[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-family-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":29,"total":16,"page":25,"limit":89},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2026-04-07T00:00:00.000Z","2026-06-08T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123094","Burgerlijk Wetboek","art. 1:5 lid 2",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123095","art. 1:5 lid 9",[30,41,49,58,65,74,81],{"id":31,"ecli":32,"slug":33,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"1999","ECLI:NL:RBMNE:2026:3245","ecli-nl-rbmne-2026-3245","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F609376 \u002F FA RK 26-657\n\nVoorlopige voorzieningen\n\nBeschikking van 8 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de vader],\n\nwonende in [plaats] ,\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nadvocaat mr. D. Rezaie,\n\ntegen\n\n [de moeder],\n\nwonende in [plaats] ,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. A. Hashem Jawaheri.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift (met bijlagen) van de vader, binnengekomen op 1 april 2026;\n\nhet verweerschrift van de moeder met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken);\n\nhet bericht (met bijlagen) van de vader van 19 mei 2026 (via F9-formulier).\n\n1.2.. De verzoeken zijn behandeld tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader met zijn advocaat en S.M. Razagi als tolk;\n\nde moeder met haar advocaat en M. Abdi als tolk.\n\n2. Waar deze procedure over gaat\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar getrouwd.\n\n2.2.. Partijen hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , roepnaam: [minderjarige] .\n\n2.3.. De vader wil scheiden. Hij vraagt de rechtbank om voorlopige voorzieningen te treffen. Dat zijn tijdelijke maatregelen die gelden voor de duur van de echtscheidingsprocedure.2.4.. De vader verzoekt de rechtbank om:\n\n [minderjarige] aan de vader toe te vertrouwen;\n\nte beslissen dat alleen de vader de woning mag gebruiken.\n\n2.5.. De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader. Zij wil dat de vader niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoeken of dat de verzoeken worden afgewezen, omdat er geen sprake is van een noodzaak voor het treffen van voorlopige voorzieningen. In het geval dat de rechtbank wel oordeelt dat er sprake is van een noodzaak, verzoekt de moeder de rechtbank om:\n\n [minderjarige] aan de moeder toe te vertrouwen;\n\neen voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij de vader en [minderjarige] omgang met elkaar hebben op zaterdag en zondag van 12.00 uur tot 15.00 uur;\n\nte beslissen dat alleen de moeder de woning mag gebruiken.\n\n3. De beoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht3.1.. De Nederlandse rechter komt in deze voorlopige voorzieningenprocedure rechtsmacht toe en past daarbij Nederlands recht toe.\n\nDe beslissing3.2.. De rechtbank zal de verzoeken van de vader afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\nDe toelichting3.3.. De rechtbank is van oordeel dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat de situatie op dit moment onhoudbaar is dat de ouders niet langer gezamenlijk in één woning kunnen verblijven. De moeder heeft op de zitting toegelicht dat de ouders al jaren gescheiden van elkaar in de woning wonen en dat zij nauwelijks met elkaar communiceren. De vader heeft dit niet betwist. Voor de rechtbank staat daarom vast dat de ouders al een langere periode op de huidige manier leven. De rechtbank begrijpt dat dit geen ideale situatie is en ziet ook dat er spanningen binnen het gezin zijn. Maar volgens de rechtbank kunnen die spanningen er niet toe leiden dat één partij niet meer in de woning mag blijven. Beide ouders hebben gesteld dat zij nergens anders terecht kunnen, dus dat betekent dat één partij op straat komt te staan als de ander het uitsluitend gebruiksrecht toegewezen krijgt. Dat vindt de rechtbank niet in het belang van het gezin. Het is het belang van beide ouders dat zij ergens kunnen wonen.\n\n3.4.. De rechtbank vindt het belangrijk dat de ouders er alles aan doen om de spanningen in de woning verminderen. Op de zitting is naar voren gekomen dat de spanningen voornamelijk zien op de opvoeding van [minderjarige] . Bij het gezin is een opvoedondersteuner betrokken. De rechtbank vindt dat de ouders zich moeten inspannen om het verschil in opvoeding aan de opvoedondersteuner voor te leggen en de adviezen daarover op te volgen. Daarnaast is het belangrijk dat de ouders met elkaar aan de slag gaan om verdere afspraken te maken over de gevolgen van de echtscheiding. Uiteindelijk zal toch iemand de woning moeten verlaten en moet er een ouderschapsplan worden opgesteld. Het is de rechtbank gebleken dat de ouders daar nog helemaal niet met elkaar, met behulp van de advocaten, over hebben gesproken.\n\n3.5.. Omdat er geen zodanige conflictsituatie is, zal de rechtbank het verzoek van de vader om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem toe te kennen, afwijzen. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om [minderjarige] aan de vader toe te vertrouwen en wijst ook dat verzoek af.\n\n3.6.. De moeder heeft voorwaardelijke zelfstandige verzoeken ingediend. Gelet op het feit dat de rechtbank vindt dat er geen sprake is van een onhoudbare situatie, hoeft zij de verzoeken van de moeder verder niet te bespreken.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. wijst de verzoeken van de vader af.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. L.A.C. de Vaan, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. I.C. van Schip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3245","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:49.378Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":45,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":48},"1080","ECLI:NL:RBMNE:2026:4014","ecli-nl-rbmne-2026-4014","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F603809 \u002F FO RK 25-1557\n\nVaststelling ouderschap\n\nBeschikking van 8 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de moeder],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. A.J. Begthel,\n\ntegen\n\n [de man],\n\noverleden op [datum overlijden] 2025 in [plaats] ,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nmet als belanghebbende\n\nmr. L.M. Bongers,\n\nkantoorhoudende in Wijk bij Duurstede,\n\nals bijzondere curator over het kind [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats] .\n\n1. De procedure\n\n1.1. De moeder heeft op 8 december 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend.\n\n1.2. In de beschikking van 8 januari 2026 heeft de rechtbank mr. L.M. Bongers benoemd als bijzondere curator over [minderjarige] . De bijzondere curator vertegenwoordigt [minderjarige] in deze procedure en komt op voor zijn belang.\n\n1.3. Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:\n\nhet advies van de bijzondere curator van 27 januari 2026;\n\nhet bericht van de moeder van 11 februari 2026;\n\nhet bericht van de moeder van 30 april 2026 met bijlage.\n\n1.4. Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde moeder met haar advocaat;\n\nde bijzondere curator.1.5. Aan de heer [A.] , mevrouw [B.] (grootouders moederszijde), de heer [C.] en mevrouw [D.] (grootouders vaderszijde) is bijzondere toegang tot de zittingszaal verleend.\n\n1.6. Na de zitting heeft de moeder nog een origineel afschrift van de geboorteakte van [minderjarige] overgelegd.