigd, gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. [eiser] mocht vertrouwen op de mededeling dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd en hoefde niet op eigen initiatief te onderzoeken of de inroostering, voor zover zij die al zou hebben gezien, betekende dat de arbeidsovereenkomst toch niet geëindigd was.\n\n5.7. Het is ook niet zo dat uit het feit dat [eiser] niet kwam werken op 5 januari 2026 mag worden afgeleid dat zij heeft ingestemd met de beëindiging per die datum. Zij hoefde niet te komen werken, want de arbeidsovereenkomst was op dat moment al beëindigd.\n\nDe kantonrechter vernietigt de opzegging van [verweerder] van 23 december 2025\n\n5.8. De opzegging heeft in beginsel tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst op 5 januari 2026 is geëindigd door de opzegging van [verweerder] van 23 december 2025, zonder dat [eiser] daarmee heeft ingestemd of dat daarvoor toestemming was van het UWV. Dat is onrechtmatig en daarom zal de kantonrechter die opzegging vernietigen.\n\n5.9. \n\nOmdat de opzegging vernietigd is, hoeft het subsidiaire standpunt van [eiser] , dat [verweerder] de gefixeerde schadevergoeding moet betalen, geen verdere bespreking.\n\n [verweerder] moet het loon doorbetalen tot en met 12 februari 2026, en ook de wettelijke rente en wettelijke verhoging; [eiser] hoeft geen gefixeerde schadevergoeding te betalen\n\n5.10. De vernietiging van de opzegging heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst na 5 januari 2026 feitelijk is blijven bestaan en dat [verweerder] het loon moet doorbetalen tot het moment dat de arbeidsovereenkomst wel rechtsgeldig is geëindigd. Partijen zijn het er niet over eens op welk moment dat is. [eiser] heeft op 12 december 2025 opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden, tegen 12 februari 2026. Dat heeft [eiser] niet goed gedaan, want in de arbeidsovereenkomst staat dat de opzegging moet gebeuren tegen het einde van een kalendermaand. Zij had dus tegen het einde van de maand op moeten zeggen en dan had de arbeidsovereenkomst tot 1 maart 2026 geduurd. Gelet op de standpunten die partijen sindsdien over en weer hebben ingenomen verbindt de kantonrechter daar geen conclusies aan.\n\n5.11. De kantonrechter is van oordeel dat de intentie van [eiser] duidelijk blijkt uit haar opzegging. Zij wilde de opzegtermijn in acht nemen en haar arbeidsovereenkomst tot dat moment uitdienen. Hoewel haar berekening eigenlijk niet juist is, is niet gebleken dat [verweerder] niet akkoord was met die eerdere opzegging. Integendeel, [verweerder] heeft daar niet eerder dan in deze procedure een punt van gemaakt en heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst beëindigd op een nóg eerdere datum. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [verweerder] in ieder geval akkoord was met een datum gelegen voor 1 maart 2026. Omdat daarover overeenstemming was met partijen kan [eiser] daar niet tijdens de mondelinge behandeling op terugkomen. Datzelfde geldt voor [verweerder] . De arbeidsovereenkomst is daarom geëindigd op 12 februari 2026, zonder dat [eiser] gefixeerde schadevergoeding aan [verweerder] hoeft te betalen. [verweerder] hoeft ook alleen tot die datum het loon door te betalen. [verweerder] is onbetwist ook IKB-toeslag verschuldigd.\n\n5.12. Het verweer van [verweerder] dat zij over die periode geen loon verschuldigd is omdat ook geen sprake is geweest van arbeid gaat daarbij niet op. Artikel 7:628 BW bepaalt dat de werknemer recht blijft houden op loon als de oorzaak van het feit dat hij geen arbeid heeft verricht in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Daarvan is hier ook sprake: het is [verweerder] zelf die deze situatie in het leven heeft geroepen, dat gaat niet ten koste van de loondoorbetalingsplicht.\n\n5.13. \n [eiser] heeft verzocht om toewijzing van de wettelijke rente over het loon dat nog uitbetaald moet worden, vanaf de respectievelijke data van verschuldigdheid van de verschillende salarisbetalingen. Dit zal worden toegewezen. [eiser] heeft daarnaast verzocht op toewijzing van de wettelijke verhoging. De kantonrechter zal ook die toewijzen. Voor matiging ziet de kantonrechter geen aanleiding. De reden waarom het loon te laat is betaald is, gelet op de onrechtmatige opzegging, volledig te wijten aan [verweerder] .\n\n [verweerder] moet ORT betalen aan [eiser] , vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging\n\n5.14. \n [eiser] wil dat [verweerder] de ORT betaalt die zij nog niet heeft ontvangen. Het gaat dan over ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2025 én om de gemiddelde ORT over de voorliggende maanden over de periode tussen 5 januari 2026 en 12 februari 2026.\n\n De ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2025\n\n5.15. Hoewel [eiser] recht had op ORT, heeft [verweerder] in het geheel nog geen ORT uitgekeerd tijdens het dienstverband van [eiser] . [verweerder] stelt dat zij daartoe nog niet over hoefde te gaan omdat [eiser] daartoe niet de vereiste administratie had ingeleverd en dat [eiser] dat pas in de loop van deze procedure heeft gedaan. Dat argument gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Een werkgever heeft de wettelijke plicht om een sluitende administratie bij te houden van de gewerkte dagen en uren van haar werknemers. Die verplichting mag niet volledig worden verschoven naar de werknemer. Bovendien had [eiser] een vast rooster en heeft zij gesteld dat zij daarvan nooit is afgeweken. Dat heeft [verweerder] niet betwist. [verweerder] was daarom op de hoogte van de gewerkte uren en de verschuldigde ORT.\n\n5.16. \n [verweerder] heeft de ORT-berekening van [eiser] over de periode van indiensttreding tot en met december 2025 niet betwist, op twee ziektedagen na. [eiser] heeft die fout in de berekening tijdens de mondelinge behandeling erkend. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de vordering van [eiser] voor uitbetaling van ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2026 komt vast te staan tot het bedrag dat door [verweerder] is erkend van € 4.362,52 bruto.[eiser] heeft niet onderbouwd gesteld dat zij aanspraak kan maken op een hoger bedrag.\n\n De ORT over de periode vanaf 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026\n\n5.17. De kantonrechter zal ook ORT toewijzen voor de periode van 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026. Vast staat dat namelijk dat [eiser] structureel recht had op ORT. Dat betekent dat op het moment dat [eiser] recht heeft op loon over de periode 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026, zoals hiervoor is vastgesteld, zij op grond van de CAO ook recht heeft op ORT over die periode. Die wordt volgens de CAO berekend over het gemiddelde ORT van de drie voorafgaande maanden. [eiser] heeft dat bedrag berekend op een totaal van € 712,95 en dat zal worden toegewezen. [verweerder] heeft de omvang van deze vordering namelijk niet gemotiveerd betwist.\n\n [verweerder] moet de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de ORT betalen\n\n5.18. \n [eiser] verzoekt ook de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de ORT. Wettelijke rente en wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW zijn verschuldigd vanaf de opeisbaarheid van de verschuldigde bedragen. Daarom moet voor de toewijzing daarvan duidelijk zijn wanneer dat is.\n\n5.19. \n [verweerder] stelt dat die bedragen nog niet opeisbaar waren, omdat zij pas na 8 mei 2026 op de hoogte was van de ORT-uren van [eiser] en dat zij daarom niet ‘te laat’ heeft betaald.\n\n5.20. De kantonrechter is van oordeel dat dat verweer niet op gaat. Zoals hiervoor al overwogen is de werkgever gehouden om een overzicht bij te houden van de gewerkte uren en daarvan een sluitende administratie te voeren en [verweerder] heeft zich daar onvoldoende aan gehouden, door die verantwoordelijkheid volledig bij de werknemer neer te leggen. [verweerder] wordt geacht op de hoogte te zijn van de door [eiser] gewerkte dagen en uren en dus ook van de verschuldigdheid van ORT daarover.\n\n5.21. Voor de opeisbaarheid zoekt de kantonrechter aansluiting bij artikel 6.7 van de CAO, waarin staat:\n\n“Het salaris wordt uiterlijk twee dagen voor het einde van de kalendermaand uitbetaald. Eventuele toeslagen opgebouwd in die betreffende kalendermaand worden uiterlijk in de daaropvolgende maand uitbetaald. Alle betalingen vinden plaats door storting op een bankrekening op naam van de werknemer.”