[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-employment-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":32,"total":16,"page":25,"limit":84},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},28,"employment-law-nl","Employment Law","NL","2026-07-08T16:53:14.144Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},6,{"min":18,"max":19},"2025-02-26T00:00:00.000Z","2026-06-19T00:00:00.000Z",[21,26,29],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122279","Burgerlijk Wetboek","art. 7:625",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122280","art. 7:628",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122427","art. 7:671",[33,44,53,60,67,76],{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":38,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":40,"sourceTimestamp":41,"parsedAt":42,"updatedAt":43},"673","ECLI:NL:RBMNE:2026:3767","ecli-nl-rbmne-2026-3767","","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12134743 \\ UE VERZ 26-102\n\nBeschikking van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. B. Bostancieri-Dinc,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. T.G. Martens.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met productie 1 tot en met 10,\n\n- het aanvullend verzoekschrift met productie 11 tot en met 13,\n\n- het verweerschrift met productie 1 tot en met 6 met zelfstandige tegenvordering,\n\n- de brief van [verweerder] van 20 mei 2026 met productie 7 en 8,\n\n- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waar [eiser] is verschenen met haar gemachtigde en waar [verweerder] zich heeft laten vertegenwoordigen door mevrouw [A] (bestuurder) en mevrouw [B] (administratief medewerkster en begeleider) en haar gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting.\n\n1.2. De producties die mr. Bostancieri heeft meegenomen naar de zitting zijn te laat aangeboden en zijn buiten beschouwing gelaten.\n\n1.3. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De kern van de zaak\n\nHet gaat in deze zaak over de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd door de opzegging van [eiser] , of dat [verweerder] daarna heeft opgezegd tegen een eerdere datum en de arbeidsovereenkomst daardoor tegen die eerdere datum is geëindigd. Aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of er een loondoorbetalingsplicht voor [verweerder] bestaat en zo ja tot wanneer precies. Ook is aan de orde hoeveel onregelmatigheidstoeslag (ORT) nog aan [eiser] moet worden betaald. Op verzoek van [verweerder] moet worden beoordeeld of [eiser] aan [verweerder] de kosten moet vergoeden van het vervangen van alle sleutels van de opvanglocaties van [verweerder] , omdat die niet of niet op de juiste manier zijn ingeleverd en of [eiser] de kosten voor haar eigen vervanging aan [verweerder] moet vergoeden, omdat zij niet is komen werken op het moment dat dat volgens [verweerder] wel moest. Allebei de partijen verzoeken subsidiair om toekenning van een gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat beide partijen een vorderingen hadden op de ander en veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [eiser] van het resultaat van de over en weer verschuldigde bedragen. Ook wijst de kantonrechter het verzoek tot het verstrekken van een correcte eindafrekening aan [eiser] .\n\n3. De achtergrond van de zaak\n\n3.1. \n [eiser] , geboren [geboortedatum] 2003, is sinds 10 maart 2025 in dienst bij [verweerder] . De functie van [eiser] is Begeleider. Zij werkt tegen een loon van € 2.956,77 bruto per maand, te vermeerderen met IKB toeslag van 16,4 % (inclusief vakantiegeld). Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Sociaal Werk van toepassing.\n\n3.2. \n [verweerder] biedt jongeren van 8 tot 18 jaar een veilige stabiele woonomgeving waarin persoonlijke groei en herstel centraal staan. De organisatie begeleidt kwetsbare jongeren die door complexe thuissituaties, psychische problemen of vastgelopen hulpverlening extra ondersteuning nodig hebben. [verweerder] werkt onder de paraplu van AZ-Multizorg B.V., waardoor in de praktijk ook [verweerder] aan andere doelgroepen, zoals ouderen, wordt verstrekt. [eiser] werkte zowel op de jeugdlocaties als in de thuiszorg voor ouderen.\n\n3.3. Per e-mailbericht van 12 december 2025 heeft [eiser] haar arbeidsovereenkomst opgezegd. In het bericht staat dat [eiser] zich bewust is van de opzegtermijn van 2 maanden en dat zij daarom opzegt per 12 februari 2026 en voorafgaand aan die einddatum haar eventueel resterende vakantiedagen zal opnemen.\n\n3.4. In antwoord op het bericht van [eiser] heeft [C] , administratief medewerker bij [verweerder] , aan [eiser] laten weten:\n\n“Naar aanleiding van je opzegging zijn wij tot de conclusie gekomen dat we afwijken van de geldende opzegtermijn van twee maanden. Dit betekent dat je arbeidsovereenkomst eindigt op 5 januari 2026.”\n\n [C] licht toe dat [verweerder] daarvoor gekozen heeft in verband met de onrust die het wisselen van begeleiders met zich meebrengt voor de cliënten. Verder berekent [C] dat [eiser] nog een negatief vakantiedagensaldo heeft van 18,94 uur, en geeft zij aan dat [eiser] de sleutels van de woongroep en de tag voor het inklokken uiterlijk 5 januari 2026 dient in te leveren.\n\n3.5. Naar aanleiding van een aan haar gestelde vraag heeft [eiser] op 4 januari 2026 in een bericht aan de dochter van een cliënt laten weten dat zij niet meer voor [verweerder] werkte.\n\n3.6. Op 6 januari 2026 heeft [eiser] van collega [D] het volgende Whatsapp bericht gehad: “Hi alles goed? Kan jij alle mensen een bericht sturen zoals advocaat, bewindvoerder, Wooning en artsen van [E] en doorgeven dat jij weggaat en de info mal van AZ multizorg doorgeeft? Anders blijven dingen liggen en niet opgepakt, Dankjewel.”\n\n3.7. Op 12 januari 2026 heeft [eiser] op dit e-mail bericht van [verweerder] gereageerd, heeft zij [verweerder] gewezen op de opzegtermijn van twee maanden en heeft zij gevraagd hoe het zit met de loonbetaling over de opzegtermijn. Daarnaast heeft [eiser] gewezen op het feit dat zij geen ORT heeft ontvangen en dat de vakantiedagen verkeerd zijn berekend.\n\n3.8. Op 13 januari 2026 heeft [verweerder] per e-mail laten weten dat zij niet eenzijdig heeft opgezegd, maar dat [eiser] dat zelf had gedaan. Daarbij geeft [verweerder] aan dat als [eiser] van mening was geweest dat de arbeidsovereenkomst niet was geëindigd, van haar verwacht had mogen worden dat zij op 5 januari 2026 gewoon was komen werken. Met betrekking tot de ORT geeft [verweerder] aan dat [eiser] eerst zelf een overzicht moet aanleveren van de dagen en uren waarop zij recht meent te hebben op ORT. [verweerder] geeft verder aan dat de eindafrekening zal volgen nadat alle bedrijfseigendommen volledig zijn ingeleverd.\n\n3.9. Op 9 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] zich gemeld bij [verweerder] en namens haar aanspraak gemaakt op het loon tot 12 februari 2026 en de wettelijke verhoging daarover.\n\n3.10. In een e-mail van 10 februari 2026 laat [verweerder] weten ervan uit te gaan dat de overeenkomst is geëindigd op 5 januari 2026 en dat uit het bericht van [eiser] aan een cliënt van 4 januari 2026 blijkt dat [eiser] zelf aan derden heeft meegedeeld dat zij niet meer in dienst is. In de brief is eveneens aangegeven dat [verweerder] de loper van de opvanglocaties heeft vervangen, nadat [eiser] haar sleutels (ondanks eerder verzoeken) niet heeft ingeleverd en dat de kosten daarvan € 3.000,00 bedragen. Ook geeft [verweerder] aan dat zij geen gegevens van [eiser] heeft ontvangen over ORT-uren.\n\n3.11. Bij e-mail van 11 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] gereageerd en heeft zij onder meer gesteld dat de sleutels zijn ingeleverd door een nicht van [eiser] en wijst zij namens [eiser] aansprakelijkheid voor de € 3.000,00 schade van de hand. Zij levert ook een overzicht van de ORT-uren aan. De overige verzoeken van [eiser] worden gehandhaafd.\n\n4. Het verzoeken over en weer\n\n4.1. \n [eiser] verzoekt de kantonrechter na wijziging van eis tijdens de mondelinge behandeling:\n\n- Primairhet ontslag van 23 december 2025 te vernietigen en [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon en IKB-toeslag vanaf januari 2026 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, dat wil zeggen ofwel (primair) 1 maart 2026,danwel (subsidiair) 12 februari 2026, en\n\nsubsidiair, voor het geval de kantonrechter de opzegging niet vernietigt, te bepalen dat [verweerder] een gefixeerde schadevergoeding van € 5.912,88 bruto aan [eiser] verschuldigd is,\n\n [verweerder] te veroordelen tot het verstrekken van een correcte eindafrekening met uitbetaling van de opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen tot en met 12 februari 2026,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling van de ORT van € 4.513,84 bruto over de periode van indiensttreding tot en met december 2025,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling gemiddelde ORT over de maanden januari en februari ter hoogte van € 712,95 bruto,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het salaris en de ORT,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het salaris, de ORT en de gefixeerde schadevergoeding, en\n\n [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2. \n\n [verweerder] wil dat de verzoeken worden afgewezen, met uitzondering van het door [verweerder] erkende bedrag aan ORT van € 4.362,52 bruto.\n\nDaarnaast wil [verweerder] dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [verweerder] , bestaande uit\n\n€ 7.920,00 voor kosten die [verweerder] heeft gemaakt omdat zij op korte termijn externe [verweerder] heeft moeten inkopen toen [eiser] na 5 januari 2026 niet meer kwam werken, en\n\n€ 4.059,07 omdat [eiser] haar sleutels niet (bij haar manager) heeft ingeleverd, waardoor de cilinders en sleutels van alle locaties moesten worden vervangen.\n\n [verweerder] vraagt ook de wettelijke rente over de schadebedragen indien deze niet tijdig worden voldaan. Voor de situatie waarin de kantonrechter ervan uitgaat [verweerder] heeft opgezegd, deze opzegging wordt vernietigd en daarmee wordt teruggevallen op de opzegging door [eiser] , vordert [verweerder] nog een gefixeerde schadevergoeding.\n\n5. De beoordeling\n\nDe verzoeken van [eiser]\n\n5.1. verzoekt de kantonrechter de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verweerder] op 23 december 2025 te vernietigen en [verweerder] te veroordelen het loon door te betalen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.\n\nWanneer kan de kantonrechter een opzegging vernietigen?\n\n5.2. De kantonrechter kan de beëindiging van een arbeidsovereenkomst (zoals een ontslag op staande voet of opzegging) vernietigen als het ontslag onrechtmatig is gegeven. Daarvan is onder meer sprake indien het ontslag zonder instemming van de werknemer en\u002Fof zonder toestemming van het UWV is gegeven. De werknemer moet hiervoor wél binnen twee maanden na de ontslagdatum een verzoek indienen bij de rechter.\n\n5.3. Vast staat dat [eiser] haar verzoek tijdig heeft ingediend.\n\nDe mededeling van 23 december 2026 van [verweerder] is een eenzijdige opzegging van de arbeidsovereenkomst\n\n5.4. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst eenzijdige heeft opgezegd. Het is juist dat [eiser] deze aanvankelijk heeft opgezegd op 12 december 2025 tegen 12 februari 2026, maar [verweerder] heeft [eiser] laten weten dat zij de arbeids-overeenkomst eerder zou eindigen, namelijk op 5 januari 2026. Naar eigen zeggen deed [verweerder] dat om te voorkomen dat te veel wisselingen in begeleiding van de cliënten zou komen. [verweerder] stelt weliswaar dat deze brief moet worden gezien als een ‘praktisch voorstel’, maar uit de brief blijkt dat helemaal niet. Het einde van het dienstverband per 5 januari 2026 is geformuleerd als een mededeling en uit de brief blijkt niet dat van [eiser] nog een antwoord wordt verwacht of dat er überhaupt ruimte is voor overleg. Er wordt ook medegedeeld dat [eiser] haar sleutels en tag uiterlijk 5 januari 2026 moet inleveren. Ook dat wijst erop dat [eiser] niet meer wordt verwacht op de werkvloer. [eiser] mocht het bericht dan ook opvatten als een opzegging.\n\n5.5. \n [verweerder] stelt dat niet te zwaar aan de bewoordingen van de brief moet worden getild omdat de brief is opgesteld door een medewerker van [verweerder] die geen jurist is. Ook dat argument gaat niet op. Van een werkgever mag verwacht worden dat zij op de hoogte is van de geldende regelgeving en daar op de juiste wijze uitvoering aan geeft. [verweerder] heeft die taak aan deze medewerker toebedeeld en is gebonden aan en verantwoordelijk voor de wijze waarop deze die taak uitvoert.\n\n5.6. Ook het verweer van [verweerder] dat [eiser] uit het feit dat zij was ingeroosterd had moeten begrijpen dat eigenlijk sprake was van een voorstel en dat de arbeidsovereenkomst feitelijk niet was geëindigd, gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. [eiser] mocht vertrouwen op de mededeling dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd en hoefde niet op eigen initiatief te onderzoeken of de inroostering, voor zover zij die al zou hebben gezien, betekende dat de arbeidsovereenkomst toch niet geëindigd was.\n\n5.7. Het is ook niet zo dat uit het feit dat [eiser] niet kwam werken op 5 januari 2026 mag worden afgeleid dat zij heeft ingestemd met de beëindiging per die datum. Zij hoefde niet te komen werken, want de arbeidsovereenkomst was op dat moment al beëindigd.\n\nDe kantonrechter vernietigt de opzegging van [verweerder] van 23 december 2025\n\n5.8. De opzegging heeft in beginsel tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst op 5 januari 2026 is geëindigd door de opzegging van [verweerder] van 23 december 2025, zonder dat [eiser] daarmee heeft ingestemd of dat daarvoor toestemming was van het UWV. Dat is onrechtmatig en daarom zal de kantonrechter die opzegging vernietigen.\n\n5.9. \n\nOmdat de opzegging vernietigd is, hoeft het subsidiaire standpunt van [eiser] , dat [verweerder] de gefixeerde schadevergoeding moet betalen, geen verdere bespreking.\n\n [verweerder] moet het loon doorbetalen tot en met 12 februari 2026, en ook de wettelijke rente en wettelijke verhoging; [eiser] hoeft geen gefixeerde schadevergoeding te betalen\n\n5.10. De vernietiging van de opzegging heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst na 5 januari 2026 feitelijk is blijven bestaan en dat [verweerder] het loon moet doorbetalen tot het moment dat de arbeidsovereenkomst wel rechtsgeldig is geëindigd. Partijen zijn het er niet over eens op welk moment dat is. [eiser] heeft op 12 december 2025 opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden, tegen 12 februari 2026. Dat heeft [eiser] niet goed gedaan, want in de arbeidsovereenkomst staat dat de opzegging moet gebeuren tegen het einde van een kalendermaand. Zij had dus tegen het einde van de maand op moeten zeggen en dan had de arbeidsovereenkomst tot 1 maart 2026 geduurd. Gelet op de standpunten die partijen sindsdien over en weer hebben ingenomen verbindt de kantonrechter daar geen conclusies aan.\n\n5.11. De kantonrechter is van oordeel dat de intentie van [eiser] duidelijk blijkt uit haar opzegging. Zij wilde de opzegtermijn in acht nemen en haar arbeidsovereenkomst tot dat moment uitdienen. Hoewel haar berekening eigenlijk niet juist is, is niet gebleken dat [verweerder] niet akkoord was met die eerdere opzegging. Integendeel, [verweerder] heeft daar niet eerder dan in deze procedure een punt van gemaakt en heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst beëindigd op een nóg eerdere datum. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [verweerder] in ieder geval akkoord was met een datum gelegen voor 1 maart 2026. Omdat daarover overeenstemming was met partijen kan [eiser] daar niet tijdens de mondelinge behandeling op terugkomen. Datzelfde geldt voor [verweerder] . De arbeidsovereenkomst is daarom geëindigd op 12 februari 2026, zonder dat [eiser] gefixeerde schadevergoeding aan [verweerder] hoeft te betalen. [verweerder] hoeft ook alleen tot die datum het loon door te betalen. [verweerder] is onbetwist ook IKB-toeslag verschuldigd.\n\n5.12. Het verweer van [verweerder] dat zij over die periode geen loon verschuldigd is omdat ook geen sprake is geweest van arbeid gaat daarbij niet op. Artikel 7:628 BW bepaalt dat de werknemer recht blijft houden op loon als de oorzaak van het feit dat hij geen arbeid heeft verricht in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Daarvan is hier ook sprake: het is [verweerder] zelf die deze situatie in het leven heeft geroepen, dat gaat niet ten koste van de loondoorbetalingsplicht.\n\n5.13. \n [eiser] heeft verzocht om toewijzing van de wettelijke rente over het loon dat nog uitbetaald moet worden, vanaf de respectievelijke data van verschuldigdheid van de verschillende salarisbetalingen. Dit zal worden toegewezen. [eiser] heeft daarnaast verzocht op toewijzing van de wettelijke verhoging. De kantonrechter zal ook die toewijzen. Voor matiging ziet de kantonrechter geen aanleiding. De reden waarom het loon te laat is betaald is, gelet op de onrechtmatige opzegging, volledig te wijten aan [verweerder] .\n\n [verweerder] moet ORT betalen aan [eiser] , vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging\n\n5.14. \n [eiser] wil dat [verweerder] de ORT betaalt die zij nog niet heeft ontvangen. Het gaat dan over ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2025 én om de gemiddelde ORT over de voorliggende maanden over de periode tussen 5 januari 2026 en 12 februari 2026.\n\n De ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2025\n\n5.15. Hoewel [eiser] recht had op ORT, heeft [verweerder] in het geheel nog geen ORT uitgekeerd tijdens het dienstverband van [eiser] . [verweerder] stelt dat zij daartoe nog niet over hoefde te gaan omdat [eiser] daartoe niet de vereiste administratie had ingeleverd en dat [eiser] dat pas in de loop van deze procedure heeft gedaan. Dat argument gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Een werkgever heeft de wettelijke plicht om een sluitende administratie bij te houden van de gewerkte dagen en uren van haar werknemers. Die verplichting mag niet volledig worden verschoven naar de werknemer. Bovendien had [eiser] een vast rooster en heeft zij gesteld dat zij daarvan nooit is afgeweken. Dat heeft [verweerder] niet betwist. [verweerder] was daarom op de hoogte van de gewerkte uren en de verschuldigde ORT.\n\n5.16. \n [verweerder] heeft de ORT-berekening van [eiser] over de periode van indiensttreding tot en met december 2025 niet betwist, op twee ziektedagen na. [eiser] heeft die fout in de berekening tijdens de mondelinge behandeling erkend. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de vordering van [eiser] voor uitbetaling van ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2026 komt vast te staan tot het bedrag dat door [verweerder] is erkend van € 4.362,52 bruto.[eiser] heeft niet onderbouwd gesteld dat zij aanspraak kan maken op een hoger bedrag.\n\n De ORT over de periode vanaf 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026\n\n5.17. De kantonrechter zal ook ORT toewijzen voor de periode van 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026. Vast staat dat namelijk dat [eiser] structureel recht had op ORT. Dat betekent dat op het moment dat [eiser] recht heeft op loon over de periode 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026, zoals hiervoor is vastgesteld, zij op grond van de CAO ook recht heeft op ORT over die periode. Die wordt volgens de CAO berekend over het gemiddelde ORT van de drie voorafgaande maanden. [eiser] heeft dat bedrag berekend op een totaal van € 712,95 en dat zal worden toegewezen. [verweerder] heeft de omvang van deze vordering namelijk niet gemotiveerd betwist.\n\n [verweerder] moet de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de ORT betalen\n\n5.18. \n [eiser] verzoekt ook de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de ORT. Wettelijke rente en wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW zijn verschuldigd vanaf de opeisbaarheid van de verschuldigde bedragen. Daarom moet voor de toewijzing daarvan duidelijk zijn wanneer dat is.\n\n5.19. \n [verweerder] stelt dat die bedragen nog niet opeisbaar waren, omdat zij pas na 8 mei 2026 op de hoogte was van de ORT-uren van [eiser] en dat zij daarom niet ‘te laat’ heeft betaald.\n\n5.20. De kantonrechter is van oordeel dat dat verweer niet op gaat. Zoals hiervoor al overwogen is de werkgever gehouden om een overzicht bij te houden van de gewerkte uren en daarvan een sluitende administratie te voeren en [verweerder] heeft zich daar onvoldoende aan gehouden, door die verantwoordelijkheid volledig bij de werknemer neer te leggen. [verweerder] wordt geacht op de hoogte te zijn van de door [eiser] gewerkte dagen en uren en dus ook van de verschuldigdheid van ORT daarover.\n\n5.21. Voor de opeisbaarheid zoekt de kantonrechter aansluiting bij artikel 6.7 van de CAO, waarin staat:\n\n“Het salaris wordt uiterlijk twee dagen voor het einde van de kalendermaand uitbetaald. Eventuele toeslagen opgebouwd in die betreffende kalendermaand worden uiterlijk in de daaropvolgende maand uitbetaald. Alle betalingen vinden plaats door storting op een bankrekening op naam van de werknemer.”\n\nDat betekent dat de ORT steeds vanaf dat moment opeisbaar is. De wettelijke rente en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW moeten daarom vanaf die respectievelijke momenten worden berekend.\n\n5.22. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te matigen, omdat [verweerder] al vanaf de indiensttreding van [eiser] geen enkel bedrag aan ORT heeft betaald, terwijl dit een aanzienlijk deel van het salaris van [eiser] uitmaakte.\n\n [verweerder] moet een correcte eindafrekening verstrekken\n\n5.23. \n [eiser] heeft de kantonrechter verzocht om [verweerder] te veroordelen een correcte en deugdelijke eindafrekening te verstrekken, waarin de door haar opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen zijn opgenomen. Een correcte eindafrekening moet inderdaad nog worden opgesteld. Ten aanzien van de vakantiedagen overweegt de kantonrechter het volgende. [verweerder] heeft aangegeven dat [eiser] begin januari 2026 een negatief vakantie-urensaldo (-18,94 uur) had en dat ervan uit kan worden gegaan dat de opgebouwde vakantie-uren nihil zijn voor zover de arbeidsovereenkomst geacht moet worden te hebben doorgelopen tot 12 februari 2026. [eiser] heeft dat niet (gemotiveerd) betwist. De kantonrechter stelt daarom vast dat er geen vakantie-uren meer hoeven te worden uitbetaald. [verweerder] heeft aangeboden om binnen 14 dagen na de mondelinge behandeling een correcte eindafrekening te sturen, maar de kantonrechter kan niet controleren of dat ook daadwerkelijk gebeurd is. Daarom wordt het verzoek – voor zover nodig – toch toegewezen.\n\nDe tegenverzoeken van [verweerder]\n\nDe kosten voor de extern ingekochte [verweerder] worden afgewezen\n\n5.24. \n [verweerder] heeft een tweetal tegenverzoeken gedaan. Het verzoek tot betaling van de factuur die gaat over de vervangende [verweerder] die [verweerder] extern heeft moeten inkopen vanaf 5 januari 2026 zal worden afgewezen. [eiser] heeft niet onrechtmatig gehandeld door niet te verschijnen op het werk, aangezien [verweerder] de arbeidsovereenkomst had opgezegd. Daarmee komt de grondslag aan die vordering te ontvallen en zal dat deel van de gevorderde schadevergoeding worden afgewezen.\n\n [eiser] moet de kosten vergoeden voor het vervangen van de sleutels\n\n5.25. De kantonrechter zal de kosten voor het vervangen van de sleutels toewijzen. [eiser] had de beschikking over sleutels die toegang gaven tot alle opvanglocaties van [verweerder] waar [eiser] werkzaam was. [eiser] had deze bij het einde van de arbeidsovereenkomst in moeten leveren. Zij heeft dat, ondanks meerdere verzoeken, niet aantoonbaar gedaan. [verweerder] zag zich daarom genoodzaakt de sloten te vervangen en heeft daarvoor kosten moeten maken. De kosten voor het vervangen bedragen volgens [verweerder] € 4.059,07. [verweerder] heeft daarvan facturen overgelegd.\n\n5.26. \n [verweerder] verzorgt de opvang van zeer kwetsbare jongeren. Van sommigen van hen is het absoluut onwenselijk dat zij de opvanglocatie kunnen verlaten indien zij per ongeluk de sleutel in handen zouden krijgen en voor sommigen van hen is het belangrijk voor hun veiligheid dat mensen van buiten geen toegang hebben tot de locatie waar zij verblijven. [verweerder] moet daarom weten waar de sleutels zijn. Op het moment dat er sleutels ‘weg’ zijn, of onduidelijk is waar een sleutel is gebleven, is het vervangen van de sloten de enige manier om de veiligheid te waarborgen. [verweerder] heeft daarom een Protocol Gebruik en Inleveren sleutels opgesteld, dat onderdeel uitmaakt van haar huisregels en daarmee ook van de individuele arbeidsovereenkomsten. In het protocol staat dat de uitgifte van sleutels wordt geregistreerd door de leidinggevende of aangewezen verantwoordelijke, dat deze bij uitdiensttreding direct moeten worden ingeleverd en dat de inlevering wordt geregistreerd door de verantwoordelijke medewerker of leidinggevende. In het protocol staat eveneens dat bij nalatigheid passende maatregelen kunnen worden genomen en\u002Fof de kosten op de werknemer kunnen worden verhaald.\n\n5.27. De kantonrechter begrijpt de noodzaak voor [verweerder] om de cliënten die aan haar [verweerder] zijn toevertrouwd te beschermen. De toegang tot het gebouw en de mogelijkheid om het gebouw al dan niet te verlaten is een belangrijk instrument daarvoor. [verweerder] heeft er daarom naar het oordeel van de kantonrechter een groot belang bij dat zij zicht houdt op de sleutels en dat het risico’s met zich brengt als niet duidelijkheid is waar de sleutels zich bevinden. Er is dan immers een mogelijkheid dat de betreffende sleutel in verkeerde handen kunnen komen. [eiser] heeft het belang van [verweerder] bij het zicht op de sleutels ook niet betwist.\n\n5.28. \n [verweerder] heeft deze noodzaak ook duidelijk naar haar medewerkers gecommuniceerd, en nadere regels vastgesteld in het protocol. De medewerkers, waaronder [eiser] , zijn hiervan op de hoogte. [eiser] heeft niet betwist dat zij op grond van de arbeidsovereenkomst heeft ingestemd met de huisregels van [verweerder] , onder meer bestaande uit het Protocol Gebruik en Inleveren van Sleutels.\n\n5.29. \n [verweerder] heeft [eiser] een paar keer gevraagd de sleutels in te leveren en [eiser] heeft dat niet aantoonbaar gedaan. [eiser] stelt dat zij (pas) op 9 februari 2026 de sleutels aan haar nicht heeft gegeven tijdens een babyshower, zodat deze de sleutels kon inleveren. In een brief van 11 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] dit gemeld aan [verweerder] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verteld dat deze nicht – die ook voor [verweerder] werkte – de sleutels op het werk in een kluis zou hebben gelegd, omdat er op dat moment niemand aanwezig was om de sleutel bij in te leveren. Of dat daadwerkelijk gebeurd is valt voor de kantonrechter niet vast te stellen, omdat het nergens uit blijkt. [verweerder] betwist de sleutels te hebben ontvangen en de nicht wil daarover niet verklaren.\n\n5.30. \n [verweerder] heeft onderbouwd gesteld dat [eiser] gehouden was de sleutels in te leveren en die is door [eiser] ook erkend. Doordat niet is komen vast te staan dat [eiser] de sleutels heeft ingeleverd, is de tekortkoming in de nakoming van de verplichting komen vast te staan. [eiser] heeft er, ondanks dat zij op de hoogte was van deze regels en het belang daarvan voor [verweerder] , bewust voor gekozen om de sleutels op oncontroleerbare wijze aan een derde af te geven. De tekortkoming kan [eiser] daarom ook worden toegerekend. [verweerder] heeft de schade voldoende aangetoond met de overgelegde facturen. [eiser] is daarom gehouden de schade van [verweerder] ten bedrage van € 4.059,07 te vergoeden.\n\n [verweerder] heeft een beroep gedaan op verrekening\n\n5.31. Bij brief van 20 mei 2026 aan de kantonrechter heeft [verweerder] een beroep gedaan op verrekening. Daarmee heeft [verweerder] ook aan [eiser] kenbaar gemaakt haar vordering te willen verrekenen met die van [eiser] . [eiser] heeft weliswaar de vordering van [verweerder] betwist, maar geen bezwaar gemaakt tegen de verrekening voor zover de vordering van [verweerder] zou komen vast te staan. De verrekening werkt op grond van de wet terug tot het moment waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. Hoewel de sloten eerder zijn vervangen, gaat de kantonrechter uit van de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd na vernietiging van de opzegging door [verweerder] , dus van 12 febuari 2026. Pas bij het einde van de arbeidsovereenkomst bestond immers de verplichting tot het inleveren van de sleutels.\n\n5.32. De verbintenissen van [eiser] en [verweerder] gaan door verrekening tot hun gemeenschappelijk beloop teniet. Dat betekent dat de vordering van [verweerder] op [eiser] volledig teniet is gegaan op het moment dat deze vordering verrekend kon worden en [eiser] geen wettelijke rente verschuldigd is over deze schadevergoeding.\n\n [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling\n\n5.33. De kantonrechter veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [eiser] van het resultaat van de over en weer verschuldigde bedragen, zoals geformuleerd in de beslissing.\n\nDe proceskosten worden gecompenseerd\n\n5.34. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld.\n\nDe beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard\n\nDe kantonrechter zal bepalen dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is. Dat betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n6.1. vernietigt de op 23 december 2025 door [verweerder] gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst;\n\n6.2. veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [eiser] van het resultaat van de navolgende over en weer verschuldigde bedragen:\n\n€ 2.956,44 bruto per maand aan loon, vermeerderd met de IKB-toeslag van 16,4% daarover, vanaf 1 januari 2026 tot 12 februari 2026,\n\n€ 4.362,52 bruto aan ORT die [eiser] heeft opgebouwd over de periode van indiensttreding tot en met december 2025,\n\n€ 712,95 bruto aan ORT die [eiser] over de periode januari 2026 tot en met 12 februari 2026 te betalen,\n\ne wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het salaris en de ORT zoals benoemd in onderdeel 6.2 onder a tot en met c van deze beschikking, rekening houdend met de betaaltermijnen van het salaris en de ORT als omschreven in § 5.13 en § 5.21 en\n\nde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW te betalen over de bedragen genoemd in onderdeel 6.2 onder a tot en met c van dit vonnis, vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid als omschreven in § 5.13 en § 5.21 tot aan de dag van de gehele betaling;\n\nminus\n\n€ 4.059,07 aan schadevergoeding voor vervanging van sleutels, welk bedrag door verrekening per 12 februari 2026 in mindering sterkt op de onder a tot en met e genoemde bedragen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:44 BW.\n\n6.3. veroordeelt [verweerder] om binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking een deugdelijke en correcte eindafrekening te verstrekken,\n\n6.4. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,\n\n6.