\n\n2. De belangrijke feiten\n\n2.1. De moeder en de man hebben een relatie gehad.\n\n2.2. De man is overleden op [datum overlijden] 2025 in [plaats] .\n\n2.3. \n\nDe moeder is vervolgens bevallen van een zoon:\n\n- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats] .\n\n2.4. \n [minderjarige] is niet erkend.\n\n2.5. De moeder heeft alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.6. Partijen hebben (of hadden) allen de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. Verzoeken en verweer3.1. De moeder verzoekt de rechtbank om het ouderschap van de man over [minderjarige] vast te stellen.\n\n3.2. Omdat de man is overleden kan hij geen verweer voeren tegen het verzoek.\n\n3.3. Hoewel de grootouders (van beide kanten) geen belanghebbenden zijn in deze procedure, merkt de rechtbank op dat zij het verzoek wel ondersteunen.\n\n3.4. De bijzondere curator adviseert de rechtbank om een DNA-onderzoek te gelasten naar de vraag of de man de biologische vader is van [minderjarige] . Als uit dit DNA-onderzoek blijkt dat de man de biologische vader is van [minderjarige] , verzoekt de bijzondere curator om het vaderschap van de man over [minderjarige] gerechtelijk vast te stellen. Ook verzoekt de bijzondere curator om daarbij te bepalen dat [minderjarige] de geslachtsnaam van de man zal dragen.\n\n4. De beoordeling\n\nConclusie4.1. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe en stelt het ouderschap vast van de man over [minderjarige] . De rechtbank zal ook bepalen dat [minderjarige] voortaan de geslachtsnaam van de man draagt. Hierna licht de rechtbank de beslissing toe.\n\nOntvankelijkheid4.2. De rechtbank zal de moeder ontvankelijk verklaren in haar verzoek, omdat zij het verzoek binnen vijf jaren na de geboorte van het kind heeft ingediend.Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de moeder inhoudelijk kan beoordelen.\n\nHet wettelijk kader4.3. Op grond van de wet kan het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, door de rechtbank worden vastgesteld op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. Dit kan op verzoek van de moeder of het kind.\n\nGeen DNA-onderzoek4.4. De rechtbank is van oordeel dat DNA-onderzoek in dit geval niet noodzakelijk is om het vaderschap van de man over [minderjarige] vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is er gelet op de stukken en wat tijdens de zitting is besproken voldoende grond om te concluderen dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Gebleken is namelijk dat de moeder en de man een bestendige relatie met elkaar hadden toen de man plotseling overleed. Op dat moment woonden zij ook met elkaar samen. Naar de buitenwereld toe hebben de moeder en de man samen bekend gemaakt dat zij in verwachting waren van een kindje, hetgeen blijkt uit de overgelegde verklaringen van familie en vrienden, Whatsappberichten en berichten van de moeder op Facebook. Daarnaast blijkt uit de overgelegde verloskundigenkaart van de moeder dat de man met de moeder mee is geweest naar afspraken bij de verloskundige en dat hij daar werd gezien als vader van het toen nog ongeboren kind. Tot slot is van belang dat ook de grootouders van beide kanten het verzoek ondersteunen en er bij alle betrokkenen geen enkele twijfel is over het verwekkerschap van de man.\n\nGeslachtsnaam4.5. De moeder heeft verklaard dat zij graag wil dat [minderjarige] de geslachtsnaam van de man zal dragen.\n\n4.6. Uit de wet volgt dat als een kind door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, het de geslachtsnaam van de moeder houdt, tenzij de moeder en de man wiens vaderschap is vastgesteld ter gelegenheid van de vaststelling gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben of van beide ouders in vrij te bepalen volgorde.Als één van de ouders voorafgaand aan de naamskeuze is overleden, dan legt de andere ouder een verklaring omtrent de naamskeuze af.\n\n4.7. In dit geval is de man overleden, zodat de ouders niet gezamenlijk een naamskeuze kunnen doen. De moeder kan op grond van de wet in dat geval alleen de naamskeuze afleggen. De rechtbank zal daarom de naamskeuze opnemen in de beslissing.\n\nUitvoerbaar bij voorraad4.8. De moeder heeft verzocht om de beslissing ‘voor zover mogelijk’ uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan de geboorteakte namelijk pas aanpassen (door een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte) wanneer de beslissing onherroepelijk is.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. \n\nstelt het ouderschap vast van:\n\n [de man], geboren op [geboortedatum 2] 1996 in [geboorteplaats] en overleden op [datum overlijden] 2025 in [plaats] ,\n\nover het kind:\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats] ;\n\n5.2. stelt vast dat de moeder heeft verklaard dat [minderjarige] de geslachtsnaam [naam]zal dragen, zodat hij zal heten:[minderjarige];\n\n5.3. wijst de verzoeken voor het overige af.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Artikel 1:207 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Artikel 1:207 lid 1 BW\n\n Artikel 1:5 lid 2 BW\n\n Artikel 1:5 lid 9 BW","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4014","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.053Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":53,"fullText":54,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":39,"updatedAt":57},"1662","ECLI:NL:RBMNE:2026:3853","ecli-nl-rbmne-2026-3853","2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F599247 \u002F FO RK 25-1114\n\nMeerderjarigverklaring\n\nBeschikking van 3 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de moeder],\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de moeder\n\nadvocaat mr. N.J. Hos,\n\nbetreffende het kind: [minderjarige].\n\nmet als belanghebbenden\n\n [grootouder1],\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de opa\n\nen\n\n [grootouder2],\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: de oma,\n\nhierna samen genoemd: de grootouders van moederszijde,\n\nmet als informant\n\n [de vader],\n\nwonende in [woonplaats 3] ,\n\nhierna te noemen: de vader.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De kinderrechter heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift van de moeder met bijlagen, binnengekomen op [geboortedatum 2] 2025;\n\nhet bericht met bijlage van de moeder van 6 november 2025;\n\nhet bericht met bijlage van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 9 december 2025;\n\nhet bericht van de moeder van 28 januari 2026;\n\nhet bericht van de opa van 4 mei 2026.\n\n1.2. Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling gehouden op 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde moeder met haar advocaat;\n\nde oma;\n\nde vader;\n\nmevrouw [A.] namens de Raad.\n\n1.3. De opa is (na afmelding) niet naar de zitting gekomen.\n\n2. De belangrijke feiten\n\n2.1. De grootouders zijn de ouders van: [de moeder], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [woonplaats 1] (hierna: de moeder).\n\n2.2. De grootouders hebben samen het ouderlijk gezag over de moeder.\n\n2.3. De moeder is bevallen van een dochter: [minderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [woonplaats 1] .\n\n2.4. De vader heeft [minderjarige] erkend. Omdat de moeder minderjarig is, is de vader niet belast met het gezag over [minderjarige] .