\n\nDat betekent dat de ORT steeds vanaf dat moment opeisbaar is. De wettelijke rente en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW moeten daarom vanaf die respectievelijke momenten worden berekend.\n\n5.22. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te matigen, omdat [verweerder] al vanaf de indiensttreding van [eiser] geen enkel bedrag aan ORT heeft betaald, terwijl dit een aanzienlijk deel van het salaris van [eiser] uitmaakte.\n\n [verweerder] moet een correcte eindafrekening verstrekken\n\n5.23. \n [eiser] heeft de kantonrechter verzocht om [verweerder] te veroordelen een correcte en deugdelijke eindafrekening te verstrekken, waarin de door haar opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen zijn opgenomen. Een correcte eindafrekening moet inderdaad nog worden opgesteld. Ten aanzien van de vakantiedagen overweegt de kantonrechter het volgende. [verweerder] heeft aangegeven dat [eiser] begin januari 2026 een negatief vakantie-urensaldo (-18,94 uur) had en dat ervan uit kan worden gegaan dat de opgebouwde vakantie-uren nihil zijn voor zover de arbeidsovereenkomst geacht moet worden te hebben doorgelopen tot 12 februari 2026. [eiser] heeft dat niet (gemotiveerd) betwist. De kantonrechter stelt daarom vast dat er geen vakantie-uren meer hoeven te worden uitbetaald. [verweerder] heeft aangeboden om binnen 14 dagen na de mondelinge behandeling een correcte eindafrekening te sturen, maar de kantonrechter kan niet controleren of dat ook daadwerkelijk gebeurd is. Daarom wordt het verzoek – voor zover nodig – toch toegewezen.\n\nDe tegenverzoeken van [verweerder]\n\nDe kosten voor de extern ingekochte [verweerder] worden afgewezen\n\n5.24. \n [verweerder] heeft een tweetal tegenverzoeken gedaan. Het verzoek tot betaling van de factuur die gaat over de vervangende [verweerder] die [verweerder] extern heeft moeten inkopen vanaf 5 januari 2026 zal worden afgewezen. [eiser] heeft niet onrechtmatig gehandeld door niet te verschijnen op het werk, aangezien [verweerder] de arbeidsovereenkomst had opgezegd. Daarmee komt de grondslag aan die vordering te ontvallen en zal dat deel van de gevorderde schadevergoeding worden afgewezen.\n\n [eiser] moet de kosten vergoeden voor het vervangen van de sleutels\n\n5.25. De kantonrechter zal de kosten voor het vervangen van de sleutels toewijzen. [eiser] had de beschikking over sleutels die toegang gaven tot alle opvanglocaties van [verweerder] waar [eiser] werkzaam was. [eiser] had deze bij het einde van de arbeidsovereenkomst in moeten leveren. Zij heeft dat, ondanks meerdere verzoeken, niet aantoonbaar gedaan. [verweerder] zag zich daarom genoodzaakt de sloten te vervangen en heeft daarvoor kosten moeten maken. De kosten voor het vervangen bedragen volgens [verweerder] € 4.059,07. [verweerder] heeft daarvan facturen overgelegd.\n\n5.26. \n [verweerder] verzorgt de opvang van zeer kwetsbare jongeren. Van sommigen van hen is het absoluut onwenselijk dat zij de opvanglocatie kunnen verlaten indien zij per ongeluk de sleutel in handen zouden krijgen en voor sommigen van hen is het belangrijk voor hun veiligheid dat mensen van buiten geen toegang hebben tot de locatie waar zij verblijven. [verweerder] moet daarom weten waar de sleutels zijn. Op het moment dat er sleutels ‘weg’ zijn, of onduidelijk is waar een sleutel is gebleven, is het vervangen van de sloten de enige manier om de veiligheid te waarborgen. [verweerder] heeft daarom een Protocol Gebruik en Inleveren sleutels opgesteld, dat onderdeel uitmaakt van haar huisregels en daarmee ook van de individuele arbeidsovereenkomsten. In het protocol staat dat de uitgifte van sleutels wordt geregistreerd door de leidinggevende of aangewezen verantwoordelijke, dat deze bij uitdiensttreding direct moeten worden ingeleverd en dat de inlevering wordt geregistreerd door de verantwoordelijke medewerker of leidinggevende. In het protocol staat eveneens dat bij nalatigheid passende maatregelen kunnen worden genomen en\u002Fof de kosten op de werknemer kunnen worden verhaald.\n\n5.27. De kantonrechter begrijpt de noodzaak voor [verweerder] om de cliënten die aan haar [verweerder] zijn toevertrouwd te beschermen. De toegang tot het gebouw en de mogelijkheid om het gebouw al dan niet te verlaten is een belangrijk instrument daarvoor. [verweerder] heeft er daarom naar het oordeel van de kantonrechter een groot belang bij dat zij zicht houdt op de sleutels en dat het risico’s met zich brengt als niet duidelijkheid is waar de sleutels zich bevinden. Er is dan immers een mogelijkheid dat de betreffende sleutel in verkeerde handen kunnen komen. [eiser] heeft het belang van [verweerder] bij het zicht op de sleutels ook niet betwist.\n\n5.28. \n [verweerder] heeft deze noodzaak ook duidelijk naar haar medewerkers gecommuniceerd, en nadere regels vastgesteld in het protocol. De medewerkers, waaronder [eiser] , zijn hiervan op de hoogte. [eiser] heeft niet betwist dat zij op grond van de arbeidsovereenkomst heeft ingestemd met de huisregels van [verweerder] , onder meer bestaande uit het Protocol Gebruik en Inleveren van Sleutels.\n\n5.29. \n [verweerder] heeft [eiser] een paar keer gevraagd de sleutels in te leveren en [eiser] heeft dat niet aantoonbaar gedaan. [eiser] stelt dat zij (pas) op 9 februari 2026 de sleutels aan haar nicht heeft gegeven tijdens een babyshower, zodat deze de sleutels kon inleveren. In een brief van 11 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] dit gemeld aan [verweerder] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verteld dat deze nicht – die ook voor [verweerder] werkte – de sleutels op het werk in een kluis zou hebben gelegd, omdat er op dat moment niemand aanwezig was om de sleutel bij in te leveren. Of dat daadwerkelijk gebeurd is valt voor de kantonrechter niet vast te stellen, omdat het nergens uit blijkt. [verweerder] betwist de sleutels te hebben ontvangen en de nicht wil daarover niet verklaren.\n\n5.30. \n [verweerder] heeft onderbouwd gesteld dat [eiser] gehouden was de sleutels in te leveren en die is door [eiser] ook erkend. Doordat niet is komen vast te staan dat [eiser] de sleutels heeft ingeleverd, is de tekortkoming in de nakoming van de verplichting komen vast te staan. [eiser] heeft er, ondanks dat zij op de hoogte was van deze regels en het belang daarvan voor [verweerder] , bewust voor gekozen om de sleutels op oncontroleerbare wijze aan een derde af te geven. De tekortkoming kan [eiser] daarom ook worden toegerekend. [verweerder] heeft de schade voldoende aangetoond met de overgelegde facturen. [eiser] is daarom gehouden de schade van [verweerder] ten bedrage van € 4.059,07 te vergoeden.\n\n [verweerder] heeft een beroep gedaan op verrekening\n\n5.31. Bij brief van 20 mei 2026 aan de kantonrechter heeft [verweerder] een beroep gedaan op verrekening. Daarmee heeft [verweerder] ook aan [eiser] kenbaar gemaakt haar vordering te willen verrekenen met die van [eiser] . [eiser] heeft weliswaar de vordering van [verweerder] betwist, maar geen bezwaar gemaakt tegen de verrekening voor zover de vordering van [verweerder] zou komen vast te staan. De verrekening werkt op grond van de wet terug tot het moment waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. Hoewel de sloten eerder zijn vervangen, gaat de kantonrechter uit van de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd na vernietiging van de opzegging door [verweerder] , dus van 12 febuari 2026. Pas bij het einde van de arbeidsovereenkomst bestond immers de verplichting tot het inleveren van de sleutels.\n\n5.32. De verbintenissen van [eiser] en [verweerder] gaan door verrekening tot hun gemeenschappelijk beloop teniet. Dat betekent dat de vordering van [verweerder] op [eiser] volledig teniet is gegaan op het moment dat deze vordering verrekend kon worden en [eiser] geen wettelijke rente verschuldigd is over deze schadevergoeding.\n\n [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling\n\n5.33. De kantonrechter veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [eiser] van het resultaat van de over en weer verschuldigde bedragen, zoals geformuleerd in de beslissing.\n\nDe proceskosten worden gecompenseerd\n\n5.34. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld.\n\nDe beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard\n\nDe kantonrechter zal bepalen dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is. Dat betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n6.1. vernietigt de op 23 december 2025 door [verweerder] gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst;\n\n6.2. veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [eiser] van het resultaat van de navolgende over en weer verschuldigde bedragen:\n\n€ 2.956,44 bruto per maand aan loon, vermeerderd met de IKB-toeslag van 16,4% daarover, vanaf 1 januari 2026 tot 12 februari 2026,\n\n€ 4.362,52 bruto aan ORT die [eiser] heeft opgebouwd over de periode van indiensttreding tot en met december 2025,\n\n€ 712,95 bruto aan ORT die [eiser] over de periode januari 2026 tot en met 12 februari 2026 te betalen,\n\ne wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het salaris en de ORT zoals benoemd in onderdeel 6.2 onder a tot en met c van deze beschikking, rekening houdend met de betaaltermijnen van het salaris en de ORT als omschreven in § 5.13 en § 5.21 en\n\nde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW te betalen over de bedragen genoemd in onderdeel 6.2 onder a tot en met c van dit vonnis, vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid als omschreven in § 5.13 en § 5.21 tot aan de dag van de gehele betaling;\n\nminus\n\n€ 4.059,07 aan schadevergoeding voor vervanging van sleutels, welk bedrag door verrekening per 12 februari 2026 in mindering sterkt op de onder a tot en met e genoemde bedragen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:44 BW.\n\n6.3. veroordeelt [verweerder] om binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking een deugdelijke en correcte eindafrekening te verstrekken,\n\n6.4. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,\n\n6.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.6. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\n [eiser] heeft bij verzoekschrift verzocht [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon tot [geboortedatum] 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] haar verzoek vermeerderd en loondoorbetaling verzocht tot 1 maart 2026. [verweerder] heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat de stelling dat de arbeidsovereenkomst tot 1 maart 2026 zou doorlopen tot aan de mondelinge behandeling niet was ingenomen en zij zich niet op dat standpunt had hoeven voor te bereiden. De kantonrechter staat de vermeerdering toe, omdat daaraan geen nieuwe feiten ten grondslag zijn gelegd en het standpunt in lijn is met het pas kort voor de mondelinge behandeling ingenomen standpunt van [verweerder] over de door [eiser] gehanteerde opzegtermijn.\n\n Verweerschrift § 3.18.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3767","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:42.459Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":39,"updatedAt":49},"826","ECLI:NL:RBMNE:2026:3730","ecli-nl-rbmne-2026-3730","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12082644 \\ UE VERZ 26-41 MS\u002F1270\n\nBeschikking van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING BEVOLKINGSONDERZOEK NEDERLAND,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: Bevolkingsonderzoek,\n\ngemachtigde: mr. F.J. Bloem-Timmermans,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. Y.M. van der Meulen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties, door de kantonrechter ontvangen op 26 januari 2026,\n\n- het verweerschrift met producties.\n\n1.2. De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 30 maart 2026. Namens Bevolkingsonderzoek waren aanwezig mevrouw [A] (hierna: [A] ), [functie 1] bij Bevolkingsonderzoek , mevrouw [B] (hierna: [B] ), [functie 2] bij Bevolkingsonderzoek , met de gemachtigde. [verweerder] was aanwezig, ook met zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij de gemachtigde van Bevolkingsonderzoek gebruik heeft gemaakt van een pleitnota. Zij hebben op elkaar kunnen reageren en vragen beantwoord van de kantonrechter. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter besloten dat uitspraak zal worden gedaan.\n\n1.3. Bevolkingsonderzoek heeft op 1 april 2026 de behandelend rechter mr. H.A.M. Pinckaers gewraakt. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek mondeling behandeld op 21 april 2026 en heeft het verzoek bij beslissing van 6 mei 2026 afgewezen.\n\n1.4. Hierna is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.\n\n2. De kern van de zaak\n\nIn deze zaak verzoekt Bevolkingsonderzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wegens disfunctioneren, een verstoorde arbeidsverhouding of een combinatie van deze gronden. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat Bevolkingsgroep ten onrechte geen herplaatsingsonderzoek heeft gedaan.\n\n3. De voorgeschiedenis van de zaak\n\n3.1. \n [verweerder] , geboren [geboortedatum] 1964, is sinds 1 mei 2013 in dienst bij Bevolkingsonderzoek. De arbeidsovereenkomst geldt inmiddels voor onbepaalde tijd. De functie van [verweerder] is [functie 3] met een loon van € 4.534,44 bruto per maand. [verweerder] is daarnaast lid van de Ondernemingsraad van Bevolkingsonderzoek. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Ziekenhuizen van toepassing.\n\n3.2. \n [verweerder] was in de periode 2013 tot 2023 werkzaam als [functie 4] . Bevolkingsonderzoek was toen nog regionaal georganiseerd in zeven entiteiten. Deze zijn per 1 januari 2022 gefuseerd in één stichting. [verweerder] is per 16 september 2023 in de nieuwgevormde afdeling [afdeling] gaan werken. [A] werd per die datum zijn leidinggevende.\n\n3.3. \n [A] heeft op 8 augustus 2024 een gesprek gehad met [verweerder] over zijn functioneren. Zij heeft [verweerder] laten weten dat de extra taken die hij sinds een jaar had gekregen per direct bij hem zouden worden weggehaald, omdat hij onvoldoende proactief werkte en er eerst ontwikkeling op dit punt nodig was. [A] heeft [verweerder] gevraagd de punten die hij nog in zijn functioneren moest ontwikkelen uit te werken in een Persoonlijk Ontwikkelplan (POP).\n\n3.4. \n [verweerder] was het niet eens met de kritiek op zijn functioneren. Hij heeft in een overleg met [A] op 11 september 2024 te kennen gegeven dat het voor hem onvoldoende duidelijk was wat zijn taken waren en dat zijn functie [functie 5] (nu geheten: [functie 3] ) moest zijn, omdat hem was toegezegd dat hij deze functie zou gaan vervullen. [A] heeft hem beloofd dat zij hierover duidelijkheid zou geven. Zij heeft [verweerder] verder meegedeeld dat zij te voortvarend taken bij hem had weggehaald en heeft met hem afgesproken dat hij deze weer zou gaan uitvoeren. [A] en [verweerder] hebben verder afgesproken dat [A] de te ontwikkelen punten SMART zou uitwerken en dat [verweerder] hulp kon vragen bij HR om het POP op te stellen.\n\n3.5. \n [A] heeft de ontwikkelpunten in een e-mail van 14 oktober 2024 uitgewerkt en heeft in een gesprek met [verweerder] op 22 oktober 2024 bevestigd dat hem inderdaad was toegezegd dat hij als [functie 3] zou worden aangesteld. Dit was één salarisschaal hoger. [A] heeft daarbij aangegeven dat zij het functioneren van [verweerder] in deze functie de komende drie maanden wilde monitoren. Er was daarbij sprake van een proefplaatsing. Omdat het [verweerder] nog steeds onvoldoende duidelijk was wat er van hem werd verwacht, is afgesproken dat [A] hem een overzicht van taken en verwachtingen zou sturen. Dat heeft zij op 29 oktober 2024 gedaan. [A] en [verweerder] hebben verder op 22 oktober 2024 afgesproken dat de ontwikkeling van [verweerder] wekelijks zou worden geëvalueerd en dat hij dagelijks een kort verslagje aan [A] zou sturen van zijn activiteiten die dag.\n\n3.6. \n [A] heeft in november 2024 geconstateerd dat het functioneren van [verweerder] een stijgende lijn had en heeft de aanstelling in de functie van [functie 3] daarom definitief gemaakt. De wekelijkse gesprekken werden voortgezet.\n\n3.7. \n [A] heeft [verweerder] in een overleg op 19 februari 2025 laten weten dat hij nog steeds ontwikkeling moest laten zien op de verbeterpunten. [verweerder] heeft hierop aangegeven dat hij duidelijke kaders nodig had en [A] heeft toegezegd dat zij hiervoor zou zorgen. Zij heeft [verweerder] in een overleg op 3 april 2025 aan de hand van voorbeelden toegelicht op welke punten hij nog niet op het niveau van een [functie 3] functioneerde en heeft de projecten benoemd waarvoor hij verantwoordelijk was. [A] heeft [verweerder] gevraagd hierop de reflecteren en zijn gedachtes hierover in een volgend overleg toe te lichten, zodat een verbeterplan kon worden opgesteld.