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.6. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\n [eiser] heeft bij verzoekschrift verzocht [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon tot [geboortedatum] 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] haar verzoek vermeerderd en loondoorbetaling verzocht tot 1 maart 2026. [verweerder] heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat de stelling dat de arbeidsovereenkomst tot 1 maart 2026 zou doorlopen tot aan de mondelinge behandeling niet was ingenomen en zij zich niet op dat standpunt had hoeven voor te bereiden. De kantonrechter staat de vermeerdering toe, omdat daaraan geen nieuwe feiten ten grondslag zijn gelegd en het standpunt in lijn is met het pas kort voor de mondelinge behandeling ingenomen standpunt van [verweerder] over de door [eiser] gehanteerde opzegtermijn.\n\n Verweerschrift § 3.18.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3767","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:42.459Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":49,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":42,"updatedAt":52},"910","ECLI:NL:RBMNE:2026:3728","ecli-nl-rbmne-2026-3728","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer: 12024680 \\ MC EXPL 25-7003\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Degelink, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. V.E.H. van Santen, advocaat te Arnhem.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van [eiser] ; - de conclusie van antwoord van [gedaagde] met een voorwaardelijke eis in reconventie;\n\n- de mondelinge behandeling van 18 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2. De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.\n\n2. De beoordeling\n\nDe kern van de zaak\n\n2.1. \n [gedaagde] fabriceert warmtewisselaars. Nadat [eiser] enkele maanden werkzaam was geweest op uitzendbasis bij de rechtsvoorgangster van [gedaagde] , is hij daar op 1 oktober 1996 in dienst getreden. Per 1 september 2025 heeft [gedaagde] de functie van [eiser] , die sinds 1 juni 1998 werkzaam was als Spuiter, eenzijdig gewijzigd naar Monteur en tweede Spuiter tegen andere (betere) arbeidsvoorwaarden. [eiser] is het met de wijziging oneens. Hij wil terugkeren in de functie van Spuiter.\n\nDe beslissing van de kantonrechter\n\n2.2. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] tot wedertewerkstelling als Spuiter toe en veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten. Aan een beslissing op de door [gedaagde] voorwaardelijk ingestelde eis in reconventie komt de kantonrechter niet toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.\n\n [gedaagde] moet [eiser] tewerkstellen in de functie van Spuiter\n\n2.3. De schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen bevat geen eenzijdig wijzigingsbeding. Daarom moet de vraag tot welke gevolgen een wijziging van de omstandigheden voor een individuele arbeidsrelatie kan leiden, worden getoetst aan de drievoudige (redelijkheids)toets die de Hoge Raad in het [naam] \u002F [naam] -arrest (HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847) tot uitdrukking heeft gebracht. Deze toets houdt in dat een werknemer positief op een voorstel van de werkgever tot wijziging van de arbeidsovereenkomst moet reageren als:\n\nsprake is van gewijzigde omstandigheden waarin de werkgever als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden;\n\nde werkgever een redelijk voorstel doet;\n\naanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer kan worden gevergd.\n\n2.4. Tussen partijen staat vast dat de functie van Spuiter een solistische functie is en dat het een bedrijfskritische functie betreft. Het spuiten is de laatste stap in het productieproces. Als de spuitcapaciteit wegvalt, kunnen de producten niet worden afgerond en uitgeleverd.\n\n2.5. De aanleiding voor [gedaagde] om de functie van [eiser] te wijzigen is het ziekteverzuim van [eiser] . Sinds 2006 is zijn verzuimpercentage gemiddeld 31,88%. Volgens [gedaagde] ontbreekt door het verzuim de voorspelbaarheid en de continuïteit die voor de functie van Spuiter noodzakelijk is. [gedaagde] heeft een tweede spuiter aangewezen voor het geval de Spuiter uitvalt. De tweede spuiter is iemand die de functie van Monteur vervult en een toeslag ontvangt als hij moet inspringen als spuiter. Volgens [gedaagde] is deze oplossing al jaren kwetsbaar. Tot 1 juli 2024 was er nog een derde vervangende spuiter, maar nu die niet meer werkzaam is bij [gedaagde] is de situatie onhoudbaar geworden, aldus [gedaagde] .\n\n2.6. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die nopen tot een wijziging van de functie van [eiser] . Het hoge ziekteverzuim van [eiser] speelt al jaren. Niet is gesteld en onderbouwd dat de door [gedaagde] gekozen constructie, waarbij zij de Spuiter ( [eiser] ) bij afwezigheid laat vervangen door de tweede spuiter, eerder tot problemen heeft geleid. Integendeel, [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling na vragen van de kantonrechter verklaard dat de constructie tot heden geen problemen heeft opgeleverd. [eiser] heeft ook onweersproken naar voren gebracht dat de constructie al bijna 25 jaar bestaat. Verder is niet gesteld en onderbouwd dat voorzienbaar is dat het vervullen van de functie van Spuiter door [eiser] vanaf heden problemen gaat opleveren voor de bedrijfsvoering.2.7. \n [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij de persoon die de functie van Monteur en tweede spuiter vervulde tot Spuiter heeft benoemd tijdens de arbeidsongeschiktheid van [eiser] . Daar heeft zij aan toegevoegd dat zij het die persoon gunde om Spuiter te worden omdat hij al geruime tijd veel inviel als spuiter en dat hij had aangekondigd anders te vertrekken. De kantonrechter is van oordeel dat dit een omstandigheid is die voor rekening en risico van [gedaagde] komt. Die maakt niet dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die aanleiding geven tot wijziging van de functie van [eiser] . Overigens had het op de weg van [gedaagde] als goed werkgever gelegen om over de benoeming van de ander tot Spuiter zelf tijdig te communiceren met [eiser] . Dat [eiser] dat van een andere collega moest vernemen tijdens zijn latere re-integratie is niet hoe het hoort.\n\n2.8. Het voorgaande betekent dat de andere voorwaarden uit het [naam] \u002F [naam] -arrest niet meer besproken hoeven te worden. De vordering van [eiser] tot wedertewerkstelling als Spuiter onder de oorspronkelijke arbeidsvoorwaarden wordt toegewezen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00.\n\nAfwijzing verbod nieuwe functiewijziging\n\n2.9. \n [eiser] vordert nog dat het [gedaagde] wordt verboden om zonder zijn instemming de functie opnieuw te wijzigen. Deze vordering wordt afgewezen. Zoals [gedaagde] terecht aanvoert kunnen er nieuwe omstandigheden ontstaan die aanleiding geven voor een herhaald wijzigingsvoorstel.\n\nOp de eis in reconventie hoeft niet te worden beslist\n\n2.10. De eis in reconventie is voorwaardelijk ingesteld. Nu de aan die eis door [gedaagde] verbonden voorwaarde niet is vervuld, hoeft op de vorderingen in reconventie geen beslissing te worden gegeven.\n\n [gedaagde] moet de proceskosten betalen\n\n2.11. Gelet op de uitkomst van de procedure moet [gedaagde] de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n148,04\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n576,00\n\n(2 punten × € 288,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n961,04\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n2.12. De veroordelingen in dit vonnis worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1. \n\nveroordeelt [gedaagde] om [eiser] binnen zeven dagen na betekening van het vonnis tewerk te stellen in zijn oorspronkelijke functie van Spuiter, onder de oorspronkelijke arbeidsvoorwaarden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag gedurende welke [gedaagde] niet hieraan gehoor zal geven, met een maximum van\n\n€ 50.000,00;\n\n3.2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 961,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.4. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n13702","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3728","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:54.157Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":57,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":42,"updatedAt":59},"724","ECLI:NL:RBMNE:2026:3742","ecli-nl-rbmne-2026-3742","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12125252 \\ UE VERZ 26-89 MS\u002F1270\n\nBeschikking van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. H.M. Mauritz,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. A.J. Verweij.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met 14 producties van [verzoeker] , op de griffie binnengekomen op 26 februari 2026, en het verweerschrift met 19 producties van [verweerder] . [verzoeker] heeft de producties 15 tot en met 18 nagezonden en [verweerder] de producties 20 en 21.\n\n1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. [verzoeker] was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [verweerder] was aanwezig de heer [A] , HR manager bij [verweerder] , bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. [verzoeker] heeft daarbij zijn verzoek nog gewijzigd. Partijen hebben geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen en zij hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.\n\n1.3. Hierna is uitspraak bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\nHet gaat in deze zaak om de vraag of de aanzegging door [verweerder] dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zal worden verlengd, door [verzoeker] redelijkerwijs ook kon worden opgevat als een opzegging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De kantonrechter oordeelt dat de aanzegging niet zo kon worden opgevat. Het verzoek van [verzoeker] tot betaling van diverse vergoedingen wegens een niet rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt daarom afgewezen. [verweerder] wordt wel veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over het te laat betaalde salaris en de door [verzoeker] gemaakte buitengerechtelijke kosten. Zij moet ook de proceskosten betalen.\n\n3. De beoordeling\n\nInleiding\n\n3.1. \n [verzoeker] , geboren [geboortedatum] 2004, is sinds 26 januari 2022 bij [verweerder] in dienst. Hij heeft op dit moment de functie van monteur. Zijn loon bedraagt € 2.513,93 bruto per maand.\n\n3.2. \n [verzoeker] was eerst bij [verweerder] werkzaam als leerling-monteur op basis van een leer\u002Fwerk overeenkomst (hierna: BBL-overeenkomst). De eerste overeenkomst liep af op 25 september 2022 en is daarna twee keer verlengd. De laatste BBL-overeenkomst liep vanaf 1 februari 2023 en zou van rechtswege eindigen op de dag waarop de beroepspraktijkvormingsovereenkomst zou worden beëindigd, maar uiterlijk op 31 juli 2023.\n\n3.3. \n [verzoeker] heeft op 27 juni 2023 zijn diploma gehaald en is tot 1 augustus 2023 bij [verweerder] blijven werken. [verweerder] is hierna drie arbeidsovereenkomsten met [verzoeker] aangegaan, namelijk van 1 augustus 2023 tot en met 31 december 2023, van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 en van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025.\n\n3.4. \n [verweerder] heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gold. Zij heeft met een brief van 26 november 2025 het einde van de arbeidsovereenkomst aangezegd met ingang van 1 januari 2026. Partijen verschillen van mening of [verzoeker] die brief toen heeft ontvangen.\n\n3.5. \n [verzoeker] heeft zich verzet tegen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en heeft zich op 15 december 2025 ziekgemeld. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat in de periode van 27 juni 2023 tot 1 augustus 2023 de eerste arbeidsovereenkomst die meetelt voor de zogenoemde ketenregelingtot stand is gekomen en dat er inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.\n\n3.6. \n [verweerder] heeft dit standpunt van [verzoeker] eerst bestreden, maar heeft een dag na het indienen van het verzoekschrift erkend dat inmiddels sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [verweerder] heeft vervolgens over de maanden januari en februari 2026 nabetalingen gedaan. Zij heeft de Ziektewetuitkering die [verzoeker] over die maanden heeft ontvangen en de uitgekeerde transitievergoeding met het salaris verrekend.\n\nHet verzoek van [verzoeker]\n\n3.7. \n [verzoeker] verzoekt in deze procedure, met wijziging van zijn verzoek in zijn pleitnota:\n\nbij wijze van voorlopige voorziening:\n\nveroordeling van [verweerder] tot betaling van zijn salaris vanaf 1 januari 2025;\n\nprimair:\n\nvernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst en veroordeling van [verweerder] tot betaling van zijn salaris vanaf 1 januari 2025:\n\nsubsidiair:\n\nveroordeling van [verweerder] tot betaling van een aanzegvergoeding, een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding;\n\nmeer subsidiair:\n\nvoor het geval de arbeidsovereenkomst op 31 december 2025 is geëindigd: [verweerder] te veroordelen tot betaling van de aanzegvergoeding en de transitievergoeding;\n\nprimair, subsidiair en meer subsidiair:\n\nveroordeling van [verweerder] tot betaling van:\n\na. de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de verzochte bedragen;\n\nb. de buitengerechtelijke incassokosten;\n\nc. de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.8. \n [verzoeker] heeft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en zijn primaire verzoek op de mondelinge behandeling ingetrokken, omdat [verweerder] zijn salaris inmiddels doorbetaalt. Hij heeft ten aanzien van zijn subsidiaire verzoek tot betaling van de aanzegvergoeding en zijn verzoek tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging aangegeven dat een van deze verzoeken kan vervallen. Hij verzoekt meer subsidiair alleen nog om de aanzegvergoeding. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW heeft opgezegd en dat zij hierop niet meer eenzijdig kan terugkomen. Hij berust in de opzegging omdat hij voortzetting van de arbeidsovereenkomst door de houding van [verweerder] niet meer ziet zitten. Hij maakt in plaats daarvan aanspraak op de hiervoor genoemde vergoedingen.\n\nHet verweer van [verweerder]\n\n3.9. \n [verweerder] voert verweer en stelt dat [verzoeker] wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek of dat het verzoek moet worden afgewezen, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van de procedure. [verweerder] voert ‑ samengevat ‑ aan dat zij het salaris van [verzoeker] inmiddels per 1 januari 2026 (met terugwerkende kracht) heeft uitbetaald en dat de aanzegging van 26 november 2025 niet kan worden beschouwd als een opzegging. Zij hoeft daarom geen vergoedingen aan [verzoeker] te betalen.\n\nEr is geen sprake van een opzegging\n\n3.10. Partijen verschillen van mening over de vraag of de brief van [verweerder] van 26 november 2025 met de aanzegging van het einde van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 door [verzoeker] redelijkerwijs ook kon worden opgevat als een opzegging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In dat geval moet deze brief namelijk op grond van de zogenoemde wilsvertrouwensleerook als een opzegging worden aangemerkt. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] deze brief redelijkerwijs niet als een opzegging kon opvatten. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.\n\n3.11. De kantonrechter zal eerst ingaan op de stelling van [verzoeker] dat hij de brief van 26 november 2025 pas op 7 januari 2026 heeft ontvangen. Dit kan namelijk van belang zijn voor de vraag hoe hij deze brief kon begrijpen. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat [verzoeker] de brief van 26 november 2025 als bijlage bij een een e-mail van dezelfde dag heeft ontvangen. [verweerder] heeft namelijk door middel van een uitdraai uit haar AFAS personeelsregistratiesysteem onderbouwd dat de brief bij e-mail van 26 november 2025 aan [verzoeker] is verzonden. [verzoeker] heeft bovendien tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij een e-mail van [verweerder] heeft ontvangen met de mededeling dat zijn toegang tot de AFAS-app na uitdiensttreding wordt geblokkeerd en dat hij daarom alle relevante documenten vanuit de app moet downloaden. Dit heeft hij voor 1 januari 2026 gedaan. Deze mededeling staat in de brief van 26 november 2025 en dit is dus een aanwijzing dat [verzoeker] deze brief toen heeft ontvangen. Ook het tijdsverloop na de verzending van de e-mail van 26 november 2025 dat [verweerder] heeft geschetst en dat [verzoeker] niet heeft betwist, past hierbij. [verweerder] heeft toegelicht dat [verzoeker] bezwaar heeft gemaakt tegen de aanzegging van het einde van de arbeidsovereenkomst bij zijn leidinggevende. Die heeft dat bezwaar intern doorgeleid naar HR. Nadat HR had beslist, heeft zijn leidinggevende een tweede gesprek met [verzoeker] gevoerd. Daarna heeft hij ongeveer een week doorgewerkt en toen heeft hij zich ziekgemeld. Van die ziekmelding staat vast dat het op 15 december 2025 was. Ook dit is een aanwijzing dat [verzoeker] de aanzegbrief op 26 november 2025 heeft ontvangen.\n\n3.12. \n\nDat er tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is nu weliswaar geen geschilpunt meer, maar was dat wel ten tijde van de aanzegging op 26 november 2025. [verweerder] was er toen van overtuigd dat er sprake was een dienstverband voor bepaalde tijd dat op 1 januari 2026 afliep. Zij heeft dit niet alleen door middel van de brief van 26 november 2025, maar ook mondeling herhaaldelijk aan [verzoeker] meegedeeld. Gelet op dit duidelijke standpunt van [verweerder] kan de aanzegbrief door [verzoeker] niet óók zijn opgevat als een opzegging (zonder zijn instemming of toestemming) van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De brief biedt daarvoor geen aanknopingspunten en ook is niet gebleken dat [verweerder] [verzoeker] mondeling heeft meegedeeld dat hij ook zou worden ontslagen als hij - zoals hij stelde - inderdaad een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou hebben. [verzoeker] heeft er op gewezen dat [verweerder] een eindafrekening heeft opgesteld, een transitievergoeding heeft uitgekeerd en een ziek-uitdienstmelding heeft gedaan bij het UWV, maar dit zijn geen aanwijzingen dat [verweerder] bedoeld heeft de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Deze acties passen namelijk ook bij een einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege. Er was voor [verzoeker] dus geen aanleiding om de brief als een opzegging te beschouwen.\n\nDe subsidiaire en meer subsidiaire vordering worden afgewezen\n\n3.13. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is dus niet geëindigd door een opzegging door [verweerder] . Er is dus geen opzegging waar [verzoeker] in kan berusten en dat betekent dat de arbeidsovereenkomst nog doorloopt. Omdat de subsidiaire vordering en de meer subsidiaire vordering uitgaan van de veronderstelling dat sprake was van een opzegging en dit niet het geval is, kunnen deze vorderingen niet worden toegewezen.\n\nDe wettelijke verhoging wordt gesteld op nihil\n\n3.14. \n [verzoeker] heeft om toekenning van de wettelijke verhogingover het te laat betaalde salaris verzocht. Vast staat dat [verweerder] het volledige salaris van [verzoeker] van € 2.513,93 bruto over de maanden januari en februari 2026 niet tijdig, althans niet op de gebruikelijke betaaldata, heeft betaald. [verweerder] heeft over die maanden aanvankelijk alleen een Ziektewetuitkering van € 1.792,34 bruto per maand voldaan. Uit de gecorrigeerde loonstroken over deze maanden blijkt dat [verzoeker] over januari 2026 een bedrag van € 681,55 te weinig heeft ontvangen en over februari 2026 een bedrag van € 836,82. Deze bedragen zijn pas in maart 2026 nabetaald. [verzoeker] kan daarom in beginsel aanspraak maken op de wettelijke verhoging over deze bedragen. De kantonrechter ziet echter aanleiding om de verhoging uit oogpunt van billijkheid te matigen tot nihil. De reden hiervoor is dat er bij [verweerder] niet zozeer sprake was van onwil om [verzoeker] te geven waar hij recht op had, maar van onduidelijkheid over de aard van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter vindt het voorstelbaar dat het [verweerder] in eerste instantie niet helder was dat over de periode van 27 juni 2023 tot 1 augustus 2023 al een eerste arbeidsovereenkomst is ontstaan die meetelt voor de ketenregeling. [verweerder] heeft bovendien steeds de betalingen gedaan die zij meende aan [verzoeker] verschuldigd te zijn. Zij heeft in januari 2026 een transitievergoeding van € 2.964,51 uitbetaald en in februari 2026 een Ziektewetuitkering over de maanden januari en februari 2026. Toen het haar duidelijk was dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die nog doorliep, heeft zij in maart 2026 met terugwerkende kracht het salaris over de maanden januari en februari 2026 uitbetaald met verrekening van de Ziektewetuitkering. Zij heeft het salaris vanaf maart 2026 doorbetaald met verrekening van de betaalde transitievergoeding. [verweerder] heeft de door haar gemaakte fout dus zo snel mogelijk hersteld. Het verzoek tot betaling van de wettelijke verhoging wordt om deze reden afgewezen.\n\nDe wettelijke rente wordt toegewezen\n\n3.15. De kantonrechter ziet wel aanleiding om [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het salaris dat zij over de maanden januari en februari 2026 te laat heeft betaald. Het gaat hier om het bedrag van € 681,55 over januari 2026 en het bedrag van € 836,82 over februari 2026. De wettelijke rente over deze bedragen zal worden toegewezen vanaf de opeisbaarheid (per 1 februari 2026 respectievelijk per 1 maart 2026) tot het moment dat deze bedragen zijn nabetaald. Uit het dossier blijkt niet op welke datum dit precies is gebeurd, maar dat is voor partijen eenvoudig zelf na te gaan.\n\nDe buitengerechtelijke kosten worden toegewezen\n\n3.16. \n [verzoeker] heeft om vergoeding van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten verzocht. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] in redelijkheid buitengerechtelijke kosten heeft moeten maken om ervoor te zorgen dat [verweerder] na 1 januari 2026 zijn loon doorbetaalde. Uitgaande van het te weinig betaalde salaris van in totaal € 1.518,37, vindt de kantonrechter op basis van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten een vergoeding van € 275,58 redelijk. Dit bedrag zal worden toegewezen.\n\nDe proceskosten\n\n3.17. De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] haar standpunt pas na de indiening van het verzoekschrift heeft gewijzigd. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).\n\n3.18. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n3.19. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dat wil zeggen dat [verweerder] moet uitvoeren wat daar in staat, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het te laat betaalde salaris over januari 2026 van € 681,55 en het te laat betaalde salaris over februari 2026 van € 836,82, te berekenen vanaf respectievelijk 1 februari 2026 en 1 maart 2026 tot het moment dat deze bedragen zijn nabetaald;\n\n4.2. veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 275,58;\n\n4.3. veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;\n\n4.4. veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n4.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.6. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n Artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 3:33 en 3:35 BW.\n\n Artikel 7:625 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3742","2026-07-13T00:28:44.958Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":64,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":42,"updatedAt":66},"826","ECLI:NL:RBMNE:2026:3730","ecli-nl-rbmne-2026-3730","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12082644 \\ UE VERZ 26-41 MS\u002F1270\n\nBeschikking van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING BEVOLKINGSONDERZOEK NEDERLAND,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: Bevolkingsonderzoek,\n\ngemachtigde: mr. F.J. Bloem-Timmermans,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. Y.M. van der Meulen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties, door de kantonrechter ontvangen op 26 januari 2026,\n\n- het verweerschrift met producties.\n\n1.2. De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 30 maart 2026. Namens Bevolkingsonderzoek waren aanwezig mevrouw [A] (hierna: [A] ), [functie 1] bij Bevolkingsonderzoek , mevrouw [B] (hierna: [B] ), [functie 2] bij Bevolkingsonderzoek , met de gemachtigde. [verweerder] was aanwezig, ook met zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij de gemachtigde van Bevolkingsonderzoek gebruik heeft gemaakt van een pleitnota. Zij hebben op elkaar kunnen reageren en vragen beantwoord van de kantonrechter. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter besloten dat uitspraak zal worden gedaan.\n\n1.3. Bevolkingsonderzoek heeft op 1 april 2026 de behandelend rechter mr. H.A.M. Pinckaers gewraakt. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek mondeling behandeld op 21 april 2026 en heeft het verzoek bij beslissing van 6 mei 2026 afgewezen.\n\n1.4. Hierna is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.\n\n2. De kern van de zaak\n\nIn deze zaak verzoekt Bevolkingsonderzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wegens disfunctioneren, een verstoorde arbeidsverhouding of een combinatie van deze gronden. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat Bevolkingsgroep ten onrechte geen herplaatsingsonderzoek heeft gedaan.\n\n3. De voorgeschiedenis van de zaak\n\n3.1. \n [verweerder] , geboren [geboortedatum] 1964, is sinds 1 mei 2013 in dienst bij Bevolkingsonderzoek. De arbeidsovereenkomst geldt inmiddels voor onbepaalde tijd. De functie van [verweerder] is [functie 3] met een loon van € 4.534,44 bruto per maand. [verweerder] is daarnaast lid van de Ondernemingsraad van Bevolkingsonderzoek. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Ziekenhuizen van toepassing.\n\n3.2. \n [verweerder] was in de periode 2013 tot 2023 werkzaam als [functie 4] . Bevolkingsonderzoek was toen nog regionaal georganiseerd in zeven entiteiten. Deze zijn per 1 januari 2022 gefuseerd in één stichting. [verweerder] is per 16 september 2023 in de nieuwgevormde afdeling [afdeling] gaan werken. [A] werd per die datum zijn leidinggevende.\n\n3.3. \n [A] heeft op 8 augustus 2024 een gesprek gehad met [verweerder] over zijn functioneren. Zij heeft [verweerder] laten weten dat de extra taken die hij sinds een jaar had gekregen per direct bij hem zouden worden weggehaald, omdat hij onvoldoende proactief werkte en er eerst ontwikkeling op dit punt nodig was. [A] heeft [verweerder] gevraagd de punten die hij nog in zijn functioneren moest ontwikkelen uit te werken in een Persoonlijk Ontwikkelplan (POP).\n\n3.4. \n [verweerder] was het niet eens met de kritiek op zijn functioneren. Hij heeft in een overleg met [A] op 11 september 2024 te kennen gegeven dat het voor hem onvoldoende duidelijk was wat zijn taken waren en dat zijn functie [functie 5] (nu geheten: [functie 3] ) moest zijn, omdat hem was toegezegd dat hij deze functie zou gaan vervullen. [A] heeft hem beloofd dat zij hierover duidelijkheid zou geven. Zij heeft [verweerder] verder meegedeeld dat zij te voortvarend taken bij hem had weggehaald en heeft met hem afgesproken dat hij deze weer zou gaan uitvoeren. [A] en [verweerder] hebben verder afgesproken dat [A] de te ontwikkelen punten SMART zou uitwerken en dat [verweerder] hulp kon vragen bij HR om het POP op te stellen.\n\n3.5. \n [A] heeft de ontwikkelpunten in een e-mail van 14 oktober 2024 uitgewerkt en heeft in een gesprek met [verweerder] op 22 oktober 2024 bevestigd dat hem inderdaad was toegezegd dat hij als [functie 3] zou worden aangesteld. Dit was één salarisschaal hoger. [A] heeft daarbij aangegeven dat zij het functioneren van [verweerder] in deze functie de komende drie maanden wilde monitoren. Er was daarbij sprake van een proefplaatsing. Omdat het [verweerder] nog steeds onvoldoende duidelijk was wat er van hem werd verwacht, is afgesproken dat [A] hem een overzicht van taken en verwachtingen zou sturen. Dat heeft zij op 29 oktober 2024 gedaan. [A] en [verweerder] hebben verder op 22 oktober 2024 afgesproken dat de ontwikkeling van [verweerder] wekelijks zou worden geëvalueerd en dat hij dagelijks een kort verslagje aan [A] zou sturen van zijn activiteiten die dag.\n\n3.6. \n [A] heeft in november 2024 geconstateerd dat het functioneren van [verweerder] een stijgende lijn had en heeft de aanstelling in de functie van [functie 3] daarom definitief gemaakt. De wekelijkse gesprekken werden voortgezet.\n\n3.7. \n [A] heeft [verweerder] in een overleg op 19 februari 2025 laten weten dat hij nog steeds ontwikkeling moest laten zien op de verbeterpunten. [verweerder] heeft hierop aangegeven dat hij duidelijke kaders nodig had en [A] heeft toegezegd dat zij hiervoor zou zorgen. Zij heeft [verweerder] in een overleg op 3 april 2025 aan de hand van voorbeelden toegelicht op welke punten hij nog niet op het niveau van een [functie 3] functioneerde en heeft de projecten benoemd waarvoor hij verantwoordelijk was. [A] heeft [verweerder] gevraagd hierop de reflecteren en zijn gedachtes hierover in een volgend overleg toe te lichten, zodat een verbeterplan kon worden opgesteld.\n\n3.8. De ontwikkelpunten zijn in een overleg op 16 april 2025 opnieuw besproken. [verweerder] heeft daarbij aangegeven dat hij het niet eens was met de visie van [A] op zijn functioneren. [A] heeft de ontwikkelpunten nog een keer toegelicht. Zij heeft [verweerder] meegedeeld dat een formeel verbeterplan zou worden opgesteld en dat zij in een periode van twee maanden verbetering wilde zien.\n\n3.9. Er is vervolgens een verbeterplan opgesteld, dat [verweerder] en [A] op 21 mei 2025 hebben besproken. De deadline voor verbetering was 21 juli 2025. [A] heeft in een overleg op 19 juni 2025 laten weten dat zij onvoldoende verbetering zag in het functioneren van [verweerder] . Omdat de communicatie tussen hen stroef liep en [A] vond dat een goede communicatie noodzakelijk was om vooruitgang te kunnen boeken in het verbetertraject, heeft zij de inzet van een mediator voorgesteld.\n\n3.10. In de periode van 4 tot en met 29 september 2025 hebben [verweerder] en [A] gesprekken met een mediator gevoerd. Het verbetertraject is na de mediation hervat, waarbij een nieuwe deadline is bepaald op 20 december 2025.\n\n3.11. \n [A] heeft [verweerder] in een overleg op 12 november 2025 laten weten dat zij nog onvoldoende ontwikkeling had gezien op de verbeterpunten tactisch niveau en analytisch vermogen.\n\n3.12. \n [verweerder] heeft zich op 19 november 2025 ziekgemeld. De bedrijfsarts heeft geadviseerd om voor de arbeidsgerelateerde problemen een probleemoplossend gesprek te voeren. [verweerder] en [A] hebben ieder afzonderlijk met de mediator gesproken over heropening van de mediation. De mediator heeft hierna echter de conclusie getrokken dat mediation niet meer mogelijk is.