\n\n2.5. De moeder woont bij haar vader (de opa) in [woonplaats 1] . De vader woont bij zijn ouders in [woonplaats 3] .\n\n2.6. Partijen hebben allen de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1. De moeder verzoekt de kinderrechter om haar meerderjarig te verklaren.\n\n3.2. De grootouders en de vader zijn het eens met het verzoek.\n\n4. De beoordeling\n\nConclusie4.1. De kinderrechter wijst het verzoek toe en verklaart de moeder meerderjarig. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\nWettelijk kader4.2. Zoals vermeld, is de moeder minderjarig. Dit heeft tot gevolg dat zij onbevoegd is om het gezag over haar kind uit te oefenen.Dit betekent dat de moeder geen beslissingen mag nemen over [minderjarige] . In dit soort gevallen kan de kinderrechter een voogd over het kind benoemen.\n\n4.3. De kinderrechter kan ook een minderjarige vrouw van zestien of zeventien jaar meerderjarig verklaren als de vrouw haar kind wil verzorgen en opvoeden als degene die het gezag heeft. Dit verzoek wordt alleen toegewezen als de kinderrechter dit in het belang van de moeder en haar kind wenselijk vindt.\n\nToelichting4.4. De kinderrechter is net als de Raad van oordeel dat het in het belang van de moeder en [minderjarige] is dat de moeder meerderjarig wordt verklaard en het gezag over [minderjarige] krijgt. Uit het onderzoek van de Raad blijkt dat de moeder goed in staat is om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden. De moeder is nog jong en haar zwangerschap was onverwacht, maar zij toont desondanks haar verantwoordelijkheid als moeder. Daarnaast is er een warm en betrokken netwerk. De vader is ook veel betrokken en ondersteunt de moeder in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Ook de ouders van de moeder zijn betrokken en ondersteunen haar waar nodig. Alle betrokkenen staan bovendien achter de meerderjarigverklaring van de moeder. Tot slot staat de moeder open voor hulpverlening indien nodig. De kinderrechter is dan ook voldoende op toegerust dat moeder (en vader) op het moment dat zij wel een hulpvraag hebben hiervoor contact zullen opnemen met het wijkteam.\n\nGezag en ingangsdatum4.5. De meerderjarigverklaring kan niet eerder ingaan dan per de datum van deze beschikking. Door de meerderjarigverklaring krijgt de moeder van rechtswege het gezag over [minderjarige] .\n\nUitvoerbaar bij voorraad4.6. De moeder heeft verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. De kinderrechter zal dit verzoek toewijzen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1. verklaart [de moeder], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [woonplaats 1] , meerderjarig;\n\n5.2. stelt vast dat [de moeder], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [woonplaats 1] , door haar meerderjarigverklaring het ouderlijk gezag krijgt over haar dochter:[minderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [woonplaats 1] ;\n\n5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Artikel 1:246 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Artikel 1:253q lid 2 BW\n\n Artikel 1:253ha BW","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3853","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.257Z",{"id":59,"ecli":60,"slug":61,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":53,"fullText":62,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":39,"updatedAt":64},"1670","ECLI:NL:RBMNE:2026:3855","ecli-nl-rbmne-2026-3855","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F590851 \u002F FO RK 25-347\n\nBeschikking van 3 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming Regio Noord-Holland,\n\ngevestigd in Haarlem,\n\nhierna te noemen: de Raad\n\nmet als belanghebbende\n\nSamen Veilig Midden-Nederland,\n\ngevestigd in Utrecht,\n\ngecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De rechtbank heeft eerder in deze zaak een beschikking gegeven op 15 oktober 2025. Voor het verloop van de procedure tot die datum verwijst de rechtbank naar de vorige beschikking.\n\n1.2. Daarna heeft de rechtbank nog de volgende stukken ontvangen:\n\nhet SAVE Evaluatie & Vervolgplan van de GI van 12 maart 2026;\n\nde brief van de GI van 13 april 2026;\n\nhet rapport van de Raad van 16 april 2026.\n\n1.3. Het verzoek is verder behandeld tijdens de mondelinge behandeling van 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nmevrouw [A.] namens de Raad;\n\nmevrouw [B.] namens de GI (die digitaal bij de zitting aanwezig was).\n\n2. Waar gaat deze procedure over?\n\n2.1. \n\nMet behulp van Stichting De Beschermde Wieg is geboren:\n\n- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] .\n\n2.2. Bij de rechtbank zijn geen gegevens bekend over de moeder. Op de geboorteakte van [minderjarige] staan ook geen persoonsgegevens van de moeder. De burgemeester heeft de geboorte aangegeven.\n\n2.3. Uit de informatie van de melder van de geboorte bij de Raad blijkt dat de moeder minderjarig is en onder toezicht staat van de GI.2.4. De biologische vader van [minderjarige] is onbekend.\n\n2.5. \n [minderjarige] verblijft in een pleeggezin.\n\n2.6. In de beschikking van [datum] 2025 heeft de rechtbank de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] .\n\n2.7. De Raad verzoekt om de GI te belasten met de voogdij over [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n2.8. De GI heeft zich bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen.\n\n3. De verdere beoordeling\n\nConclusie3.1. De rechtbank wijst het verzoek toe en belast de GI met de voogdij over [minderjarige] . De beslissing wordt hierna toegelicht.\n\nWettelijk kader3.2. Zoals vermeld zijn er geen gegevens van de moeder vermeld op de geboorteakte. Er is dus geen ouder bekend die het gezag kan uitoefenen.\n\nToelichting3.3. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat de GI wordt belast met de voogdij over hem. Er moet namelijk iemand zijn die de belangrijke beslissingen over [minderjarige] kan nemen omdat hij minderjarig is. De Raad adviseert de rechtbank om de GI met de voogdij te belasten. Evenals de Raad vindt ook de rechtbank het belangrijk dat de GI als neutrale partij wordt belast met de voogdij. Een neutrale partij zal in het belang van [minderjarige] handelen en niet met conflicterende belangen te maken hebben. De Raad heeft ook een bereidverklaring van de GI overgelegd.\n\nGegevens van de moeder3.4. De rechtbank heeft in de vorige beschikking aan de GI de opdracht gegeven om te onderzoeken of het mogelijk is om de naam van de biologische moeder op te nemen op de geboorteakte van [minderjarige] . Vervolgens heeft de GI in samenwerking met de Raad een moreel beraad georganiseerd onder begeleiding van een externe ethicus. Bij het moreel beraad waren aanwezig twee juristen (één van de GI en één van de Raad), drie gedragswetenschappers (van verschillende SAVE-locaties, waaronder één onafhankelijk deelnemer), de voogd, twee gezinsvoogden van de moeder, de betrokken medewerker van de Raad en een vertegenwoordiger van pleegzorg. Tijdens het moreel beraad zijn risico’s en zorgen naar voren gekomen waardoor de GI heeft besloten om de naam van de biologische moeder op dit moment niet bekend te maken en deze niet in de geboorteakte van [minderjarige] op te laten nemen. De reden hiervoor is dat openbaarmaking van deze informatie niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht. Integendeel, het delen van deze informatie kan ernstige negatieve gevolgen hebben voor het welzijn en de veiligheid van de biologische moeder, hetgeen indirect ook het belang van [minderjarige] schaadt.