\n\n3.8. De ontwikkelpunten zijn in een overleg op 16 april 2025 opnieuw besproken. [verweerder] heeft daarbij aangegeven dat hij het niet eens was met de visie van [A] op zijn functioneren. [A] heeft de ontwikkelpunten nog een keer toegelicht. Zij heeft [verweerder] meegedeeld dat een formeel verbeterplan zou worden opgesteld en dat zij in een periode van twee maanden verbetering wilde zien.\n\n3.9. Er is vervolgens een verbeterplan opgesteld, dat [verweerder] en [A] op 21 mei 2025 hebben besproken. De deadline voor verbetering was 21 juli 2025. [A] heeft in een overleg op 19 juni 2025 laten weten dat zij onvoldoende verbetering zag in het functioneren van [verweerder] . Omdat de communicatie tussen hen stroef liep en [A] vond dat een goede communicatie noodzakelijk was om vooruitgang te kunnen boeken in het verbetertraject, heeft zij de inzet van een mediator voorgesteld.\n\n3.10. In de periode van 4 tot en met 29 september 2025 hebben [verweerder] en [A] gesprekken met een mediator gevoerd. Het verbetertraject is na de mediation hervat, waarbij een nieuwe deadline is bepaald op 20 december 2025.\n\n3.11. \n [A] heeft [verweerder] in een overleg op 12 november 2025 laten weten dat zij nog onvoldoende ontwikkeling had gezien op de verbeterpunten tactisch niveau en analytisch vermogen.\n\n3.12. \n [verweerder] heeft zich op 19 november 2025 ziekgemeld. De bedrijfsarts heeft geadviseerd om voor de arbeidsgerelateerde problemen een probleemoplossend gesprek te voeren. [verweerder] en [A] hebben ieder afzonderlijk met de mediator gesproken over heropening van de mediation. De mediator heeft hierna echter de conclusie getrokken dat mediation niet meer mogelijk is.\n\n3.13. \n [A] heeft in een gesprek met [verweerder] op 10 december 2025 het standpunt ingenomen dat mediation door toedoen van [verweerder] niet mogelijk was en dat dit de voortgang van het verbetertraject belemmerde. Zij heeft [verweerder] verweten dat hij met anderen in de organisatie over zijn verbetertraject en de verslechterende verstandhouding tussen hen heeft gesproken en heeft hem laten weten dat zij dit als gezagsondermijnend ervaarde. [A] heeft de conclusie getrokken dat verdere samenwerking tussen hen niet meer mogelijk was en heeft [verweerder] vrijgesteld van zijn werkzaamheden.\n\n3.14. \n [A] heeft [verweerder] in een e-mail van 16 december 2025 laten weten dat een beëindiging van de arbeidsrelatie onvermijdelijk was, omdat sprake was van ongeschiktheid voor de functie en een verstoorde arbeidsrelatie die door toedoen van [verweerder] niet meer met mediation kon worden opgelost. Vanwege de belemmerende houding van [verweerder] in het verbetertraject en de mediation zou er geen herplaatsingsonderzoek worden uitgevoerd.\n\n4. De beoordeling\n\nBevolkingsonderzoek verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden\n\n4.1. Bevolkingsonderzoek verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege disfunctioneren, een verstoorde arbeidsverhouding of een combinatie van deze gronden. Zij heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd - kort weergegeven - dat [verweerder] niet goed in zijn functie van [functie 3] functioneert en er niet in is geslaagd zijn functioneren aan de hand van een verbetertraject te verbeteren. De verhouding tussen [verweerder] en [A] is gedurende het verbetertraject volledig en duurzaam verstoord. Mediation heeft hierin geen oplossing gebracht. Bevolkingsonderzoek meent dat daarom in redelijkheid niet van haar kan worden verwacht dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voortzet. Zij heeft afgezien van een herplaatsingsonderzoek binnen haar organisatie, omdat de houding van [verweerder] in het verbetertraject en in de mediation maakt dat dit in redelijkheid niet van haar verlangd kan worden.\n\n [verweerder] wil dat de arbeidsovereenkomst in stand blijft of dat er een vergoeding wordt betaald\n\n4.2. \n [verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] betwist dat sprake is van disfunctioneren of een verstoorde arbeidsverhouding. Hij stelt daarnaast dat Bevolkingsonderzoek ten onrechte heeft nagelaten een herplaatsingsonderzoek te doen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een billijke vergoeding.\n\nWanneer kan de kantonrechter een arbeidsovereenkomst ontbinden?\n\n4.3. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.Verder kan de arbeidsovereenkomst alleen worden ontbonden als herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt, dat wil zeggen logischerwijs niet te verwachten valt.Er mag ook geen sprake zijn van een opzegverbod.\n\nEr is sprake van opzegverboden, maar die staan aan ontbinding niet in de weg\n\n4.4. De wet geeft een aantal situaties waarin een arbeidsovereenkomst niet ontbonden mag worden. Er is dan sprake van een zogenaamd opzegverbod.De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst dan alleen ontbinden als de omstandigheden waarop het verzoek berust niets te maken hebben met de omstandigheden die maken dat er een opzegverbod is.De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst ook ontbinden als er wel een opzegverbod is, maar de kantonrechter vindt dat het in het belang van de werknemer is dat de arbeidsovereenkomst eindigt.\n\n4.5. In dit geval zijn er twee opzegverboden van toepassing, namelijk het opzegverbod bij ziekte en het opzegverbod tijdens het lidmaatschap van een Ondernemingsraad.Deze opzegverboden staat aan ontbinding niet in de weg, omdat de omstandigheden waarop het verzoek berust - disfunctioneren en een verstoorde arbeidsverhouding - niets te maken hebben met de omstandigheid dat [verweerder] ziek is of zijn lidmaatschap van de Ondernemingsraad.\n\nEr is geen redelijke grond voor ontbinding wegens disfunctioneren\n\nToetsingskader4.6. De kantonrechter kan op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van disfunctioneren. De kantonrechter moet in dat geval beoordelen of er omstandigheden zijn die de werknemer ongeschikt maken om zijn (bedongen) werkzaamheden goed uit te voeren. Die ongeschiktheid mag niet het gevolg zijn van ziekte of gebreken van de werknemer. De kantonrechter betrekt in zijn beoordeling ook of de werkgever de werknemer tijdig heeft laten weten dat hij vindt dat de werknemer ongeschikt is voor zijn werkzaamheden en of de werknemer daarna voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn functioneren te verbeteren. De wet bepaalt niet op welke manier de werkgever dat moet doen. Maar omdat een ontbinding op grond van disfunctioneren voor een werknemer ingrijpende gevolgen kan hebben, gaat de kantonrechter ervan uit dat van een goed werkgever verwacht mag worden dat hij de werknemer een serieuze en reële kans moet hebben gegeven om zijn functioneren te verbeteren.De ongeschiktheid mag niet het gevolg zijn van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer.\n\nHet standpunt van Bevolkingsonderzoek4.7. Bevolkingsonderzoek stelt dat [verweerder] onvoldoende functioneert op pro-activiteit en een helicopterview bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. Zij heeft hem een redelijke verbeterkans gegeven: er is expliciet benoemd dat het functioneren onvoldoende was, de verbeterpunten zijn concreet benoemd en er is een redelijke termijn gegund voor de verbetering. [A] heeft begeleiding geboden op de werkvloer. Er is ook coaching aangeboden, maar [verweerder] heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt. [verweerder] was het niet eens met de mening van [A] dat hij onvoldoende functioneerde. Hij heeft bij herhaling aangegeven dat hij het niet eens was met haar observaties, dat hij kaders nodig had, dat onduidelijk was wat zijn werkzaamheden precies waren en dat hij de verbeterpunten niet snapte. Dit terwijl er steeds weer concreet werd benoemd wat er van hem werd verlangd. [A] heeft zich anderhalf jaar lang ingespannen om [verweerder] steeds weer uit te leggen wat er beter moest, maar zonder resultaat. Doordat de verhoudingen voortijdig volledig en duurzaam verstoord zijn geraakt, is het verbetertraject niet tot de afgesproken einddatum doorlopen. [verweerder] heeft echter voldoende tijd gekregen om verbetering te laten zien. Bevolkingsonderzoek vindt daarom dat zij hem een redelijke verbeterkans heeft geboden.