\n\n3.13. \n [A] heeft in een gesprek met [verweerder] op 10 december 2025 het standpunt ingenomen dat mediation door toedoen van [verweerder] niet mogelijk was en dat dit de voortgang van het verbetertraject belemmerde. Zij heeft [verweerder] verweten dat hij met anderen in de organisatie over zijn verbetertraject en de verslechterende verstandhouding tussen hen heeft gesproken en heeft hem laten weten dat zij dit als gezagsondermijnend ervaarde. [A] heeft de conclusie getrokken dat verdere samenwerking tussen hen niet meer mogelijk was en heeft [verweerder] vrijgesteld van zijn werkzaamheden.\n\n3.14. \n [A] heeft [verweerder] in een e-mail van 16 december 2025 laten weten dat een beëindiging van de arbeidsrelatie onvermijdelijk was, omdat sprake was van ongeschiktheid voor de functie en een verstoorde arbeidsrelatie die door toedoen van [verweerder] niet meer met mediation kon worden opgelost. Vanwege de belemmerende houding van [verweerder] in het verbetertraject en de mediation zou er geen herplaatsingsonderzoek worden uitgevoerd.\n\n4. De beoordeling\n\nBevolkingsonderzoek verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden\n\n4.1. Bevolkingsonderzoek verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege disfunctioneren, een verstoorde arbeidsverhouding of een combinatie van deze gronden. Zij heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd - kort weergegeven - dat [verweerder] niet goed in zijn functie van [functie 3] functioneert en er niet in is geslaagd zijn functioneren aan de hand van een verbetertraject te verbeteren. De verhouding tussen [verweerder] en [A] is gedurende het verbetertraject volledig en duurzaam verstoord. Mediation heeft hierin geen oplossing gebracht. Bevolkingsonderzoek meent dat daarom in redelijkheid niet van haar kan worden verwacht dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voortzet. Zij heeft afgezien van een herplaatsingsonderzoek binnen haar organisatie, omdat de houding van [verweerder] in het verbetertraject en in de mediation maakt dat dit in redelijkheid niet van haar verlangd kan worden.\n\n [verweerder] wil dat de arbeidsovereenkomst in stand blijft of dat er een vergoeding wordt betaald\n\n4.2. \n [verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] betwist dat sprake is van disfunctioneren of een verstoorde arbeidsverhouding. Hij stelt daarnaast dat Bevolkingsonderzoek ten onrechte heeft nagelaten een herplaatsingsonderzoek te doen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een billijke vergoeding.\n\nWanneer kan de kantonrechter een arbeidsovereenkomst ontbinden?\n\n4.3. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.Verder kan de arbeidsovereenkomst alleen worden ontbonden als herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt, dat wil zeggen logischerwijs niet te verwachten valt.Er mag ook geen sprake zijn van een opzegverbod.\n\nEr is sprake van opzegverboden, maar die staan aan ontbinding niet in de weg\n\n4.4. De wet geeft een aantal situaties waarin een arbeidsovereenkomst niet ontbonden mag worden. Er is dan sprake van een zogenaamd opzegverbod.De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst dan alleen ontbinden als de omstandigheden waarop het verzoek berust niets te maken hebben met de omstandigheden die maken dat er een opzegverbod is.De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst ook ontbinden als er wel een opzegverbod is, maar de kantonrechter vindt dat het in het belang van de werknemer is dat de arbeidsovereenkomst eindigt.\n\n4.5. In dit geval zijn er twee opzegverboden van toepassing, namelijk het opzegverbod bij ziekte en het opzegverbod tijdens het lidmaatschap van een Ondernemingsraad.Deze opzegverboden staat aan ontbinding niet in de weg, omdat de omstandigheden waarop het verzoek berust - disfunctioneren en een verstoorde arbeidsverhouding - niets te maken hebben met de omstandigheid dat [verweerder] ziek is of zijn lidmaatschap van de Ondernemingsraad.\n\nEr is geen redelijke grond voor ontbinding wegens disfunctioneren\n\nToetsingskader4.6. De kantonrechter kan op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van disfunctioneren. De kantonrechter moet in dat geval beoordelen of er omstandigheden zijn die de werknemer ongeschikt maken om zijn (bedongen) werkzaamheden goed uit te voeren. Die ongeschiktheid mag niet het gevolg zijn van ziekte of gebreken van de werknemer. De kantonrechter betrekt in zijn beoordeling ook of de werkgever de werknemer tijdig heeft laten weten dat hij vindt dat de werknemer ongeschikt is voor zijn werkzaamheden en of de werknemer daarna voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn functioneren te verbeteren. De wet bepaalt niet op welke manier de werkgever dat moet doen. Maar omdat een ontbinding op grond van disfunctioneren voor een werknemer ingrijpende gevolgen kan hebben, gaat de kantonrechter ervan uit dat van een goed werkgever verwacht mag worden dat hij de werknemer een serieuze en reële kans moet hebben gegeven om zijn functioneren te verbeteren.De ongeschiktheid mag niet het gevolg zijn van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer.\n\nHet standpunt van Bevolkingsonderzoek4.7. Bevolkingsonderzoek stelt dat [verweerder] onvoldoende functioneert op pro-activiteit en een helicopterview bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. Zij heeft hem een redelijke verbeterkans gegeven: er is expliciet benoemd dat het functioneren onvoldoende was, de verbeterpunten zijn concreet benoemd en er is een redelijke termijn gegund voor de verbetering. [A] heeft begeleiding geboden op de werkvloer. Er is ook coaching aangeboden, maar [verweerder] heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt. [verweerder] was het niet eens met de mening van [A] dat hij onvoldoende functioneerde. Hij heeft bij herhaling aangegeven dat hij het niet eens was met haar observaties, dat hij kaders nodig had, dat onduidelijk was wat zijn werkzaamheden precies waren en dat hij de verbeterpunten niet snapte. Dit terwijl er steeds weer concreet werd benoemd wat er van hem werd verlangd. [A] heeft zich anderhalf jaar lang ingespannen om [verweerder] steeds weer uit te leggen wat er beter moest, maar zonder resultaat. Doordat de verhoudingen voortijdig volledig en duurzaam verstoord zijn geraakt, is het verbetertraject niet tot de afgesproken einddatum doorlopen. [verweerder] heeft echter voldoende tijd gekregen om verbetering te laten zien. Bevolkingsonderzoek vindt daarom dat zij hem een redelijke verbeterkans heeft geboden.\n\nHet standpunt van [verweerder]4.8. stelt dat geen sprake is van een voldragen ontslaggrond vanwege disfunctioneren, omdat geen sprake is geweest van een verbetertraject in de zin van de wet. Voor een geslaagd verbetertraject is volgens [verweerder] nodig dat sprake is van tweerichting-verkeer, een eerlijke kans, een redelijke duur, een concreet plan met duidelijke doelstellingen en passende begeleiding of scholing. [verweerder] betwist dat [A] hem een aanbod heeft gedaan om zich te laten ondersteunen door een coach. Het uiteindelijke verbeterplan was er pas sinds medio juni 2025 en gaat uit van het wensenlijstje\u002Fde verwachtingen van [A] waarbij niet is aangesloten bij objectieve criteria. [verweerder] stelt dat de verbeterpunten tactisch niveau en analytisch vermogen niet vallen onder de functieomschrijving van [functie 3] en vraagt zich af of hij niet bij voorbaat al gedoemd was om in de ogen van [A] te mislukken. Het verbeterplan voorziet alleen in begeleiding door [A] zelf, terwijl het grote euvel nu juist tussen [verweerder] en [A] zit. Het bevat geen aanbod tot scholing of inbreng van [verweerder] over wat hij nodig denkt te hebben. [verweerder] heeft op dit plan gereageerd, maar dit is verder niet meer besproken. Er is ook geen evaluatie of eindgesprek geweest. [verweerder] stelt dat de medewerkers waar hij leiding aan geeft en projectleiders waar hij mee te maken heeft wel erg tevreden zijn over zijn functioneren.\n\n [verweerder] is onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn functioneren te verbeteren4.9. De kantonrechter laat in het midden of Bevolkingsonderzoek zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het functioneren van [verweerder] onvoldoende is. Ook als er sprake zou zijn van disfunctioneren, dan is [verweerder] namelijk onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn functioneren te verbeteren. [verweerder] stelt terecht dat het verbeterplan niet is gebaseerd op objectieve criteria die aansluiten bij de functieomschrijving van [functie 3] . Het had op de weg gelegen van [A] om een duidelijke en concrete koppeling te leggen tussen het doel van het verbeterplan (versterking van het tactisch niveau, rolbewustzijn, samenwerking en professioneel leiderschap) en de functie-eisen waaraan [verweerder] naar haar mening niet voldeed. [verweerder] heeft ook geen redelijke termijn gekregen om zijn functioneren aan de hand van een verbeterplan te verbeteren. Het eerste verbetertraject met een duur van twee maanden was in de gegeven omstandigheden veel te kort. Het tweede verbetertraject, dat niet is afgemaakt, was met een duur van drie maanden ook te kort. Verder is niet gebleken dat Bevolkingsonderzoek [verweerder] scholing of onafhankelijke begeleiding heeft geboden om zijn functioneren te verbeteren. Bevolkingsonderzoek heeft weliswaar gesteld dat zij [verweerder] coaching heeft aangeboden, maar [verweerder] heeft dit betwist en dit aanbod blijkt ook niet uit de correspondentie tussen partijen. Dit maakt dat geen sprake is van een voldragen ontslaggrond. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren is daarom niet mogelijk.\n\nEr is wel een redelijke grond voor ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding\n\n4.10. Er is wel een redelijke grond voor ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Dat wordt als volgt toegelicht.\n\nToetsingskader4.11. De kantonrechter kan op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden als sprake is van een arbeidsverhouding die zo verstoord is, dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. Daarbij geldt als uitgangspunt dat sprake moet zijn van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsrelatie en dat herstel van de arbeidsrelatie niet meer mogelijk is.\n\nDe standpunten van partijen4.12. Bevolkingsonderzoek stelt zich op het standpunt dat sprake is van een volledig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. [verweerder] betwist dit. Hij stelt zich op het standpunt dat hoogstens de onderlinge verstandhouding tussen hem en [A] niet goed is, maar dat hij verder binnen Bevolkingsonderzoek geen problemen of conflicten met collega’s heeft. Naar zijn idee is er nog steeds een goede samenwerking mogelijk, maar moet er wellicht worden gekeken naar herplaatsing in een andere functie waarbij [A] niet langer zijn leidinggevende is. Hij heeft erop gewezen dat hij doorgaans in [plaats 1] \u002F [plaats 2] werkt en [A] in [plaats 3] , zodat zij elkaar op de werkvloer niet echt tegenkomen.\n\nEr is sprake van verstoorde arbeidsverhouding4.13. Uit de correspondentie tussen partijen en wat zij in deze procedure hebben aangevoerd kan naar het oordeel van de kantonrechter geen andere conclusie worden getrokken dan dat er tussen Bevolkingsonderzoek en [verweerder] sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding omdat de arbeidsrelatie tussen [verweerder] en zijn leidinggevende [A] definitief en onherstelbaar is verstoord. Deze verstoorde arbeidsverhouding is aan Bevolkingsonderzoek te wijten omdat deze in de eerste plaats is veroorzaakt doordat [A] zich op het standpunt heeft gesteld dat [verweerder] niet goed functioneerde, maar hem onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren. De verstoring van de arbeidsrelatie is daarnaast veroorzaakt doordat [A] , toen zij in september 2023 de leidinggevende van [verweerder] werd, niet op de hoogte was van de toezegging van een promotie aan [verweerder] tot [functie 3] . Zij heeft die promotie later na afloop van een proefperiode weliswaar geformaliseerd, maar is tegelijkertijd bij haar standpunt gebleven dat [verweerder] niet voldoende functioneerde in de lager ingeschaalde functie die hij eerst bekleedde met de extra taken die hij daarbij had gekregen. Daarmee heeft zij een dubbel signaal afgegeven en bij [verweerder] het gevoel in de hand gewerkt dat hij geen eerlijke kans heeft gekregen. De omstandigheid dat [A] eerst taken van [verweerder] heeft afgenomen en vrijwel meteen weer terug moest geven, zal ook tot dit gevoel hebben bijgedragen.\n\nEr is niet voldaan aan de herplaatsingsplicht\n\n4.14. Hoewel er een redelijke grond is voor ontbinding, zal het verzoek daartoe toch worden afgewezen omdat Bevolkingsonderzoek ten onrechte geen herplaatsingsonderzoek heeft gedaan. Daarbij is het volgende van belang.\n\n4.15. Bij het herplaatsingsvereiste gaat het in essentie om het vervullen van een zorgplicht door de werkgever, voorafgaand aan het indienen van een ontbindingsverzoek. Als de werkgever niet heeft voldaan aan die zorgplicht, zal dat tot afwijzing van het verzoek moeten leiden. Een andere benadering zou tot een uitholling van het herplaatsingsvereiste kunnen leiden.\n\n4.16. Het staat in dit geval vast dat Bevolkingsonderzoek geen herplaatsingsonderzoek heeft gedaan. Volgens Bevolkingsonderzoek kon dit niet van haar verlangd worden. Zij voert hiertoe het volgende aan:\n\nde achtergrond en werkervaring van [verweerder] maken hem ongeschikt voor alle overige functies binnen de organisatie;\n\n [verweerder] toont totaal geen inzicht in zijn aandeel in het ontstaan van het conflict;\n\n [verweerder] heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn ontwikkeling in het verbetertraject en in iedere andere functie binnen Bevolkingsonderzoek zou zijn leidinggevende hier opnieuw tegenaan lopen;\n\nde mediator heeft geprobeerd om Bevolkingsonderzoek en [verweerder] tot elkaar te brengen; dat ging niet alleen om de persoonlijke relatie tussen [A] en [verweerder] , maar over de visie van Bevolkingsonderzoek op de uitoefening door [verweerder] van zijn functie;\n\n [verweerder] heeft diverse andere leidinggevenden, waaronder de [functie 6] en de [functie 7] van Bevolkingsonderzoek, benaderd met zijn visie op het verbetertraject, namelijk dat [A] het helemaal verkeerd deed; deze leidinggevenden hebben er ook geen vertrouwen meer in dat [verweerder] in een andere functie hun gezag wél zal accepteren;\n\n [verweerder] heeft ten slotte een gesprek opgenomen met de [functie 2] [B] ; dit heeft niet alleen de relatie met [A] , maar met de gehele organisatie ernstig beschadigd.\n\n4.17. \n [verweerder] stelt dat er wel een mogelijkheid tot herplaatsing is, omdat Bevolkingsonderzoek een dermate grote organisatie is dat het werk zo kan worden ingedeeld dat hij en [A] niet meer met elkaar te maken hebben. [verweerder] stelt dat er binnen Bevolkingsonderzoek geregeld andere functies worden aangeboden die hij zich eigen zou kunnen maken, zoals functies in inkoop, als coördinator vastgoed en teamleider in de screening. Hij zou ook weer [functie 4] kunnen worden of de functie van ambtelijk secretaris van de OR kunnen verrichten.