\n\n3.5. De rechtbank begrijpt dat niet op korte termijn gegevens van de moeder op de akte van geboorte vermeld zullen worden en dat het gezagsvacuüm zal blijven bestaan. De rechtbank acht het daarom in het belang dat de voorlopige maatregel wordt vervangen door benoeming van SAVE als voogd. Tijdens de zitting is besproken dat de GI het besluit rondom het ontbreken van oudergegevens regelmatig zal herzien en evalueren. Mocht het op termijn wel mogelijk zijn om de gegevens van de moeder op te nemen op de geboorteakte, is de GI op de hoogte hoe een dergelijk verzoek ingediend moet worden. De rechtbank heeft er dan ook voldoende vertrouwen in dat de GI haar taak serieus neemt en zorgvuldig uitvoert.\n\nAchterhalen identiteit moeder op latere leeftijd [minderjarige]3.6. Tijdens de zitting zijn ook de mogelijkheden besproken over hoe [minderjarige] op een latere leeftijd informatie kan krijgen over zijn afkomst en de identiteit van de moeder. Zowel de Raad als de GI hebben de gegevens van de moeder in het dossier van [minderjarige] opgeslagen en hebben verklaard dat [minderjarige] later zijn dossier kan opvragen. De rechter heeft de GI ook gewezen op de mogelijkheid om de persoonsgegevens van de moeder op te laten nemen in een akte bij de notaris.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad3.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing meteen geldt, ook als er hoger beroep tegen de beslissing wordt ingesteld.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1. belast stichting Samen Veilig Midden-Nederland, locatie Utrecht, met de voogdij over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ;\n\n4.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3855","2026-07-13T00:29:32.640Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":69,"fullText":70,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":39,"updatedAt":73},"2002","ECLI:NL:RBMNE:2026:3638","ecli-nl-rbmne-2026-3638","2026-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F609823 \u002F JE RK 26-519\n\nDatum uitspraak: 26 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden Nederland, gevestigd te Utrecht,\n\nhierna te noemen GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nadvocaat mr. H.M. Hooijer,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats 2] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen van 9 april 2026;\n\nhet Evaluatie & Vervolgplan van SAVE van 10 april 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 1 mei 2025;\n\nhet bericht van de moeder, met als bijlage het verslag van [naam] , binnengekomen bij de rechtbank op 20 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader;\n\n- de moeder met haar advocaat, mr. H.M. Hooijer;\n\n- [A.] , een vertegenwoordiger van de GI.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat weergegeven wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.1.4.. De kinderrechter heeft direct na de zitting mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking daarvan.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] woont bij zijn moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 juni 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 3 juni 2026.\n\n3. Het verzoek\n\nDe GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\nBeide ouders stemmen in met de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar hebben beiden ook zorgen over de geringe vooruitgang die in de afgelopen periode is geboekt.\n\n5. De beoordeling\n\nDe beslissing5.1.. \n\nDe kinderrechter zal het verzoek van de GI toewijzen en ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van een jaar, te weten tot 3 juni 2027. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\nDe toelichting5.2.. Uit de stukken en het gesprek op de zitting volgt dat nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek voor een ondertoezichtstelling. De ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] is het afgelopen jaar onvoldoende verminderd. Het is een zwaar jaar geweest voor zowel [minderjarige] als de ouders. De school van [minderjarige] heeft ernstige zorgen geuit en aangegeven dat hulpverlening noodzakelijk was, omdat [minderjarige] door zijn emoties onvoldoende aan leren toekwam. De inzet van [naam] en mogelijk daaropvolgende therapie was voor de school aanleiding om [minderjarige] op zijn huidige leerlijn te laten blijven. Positief is dat op de zitting naar voren is gekomen dat het de laatste weken beter lijkt te gaan op school en dat [minderjarige] overgaat naar groep vijf.5.3.. Ook rondom de omgang met de vader blijven veel zorgen bestaan. Hoewel de omgangsmomenten zelf goed lijken te verlopen, is sprake van veel spanning voorafgaand aan en na afloop van de omgang. De belasting voor [minderjarige] lijkt groot. Daarnaast is zijn gezondheid kwetsbaar. Hij heeft het afgelopen jaar tweemaal een longontsteking gehad en kampt regelmatig met keel- en oorontstekingen. Mogelijk maken de spanningen hem extra vatbaar. Verder is duidelijk geworden dat [minderjarige] veel weerstand laat zien ten aanzien van de omgang. De huidige vorm van omgang lijkt op dit moment het maximaal haalbare voor hem. De omgang zal voorlopig zelfs tijdelijk worden stopgezet in afwachting van het hulpverleningsoverleg van 28 mei 2026 en de conclusies en vervolgstappen die daaruit voortvloeien.5.4.. De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij het lastig vindt dat tijdens de omgang veel voorwaarden gelden, waardoor hij het gevoel heeft zijn vaderrol onvoldoende te kunnen vervullen. Hoewel de vader niet tegen verlenging van de ondertoezichtstelling is, wil hij wel dat er veranderingen komen in de aanpak rondom de omgang. Daarnaast heeft de vader aangegeven weinig vertrouwen te hebben in de betrokken medewerker van [naam] . De kinderrechter begrijpt dat dit de samenwerking bemoeilijkt, maar benadrukt dat het aan de GI is om te beoordelen welke hulpverlening noodzakelijk is voor [minderjarige] .5.5.. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat ook zij inziet dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog onvoldoende zijn bereikt. Volgens haar is dit daarom niet het moment om de hulpverlening vanuit de GI te beëindigen. Zij vindt het wel teleurstellend dat de gestelde doelen nog onvoldoende zijn behaald. Daarnaast ervaart ook de moeder de situatie als zwaar, onder meer doordat zij [minderjarige] telkens opnieuw moet motiveren voor de omgangsmomenten.5.6.. De kinderrechter acht de verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om de ingezette hulpverlening voort te zetten. Zonder deze hulpverlening is onvoldoende duidelijk hoe de situatie zich verder zal ontwikkelen en is er onvoldoende zicht op een oplossing.5.7.. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, volgt dat [naam] momenteel de basis legt voor verdere therapie voor [minderjarige] , waaronder speltherapie. Deze hulpverlening moet bijdragen aan meer duidelijkheid over wat er bij [minderjarige] speelt en waar zijn weerstand richting de vader vandaan komt. Daarnaast zal de GI aandacht moeten blijven besteden aan de verhouding tussen de ouders. Er is sprake van minimale communicatie tussen hen en de onderlinge spanningen zijn voor [minderjarige] merkbaar.5.8.. De kinderrechter acht het daarbij van belang dat meer zicht komt op de achtergrond van de ouderrelatie en de invloed daarvan op de huidige problematiek. De GI heeft ervoor gekozen de MASIC niet af te nemen. Zonder voldoende inzicht in de achterliggende dynamiek tussen de ouders is het echter lastig om goed te beoordelen wat van beide ouders mag worden verwacht in het verbeteren van hun onderlinge contact en daarmee in het verminderen van de spanningen voor [minderjarige] .4.10.. Omdat de doelen binnen de ondertoezichtstelling het afgelopen jaar onvoldoende zijn behaald, acht de kinderrechter het van belang dat de GI zich het komende jaar blijft richten op de volgende doelen:\n\n- de ouders betrekken [minderjarige] niet bij hun volwassenproblematiek en [minderjarige] mag zonder oordeel van de ouders met beiden in contact zijn. [minderjarige] weet wanneer hij zijn vader en moeder ziet en kan spreken. Hij ervaart dat het contact oké is en door beide ouders wordt toegestaan en ondersteund;\n\n- [minderjarige] moet gaan voelen dat beide ouders hem begrijpen en oog hebben voor zijn eigen beleving van wat er in het verleden is gebeurd;\n\n- de ouders zijn met elkaar in contact als het om [minderjarige] gaat. Denk hierbij bijvoorbeeld aan school- en medische zaken en ophalen\u002Fafzetten van [minderjarige] ;\n\n- [minderjarige] krijgt de hulpverlening die de GI passend vindt en ouders moeten hier aan meewerken.\n\nUitvoerbaar bij voorraad5.9.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 3 juni 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 8 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\nCL","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3638","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:49.479Z",{"id":75,"ecli":76,"slug":77,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":69,"fullText":78,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":39,"updatedAt":80},"2010","ECLI:NL:RBMNE:2026:3643","ecli-nl-rbmne-2026-3643","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Utrecht\n\nZaaknummers: C\u002F16\u002F609218 \u002F JE RK 26-460 en C\u002F16\u002F609422 \u002F JE RK 26-482\n\nDatum uitspraak: 26 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter\n\nin de zaak C\u002F16\u002F609218 \u002F JE RK 26-460, de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden Nederland, gevestigd te Utrecht,\n\nhierna te noemen GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. G.G. Kempenaars uit Almere,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nin de zaak C\u002F16\u002F609422 \u002F JE RK 26-482, de zaak van\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. G.G. Kempenaars uit Almere,\n\ntegen\n\nde gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden Nederland, gevestigd te Utrecht,\n\nhierna te noemen GI,\n\n De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nIn de zaak met zaaknummer C\u002F16\u002F609218 \u002F JE RK 26-460:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 27 maart 2026;\n\n- de brief van de moeder van 6 mei 2026.\n\nIn de zaak met zaaknummer C\u002F16\u002F609422 \u002F JE RK 26-482:\n\n- het verzoekschrift van de moeder, ontvangen op 1 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader,\n\n- de moeder met haar advocaat;\n\n- [A.] en [B.] namens de GI.\n\nDe gezinshuisouders zijn ook opgeroepen, maar hebben zich voor de zitting afgemeld.1.3.. De kinderrechter heeft beide zaken gelijktijdig behandeld.\n\n1.4.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met de kinderrechter te praten.\n\n1.5.. De kinderrechter heeft direct na de zitting mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking daarvan.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] verblijft in een gezinshuis.\n\n2.3.. De kinderrechter heeft bij beschikking van 31 mei 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 31 mei 2025. De ondertoezichtstelling is steeds verlengd, voor het laatst tot 31 mei 2026.\n\n2.4.. De kinderrechter heeft op 23 september 2024 een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gezinshuis of pleeggezin. Daarna is de machtiging tot uithuisplaatsing steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 19 november 2025 tot 31 mei 2026.\n\n3. De verzoekenIn de zaak met zaaknummer C\u002F16\u002F609218 \u002F JE RK 26-4603.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\nIn de zaak met zaaknummer C\u002F16\u002F609422 \u002F JE RK 26-4823.2.. De moeder verzoekt primair te bepalen dat de GI de omgang tussen de moeder en [minderjarige] uit moet breiden in duur en frequentie. Daarnaast wil de moeder dat de GI een gefaseerd opbouwschema opstelt, gericht op het realiseren van overnachtingen bij de moeder om zo de mogelijkheid van terugplaatsing beter te kunnen onderzoeken. De moeder verzoekt subsidiair om te beslissen zoals de rechtbank juist acht. De moeder verzoekt de beslissing voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\nDe ouders zijn het niet eens met de verzoeken van de GI.\n\n5. De beoordeling\n\nDe ondertoezichtstelling\n\nHet juridisch kader5.1.. Op grond van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen als de minderjarige in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Daarnaast moet er sprake zijn van de situatie dat de ouders de hulp die nodig is om die bedreiging weg te nemen, niet of niet genoeg accepteren. Tot slot moet bij de kinderrechter wel de verwachting bestaan dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige zelf weer kunnen dragen. Op grond van artikel 1: 260 BW kan de kinderrechter deze ondertoezichtstelling met een jaar verlengen.\n\nDe toelichting5.2.. Uit de stukken en het gesprek op de zitting volgt dat nog steeds is voldaan aan deze wettelijke criteria.5.3.. Er is nog altijd sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] moet kunnen opgroeien in een omgeving waar hij de ruimte krijgt om zich vrij te ontwikkelen, te exploreren en zijn eigen behoeften en grenzen aan te geven. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat hiervoor in de thuissituatie bij de moeder onvoldoende ruimte is. Daarover bestonden ten tijde van de start van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing al grote zorgen vanuit school en de betrokken hulpverlening. Ook bleek in die periode dat de ingezette hulpverlening niet langer welkom was bij de moeder, waardoor er onvoldoende zicht was op [minderjarige] en verbetering van de situatie niet mogelijk was.\n\n5.4.. De kinderrechter stelt vast dat deze situatie op dit moment onvoldoende is veranderd. De moeder ontkent nog steeds de zorgen die door verschillende betrokken instanties en personen worden geuit. Zij ziet geen noodzaak voor hulpverlening voor zichzelf en heeft geen hulpvraag kunnen formuleren op basis waarvan passende hulpverlening kon worden ingezet. Hierdoor is het niet mogelijk om oplossingen te bedenken om de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder thuis te verbeteren.