\n\nHet standpunt van [verweerder]4.8. stelt dat geen sprake is van een voldragen ontslaggrond vanwege disfunctioneren, omdat geen sprake is geweest van een verbetertraject in de zin van de wet. Voor een geslaagd verbetertraject is volgens [verweerder] nodig dat sprake is van tweerichting-verkeer, een eerlijke kans, een redelijke duur, een concreet plan met duidelijke doelstellingen en passende begeleiding of scholing. [verweerder] betwist dat [A] hem een aanbod heeft gedaan om zich te laten ondersteunen door een coach. Het uiteindelijke verbeterplan was er pas sinds medio juni 2025 en gaat uit van het wensenlijstje\u002Fde verwachtingen van [A] waarbij niet is aangesloten bij objectieve criteria. [verweerder] stelt dat de verbeterpunten tactisch niveau en analytisch vermogen niet vallen onder de functieomschrijving van [functie 3] en vraagt zich af of hij niet bij voorbaat al gedoemd was om in de ogen van [A] te mislukken. Het verbeterplan voorziet alleen in begeleiding door [A] zelf, terwijl het grote euvel nu juist tussen [verweerder] en [A] zit. Het bevat geen aanbod tot scholing of inbreng van [verweerder] over wat hij nodig denkt te hebben. [verweerder] heeft op dit plan gereageerd, maar dit is verder niet meer besproken. Er is ook geen evaluatie of eindgesprek geweest. [verweerder] stelt dat de medewerkers waar hij leiding aan geeft en projectleiders waar hij mee te maken heeft wel erg tevreden zijn over zijn functioneren.\n\n [verweerder] is onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn functioneren te verbeteren4.9. De kantonrechter laat in het midden of Bevolkingsonderzoek zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het functioneren van [verweerder] onvoldoende is. Ook als er sprake zou zijn van disfunctioneren, dan is [verweerder] namelijk onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn functioneren te verbeteren. [verweerder] stelt terecht dat het verbeterplan niet is gebaseerd op objectieve criteria die aansluiten bij de functieomschrijving van [functie 3] . Het had op de weg gelegen van [A] om een duidelijke en concrete koppeling te leggen tussen het doel van het verbeterplan (versterking van het tactisch niveau, rolbewustzijn, samenwerking en professioneel leiderschap) en de functie-eisen waaraan [verweerder] naar haar mening niet voldeed. [verweerder] heeft ook geen redelijke termijn gekregen om zijn functioneren aan de hand van een verbeterplan te verbeteren. Het eerste verbetertraject met een duur van twee maanden was in de gegeven omstandigheden veel te kort. Het tweede verbetertraject, dat niet is afgemaakt, was met een duur van drie maanden ook te kort. Verder is niet gebleken dat Bevolkingsonderzoek [verweerder] scholing of onafhankelijke begeleiding heeft geboden om zijn functioneren te verbeteren. Bevolkingsonderzoek heeft weliswaar gesteld dat zij [verweerder] coaching heeft aangeboden, maar [verweerder] heeft dit betwist en dit aanbod blijkt ook niet uit de correspondentie tussen partijen. Dit maakt dat geen sprake is van een voldragen ontslaggrond. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren is daarom niet mogelijk.\n\nEr is wel een redelijke grond voor ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding\n\n4.10. Er is wel een redelijke grond voor ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Dat wordt als volgt toegelicht.\n\nToetsingskader4.11. De kantonrechter kan op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden als sprake is van een arbeidsverhouding die zo verstoord is, dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. Daarbij geldt als uitgangspunt dat sprake moet zijn van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsrelatie en dat herstel van de arbeidsrelatie niet meer mogelijk is.\n\nDe standpunten van partijen4.12. Bevolkingsonderzoek stelt zich op het standpunt dat sprake is van een volledig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. [verweerder] betwist dit. Hij stelt zich op het standpunt dat hoogstens de onderlinge verstandhouding tussen hem en [A] niet goed is, maar dat hij verder binnen Bevolkingsonderzoek geen problemen of conflicten met collega’s heeft. Naar zijn idee is er nog steeds een goede samenwerking mogelijk, maar moet er wellicht worden gekeken naar herplaatsing in een andere functie waarbij [A] niet langer zijn leidinggevende is. Hij heeft erop gewezen dat hij doorgaans in [plaats 1] \u002F [plaats 2] werkt en [A] in [plaats 3] , zodat zij elkaar op de werkvloer niet echt tegenkomen.\n\nEr is sprake van verstoorde arbeidsverhouding4.13. Uit de correspondentie tussen partijen en wat zij in deze procedure hebben aangevoerd kan naar het oordeel van de kantonrechter geen andere conclusie worden getrokken dan dat er tussen Bevolkingsonderzoek en [verweerder] sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding omdat de arbeidsrelatie tussen [verweerder] en zijn leidinggevende [A] definitief en onherstelbaar is verstoord. Deze verstoorde arbeidsverhouding is aan Bevolkingsonderzoek te wijten omdat deze in de eerste plaats is veroorzaakt doordat [A] zich op het standpunt heeft gesteld dat [verweerder] niet goed functioneerde, maar hem onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren. De verstoring van de arbeidsrelatie is daarnaast veroorzaakt doordat [A] , toen zij in september 2023 de leidinggevende van [verweerder] werd, niet op de hoogte was van de toezegging van een promotie aan [verweerder] tot [functie 3] . Zij heeft die promotie later na afloop van een proefperiode weliswaar geformaliseerd, maar is tegelijkertijd bij haar standpunt gebleven dat [verweerder] niet voldoende functioneerde in de lager ingeschaalde functie die hij eerst bekleedde met de extra taken die hij daarbij had gekregen. Daarmee heeft zij een dubbel signaal afgegeven en bij [verweerder] het gevoel in de hand gewerkt dat hij geen eerlijke kans heeft gekregen. De omstandigheid dat [A] eerst taken van [verweerder] heeft afgenomen en vrijwel meteen weer terug moest geven, zal ook tot dit gevoel hebben bijgedragen.\n\nEr is niet voldaan aan de herplaatsingsplicht\n\n4.14. Hoewel er een redelijke grond is voor ontbinding, zal het verzoek daartoe toch worden afgewezen omdat Bevolkingsonderzoek ten onrechte geen herplaatsingsonderzoek heeft gedaan. Daarbij is het volgende van belang.\n\n4.15. Bij het herplaatsingsvereiste gaat het in essentie om het vervullen van een zorgplicht door de werkgever, voorafgaand aan het indienen van een ontbindingsverzoek. Als de werkgever niet heeft voldaan aan die zorgplicht, zal dat tot afwijzing van het verzoek moeten leiden. Een andere benadering zou tot een uitholling van het herplaatsingsvereiste kunnen leiden.\n\n4.16. Het staat in dit geval vast dat Bevolkingsonderzoek geen herplaatsingsonderzoek heeft gedaan. Volgens Bevolkingsonderzoek kon dit niet van haar verlangd worden. Zij voert hiertoe het volgende aan:\n\nde achtergrond en werkervaring van [verweerder] maken hem ongeschikt voor alle overige functies binnen de organisatie;\n\n [verweerder] toont totaal geen inzicht in zijn aandeel in het ontstaan van het conflict;\n\n [verweerder] heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn ontwikkeling in het verbetertraject en in iedere andere functie binnen Bevolkingsonderzoek zou zijn leidinggevende hier opnieuw tegenaan lopen;\n\nde mediator heeft geprobeerd om Bevolkingsonderzoek en [verweerder] tot elkaar te brengen; dat ging niet alleen om de persoonlijke relatie tussen [A] en [verweerder] , maar over de visie van Bevolkingsonderzoek op de uitoefening door [verweerder] van zijn functie;\n\n [verweerder] heeft diverse andere leidinggevenden, waaronder de [functie 6] en de [functie 7] van Bevolkingsonderzoek, benaderd met zijn visie op het verbetertraject, namelijk dat [A] het helemaal verkeerd deed; deze leidinggevenden hebben er ook geen vertrouwen meer in dat [verweerder] in een andere functie hun gezag wél zal accepteren;\n\n [verweerder] heeft ten slotte een gesprek opgenomen met de [functie 2] [B] ; dit heeft niet alleen de relatie met [A] , maar met de gehele organisatie ernstig beschadigd.\n\n4.17. \n [verweerder] stelt dat er wel een mogelijkheid tot herplaatsing is, omdat Bevolkingsonderzoek een dermate grote organisatie is dat het werk zo kan worden ingedeeld dat hij en [A] niet meer met elkaar te maken hebben. [verweerder] stelt dat er binnen Bevolkingsonderzoek geregeld andere functies worden aangeboden die hij zich eigen zou kunnen maken, zoals functies in inkoop, als coördinator vastgoed en teamleider in de screening. Hij zou ook weer [functie 4] kunnen worden of de functie van ambtelijk secretaris van de OR kunnen verrichten.