\n\n4.18. De kantonrechter is van oordeel dat de argumenten van Bevolkingsonderzoek van onvoldoende gewicht zijn om te oordelen dat bij voorbaat al duidelijk zou zijn dat herplaatsing niet mogelijk is of niet in de rede ligt en dat Bevolkingsonderzoek daarom geen herplaatsingsonderzoek hoefde te doen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Bevolkingsonderzoek een grote werkgever is met ongeveer 1000 arbeidsplaatsen en dat [verweerder] jarenlang goed heeft gefunctioneerd. De verstoring van de arbeidsrelatie is beperkt gebleven tot één leidinggevende. De kantonrechter ziet niet in dat de arbeidsrelatie met de gehele organisatie ernstig en duurzaam verstoord is geraakt. [verweerder] heeft dit betwist en Bevolkingsonderzoek heeft onvoldoende nader onderbouwd dat dit het geval zou zijn. Bevolkingsonderzoek verwijt [verweerder] dat hij met andere leidinggevenden over zijn visie op het verbetertraject heeft gesproken en dat hij een gesprek met [B] heeft opgenomen. Dit is echter onvoldoende om aan te nemen dat de arbeidsrelatie met de gehele organisatie ernstig verstoord is geraakt en dat [verweerder] in een andere functie het gezag van zijn leidinggevende niet zal accepteren. Uit de stukken in het dossier over het verbetertraject en de mediation kan ook niet de conclusie worden getrokken dat herplaatsing niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Integendeel, herplaatsing is aanvankelijk als mogelijkheid besproken en als sanctie op het niet slagen van het verbetertraject in het vooruitzicht gesteld. Bevolkingsonderzoek heeft tot slot haar stelling dat [verweerder] gelet op zijn achtergrond en werkervaring ongeschikt is voor alle overige functies binnen de organisatie onvoldoende onderbouwd. Het had op haar weg gelegen om dit concreet te onderzoeken, maar dat heeft zij niet gedaan.\n\nConclusie: de arbeidsovereenkomst zal niet worden ontbonden\n\n4.19. Op grond van het voorgaande heeft Bevolkingsonderzoek niet aannemelijk gemaakt dat herplaatsing in een andere functie binnen de redelijke termijn van artikel 7:669 lid 1 BW niet mogelijk is of niet in de rede ligt. De arbeidsovereenkomst zal daarom niet worden ontbonden.\n\nDe proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.20. De proceskosten komen voor rekening van Bevolkingsonderzoek, omdat Bevolkingsonderzoek overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.21. De uitspraak wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dat wil zeggen dat Bevolkingsonderzoek moet uitvoeren wat daar in staat, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1. wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,\n\n5.2. veroordeelt Bevolkingsonderzoek in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Bevolkingsonderzoek niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.3. verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 7:669 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 2 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 6, onder a, BW.\n\n Artikel 7:671b lid 6, onder b, BW.\n\n Artikel 7:670 lid 1 en 4 BW.\n\n Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:933 (Ecofys).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3730","2026-07-13T00:28:49.961Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":72,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":42,"updatedAt":75},"1117","ECLI:NL:RBMNE:2025:4965","ecli-nl-rbmne-2025-4965","2025-09-22T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11786538 \\ UE VERZ 25-205\n\nBeschikking van 22 september 2025\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING ZORGSPECTRUM,\n\ngevestigd te Nieuwegein,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: Zorgspectrum,\n\ngemachtigde: mr. P.W.H.M. Willems,\n\ntegen\n\n [verweerster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: mevrouw [verweerster] ,\n\ngemachtigde: mr. J.B.A.M.E. Leushuis.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n\nIn deze zaak verzoekt Zorgspectrum om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met mevrouw [verweerster] . Mevrouw [verweerster] heeft zich daar niet tegen verzet, maar zij verzoekt om een billijke vergoeding en een transitievergoeding. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek toe omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. De arbeidsovereenkomst zal daarom eindigen per\n\n1 november 2025. De kantonrechter zal bepalen dat Zorgspectrum de wettelijke transitievergoeding moet betalen. Een billijke vergoeding wordt afgewezen omdat de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties\n\n- het verweerschrift met bijlagen\n\n- de mondelinge behandeling\n\n- de pleitnota’s van de gemachtigden.\n\n2.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2025. Namens Zorgspectrum waren aanwezig [A] , [functie 1] en leidinggevende van mevrouw [verweerster] , en [B] , [functie 2] , bijgestaan door mr. Willems, de gemachtigde. Mevrouw [verweerster] was aanwezig met haar echtgenoot en haar dochter. Zij werd bijgestaan door\n\nmr. Leushuis, haar gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken. Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat vandaag de beschikking wordt gegeven.\n\n3. De achtergrond van de zaak\n\n3.1.. Mevrouw [verweerster] is sinds 1 juni 2021 in dienst bij Zorgspectrum. De functie van mevrouw [verweerster] is [functie 3] met een loon van € 2.503,12 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg (hierna: de cao) van toepassing.\n\n3.2.. Zorgspectrum verleent ouderenzorg op verschillende locaties in de regio Nieuwegein. Mevrouw [verweerster] werkt voor het onderdeel ‘ [organisatieonderdeel] ’ binnen het team ‘ [team] ’, op de locatie in [plaats] (hierna: locatie [locatie] ).\n\n3.3.. In januari 2025 heeft [A] , de leidinggevende van mevrouw [verweerster] , een melding gekregen dat volgens een bewoner door mevrouw [verweerster] ongepast gedrag heeft plaatsgevonden. [A] heeft daarover, samen met [functie 4] [C] , op 24 januari 2025 met mevrouw [verweerster] een gesprek gevoerd. In dit gesprek heeft [A] verteld dat mevrouw [verweerster] volgens een bewoner tijdens het douchen van de bewoner ongepaste (seksuele) handelingen zou hebben verricht. [A] heeft mevrouw [verweerster] meegedeeld dat daarom een onderzoek naar de melding zal worden verricht en dat zij per direct op non-actief wordt gezet. [A] heeft diezelfde dag de non-actiefstelling per brief aan mevrouw [verweerster] bevestigd en het team van het [locatie] (circa 30 medewerkers) per e-mail op de hoogte gesteld. In deze e-mail staat dat een cliënt een signaal van grensoverschrijdend gedrag heeft gegeven waarbij mevrouw [verweerster] betrokken zou zijn, dat een onderzoek door een externe partij zal volgen en dat mevrouw [verweerster] gedurende dit onderzoek op non-actief is gesteld.\n\n3.4.. Mevrouw [verweerster] heeft zich op 6 februari 2025 ziekgemeld.\n\n3.5.. Zorgspectrum heeft op 21 februari 2025 de gespreksverslagen ontvangen van de interviews die de externe onderzoeker, [D] , heeft gehouden met de bewoner die de melding had gedaan en met mevrouw [verweerster] . Zorgspectrum heeft mevrouw [verweerster] daarna uitgenodigd voor een gesprek.\n\n3.6.. Omdat een gesprek voor mevrouw [verweerster] niet mogelijk bleek, heeft Zorgspectrum mevrouw [verweerster] per brief van 13 maart 2025 geïnformeerd over de uitkomst van het onderzoek en het vervolg. Volgens Zorgspectrum kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag door mevrouw [verweerster] , ook al blijft de bewoner bij de melding. Zorgspectrum heeft in de brief meegedeeld dat met onmiddellijke ingang de vrijstelling van werkzaamheden van mevrouw [verweerster] wordt beëindigd maar dat het in het belang van alle betrokkenen is dat mevrouw [verweerster] niet terugkeert naar het [locatie] . Zorgspectrum heeft mevrouw [verweerster] daarom gevraagd om een top 3 te maken van de locaties waar zij bij voorkeur zou willen werken. Zorgspectrum heeft mevrouw [verweerster] daarbij laten weten dat [A] open staat voor een gesprek met haar, desgewenst met een mediator. Zorgspectrum heeft mevrouw [verweerster] in deze brief een minnelijke vertrekregeling voorgesteld mocht zij niet meer bij Zorgspectrum willen terugkeren.\n\n3.7.. Mevrouw [verweerster] heeft daarna een klacht ingediend tegen [A] bij de Raad van Bestuur (RvB) van Zorgspectrum. Mevrouw [verweerster] heeft Zorgspectrum toen bericht dat zij het resultaat van de klacht wil afwachten voordat zij ingaat op de opties die Zorgspectrum heeft genoemd in de brief van 13 maart 2025.\n\n3.8.. Op 24 maart 2025 heeft [E] , directeur [organisatieonderdeel] bij Zorgspectrum, mevrouw [verweerster] uitgenodigd voor een gesprek. Mevrouw [verweerster] heeft [E] in haar reactie van 28 maart 2025 onder meer laten weten dat zij eerst schriftelijke excuses wil voor het feit dat haar naam is genoemd in de e-mail van 24 januari 2025 en dat zij een door haar geaccordeerde uitleg aan de collega’s wil. Het gesprek met [E] moet volgens mevrouw [verweerster] begeleid worden door een onafhankelijke mediator.\n\n3.9.. Op 14 mei 2025 heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden tussen [E] en mevrouw [verweerster] onder leiding van [F] als neutrale gespreksbegeleider. Mevrouw [verweerster] heeft in dit gesprek gezegd dat zij niet meer terug wil naar Zorgspectrum en dat zij geen vertrouwen meer heeft in Zorgspectrum. Afgesproken is dat Zorgspectrum een concept-tekst voor een excuus en een rehabilitatiebericht zou maken dat na akkoord van mevrouw [verweerster] zal worden gedeeld met de geadresseerden van de e-mail van 24 januari 2025.\n\n3.10.. De bedrijfsarts heeft in haar rapportage van 4 juni 2025 voorgesteld dat mevrouw [verweerster] start met spoor 2, op zoek naar eigen werk bij een andere werkgever. Volgens de bedrijfsarts kan mevrouw [verweerster] terugkeren naar het eigen werk, maar zijn er knelpunten bij de werkgever.\n\n3.11.. Op 16 juni 2025 heeft [E] vanuit Zorgspectrum een rehabilitatiemail verstuurd naar de geadresseerden van de e-mail van 24 januari 2025, met een kopie aan mevrouw [verweerster] .\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.\n\n4.2.. Er is sprake van een opzegverbod (tijdens ziekte), maar dit staat niet in de weg aan het verzoek tot ontbinding omdat de kantonrechter niet is gebleken dat het ontbindingsverzoek enig verband houdt met de arbeidsongeschiktheid.\n\nHet ontbindingsverzoek op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) slaagt4.3.. Volgens Zorgspectrum is de arbeidsverhouding verstoord.Een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat wanneer de arbeidsverhouding zodanig (ernstig en\u002Fof duurzaam) is verstoord dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.\n\n4.4.. Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsverhouding tussen Zorgspectrum en mevrouw [verweerster] zodanig is verslechterd dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Zowel Zorgspectrum als mevrouw [verweerster] hebben gesteld dat zij geen vertrouwen meer hebben in een vruchtbare samenwerking. Volgens Zorgspectrum heeft mevrouw [verweerster] zich niet constructief opgesteld en heel duidelijk verwoord dat zij niet langer bij Zorgspectrum wil werken. Mevrouw [verweerster] stelt dat Zorgspectrum ernstig verwijtbaar heeft gehandeld waardoor een terugkeer voor haar is uitgesloten. Uit het procesdossier blijkt voldoende dat de verhoudingen verstoord zijn en dat vanuit mevrouw [verweerster] bezien daarvan al op 24 januari 2025 sprake was, door het gesprek met [A] en [C] en de e-mail van Zorgspectrum aan het team. Eind maart 2025, nadat Zorgspectrum op basis van het onderzoek had geconcludeerd dat grensoverschrijdend gedrag door mevrouw [verweerster] niet kon worden vastgesteld heeft mevrouw [verweerster] een klacht tegen [A] ingediend. Daarna heeft mevrouw [verweerster] tijdens het bemiddelingsgesprek met [E] op 14 mei 2025 gezegd dat zij absoluut niet terug wil naar Zorgspectrum. Mevrouw [verweerster] wilde daarna in de rehabilitatiemail aan de team-collega’s expliciet vermeld hebben dat zij niet als zorgmedewerker zou terugkeren naar Zorgspectrum. De kantonrechter is daarom van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de arbeidsverhoudingen ernstig en duurzaam zijn verstoord waardoor van Zorgspectrum niet langer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dit betekent dat er een redelijke grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Herplaatsing van mevrouw [verweerster] ligt vanwege de aard van de verstoring en wat in het kader van een werkhervatting al is geprobeerd niet in de rede. De ontbinding wordt dan ook toegewezen, onder toekenning van de transitievergoeding (waar in rechtsoverweging 4.16 nader over wordt overwogen).\n\nZorgspectrum heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld tegenover mevrouw [verweerster]4.5.. Partijen verschillen van mening of Zorgspectrum ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Dat is van belang voor de datum van ontbinding en het toewijzen van een billijke vergoeding.\n\n4.6.. Volgens mevrouw [verweerster] is sprake van ernstig verwijtbaar handelen van Zorgspectrum. Daarom verzoekt zij bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst een billijke vergoeding van € 50.000,00 bruto. Mevrouw [verweerster] stelt dat Zorgspectrum in het gesprek op 24 januari 2025 zonder voorbehoud heeft gezegd dat door haar grensoverschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden. Ook is het volgens mevrouw [verweerster] verwijtbaar dat Zorgspectrum direct na het gesprek op 24 januari 2025 een email heeft verstuurd naar het team waarin staat dat zij betrokken was bij seksueel overschrijdend gedrag. Daarna heeft Zorgspectrum mevrouw [verweerster] niet meer geïnformeerd over het onderzoek of iets van zich laten horen, zoals door het sturen van een bloemetje of een kaartje, waardoor mevrouw [verweerster] zich aan haar lot overgelaten voelde. Zorgspectrum heeft de situatie daardoor laten escaleren. De non-actiefstelling is pas half maart 2025 opgeheven in plaats van op 9 februari 2025 zoals Zorgspectrum had aangekondigd. Verder is Zorgspectrum tegen beter weten in blijven aandringen op een gesprek terwijl Zorgspectrum wist dat mevrouw [verweerster] niet wilde terugkeren naar haar werkplek.\n\n4.7.. Zorgspectrum heeft betwist dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten verder toegelicht.\n\n4.8.. Van ernstige verwijtbaarheid is alleen sprake in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.\n\n4.9.. Niet in geschil is dat Zorgspectrum een melding van grensoverschrijdend gedrag door een bewoner van haar instelling zorgvuldig moet onderzoeken. De kantonrechter stelt vast dat mevrouw [verweerster] tegen de inhoud van het onderzoek naar de melding geen verweer heeft gevoerd, maar wel tegen de duur van het onderzoek en de wijze waarop Zorgspectrum over het onderzoek en de melding heeft gecommuniceerd. De kantonrechter zal dit hierna beoordelen.\n\n- het gesprek op 24 januari 20254.10.. Mevrouw [verweerster] stelt dat [A] in het gesprek op 24 januari 2025 haar heeft gezegd dat zij de bewoner gelooft, namelijk dat mevrouw [verweerster] grensoverschrijdend gedrag heeft verricht. De kantonrechter heeft dit op basis van het dossier en wat op de zitting is verteld, niet kunnen vaststellen. Uit het verslag van dit gesprek, waarbij ook [functie 4] [C] aanwezig was, blijkt dit niet en in de schriftelijke reactie van de gemachtigde van mevrouw [verweerster] op dit verslag wordt ook niet gesteld dat [A] dit zou hebben gezegd. Tijdens de zitting heeft [A] dit ook uitdrukkelijk ontkend. Daarom acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat dit is gezegd. Mogelijk is er iets gezegd over de geloofwaardigheid van de verklaring om het nader onderzoek toe te lichten, maar daarmee is niet gezegd dat de bewoner en niet mevrouw [verweerster] werd geloofd. Nu mevrouw [verweerster] geen nader bewijs van haar stelling heeft aangeboden wordt deze gepasseerd.