\n\n5.5.. De omgangsbegeleiding beschrijft zorgen en deze zorgen worden bevestigd door andere betrokkenen, zoals de uitvoerend jeugdbeschermer en personen die in de buurt zijn tijdens de omgangsmomenten. Deze zorgen gaan onder meer over de conflicten die de moeder opzoekt tijdens de omgang met onder andere de omgangsbegeleider, maar ook met toevallige personen zoals andere kinderen en begeleiders op een voetbalveldje. Deze situaties zorgen er voor dat [minderjarige] veel stress ervaart. De kinderrechter maakt zich daarbij ook zorgen over de uitlatingen van de moeder tijdens de zitting over het dragen van capuchons tijdens de omgang vanwege overvliegende helikopters. De moeder heeft op de zitting verklaard dat zij denkt dat zij en [minderjarige] mogelijk vanuit de lucht in de gaten worden gehouden tijdens de omgangsmomenten. Deze uitlatingen versterken de zorgen van de kinderrechter over de belastbaarheid van de moeder en haar vermogen om aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] .5.6.. De kinderrechter weegt daarbij mee dat [minderjarige] zich momenteel positief ontwikkelt in het gezinshuis. Hij laat groei zien in het omgaan met emoties en grenzen, ontwikkelt meer zelfvertrouwen en functioneert goed op school en in sociale contacten. Het is in zijn belang dat deze ontwikkeling behouden blijft en zich verder door kan zetten.5.7.. De doelen die aan de ondertoezichtstelling ten grondslag liggen zijn nog niet behaald. Voortzetting van de ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk. De doelen voor de komende periode luiden als volgt:\n\n- [minderjarige] groeit op in een omgeving waarin hij toekomt aan zijn ontwikkeltaken, passend bij zijn leeftijd;\n\n- het is duidelijk waar [minderjarige] opgroeit;\n\n- [minderjarige] heeft contact en omgang met zijn beide ouders;\n\n- [minderjarige] kan omgaan met zijn emoties en heeft nare gebeurtenissen verwerkt;\n\n- [minderjarige] wordt ondersteund bij het omgaan met een ouder met Alzheimer en een ouder met psychische problemen.\n\n5.8.. Verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar is passend. Er is sprake van zorgelijke problematiek en de stappen die moeten leiden tot een oplossing moeten nog gezet worden.\n\nDe machtiging tot uithuisplaatsing\n\nHet juridisch kader4.9.. Wanneer er een ondertoezichtstelling is, kan een minderjarige alleen met een machtiging tot uithuisplaatsing ergens anders verblijven. Op grond van artikel 1:265b BW kan de kinderrechter een minderjarige uithuisplaatsen als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c, tweede lid, BW kan de kinderrechter de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.\n\nDe toelichting5.10.. De kinderrechter is van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .5.11.. Hoewel de vader en de moeder vinden dat [minderjarige] weer bij zijn moeder moet wonen, vindt de kinderrechter dat [minderjarige] op dit moment nog niet terug naar huis kan. De situatie bij de moeder is onvoldoende veranderd ten opzichte van het moment waarop de uithuisplaatsing werd uitgesproken. Er is nog geen hulpverlening voor de moeder van de grond gekomen, de moeder ziet zelf geen zorgen en de kinderrechter heeft onvoldoende vertrouwen dat [minderjarige] momenteel bij de moeder voldoende veilig en stabiel kan opgroeien.\n\n5.12.. Daartegenover staat dat [minderjarige] zich juist goed ontwikkelt in het gezinshuis. Hij ervaart daar rust, voorspelbaarheid en stabiliteit. Daarnaast loopt momenteel een uitgebreid traject bij [naam] , bestaande uit NIKA en een To-the-Point-traject, waarin wordt onderzocht wat het perspectief van [minderjarige] is en wat nodig is om de opvoedsituatie bij de moeder te verbeteren. Het is noodzakelijk om eerst de resultaten van dit onderzoek af te wachten voordat verdere stappen richting uitbreiding van contact of een mogelijke thuisplaatsing kunnen worden gezet. Daarbij merkt de kinderrechter op dat het belangrijk is dat de moeder meewerkt aan eventuele adviezen die uit dit traject volgen.\n\n5.13.. De kinderrechter acht het passend om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van zeven maanden, te weten tot 31 december 2026 en de beslissing voor het overige aan te houden. De verwachting is dat dan uitkomsten uit het gestarte traject bekend zijn. Op die manier kan de kinderrechter dan opnieuw toetsen welke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden en welke conclusies uit het onderzoek volgen.\n\nDe omgang\n\nHet juridisch kader4.14.. \n\nDe kinderrechter vat het verzoek van de moeder op als een verzoek gegrond op artikel 1:262f BW. Dit artikel geeft ouders het recht om de kinderrechter te verzoeken de omgangsregeling met hun uit huis geplaatste kind vast te stellen of uit te breiden.\n\nDe toelichting4.15. De moeder verzoekt uitbreiding van de omgangsmomenten met [minderjarige] en wil toewerken naar logeermomenten en een eventuele terugplaatsing. De kinderrechter begrijpt deze wens van de moeder en stelt vast dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en graag betrokken wil zijn bij zijn leven.\n\n4.16.. De kinderrechter is tegelijkertijd van oordeel dat op dit moment nog onvoldoende ruimte bestaat voor uitbreiding van de omgang. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er tijdens de omgangsmomenten nog onvoldoende rust en ontspanning is. [minderjarige] ervaart spanning tijdens de omgang en probeert situaties te voorkomen of op te lossen die ontstaan door gedrag van de moeder richting begeleiders of andere betrokkenen. Dat is niet passend bij zijn leeftijd en het is niet zijn verantwoordelijkheid.5.17.. Het is daarom niet in het belang van [minderjarige] om vooruitlopend op de resultaten van het lopende NIKA- en To-the-Pointtraject de omgang al uit te breiden. Anders dan de advocaat van de moeder heeft betoogd, acht de kinderrechter het niet verantwoord om “maar te proberen” of meer omgang mogelijk is. Er zijn namelijk nog steeds ernstige zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder en de invloed daarvan op de ontwikkeling van [minderjarige] .5.18.. Wel begrijpt de kinderrechter dat het traject lang duurt. De kinderrechter verwacht daarom van de GI dat als uit het lopende traject eerder dan bij de eindconclusie concrete adviezen volgen over uitbreiding of wijziging van de omgang, deze actief met de moeder worden besproken en serieus worden onderzocht.5.19.. Het verzoek van de moeder zal, gelet op het voorgaande, worden afgewezen.\n\nUitvoerbaar bij voorraad5.19.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 31 mei 2027;\n\n6.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 31 december 2026;6.3.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;6.4.. houdt de beslissing op het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan;6.5.. wijst het verzoek van de moeder tot uitbreiding van de omgang af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 8 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\nCL\n\n Artikel 1:265a BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3643","2026-07-13T00:29:49.772Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":85,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":39,"updatedAt":88},"1866","ECLI:NL:RBMNE:2026:3455","ecli-nl-rbmne-2026-3455","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F604599 \u002F FO RK 25-1620\n\nhoofdverblijfplaats en zorgregeling\n\nBeschikking van 7 april 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de vader],\n\nwonende in [plaats] , gemeente Utrechtse Heuvelrug,\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nadvocaat mr. D.I.A. Schröder,\n\ntegen\n\n [de moeder],\n\nwonende in [plaats] , gemeente Utrechtse Heuvelrug,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. A.Y.M. Jansse.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift van de vader (met bijlagen), binnengekomen op 22 december 2025;\n\nhet bericht van de moeder (met bijlagen), binnengekomen op 23 februari 2026;\n\nde akte aanvullend verzoek van de vader (met bijlagen), binnengekomen op 24 februari 2026.