\n\n4.18. De kantonrechter is van oordeel dat de argumenten van Bevolkingsonderzoek van onvoldoende gewicht zijn om te oordelen dat bij voorbaat al duidelijk zou zijn dat herplaatsing niet mogelijk is of niet in de rede ligt en dat Bevolkingsonderzoek daarom geen herplaatsingsonderzoek hoefde te doen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Bevolkingsonderzoek een grote werkgever is met ongeveer 1000 arbeidsplaatsen en dat [verweerder] jarenlang goed heeft gefunctioneerd. De verstoring van de arbeidsrelatie is beperkt gebleven tot één leidinggevende. De kantonrechter ziet niet in dat de arbeidsrelatie met de gehele organisatie ernstig en duurzaam verstoord is geraakt. [verweerder] heeft dit betwist en Bevolkingsonderzoek heeft onvoldoende nader onderbouwd dat dit het geval zou zijn. Bevolkingsonderzoek verwijt [verweerder] dat hij met andere leidinggevenden over zijn visie op het verbetertraject heeft gesproken en dat hij een gesprek met [B] heeft opgenomen. Dit is echter onvoldoende om aan te nemen dat de arbeidsrelatie met de gehele organisatie ernstig verstoord is geraakt en dat [verweerder] in een andere functie het gezag van zijn leidinggevende niet zal accepteren. Uit de stukken in het dossier over het verbetertraject en de mediation kan ook niet de conclusie worden getrokken dat herplaatsing niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Integendeel, herplaatsing is aanvankelijk als mogelijkheid besproken en als sanctie op het niet slagen van het verbetertraject in het vooruitzicht gesteld. Bevolkingsonderzoek heeft tot slot haar stelling dat [verweerder] gelet op zijn achtergrond en werkervaring ongeschikt is voor alle overige functies binnen de organisatie onvoldoende onderbouwd. Het had op haar weg gelegen om dit concreet te onderzoeken, maar dat heeft zij niet gedaan.\n\nConclusie: de arbeidsovereenkomst zal niet worden ontbonden\n\n4.19. Op grond van het voorgaande heeft Bevolkingsonderzoek niet aannemelijk gemaakt dat herplaatsing in een andere functie binnen de redelijke termijn van artikel 7:669 lid 1 BW niet mogelijk is of niet in de rede ligt. De arbeidsovereenkomst zal daarom niet worden ontbonden.\n\nDe proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.20. De proceskosten komen voor rekening van Bevolkingsonderzoek, omdat Bevolkingsonderzoek overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.21. De uitspraak wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dat wil zeggen dat Bevolkingsonderzoek moet uitvoeren wat daar in staat, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1. wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,\n\n5.2. veroordeelt Bevolkingsonderzoek in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Bevolkingsonderzoek niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.3. verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 7:669 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 2 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 6, onder a, BW.\n\n Artikel 7:671b lid 6, onder b, BW.\n\n Artikel 7:670 lid 1 en 4 BW.\n\n Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:933 (Ecofys).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3730","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:49.961Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":54,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":39,"updatedAt":57},"1567","ECLI:NL:RBMNE:2025:1655","ecli-nl-rbmne-2025-1655","vonnisRECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nhandelskamer\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F16\u002F581737 \u002F HA ZA 24-490\n\nVonnis van 26 februari 2025\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neiser,\n\nadvocaat mr. M.P.C. de Kramer te Tilburg,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat mr. M. Hurks te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.\n\n1. De procedure1.1.. De rechtbank beschikt over de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 5 augustus 2024, met producties 1 tot en met 39,\n\nde conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 14,\n\nde oproep voor de mondelinge behandeling, verzonden op 16 december 2024,\n\nde akte met producties van [eiser] , met aanvullende producties 40 A tot en met 45 I.\n\n1.2.. Op 20 januari 2025 heeft de zitting plaatsgevonden. Tijdens de zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt van wat er is besproken en hebben de advocaten van partijen spreekaantekeningen voorgedragen. Aan het einde van de zitting heeft de rechter bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak2.1.. \n [eiser] is op 8 februari 2024 ontslagen als statutair directeur bij [gedaagde] . Hij vindt dit ontslag onterecht. Hij vindt dat dit besluit nietig is of dat de rechtbank het besluit moet vernietigen. Daarna wil hij terugkeren als directeur en zijn werkzaamheden hervatten. Hij wil weer bij de Kamer van Koophandel worden ingeschreven als bestuurder met vertegenwoordigingsbevoegdheid en hij wil dat een rectificatie over zijn onterechte ontslag aan alle personeelsleden verstuurd wordt. Hij vordert ook dat de rechtbank voor recht verklaart dat zijn overeenkomst met [gedaagde] gezien moet worden als een arbeidsovereenkomst.\n\n2.2.. De rechtbank geeft [eiser] ongelijk. Zijn ontslag als statutair bestuurder blijft in stand en [gedaagde] hoeft hem niet te laten terugkeren als bestuurder. Hij heeft geen arbeidsovereenkomst met [gedaagde] , maar een overeenkomst van opdracht.\n\n3. BeoordelingWat is er gebeurd?\n\n3.1.. \n [eiser] was tot 8 februari 2024 statutair bestuurder van [gedaagde] . Hij tekende na een fusie in 2009 een overeenkomst van opdracht met [gedaagde] N.V. Na een reorganisatie in 2019 kreeg hij een zogenoemde overeenkomst van opdracht met [gedaagde] B.V., dat is gedaagde. [eiser] had verschillende managementfuncties binnen [gedaagde] , waaronder Directeur Operation en Sales\u002FORB .\n\n3.2.. \n [eiser] is medeoprichter van [gedaagde] . Alle oprichters van [gedaagde] zijn aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ), de houder van de niet-stemgerechtigde winstaandelen van [gedaagde] . De nog bij [gedaagde] actieve oprichters zijn daarnaast ook lid van [bedrijf 2] U.A. (de [bedrijf 2] ), de houder van de stemgerechtigde aandelen van [gedaagde] . [eiser] is aandeelhouder van [bedrijf 1] en lid van de [bedrijf 2] .\n\n3.3.. In de vergadering van 8 februari 2024 nam de raad van commissarissen van [gedaagde] het besluit om [eiser] te ontslaan.\n\nHet besluit tot ontslag van [eiser] als statutair bestuurder blijft in stand\n\nEr was geen tegenstrijdig belang\n\n3.4.. Tussen partijen is in geschil of de raad van commissarissen een tegenstrijdig belang had en daarom niet mocht beslissen over het ontslag van [eiser] als statutair bestuurder .\n\n3.5.. Van tegenstrijdig belang is sprake als een of meer commissarissen een direct of indirect persoonlijk belang heeft\u002Fhebben dat tegenstrijdig is aan het belang van de onderneming (artikel 2:250 lid 2 en 5 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 26.5 en 26.6 van de statuten van [gedaagde] ). Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.\n\n3.6.. Volgens [eiser] was bij alle commissarissen sprake van tegenstrijdig belang, omdat het in hun belang was het bestuur te ontslaan voordat het vertrouwen in de raad van commissarissen zou worden opgezegd. Dit is echter geen persoonlijk belang van een of meer commissarissen zoals bedoeld in de wet of de statuten. Het is namelijk niet een belang dat de commissarissen persoonlijk betreft, maar direct samenhangt met hun functie als commissaris.\n\n3.7.. Bovendien is het vertrouwen in de raad van commissarissen niet opgezegd. Een motie van wantrouwen is op de ledenvergadering van de [bedrijf 2] van 1 februari 2024 besproken maar niet aangenomen. Het voorstel om een onderzoek in te stellen naar het functioneren van de raad van commissarissen is afgewezen. [eiser] stelt dat de situatie was “zij eruit of wij eruit”, maar dat blijkt niet uit deze feiten.\n\n3.8.. Er was daarom geen tegenstrijdig belang bij de commissarissen. De raad was bevoegd om het ontslagbesluit te nemen. Dit besluit is daarom niet nietig en wordt ook niet vernietigd.