\n\n- de e-mail van 24 januari 20254.11.. De kantonrechter begrijpt dat het gesprek over de melding van een bewoner voor mevrouw [verweerster] heel hard is aangekomen en dat de melding voor haar allerlei ongewenste gevolgen heeft gehad, zoals dat over haar gepraat wordt door die bewoner en door collega’s. De kantonrechter kan echter niet vaststellen dat deze ongewenste gevolgen zijn veroorzaakt door het vermelden van haar naam in de e-mail van 24 januari 2025 waarmee [A] het team over het onderzoek naar de melding heeft geïnformeerd. De ongewenste gevolgen van de melding voor mevrouw [verweerster] kunnen daarom niet voor rekening van Zorgspectrum worden gebracht. Het is wel duidelijk dat [A] deze e-mail, ook gelet op de correcties daarop in de rehabilitatiemail van 16 juni 2025, wat diplomatieker had kunnen formuleren, maar de kantonrechter deelt niet het standpunt van mevrouw [verweerster] dat Zorgspectrum met de verspreiding van de e-mail van 24 januari 2025 aan het team ten opzichte van haar ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Er staan geen onwaarheden in die mail, terwijl het verzenden van een bericht vanuit de organisatie gezien de beperkte omvang van de organisatie en mogelijke geruchten op zich niet als onjuist kan worden aangemerkt.\n\n- het onderzoek4.12.. De kantonrechter is van oordeel dat het onderzoek naar de melding voldoende voortvarend is geweest. Uit de verslagen van de interviews van de onderzoeker met de bewoner en met mevrouw [verweerster] blijkt dat de interviews op 13 en op 17 februari 2025 hebben plaatsgevonden. De gemachtigde van Zorgspectrum heeft tijdens de zitting toegelicht dat op grond van de toepasselijke klachtenregeling (bijlage productie 12 verzoekschrift) voor de afhandeling van een melding – anders dan bij een formele klacht – geen duidelijke termijn geldt. Gezien de impact van het onderzoek had het wel op de weg van Zorgspectrum gelegen om mevrouw [verweerster] meer duidelijkheid te geven over het tijdsverloop van het onderzoek. Mevrouw [verweerster] dan wel de door haar reeds ingeschakelde gemachtigde had daar echter ook zelf om kunnen vragen, dat heeft zij niet gedaan. Het onderzoek naar de melding was eind februari 2025 afgerond. Zorgspectrum heeft de uitkomst toen telefonisch aan mevrouw [verweerster] meegedeeld en geprobeerd met mevrouw [verweerster] in gesprek te gaan, maar dat wilde zij niet. Zorgspectrum heeft mevrouw [verweerster] vervolgens per brief van 13 maart 2025 geïnformeerd over de uitkomst van het onderzoek en haar gevraagd andere locaties door te geven waar zij zou willen werken. De kantonrechter volgt mevrouw [verweerster] niet in haar stelling dat Zorgspectrum de situatie heeft laten escaleren door twee weken te wachten met het instellen van het onderzoek. Het eerste interview heeft op 13 februari 2025 plaatsgevonden, drie weken na het gesprek op 24 januari 2025. De kantonrechter vindt dit niet te laat nu het gebruikelijk is dat met het opstarten van een onderzoek, zeker door een extern onderzoek(st)er, enige tijd gemoeid gaat. Ook het tijdsverloop tussen het gesprek op 24 januari 2025 en de telefonische uitslag van het onderzoek aan mevrouw [verweerster] eind februari 2025, ongeveer vier tot vijf weken, is naar het oordeel van de kantonrechter niet te lang. De kantonrechter begrijpt dat de periode tussen 24 januari 2025 en de telefonische uitslag van het onderzoek voor mevrouw [verweerster] een heel onzekere tijd moet zijn geweest maar dat betekent nog niet dat deze periode zodanig lang is geweest, dat gesproken moet worden van ernstig verwijtbaar handelen op dit punt.\n\n- de non-actiefstelling\u002Fvrijstelling van werk4.13.. Zorgspectrum heeft in de e-mail van 24 januari 2025 aan het team aangekondigd dat de non-actiefperiode is gesteld tot en met 9 februari 2025. Dat de non-actiefstelling langer heeft geduurd en pas op 13 maart 2025 is beëindigd lijkt meer te zijn veroorzaakt doordat het onderzoek pas eind februari 2025 was afgerond, mevrouw [verweerster] inmiddels was ziekgemeld en zij na het onderzoek niet met Zorgspectrum in gesprek wilde. Uit de correspondentie van de zijde van mevrouw [verweerster] blijkt ook niet dat na afronding van het onderzoek is verzocht de non-actiefstelling op te heffen. De kantonrechter kan dan ook niet vaststellen dat de periode van non-actiefstelling (die later door Zorgspectrum is aangeduid als ‘vrijstelling van werk’) zonder goede reden te lang is geweest.\n\n4.14.. De overige kritiekpunten van mevrouw [verweerster] , die met name zien op de periode na het bemiddelingsgesprek op 14 mei 2025, onder meer over de financiële compensatie en het oordeel van de bedrijfsarts, toen de arbeidsverhouding al ernstig en duurzaam verstoord was, kunnen ook niet tot de conclusie leiden dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Zorgspectrum. Door de verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen worden in de brieven van Zorgspectrum zaken gelezen die daarin niet zijn terug te vinden. Bijvoorbeeld de stelling van mevrouw [verweerster] dat het advies van de bedrijfsarts in haar rapportage ‘snoeihard’ zou zijn voor Zorgspectrum. Dat kan de kantonrechter niet afleiden uit de opmerking van de bedrijfsarts in haar rapportage dat er ‘bij deze werkgever knelpunten zijn’. Ook de stelling tijdens de zitting dat Zorgspectrum nog steeds de lezing van de bewoner gelooft, is niet terug te lezen in de brief van Zorgspectrum van 13 maart 2025, waar mevrouw [verweerster] in de pleitnota naar heeft verwezen. Uit de bewoordingen van Zorgspectrum in deze brief ‘dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat de beschreven situatie van grensoverschrijdend gedrag zich heeft voorgedaan en\u002Fof dat mevrouw [verweerster] daarbij betrokken is geweest’ kan naar het oordeel van de kantonrechter niet geconcludeerd worden dat Zorgspectrum de lezing van de bewoner gelooft, zoals mevrouw [verweerster] stelt.\n\n4.15.. \n\nIn de kritiekpunten van mevrouw [verweerster] ziet de kantonrechter onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat de verstoorde arbeidsverhouding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Zorgspectrum. De impact van de melding en de non-actiefstelling voor mevrouw [verweerster] ziet de kantonrechter meer als een gevolg van het feit dat een klacht is ingediend dan als gevolg van een (verwijtbaar) handelen van Zorgspectrum. Zorgspectrum had de email van 24 januari 2025 zorgvuldiger kunnen formuleren, maar zij is daarop later teruggekomen in de rehabilitatiemail van\n\n16 juni 2025. Het tijdsverloop tussen de email en de rehabilitatiemail is mede veroorzaakt doordat mevrouw [verweerster] niet meer in gesprek wilde, zodat dit niet uitsluitend aan Zorgspectrum kan worden verweten. De conclusie is dat de verstoorde arbeidsverhouding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Zorgspectrum. Omdat een billijke vergoeding alleen kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgeverzal het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding dus worden afgewezen.\n\nDe arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 november 20254.16.. Omdat het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd en er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door Zorgspectrum, zal het einde van de arbeidsovereenkomst worden bepaald op 1 november 2025. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.\n\nZorgspectrum is aan mevrouw [verweerster] een transitievergoeding verschuldigd4.17.. Partijen zijn het erover eens dat [verweerster] recht heeft op een transitievergoeding en dat die vergoeding berekend moet worden aan de hand van de door Zorgspectrum in het verzoekschrift genoemde loonbestanddelen (punt 9.2), in totaal € 3.341,19 bruto. Bij een einde dienstverband per 1 november 2025 bedraagt de transitievergoeding € 4.922,04 bruto. Het verzoek om Zorgspectrum te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 december 2025.\n\nIntrekkingsbevoegdheid4.18.. Zorgspectrum hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.\n\nDoorbetalen van loon en het verstrekken van salarisspecificaties4.19.. Mevrouw [verweerster] heeft in het verweerschrift gevraagd om Zorgspectrum te veroordelen tot betaling van de vergoedingen zoals omschreven in randnummer 9.2 van het verzoekschrift en tot afgifte van een salarisspecificatie waarin – onder meer – deze bedragen zijn verwerkt. Niet is gesteld of gebleken dat Zorgspectrum niet langer bereid is om het salaris en de aanvullende vergoedingen uit te betalen en over deze betalingen salarisspecificaties te verstrekken. Zorgspectrum is hiertoe al gehouden op grond van de arbeidsovereenkomst. Het is daarom niet duidelijk wat het belang van mevrouw [verweerster] is bij deze veroordeling. De kantonrechter zal daarom de gevraagde veroordeling tot het doen van deze betalingen en tot het verstrekken van salarisspecificaties afwijzen.\n\nDe buitengerechtelijke kosten en de daadwerkelijk proceskosten worden afgewezen.4.20.. Omdat Zorgspectrum niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, is er geen reden om Zorgspectrum te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten en\u002Fof de daadwerkelijke proceskosten, zoals zij heeft verzocht.\n\nDe proceskosten worden gecompenseerd4.21.. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2025,\n\n5.2.. veroordeelt Zorgspectrum om aan mevrouw [verweerster] een transitievergoeding te betalen van € 4.922,04 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.3.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E.F.A. van Buitenen en in het openbaar uitgesproken mr. C.J.M. Hendriks op 22 september 2025.\n\n40160\n\nOp grond van artikel 7:671b lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\nArtikel 7:669 lid 3 BW.\n\n Artikel 7:669 lid 1 BW.\n\nZie artikel 7:669 lid 3 onder g BW.\n\nKamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3 (MvT), p. 46.\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (Juridisch secretaresse).\n\nZie artikel 7:671b lid 9 BW.\n\nZie artikel 7:671b lid 9 onder a BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:4965","2025-09-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:05.010Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":80,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":42,"updatedAt":83},"1567","ECLI:NL:RBMNE:2025:1655","ecli-nl-rbmne-2025-1655","vonnisRECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nhandelskamer\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F16\u002F581737 \u002F HA ZA 24-490\n\nVonnis van 26 februari 2025\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neiser,\n\nadvocaat mr. M.P.C. de Kramer te Tilburg,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat mr. M. Hurks te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.\n\n1. De procedure1.1.. De rechtbank beschikt over de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 5 augustus 2024, met producties 1 tot en met 39,\n\nde conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 14,\n\nde oproep voor de mondelinge behandeling, verzonden op 16 december 2024,\n\nde akte met producties van [eiser] , met aanvullende producties 40 A tot en met 45 I.\n\n1.2.. Op 20 januari 2025 heeft de zitting plaatsgevonden. Tijdens de zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt van wat er is besproken en hebben de advocaten van partijen spreekaantekeningen voorgedragen. Aan het einde van de zitting heeft de rechter bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak2.1.. \n [eiser] is op 8 februari 2024 ontslagen als statutair directeur bij [gedaagde] . Hij vindt dit ontslag onterecht. Hij vindt dat dit besluit nietig is of dat de rechtbank het besluit moet vernietigen. Daarna wil hij terugkeren als directeur en zijn werkzaamheden hervatten. Hij wil weer bij de Kamer van Koophandel worden ingeschreven als bestuurder met vertegenwoordigingsbevoegdheid en hij wil dat een rectificatie over zijn onterechte ontslag aan alle personeelsleden verstuurd wordt. Hij vordert ook dat de rechtbank voor recht verklaart dat zijn overeenkomst met [gedaagde] gezien moet worden als een arbeidsovereenkomst.\n\n2.2.. De rechtbank geeft [eiser] ongelijk. Zijn ontslag als statutair bestuurder blijft in stand en [gedaagde] hoeft hem niet te laten terugkeren als bestuurder. Hij heeft geen arbeidsovereenkomst met [gedaagde] , maar een overeenkomst van opdracht.\n\n3. BeoordelingWat is er gebeurd?\n\n3.1.. \n [eiser] was tot 8 februari 2024 statutair bestuurder van [gedaagde] . Hij tekende na een fusie in 2009 een overeenkomst van opdracht met [gedaagde] N.V. Na een reorganisatie in 2019 kreeg hij een zogenoemde overeenkomst van opdracht met [gedaagde] B.V., dat is gedaagde. [eiser] had verschillende managementfuncties binnen [gedaagde] , waaronder Directeur Operation en Sales\u002FORB .\n\n3.2.. \n [eiser] is medeoprichter van [gedaagde] . Alle oprichters van [gedaagde] zijn aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ), de houder van de niet-stemgerechtigde winstaandelen van [gedaagde] . De nog bij [gedaagde] actieve oprichters zijn daarnaast ook lid van [bedrijf 2] U.A. (de [bedrijf 2] ), de houder van de stemgerechtigde aandelen van [gedaagde] . [eiser] is aandeelhouder van [bedrijf 1] en lid van de [bedrijf 2] .\n\n3.3.. In de vergadering van 8 februari 2024 nam de raad van commissarissen van [gedaagde] het besluit om [eiser] te ontslaan.\n\nHet besluit tot ontslag van [eiser] als statutair bestuurder blijft in stand\n\nEr was geen tegenstrijdig belang\n\n3.4.. Tussen partijen is in geschil of de raad van commissarissen een tegenstrijdig belang had en daarom niet mocht beslissen over het ontslag van [eiser] als statutair bestuurder .\n\n3.5.. Van tegenstrijdig belang is sprake als een of meer commissarissen een direct of indirect persoonlijk belang heeft\u002Fhebben dat tegenstrijdig is aan het belang van de onderneming (artikel 2:250 lid 2 en 5 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 26.5 en 26.6 van de statuten van [gedaagde] ). Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.\n\n3.6.. Volgens [eiser] was bij alle commissarissen sprake van tegenstrijdig belang, omdat het in hun belang was het bestuur te ontslaan voordat het vertrouwen in de raad van commissarissen zou worden opgezegd. Dit is echter geen persoonlijk belang van een of meer commissarissen zoals bedoeld in de wet of de statuten. Het is namelijk niet een belang dat de commissarissen persoonlijk betreft, maar direct samenhangt met hun functie als commissaris.\n\n3.7.. Bovendien is het vertrouwen in de raad van commissarissen niet opgezegd. Een motie van wantrouwen is op de ledenvergadering van de [bedrijf 2] van 1 februari 2024 besproken maar niet aangenomen. Het voorstel om een onderzoek in te stellen naar het functioneren van de raad van commissarissen is afgewezen. [eiser] stelt dat de situatie was “zij eruit of wij eruit”, maar dat blijkt niet uit deze feiten.\n\n3.8.. Er was daarom geen tegenstrijdig belang bij de commissarissen. De raad was bevoegd om het ontslagbesluit te nemen. Dit besluit is daarom niet nietig en wordt ook niet vernietigd.\n\nHet hoorrecht en de raadgevende stem zijn niet geschonden\n\n3.9.. Partijen verschillen van mening of [eiser] voldoende kans heeft gehad zijn raadgevende stem als bestuurder te geven en zich te laten horen over zijn ontslag in de vergadering van aandeelhouders van 8 februari 2024.\n\n3.10.. \n [eiser] kreeg de onderbouwing van zijn ontslag op 29 januari 2024, tien dagen vóór de vergadering van aandeelhouders. Dat is voldoende tijd om zich te kunnen voorbereiden op de vergadering. De rechtbank vindt het wel begrijpelijk dat [eiser] de redenen voor zijn ontslag veel eerder wilde weten. Na de aankondiging op 19 december 2023 moest hij daar anderhalve maand op wachten. De raad van commissarissen wilde deze tijd gebruiken om met [eiser] een goede regeling te treffen, waarbij hij een andere functie kreeg binnen [gedaagde] . De raad van commissarissen heeft daarbij het belang van [eiser] om te weten wat er ten grondslag lag aan het ontslag opzijgeschoven. Dat had de raad van commissarissen niet zo moeten doen, maar dat levert nog geen schending van het hoorrecht en de raadgevende stem van [eiser] op.