\n\n1.2.. De rechtbank heeft aan de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de zonen van de ouders, gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. Zij hebben beiden op 18 februari 2026 met de kinderrechter gesproken.\n\n1.3.. De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 2 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader met zijn advocaat,\n\nde moeder met haar advocaat,\n\nmevrouw [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming,\n\nmevrouw [persoon 2] , namens Samen Veilig Midden-Nederland, als informant.\n\n2. Waar de procedure over gaat\n\n2.1.. Het geregistreerd partnerschap van de ouders is ontbonden op 24 juni 2024.\n\n2.2.. \n\nDe kinderen van de ouders zijn:\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] .\n\n2.3.. De kinderen wonen bij de moeder. Zij hebben geen contact meer met de vader.\n\n2.4.. De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. Dit betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over de kinderen nemen.\n\n2.5.. \n\nDe kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 juli 2024 de kinderen onder toezicht gesteld van Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: de GI). Op\n\n19 juni 2025 is de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 4 juli 2026.\n\nBij beschikking van 23 december 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de ondertoezichtstelling van de kinderen op verzoek van de GI tussentijds opgeheven met ingang van 23 december 2025.\n\n2.6.. Bij beschikking van 2 maart 2023 heeft deze rechtbank een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij de man en de vrouw in de vorm van “birdnesting” voor de kinderen zorgden.\n\n2.7.. Bij beschikking van 5 december 2024 heeft de rechtbank de voorlopige zorgregeling gewijzigd in die zin dat [minderjarige 2] voorlopig vier dagen per veertien dagen achter elkaar bij de vader zal verblijven. Voor [minderjarige 1] is geen zorgregeling vastgelegd. De definitieve beslissing over de zorgregeling is aangehouden in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling.\n\n2.8.. Bij beschikking van 9 juli 2025 heeft de rechtbank de zorgregeling wederom gewijzigd en bepaald dat de GI de regie heeft over het contactherstel en de mogelijke opbouw van het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en de vader en [minderjarige 2] .\n\n2.9.. \n\nDe vader verzoekt de rechtbank nu:\n\nPrimair:\n\nHet hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te wijzigen, in die zin dat zij hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben;\n\nSubsidiair:\n\nI. Primair: een zorgregeling vast te leggen waarbij de kinderen gedurende de ene week bij de vader verblijven en de andere week bij de moeder, enzovoorts;\n\nSubsidiair: een andere zorgregeling vast te stellen zoals uw rechtbank in goede justitie meent te behoren;\n\nII. Te bepalen dat de moeder de zorgregeling zoals in de in deze te wijzen beschikking door uw rechtbank zal worden vastgesteld nakomt, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere overtreding, met een maximum van € 10.000,-;\n\nIII. De vader te machtigen om nakoming van de zorgregeling zoals in de in deze te wijzen beschikking door uw rechtbank zal worden vastgelegd, na verbeurte van het maximum van € 10.000,- aan dwangsommen, door middel van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen;\n\nMeer subsidiair:\n\nDe moeder te bevelen om de vader per e-mail te consulteren en minimaal eenmaal per maand per e-mail te informeren over het welzijn van de kinderen en gewichtige aangelegenheden aangaande de kinderen en daarbij per kind ten minste twee recente foto’s per e-mail aan de vader te verstrekken.\n\n2.10.. De moeder heeft verweer gevoerd.\n\n3. De beoordeling\n\nDe beslissing3.1.. De rechtbank zal de verzoeken van de vader over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling afwijzen. De rechtbank zal daarnaast beslissen dat de moeder eens per drie maanden informatie over de kinderen zal sturen aan de vader, met daarbij eensper zes maanden een recente foto van de kinderen. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.\n\nDe hoofdverblijfplaats en zorgregeling3.2.. De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van de kinderen niet wijzigen. Evenmin zal de rechtbank een zorgregeling vaststellen tussen de vader en de kinderen. Dit wordt hierna uitgelegd.\n\n3.3.. Partijen zijn er niet in geslaagd om samen een ouderschapsplan op te stellen toen zij uit elkaar gingen, waarna de rechtbank beslissingen heeft genomen over (onder meer) de zorgregeling tussen de vader en de kinderen. [minderjarige 1] heeft sinds april 2023 geen contact meer met de vader en sinds december 2024 heeft ook [minderjarige 2] geen contact meer met de vader. In juli 2024 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. In het kader van de ondertoezichtstelling is hulpverlening ingezet van EchtKinderachtig en Youké. Pogingen om het contact tussen de kinderen en de vader te herstellen zijn tot nu toe niet gelukt. De kinderen zijn stellig in hun mening dat zij nu geen contact met de vader willen. De vader kan zich hier niet bij neerleggen.\n\n3.4.. \n\nYouké heeft een gezinsdiagnostisch onderzoek uitgevoerd om te onderzoeken of en op welke manier gewerkt zou kunnen en moeten worden aan contactherstel tussen de vader en de kinderen. In het rapport van 18 september 2025 zijn vijf oplossingsrichtingen uitgewerkt, met ieder hun voor- en nadelen. In vier van de vijf opties wordt ingezet op een plaatsing van [minderjarige 1] en\u002Fof [minderjarige 2] in een andere omgeving dan die bij de moeder, van waaruit vervolgens zou kunnen worden gewerkt aan contactherstel met de vader. Als vijfde optie wordt voorgesteld om de kinderen te volgen in hun weigering tot contact met de vader en voorlopig dus te berusten in de huidige situatie waarbij er geen contact is tussen de kinderen en de vader.\n\nDe GI heeft uitgelegd waarom zij uiteindelijk in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor deze laatste optie hebben gekozen. De GI ziet de schadelijke effecten van alle opties, maar ziet daarnaast bij een uithuisplaatsing van de kinderen ook het aanzienlijke risico dat de kwaliteit en het doel van de uithuisplaatsing niet gewaarborgd kunnen worden gezien de leeftijd van de kinderen en hun weigering contact met de vader te hebben. De effecten van een uithuisplaatsing kunnen uiteindelijk voor deze kinderen schadelijker zijn dan het feit dat zij geen contact met hun vader hebben.\n\n3.5.. Op 23 december 2025 is de ondertoezichtstelling van de kinderen door de kinderrechter beëindigd, omdat de ingezette hulpverlening niet tot verder resultaat heeft geleid. De ondertoezichtstelling leek zelfs het verzet van de kinderen tegen contactherstel met de vader te versterken. Na een zorgvuldige afweging heeft de kinderrechter geoordeeld dat het in het belang van de kinderen is dat er nu voor hen een periode van rust komt, waarin niet door instanties of hulpverlening of de ouders aan de kinderen wordt getrokken en zij zich op zichzelf kunnen richten. Deze beslissing tot beëindiging van de ondertoezichtstelling is inmiddels onherroepelijk.