\n\nHet hoorrecht en de raadgevende stem zijn niet geschonden\n\n3.9.. Partijen verschillen van mening of [eiser] voldoende kans heeft gehad zijn raadgevende stem als bestuurder te geven en zich te laten horen over zijn ontslag in de vergadering van aandeelhouders van 8 februari 2024.\n\n3.10.. \n [eiser] kreeg de onderbouwing van zijn ontslag op 29 januari 2024, tien dagen vóór de vergadering van aandeelhouders. Dat is voldoende tijd om zich te kunnen voorbereiden op de vergadering. De rechtbank vindt het wel begrijpelijk dat [eiser] de redenen voor zijn ontslag veel eerder wilde weten. Na de aankondiging op 19 december 2023 moest hij daar anderhalve maand op wachten. De raad van commissarissen wilde deze tijd gebruiken om met [eiser] een goede regeling te treffen, waarbij hij een andere functie kreeg binnen [gedaagde] . De raad van commissarissen heeft daarbij het belang van [eiser] om te weten wat er ten grondslag lag aan het ontslag opzijgeschoven. Dat had de raad van commissarissen niet zo moeten doen, maar dat levert nog geen schending van het hoorrecht en de raadgevende stem van [eiser] op.\n\n3.11.. Volgens [eiser] heeft hij niet alle stukken voor de vergadering ontvangen. Hij noemt specifiek de schriftelijke reactie van [bedrijf 1] aan de raad van commissarissen. Ook zonder dit stuk had [eiser] voldoende gelegenheid om zich te verweren tegen zijn ontslag. Het bestuur van [bedrijf 1] was op de vergadering aanwezig en heeft daar het standpunt van [bedrijf 1] verwoord. Het bestuur van [bedrijf 1] en [eiser] konden tijdens de vergadering naar elkaars standpunt luisteren, vragen stellen en op elkaar reageren. Dat de schriftelijke reactie niet naar [eiser] was doorgestuurd is daarom te weinig voor een schending van het hoorrecht of de raadgevende stem.\n\n3.12.. Tijdens de vergadering van aandeelhouders reageerde [eiser] met zijn advocaat uitgebreid op het voorstel en lichtte hij zijn functioneren toe. Daarmee heeft hij gebruik kunnen maken van zijn hoorrecht en raadgevende stem. [eiser] stoort zich eraan dat er weinig vragen en reacties kwamen vanuit de aandeelhouders. Dat is een keuze van de aandeelhouders. Het stond ze vrij om te reageren en vragen te stellen. De beperkte reacties doen niets af aan het besluit dat daarna door de raad van commissarissen is genomen.\n\n3.13.. Het hoorrecht en de raadgevende stem van [eiser] in de vergadering van aandeelhouders van 8 februari 2024 zijn dus niet geschonden. Ook dit is geen reden het ontslagbesluit te vernietigen.\n\nHet adviesrecht van de ondernemingsraad is niet geschonden\n\n3.14.. Op grond van artikel 30 van de Wet op de Ondernemingsraad wordt de ondernemingsraad in staat gesteld advies te geven over het voornemen tot ontslag van een bestuurder. Volgens [eiser] kreeg de ondernemingsraad daarvoor te weinig tijd. Pas op 30 januari 2024 is het advies aan de ondernemingsraad gevraagd. Als deze termijn te kort was om een advies uit te brengen, was het aan de ondernemingsraad om daarover te klagen. Dat deed de ondernemingsraad niet. [eiser] stelt ook niet dat de ondernemingsraad daarover heeft geklaagd. Kennelijk was deze korte termijn voor de ondernemingsraad voldoende om een advies uit te brengen. Het adviesrecht van de ondernemingsraad is niet geschonden en is geen reden om het ontslagbesluit te vernietigen.\n\nHet belang van de onderneming is niet geschonden\n\n3.15.. Volgens [eiser] was het ontslag van hem als statutair bestuurder in strijd met het belang van de onderneming. Hij wijst daarbij op ziekte, slecht functioneren en ontslag van andere bestuurdersleden, waardoor hij er alleen voor kwam te staan. Hij vond dat de raad van commissarissen daarbij onvoldoende steun gaf en verkeerde beslissingen nam. [gedaagde] ziet dit anders. Zij wijst op de dalende resultaten en het uitblijven van resultaten van grote projecten. De raad van commissarissen miste daarin een krachtig en doortastend optreden van het bestuur. Als bestuurder werd [eiser] daarvoor (eind)verantwoordelijk gehouden, net als de andere bestuurders. Na meerdere tegenvallende resultaten werd het hele bestuur weggestuurd. De raad van commissarissen mag die keuze maken en ervoor kiezen met een ander bestuur verder te gaan als hij vindt dat dat beter is voor de onderneming. Door het bestuur te ontslaan heeft de raad niet in strijd gehandeld met het belang van de onderneming. Dit is geen reden het besluit te vernietigen.\n\nHet ontslagbesluit was niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid\n\n3.16.. Ondanks alle verzoeken van [eiser] kwam de raad van commissarissen pas laat met de redenen van het ontslag. Zoals hierboven al is besproken had de raad van commissarissen dit eerder met [eiser] moeten bespreken in een open gesprek. Het is te begrijpen dat dit frustrerend was voor [eiser] . Dit maakt echter nog niet dat het ontslag in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.\n\n3.17.. Volgens [eiser] waren de aandeelhouders onvoldoende geïnformeerd. Dat blijkt echter nergens uit. De agenda voor deze vergadering is al op 19 december 2023 naar hen verzonden en daarin stond het voorgenomen ontslag van onder meer [eiser] als bestuurder. De stukken met toelichting op het ontslag zijn later aan de aandeelhouders gestuurd. Tijdens de vergadering lichtte [eiser] nog uitgebreid zijn mening toe. Als de aandeelhouders meer informatie wilden hebben, hadden ze daarom kunnen vragen. [eiser] stelt niet welke informatie de aandeelhouders nog meer hadden moeten krijgen. Ook op dit punt is het ontslagbesluit niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid en is er geen reden het besluit te vernietigen.\n\nConclusie\n\n3.18.. Op grond van deze redenen ziet de rechtbank geen reden waarom het besluit nietig is of moet worden vernietigd. Deze vorderingen worden afgewezen. Dat betekent dat het besluit tot ontslag van [eiser] als statutair bestuurder in stand blijft.\n\n [eiser] keert niet terug als statutair bestuurder\n\n3.19.. Zoals hiervoor is uitgelegd blijft het ontslag van [eiser] als statutair bestuurder in stand. [gedaagde] hoeft geen bericht te versturen naar de personeelsleden dat zijn ontslag onterecht was. [gedaagde] hoeft hem ook niet meer in te schrijven bij de Kamer van Koophandel als bestuurder met vertegenwoordigingsbevoegdheid. Deze vorderingen worden afgewezen.\n\n3.20.. \n [eiser] vordert ook hem toe te laten tot zijn werkzaamheden en hem toegang te verlenen tot de gebouwen en de digitale systemen van [gedaagde] . Door zijn ontslag als bestuurder heeft hij geen werkzaamheden meer bij [gedaagde] . [gedaagde] wilde afspraken maken over een andere functie binnen [gedaagde] , maar dat wilde [eiser] niet. Kennelijk vraagt [eiser] deze toegang ook niet als lid van de [bedrijf 2] en aandeelhouder. Waarom [gedaagde] hem nog toegang moet verlenen wordt niet duidelijk. Daarom wordt deze vordering ook afgewezen.\n\n [eiser] heeft geen arbeidsovereenkomst\n\n3.21.. Partijen zijn het erover oneens of de overeenkomst van [eiser] met [gedaagde] beschouwd kan worden als een arbeidsovereenkomst.\n\n3.22.. Een arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de werknemer zich verbindt in dienst van de werkgever tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten (artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek). Om te beoordelen of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de zogenaamde Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. De overeenkomst is een arbeidsovereenkomst als de rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Die beoordeling hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Daarbij kan onder andere van belang zijn de aard en duur van het werk, hoe de werkzaamheden en werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk in de organisatie van [gedaagde] , of het werk persoonlijk moet worden uitgevoerd, hoe het contract en de beloning tot stand zijn gekomen, de hoogte van de beloning, het commerciële risico en voor hoeveel opdrachtgevers hij gedurende welke periode heeft gewerkt. Dit zijn de criteria van de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest (Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443). Hierna worden de omstandigheden besproken die partijen hebben aangedragen.