\n\n3.11.. Volgens [eiser] heeft hij niet alle stukken voor de vergadering ontvangen. Hij noemt specifiek de schriftelijke reactie van [bedrijf 1] aan de raad van commissarissen. Ook zonder dit stuk had [eiser] voldoende gelegenheid om zich te verweren tegen zijn ontslag. Het bestuur van [bedrijf 1] was op de vergadering aanwezig en heeft daar het standpunt van [bedrijf 1] verwoord. Het bestuur van [bedrijf 1] en [eiser] konden tijdens de vergadering naar elkaars standpunt luisteren, vragen stellen en op elkaar reageren. Dat de schriftelijke reactie niet naar [eiser] was doorgestuurd is daarom te weinig voor een schending van het hoorrecht of de raadgevende stem.\n\n3.12.. Tijdens de vergadering van aandeelhouders reageerde [eiser] met zijn advocaat uitgebreid op het voorstel en lichtte hij zijn functioneren toe. Daarmee heeft hij gebruik kunnen maken van zijn hoorrecht en raadgevende stem. [eiser] stoort zich eraan dat er weinig vragen en reacties kwamen vanuit de aandeelhouders. Dat is een keuze van de aandeelhouders. Het stond ze vrij om te reageren en vragen te stellen. De beperkte reacties doen niets af aan het besluit dat daarna door de raad van commissarissen is genomen.\n\n3.13.. Het hoorrecht en de raadgevende stem van [eiser] in de vergadering van aandeelhouders van 8 februari 2024 zijn dus niet geschonden. Ook dit is geen reden het ontslagbesluit te vernietigen.\n\nHet adviesrecht van de ondernemingsraad is niet geschonden\n\n3.14.. Op grond van artikel 30 van de Wet op de Ondernemingsraad wordt de ondernemingsraad in staat gesteld advies te geven over het voornemen tot ontslag van een bestuurder. Volgens [eiser] kreeg de ondernemingsraad daarvoor te weinig tijd. Pas op 30 januari 2024 is het advies aan de ondernemingsraad gevraagd. Als deze termijn te kort was om een advies uit te brengen, was het aan de ondernemingsraad om daarover te klagen. Dat deed de ondernemingsraad niet. [eiser] stelt ook niet dat de ondernemingsraad daarover heeft geklaagd. Kennelijk was deze korte termijn voor de ondernemingsraad voldoende om een advies uit te brengen. Het adviesrecht van de ondernemingsraad is niet geschonden en is geen reden om het ontslagbesluit te vernietigen.\n\nHet belang van de onderneming is niet geschonden\n\n3.15.. Volgens [eiser] was het ontslag van hem als statutair bestuurder in strijd met het belang van de onderneming. Hij wijst daarbij op ziekte, slecht functioneren en ontslag van andere bestuurdersleden, waardoor hij er alleen voor kwam te staan. Hij vond dat de raad van commissarissen daarbij onvoldoende steun gaf en verkeerde beslissingen nam. [gedaagde] ziet dit anders. Zij wijst op de dalende resultaten en het uitblijven van resultaten van grote projecten. De raad van commissarissen miste daarin een krachtig en doortastend optreden van het bestuur. Als bestuurder werd [eiser] daarvoor (eind)verantwoordelijk gehouden, net als de andere bestuurders. Na meerdere tegenvallende resultaten werd het hele bestuur weggestuurd. De raad van commissarissen mag die keuze maken en ervoor kiezen met een ander bestuur verder te gaan als hij vindt dat dat beter is voor de onderneming. Door het bestuur te ontslaan heeft de raad niet in strijd gehandeld met het belang van de onderneming. Dit is geen reden het besluit te vernietigen.\n\nHet ontslagbesluit was niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid\n\n3.16.. Ondanks alle verzoeken van [eiser] kwam de raad van commissarissen pas laat met de redenen van het ontslag. Zoals hierboven al is besproken had de raad van commissarissen dit eerder met [eiser] moeten bespreken in een open gesprek. Het is te begrijpen dat dit frustrerend was voor [eiser] . Dit maakt echter nog niet dat het ontslag in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.\n\n3.17.. Volgens [eiser] waren de aandeelhouders onvoldoende geïnformeerd. Dat blijkt echter nergens uit. De agenda voor deze vergadering is al op 19 december 2023 naar hen verzonden en daarin stond het voorgenomen ontslag van onder meer [eiser] als bestuurder. De stukken met toelichting op het ontslag zijn later aan de aandeelhouders gestuurd. Tijdens de vergadering lichtte [eiser] nog uitgebreid zijn mening toe. Als de aandeelhouders meer informatie wilden hebben, hadden ze daarom kunnen vragen. [eiser] stelt niet welke informatie de aandeelhouders nog meer hadden moeten krijgen. Ook op dit punt is het ontslagbesluit niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid en is er geen reden het besluit te vernietigen.\n\nConclusie\n\n3.18.. Op grond van deze redenen ziet de rechtbank geen reden waarom het besluit nietig is of moet worden vernietigd. Deze vorderingen worden afgewezen. Dat betekent dat het besluit tot ontslag van [eiser] als statutair bestuurder in stand blijft.\n\n [eiser] keert niet terug als statutair bestuurder\n\n3.19.. Zoals hiervoor is uitgelegd blijft het ontslag van [eiser] als statutair bestuurder in stand. [gedaagde] hoeft geen bericht te versturen naar de personeelsleden dat zijn ontslag onterecht was. [gedaagde] hoeft hem ook niet meer in te schrijven bij de Kamer van Koophandel als bestuurder met vertegenwoordigingsbevoegdheid. Deze vorderingen worden afgewezen.\n\n3.20.. \n [eiser] vordert ook hem toe te laten tot zijn werkzaamheden en hem toegang te verlenen tot de gebouwen en de digitale systemen van [gedaagde] . Door zijn ontslag als bestuurder heeft hij geen werkzaamheden meer bij [gedaagde] . [gedaagde] wilde afspraken maken over een andere functie binnen [gedaagde] , maar dat wilde [eiser] niet. Kennelijk vraagt [eiser] deze toegang ook niet als lid van de [bedrijf 2] en aandeelhouder. Waarom [gedaagde] hem nog toegang moet verlenen wordt niet duidelijk. Daarom wordt deze vordering ook afgewezen.\n\n [eiser] heeft geen arbeidsovereenkomst\n\n3.21.. Partijen zijn het erover oneens of de overeenkomst van [eiser] met [gedaagde] beschouwd kan worden als een arbeidsovereenkomst.\n\n3.22.. Een arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de werknemer zich verbindt in dienst van de werkgever tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten (artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek). Om te beoordelen of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de zogenaamde Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. De overeenkomst is een arbeidsovereenkomst als de rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Die beoordeling hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Daarbij kan onder andere van belang zijn de aard en duur van het werk, hoe de werkzaamheden en werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk in de organisatie van [gedaagde] , of het werk persoonlijk moet worden uitgevoerd, hoe het contract en de beloning tot stand zijn gekomen, de hoogte van de beloning, het commerciële risico en voor hoeveel opdrachtgevers hij gedurende welke periode heeft gewerkt. Dit zijn de criteria van de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest (Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443). Hierna worden de omstandigheden besproken die partijen hebben aangedragen.\n\nOvereenkomst\n\n3.23.. \n [eiser] heeft een overeenkomst van opdracht gesloten met [gedaagde] NV in 2009, met als bijlage de afspraak over zijn functie binnen [gedaagde] . In 2019 heeft hij een (vergelijkbare) overeenkomst van opdracht gesloten met [gedaagde] BV.\n\n3.24.. Pas in het kader van zijn ontslag stelt [eiser] zich op het standpunt dat dit een arbeidsovereenkomst zou zijn. Hij heeft de aard van de overeenkomst nooit eerder ter discussie gesteld, terwijl hij als statutair bestuurder , directeur en aandeelhouder wel in de positie zat om dat te kunnen bespreken. Dit onderwerp is in de afgelopen jaren namelijk wel bij [gedaagde] aan de orde geweest. Zo concludeerde BDO in 2022 dat er geen arbeidsrelatie was tussen [gedaagde] en de leden van de [bedrijf 2] . Bovendien is het onder werkgevers een actueel onderwerp of bestuurders en zzp-ers werknemers zijn. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\nArbeid, gedurende zekere tijd\n\n3.25.. \n [eiser] heeft verschillende managementfuncties gehad, als laatste was hij Directeur Operatie en Sales\u002FORB . Naar buiten toe presenteerde [eiser] zich als directeur van [gedaagde] . Dat kan zowel in het kader van een arbeidsovereenkomst als een overeenkomst van opdracht. Het is niet in geschil dat hij zijn werk persoonlijk moest uitvoeren en dat hij geen andere opdrachtgevers had naast [gedaagde] . In de overeenkomst staat ook een non-concurrentiebeding op grond waarvan [eiser] tijdens en tot twee jaar na zijn contract geen concurrerende werkzaamheden mag verrichten in andere organisaties. Het contract geeft ook recht op doorbetaling van loon bij ziekte gedurende een jaar. Deze elementen wijzen in de richting van een arbeidsovereenkomst. Deze hele constructie heeft lange tijd bestaan, namelijk vanaf 2009 tot zijn ontslag.\n\nLoon\n\n3.26.. \n [eiser] ontving geen salarisstroken met inhouding van loonbelasting en sociale premies, zoals werknemers die krijgen. Hij ontving facturen met btw, waarop geen sociale premies voorkwamen. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\nGezagsrelatie\n\n3.27.. Voor de vraag of er een gezagsverhouding is ontstaan tussen [gedaagde] en [eiser] , zoals bij een arbeidsovereenkomst, zijn meerdere aspecten van belang.\n\n3.28.. Het werk van [eiser] was organisatorisch ingebed in de organisatie. Zijn werk als directeur operations en sales maakte een wezenlijk onderdeel uit van de organisatie binnen [gedaagde] . Dat kan wijzen op een arbeidsovereenkomst. Net als de andere twee bestuursleden behoorde [eiser] tot de directie van [gedaagde] . Daarover zijn partijen het eens. De Raad van Commissarissen was bevoegd een bestuurder te benoemen en ontslaan, ongeacht of het om een arbeidsovereenkomst ging of een contract zoals [eiser] had. Dit kan zowel bij een arbeidsovereenkomst als bij een overeenkomst van opdracht aan de orde zijn. Dat heeft namelijk meer met de positie van een statutair bestuurder te maken dan met de aard van de overeenkomst.\n\n3.29.. Het is onduidelijk in hoeverre [eiser] zich moest houden aan de werktijden en protocollen van [gedaagde] . Hij hield zich eraan, maar het is niet duidelijk of hij daartoe verplicht was. Volgens [gedaagde] hoefde [eiser] zich hier niet aan te houden. [eiser] noemt ook geen concrete situaties waaruit blijkt dat hij zich aan deze interne regels moest houden of dat hij daarop is aangesproken. Hieruit blijkt niet dat van een gezagsrelatie sprake was. Het doorgeven van vakanties en het houden van functioneringsgesprekken betekenen nog niet dat er een gezagsrelatie was. Het is gebruikelijk vakantiedagen door te geven en af te stemmen binnen een organisatie. De functioneringsgesprekken kunnen ook gevoerd zijn in het kader van uitvoering van zijn opdracht onder verantwoordelijkheid van de raad van commissarissen. Deze aspecten zijn daarom mogelijk bij zowel een arbeidsovereenkomst als een overeenkomst van opdracht.\n\n3.30.. \n\nPartijen verschillen van mening wie de hoogte van het loon bepaalde. [gedaagde] heeft voldoende onderbouwd dat de lonen in 2009 zijn bepaald door de aandeelhouders van de verschillende kantoren die zijn gefuseerd. Alle oprichters van de NV die actief wilden meedoen (en die zich later hebben verenigd in de [bedrijf 2] ), hebben toen een overeenkomst van opdracht gekregen met de NV. In het overleg tussen de leden zijn afspraken gemaakt over de beloning in de verschillende functies. [gedaagde] heeft dit voldoende onderbouwd met de notulen van de vergaderingen van de leden uit 2009. Er waren 49 leden, waarvan enkele in de klankbordgroep zaten en het voortouw namen in het overleg. [eiser] zat niet in de klankbordgroep en daarmee is begrijpelijk dat hijzelf niet daadwerkelijk invloed had op de hoogte van zijn loon. Dat neemt niet weg dat de lonen door de leden van de [bedrijf 2] zijn afgesproken en dus niet door [gedaagde] zijn bepaald.\n\nDe staffel met de lonen is na 2009 niet veel gewijzigd. In de loonstaffel van 2023 is nog steeds dezelfde structuur zichtbaar. [gedaagde] heeft de lonen niet eenzijdig verlaagd. Het loon van [eiser] is alleen meegestegen met zijn functies. Het loon van [eiser] is dus niet door [gedaagde] bepaald, maar door de leden van de [bedrijf 2] . [eiser] heeft ook niet gesteld dat hij in 2009, 2019 of op een ander moment, met [gedaagde] heeft onderhandeld over de hoogte van zijn loon. Dit past niet bij een arbeidsovereenkomst, omdat daarin de werkgever de hoogte van het loon bepaalt en de werknemer eventueel nog kan onderhandelen over zijn loon. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\n3.31.. \n\nTen slotte had [eiser] een dubbele positie als directeur en (indirect) aandeelhouder. Als lid van de [bedrijf 2] heeft hij zeggenschap in de onderneming en als aandeelhouder van [bedrijf 1] deelt hij ook mee in de winst.\n\n [eiser] heeft niet betwist dat hij de grootste aandeelhouder is. De vergadering van aandeelhouders kan het vertrouwen in de raad van commissarissen opzeggen. [eiser] en een ander [bedrijf 2] -lid hebben vorig jaar een motie om dat te doen binnen de [bedrijf 2] besproken. Dit betekent dat de raad van commissarissen [eiser] als bestuurder kan benoemen en ontslaan, maar dat de leden van de [bedrijf 2] ook de raad van commissarissen kunnen wegsturen. [eiser] had daarmee een sterke positie die veel verder gaat dan een werknemer die enkele aandelen heeft in een bedrijf. Die dubbele positie en een dergelijke zeggenschap is atypisch voor een arbeidsovereenkomst. Dit wijst dus in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\nConclusie\n\n3.32.. Op grond van het bovenstaande wijzen de getekende overeenkomst, het loon volgens de facturen en de positie en zeggenschap van [eiser] op een overeenkomst van opdracht en niet op een arbeidsovereenkomst. Andere factoren, zoals de inbedding van het werk in de organisatie en het gegeven dat [eiser] geen andere opdrachtgevers had, wijzen in de richting van een arbeidsovereenkomst.\n\n3.33.. Hoewel er diverse factoren zijn die wijzen in de richting van een arbeidsovereenkomst, is naar het oordeel van de rechtbank alles afwegend sprake van een overeenkomst van opdracht. De positie en zeggenschap van [eiser] tegenover [gedaagde] wegen daarbij het zwaarst. Die staan namelijk haaks op een verhouding tussen werkgever en werknemer en zijn zo atypisch voor een arbeidsovereenkomst dat de rechtbank daar groot gewicht aan toekent. Deze verhouding tussen [eiser] en [gedaagde] maakt bovendien dat de beschermingsgedachte achter het voorkomen van schijnzelfstandigheid in dit geval niet zo zeer aan de orde lijkt. De argumenten voor een arbeidsovereenkomst geven daarom in dit geval niet de doorslag. De vordering van [eiser] wordt afgewezen.\n\nProceskosten\n\n3.34.. \n [eiser] heeft ongelijk gekregen. Hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht € 688,00\n\n- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × tarief € 614,00)\n\n- nakosten € 178,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de\n\n beslissing)\n\nTotaal € 2.094,00\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n4.1.. wijst de vorderingen af,\n\n4.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde] tot dit moment begroot op € 2.094,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,- extra betalen, plus de kosten van betekening.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. van der Knijff, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:1655","2025-04-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.472Z",20]