\n\nWat wil de vader3.6.. De vader heeft zijn huidige verzoeken over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling één dag voor de beslissing over de beëindiging van de ondertoezichtstelling ingediend en daarna gehandhaafd. De vader beroept zich op het rapport van 18 september 2025 van Youké en hij vindt dat voor een andere optie moet worden gekozen om het proces van ouderonthechting te stoppen. Hij vindt het nodig dat de kinderen uit de invloedsfeer van de moeder worden gehaald en tijdelijk in een netwerk-gezin gaan wonen, met intensieve begeleiding van een psycholoog of psychotherapeut. De vader vindt het in het belang van de kinderen dat het contact met hem zo snel mogelijk wordt hersteld.\n\nWat willen de kinderen3.7.. De kinderrechter heeft in de huidige procedure opnieuw met de kinderen gesproken. De kinderen hebben verteld dat er voor hen niets is veranderd sinds de laatste keer dat zij de rechter spraken over (de beëindiging van) de ondertoezichtstelling. Zij willen geen contact met de vader en zij hebben het fijn bij de moeder. [minderjarige 1] heeft daarnaast heel duidelijk aangegeven dat hij het helemaal beu is dat hij steeds weer aan anderen moet uitleggen dat hij geen contact wil met zijn vader. Hij heeft ook duidelijk gesteld dat hij niet wil meewerken aan alle hulpverlening die gericht is op contactherstel. [minderjarige 1] wil rust.\n\n3.8.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat er zich sinds de beëindiging van de ondertoezichtstelling geen gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat de rechtbank nu tot een ander oordeel zou moeten komen. De rechtbank is van oordeel dat contact met de vader op dit moment niet in het belang van de kinderen is.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kan op dit moment niet van de kinderen worden gevergd om te werken aan contactherstel met de vader. De GI en de Raad delen dit standpunt. Het voorgaande is ook overwogen in de beslissing tot beëindiging van de ondertoezichtstelling (zaaknummer C\u002F16\u002F602971 \u002F JE RK 25-1754). De rechtbank sluit zich aan bij hetgeen door de kinderrechter in die beschikking is overwogen.\n\nGelet hierop zal de rechtbank de verzoeken van de vader afwijzen.\n\n3.9.. Voor de vader is deze situatie, waarin er geen contact is met de kinderen, zeer pijnlijk, verdrietig en ingrijpend, zo is duidelijk gebleken tijdens de zitting. De rechtbank beseft dat deze beslissing een grote weerslag kan hebben op de vader. De rechtbank heeft de hoop dat de kinderen, als de druk er een periode af is en de kinderen in alle rust stappen in hun ontwikkeling hebben kunnen zetten, op termijn ruimte kunnen voelen om toenadering tot de vader te zoeken.\n\nDe informatieregeling3.10.. Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de vader weet wat er in het leven van de kinderen gebeurt.Dit is ook belangrijk omdat de vader samen met de moeder het gezag heeft over de kinderen en dus mee moet beslissen over belangrijke onderwerpen in het leven van de kinderen. Dit is niet mogelijk wanneer hij geen idee heeft wat er speelt in hun leven. Daarnaast heeft de vader deze informatie nodig om goed bij de kinderen te kunnen aansluiten als er in de toekomst mogelijk weer contact komt.\n\n3.11.. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de moeder een keer per drie maanden een e-mail zal sturen aan de vader over:\n\n- de gezondheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,\n\n- hoe het met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat op school,\n\n- de hobby’s van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,\n\nen dat de moeder daarnaast een keer per zes maanden een recente foto van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vader zal sturen.\n\n3.12.. Het is niet de bedoeling dat de vader reageert op de informatie die de moeder stuurt. Het contact zal eenzijdig zijn, van de moeder naar de vader. Het staat de vader natuurlijk wel vrij om aan de kinderen kaartjes te blijven sturen. Al hoort de vader mogelijk niets terug, op die manier kan hij wel aan ze laten weten dat hij aan ze denkt.\n\nDe uitvoerbaarheid bij voorraad3.13.. \n\nDe rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.\n\nDat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\nDe kosten van deze procedure3.14.. De rechtbank zal beslissen dat iedere ouder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van de ouders in de proceskosten te veroordelen.\n\nDe brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]3.15.. Tegelijkertijd met de beschikking stuurt de rechter een brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] :\n\n“Beste [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,\n\nDeze brief gaat over mijn beslissing die ik heb genomen over het verzoek dat is gedaan door jullie vader om een omgangsregeling vast te stellen. Ik heb jullie hierover gesproken en jullie hebben mij allebei verteld wat je ervan vindt. Na ons gesprek heb ik met je moeder, je vader, hun advocaten en met een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming en met jullie vorige gezinsvoogd gesproken. Daarna heb ik de beslissing genomen die ik voor jullie het beste vind. Die beslissing is dat ik vind dat er nu geen omgangsregeling tussen jullie vader en jullie moet komen. Ik heb de verzoeken van jullie vader daarom afgewezen.\n\nIk vind namelijk dat jullie nu rust moeten krijgen zodat jullie je op jullie eigen ontwikkeling kunnen richten. Deze jaren in jullie leven zijn belangrijke jaren voor jullie. En natuurlijk zou het het fijnst zijn als jullie goed contact zouden hebben met allebei jullie ouders. Ik vind het heel verdrietig dat jullie geen contact meer hebben met jullie vader. Maar ik vind dat er al heel veel is geprobeerd om het contact tussen jullie en je vader te herstellen. Ik verwacht niet dat nu weer een nieuwe poging doen jullie daarin verder gaat helpen. Ik vrees zelfs dat als de druk er zwaar op blijft liggen en jullie hierin weer van alles moeten, een nog diepere kloof tussen jullie en jullie vader zal ontstaan.\n\nIk heb wel besloten dat jullie moeder eens per drie maanden aan jullie vader moet laten weten hoe het met jullie gaat. Ook moet zij een keer per zes maanden een recente foto van jullie aan hem sturen. Dit is belangrijk voor jullie vader, zodat hij – zolang er geen contact is – kan blijven volgen hoe het met jullie gaat.\n\nJullie vader houdt heel erg veel van jullie allebei. Het maakt hem erg verdrietig dat hij geen contact met jullie heeft. Ik hoop dat er in de toekomst een moment komt waarin jullie ruimte gaan voelen om weer stapjes richting jullie vader te zetten. Dat wens ik jullie toe, in jullie eigen tempo.\n\nVoor nu wens ik jullie al het goede!\n\nDe kinderrechter”\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. \n\nbepaalt dat de moeder een keer per drie maanden een e-mail zal sturen aan de vader over: - de gezondheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,\n\n- hoe het met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat op school,\n\n - de hobby’s van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;\n\n4.2.. bepaalt dat de moeder een keer per zes maanden een recente foto van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vader zal sturen;\n\n4.3.. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.4.. bepaalt dat de ouders hun eigen proceskosten betalen;\n\n4.5.. wijst de verzoeken van de vader voor het overige af.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door A.M.J. van der Weide, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. A. Verouden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Artikel 1:253a lid 2 sub c BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3455","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.761Z",20]