\n\nOvereenkomst\n\n3.23.. \n [eiser] heeft een overeenkomst van opdracht gesloten met [gedaagde] NV in 2009, met als bijlage de afspraak over zijn functie binnen [gedaagde] . In 2019 heeft hij een (vergelijkbare) overeenkomst van opdracht gesloten met [gedaagde] BV.\n\n3.24.. Pas in het kader van zijn ontslag stelt [eiser] zich op het standpunt dat dit een arbeidsovereenkomst zou zijn. Hij heeft de aard van de overeenkomst nooit eerder ter discussie gesteld, terwijl hij als statutair bestuurder , directeur en aandeelhouder wel in de positie zat om dat te kunnen bespreken. Dit onderwerp is in de afgelopen jaren namelijk wel bij [gedaagde] aan de orde geweest. Zo concludeerde BDO in 2022 dat er geen arbeidsrelatie was tussen [gedaagde] en de leden van de [bedrijf 2] . Bovendien is het onder werkgevers een actueel onderwerp of bestuurders en zzp-ers werknemers zijn. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\nArbeid, gedurende zekere tijd\n\n3.25.. \n [eiser] heeft verschillende managementfuncties gehad, als laatste was hij Directeur Operatie en Sales\u002FORB . Naar buiten toe presenteerde [eiser] zich als directeur van [gedaagde] . Dat kan zowel in het kader van een arbeidsovereenkomst als een overeenkomst van opdracht. Het is niet in geschil dat hij zijn werk persoonlijk moest uitvoeren en dat hij geen andere opdrachtgevers had naast [gedaagde] . In de overeenkomst staat ook een non-concurrentiebeding op grond waarvan [eiser] tijdens en tot twee jaar na zijn contract geen concurrerende werkzaamheden mag verrichten in andere organisaties. Het contract geeft ook recht op doorbetaling van loon bij ziekte gedurende een jaar. Deze elementen wijzen in de richting van een arbeidsovereenkomst. Deze hele constructie heeft lange tijd bestaan, namelijk vanaf 2009 tot zijn ontslag.\n\nLoon\n\n3.26.. \n [eiser] ontving geen salarisstroken met inhouding van loonbelasting en sociale premies, zoals werknemers die krijgen. Hij ontving facturen met btw, waarop geen sociale premies voorkwamen. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\nGezagsrelatie\n\n3.27.. Voor de vraag of er een gezagsverhouding is ontstaan tussen [gedaagde] en [eiser] , zoals bij een arbeidsovereenkomst, zijn meerdere aspecten van belang.\n\n3.28.. Het werk van [eiser] was organisatorisch ingebed in de organisatie. Zijn werk als directeur operations en sales maakte een wezenlijk onderdeel uit van de organisatie binnen [gedaagde] . Dat kan wijzen op een arbeidsovereenkomst. Net als de andere twee bestuursleden behoorde [eiser] tot de directie van [gedaagde] . Daarover zijn partijen het eens. De Raad van Commissarissen was bevoegd een bestuurder te benoemen en ontslaan, ongeacht of het om een arbeidsovereenkomst ging of een contract zoals [eiser] had. Dit kan zowel bij een arbeidsovereenkomst als bij een overeenkomst van opdracht aan de orde zijn. Dat heeft namelijk meer met de positie van een statutair bestuurder te maken dan met de aard van de overeenkomst.\n\n3.29.. Het is onduidelijk in hoeverre [eiser] zich moest houden aan de werktijden en protocollen van [gedaagde] . Hij hield zich eraan, maar het is niet duidelijk of hij daartoe verplicht was. Volgens [gedaagde] hoefde [eiser] zich hier niet aan te houden. [eiser] noemt ook geen concrete situaties waaruit blijkt dat hij zich aan deze interne regels moest houden of dat hij daarop is aangesproken. Hieruit blijkt niet dat van een gezagsrelatie sprake was. Het doorgeven van vakanties en het houden van functioneringsgesprekken betekenen nog niet dat er een gezagsrelatie was. Het is gebruikelijk vakantiedagen door te geven en af te stemmen binnen een organisatie. De functioneringsgesprekken kunnen ook gevoerd zijn in het kader van uitvoering van zijn opdracht onder verantwoordelijkheid van de raad van commissarissen. Deze aspecten zijn daarom mogelijk bij zowel een arbeidsovereenkomst als een overeenkomst van opdracht.\n\n3.30.. \n\nPartijen verschillen van mening wie de hoogte van het loon bepaalde. [gedaagde] heeft voldoende onderbouwd dat de lonen in 2009 zijn bepaald door de aandeelhouders van de verschillende kantoren die zijn gefuseerd. Alle oprichters van de NV die actief wilden meedoen (en die zich later hebben verenigd in de [bedrijf 2] ), hebben toen een overeenkomst van opdracht gekregen met de NV. In het overleg tussen de leden zijn afspraken gemaakt over de beloning in de verschillende functies. [gedaagde] heeft dit voldoende onderbouwd met de notulen van de vergaderingen van de leden uit 2009. Er waren 49 leden, waarvan enkele in de klankbordgroep zaten en het voortouw namen in het overleg. [eiser] zat niet in de klankbordgroep en daarmee is begrijpelijk dat hijzelf niet daadwerkelijk invloed had op de hoogte van zijn loon. Dat neemt niet weg dat de lonen door de leden van de [bedrijf 2] zijn afgesproken en dus niet door [gedaagde] zijn bepaald.\n\nDe staffel met de lonen is na 2009 niet veel gewijzigd. In de loonstaffel van 2023 is nog steeds dezelfde structuur zichtbaar. [gedaagde] heeft de lonen niet eenzijdig verlaagd. Het loon van [eiser] is alleen meegestegen met zijn functies. Het loon van [eiser] is dus niet door [gedaagde] bepaald, maar door de leden van de [bedrijf 2] . [eiser] heeft ook niet gesteld dat hij in 2009, 2019 of op een ander moment, met [gedaagde] heeft onderhandeld over de hoogte van zijn loon. Dit past niet bij een arbeidsovereenkomst, omdat daarin de werkgever de hoogte van het loon bepaalt en de werknemer eventueel nog kan onderhandelen over zijn loon. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\n3.31.. \n\nTen slotte had [eiser] een dubbele positie als directeur en (indirect) aandeelhouder. Als lid van de [bedrijf 2] heeft hij zeggenschap in de onderneming en als aandeelhouder van [bedrijf 1] deelt hij ook mee in de winst.\n\n [eiser] heeft niet betwist dat hij de grootste aandeelhouder is. De vergadering van aandeelhouders kan het vertrouwen in de raad van commissarissen opzeggen. [eiser] en een ander [bedrijf 2] -lid hebben vorig jaar een motie om dat te doen binnen de [bedrijf 2] besproken. Dit betekent dat de raad van commissarissen [eiser] als bestuurder kan benoemen en ontslaan, maar dat de leden van de [bedrijf 2] ook de raad van commissarissen kunnen wegsturen. [eiser] had daarmee een sterke positie die veel verder gaat dan een werknemer die enkele aandelen heeft in een bedrijf. Die dubbele positie en een dergelijke zeggenschap is atypisch voor een arbeidsovereenkomst. Dit wijst dus in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\nConclusie\n\n3.32.. Op grond van het bovenstaande wijzen de getekende overeenkomst, het loon volgens de facturen en de positie en zeggenschap van [eiser] op een overeenkomst van opdracht en niet op een arbeidsovereenkomst. Andere factoren, zoals de inbedding van het werk in de organisatie en het gegeven dat [eiser] geen andere opdrachtgevers had, wijzen in de richting van een arbeidsovereenkomst.\n\n3.33.. Hoewel er diverse factoren zijn die wijzen in de richting van een arbeidsovereenkomst, is naar het oordeel van de rechtbank alles afwegend sprake van een overeenkomst van opdracht. De positie en zeggenschap van [eiser] tegenover [gedaagde] wegen daarbij het zwaarst. Die staan namelijk haaks op een verhouding tussen werkgever en werknemer en zijn zo atypisch voor een arbeidsovereenkomst dat de rechtbank daar groot gewicht aan toekent. Deze verhouding tussen [eiser] en [gedaagde] maakt bovendien dat de beschermingsgedachte achter het voorkomen van schijnzelfstandigheid in dit geval niet zo zeer aan de orde lijkt. De argumenten voor een arbeidsovereenkomst geven daarom in dit geval niet de doorslag. De vordering van [eiser] wordt afgewezen.\n\nProceskosten\n\n3.34.. \n [eiser] heeft ongelijk gekregen. Hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht € 688,00\n\n- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × tarief € 614,00)\n\n- nakosten € 178,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de\n\n beslissing)\n\nTotaal € 2.094,00\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n4.1.. wijst de vorderingen af,\n\n4.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde] tot dit moment begroot op € 2.094,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,- extra betalen, plus de kosten van betekening.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. van der Knijff, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:1655","2025-04-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.472Z",20]