[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-planning-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":62},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},112,"planning-law-nl","Planning Law","NL","2026-07-08T16:56:56.673Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2022-02-17T00:00:00.000Z","2026-04-03T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124278","Algemene wet bestuursrecht","art. 3:13",1,[27,38,47,55],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1778","ECLI:NL:RBMNE:2026:1300","ecli-nl-rbmne-2026-1300","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 25\u002F4413en 25\u002F4652\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2026 op het verzoek om bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking van\n Provinciale Staten van Utrecht, uit Utrecht, PS\n\n(gemachtigden: mr. J.J. Hoekstra en mr. N. Haireche).\n\nTegen de onteigeningsbeschikking zijn bedenkingen ingediend door:\n\n [BV] B.V.,uit [vestigingsplaats] , [BV] ;\n\n [Vof] v.o.f., uit [vestigingsplaats] , de Vof\n\n(gemachtigde: mr. C.F. van Helvoirt).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel:\n\nTenneT TSO B.V. uit Arnhem, TenneT\n\n(gemachtigde: mr. J.A.M.A. Sluysmans).\n\nInleiding\n\n1.1.. Langs de A2 in de gemeente Stichtse Vecht ligt het transformatorstation ‘Breukelen-Kortrijk 380-150 Kv’. TenneT wil dit transformatorstation uitbreiden om de transportcapaciteit in de provincies Utrecht, Flevoland en Gelderland te vergroten.\n\n1.2.. Om deze uitbreiding planologisch mogelijk te maken hebben PS op 2 oktober 2024 het provinciaal inpassingsplan ‘Uitbreiding transformatorstation Breukelen-Kortrijk 380-150 kV’ (het PIP) vastgesteld. Het PIP maakt van rechtswege onderdeel uit van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan gemeente Stichtse Vecht (het omgevingsplan). [BV] en de Vof hebben beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), maar zij hebben geen voorlopige voorziening gevraagd. Dit betekent dat het PIP in werking is getreden.\n\n1.3.. Om het transformatorstation te kunnen uitbreiden, heeft TenneT aan PS gevraagd om de volgende drie percelen (de percelen), gelegen in de gemeente Stichtse Vecht, te onteigenen:\n\nperceel [perceelnummer 1] gedeeltelijk, 16.043 m2;\n\nperceel [perceelnummer 2] , gedeeltelijk, 20.975 m2;\n\nperceel [perceelnummer 3] , gedeeltelijk, 26.104 m2.\n\nDe percelen zijn in eigendom van [BV] en in gebruik als grasland. Daarnaast zijn op de percelen diverse zakelijke rechtengevestigd. Op de percelen zijn voor N.V. Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland (WRK) opstalrechten nutsvoorzieningen gevestigd. De overige zakelijk gerechtigden zijn Saranne B.V. en Stedin Netbeheer B.V. (voor alle drie de percelen) en voor perceel [perceelnummer 3] ook KPN B.V., Ziggo Netwerk B.V., Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) en Vitens N.V. (de overige zakelijk gerechtigden).\n\n1.4.. PS hebben op 4 juni 2025 een onteigeningsbeschikking genomen en Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht (GS) belast met de bekendmaking, de mededeling en de terinzagelegging van de onteigeningsbeschikking met bijbehorende stukken en met het indienen van het verzoek tot bekrachtiging bij de rechtbank.\n\n1.5.. GS hebben de rechtbank op 28 juli 2025 – namens PS – verzocht om de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen.\n\n1.6.. \n [BV] en de Vof hebben op 12 augustus 2025 bedenkingen ingediend tegen de onteigeningsbeschikking. PS hebben op 3 oktober 2025 op de bedenkingen gereageerd. TenneT heeft ook op de bedenkingen gereageerd.\n\n1.7.. De rechtbank heeft het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:\n\n- namens PS: [A] , [B] en hun gemachtigden.\n\n- namens [BV] en de Vof: [C] , statutair directeur van [BV] en zijn gemachtigde. Zij werden vergezeld door [D] , adviseur van [makelaar] B.V.\n\n- namens TenneT: [E] , [F] en hun gemachtigde. Zij werden vergezeld door [G] van [onderzoeksbureau] Nederland B.V..1.8.. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank zowel [BV] en de Vof als PS in de gelegenheid gesteld om aanvullende informatie in de procedure te brengen. [BV] en de Vof hebben deze informatie op 10 februari 2026 ingebracht en PS op 6 maart 2026.\n\n1.9.. De rechtbank heeft het onderzoek op 25 maart 2026 gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOntvankelijkheid\n\n2. Belanghebbenden kunnen bij de rechtbank bedenkingen inbrengen tegen de onteigeningsbeschikking. Dat staat in artikel 16.97, eerste lid, van de Omgevingswet (Ow). In dat artikel worden verschillende belanghebbenden expliciet genoemd, zoals eigenaren, opstallers, pachters en rechthebbenden op rechten van gebruik. [BV] is eigenaresse van de percelen en kan daarom worden aangemerkt als belanghebbende. De bedenkingen zijn echter ook ingebracht namens de Vof. Volgens PS kan de Vof niet als belanghebbende in de zin van artikel 16.97 Ow worden aangemerkt. De Vof is geen eigenaar van en heeft geen rechten op de gronden die moeten worden verworven.2.1.. De rechtbank is het hier niet mee eens. De rechtbank stelt voorop dat de opsomming van belanghebbenden in de Ow niet limitatief is: het gaat om een opsomming van wie ‘in ieder geval’ belanghebbenden zijn en een zienswijze kan indienen. Een belanghebbende bij een besluit is diegene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken en als het gaat om rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.Het standpunt van PS dat alleen degenen die in artikel 16.97, eerste lid, van de Ow worden genoemd bedenkingen kunnen indienen, is onjuist.\n\n2.2.. De rechtbank is van oordeel dat de Vof wel een belanghebbende is die wordt genoemd in artikel 16.97, eerste lid, van de Ow, omdat zij een gebruiksrecht heeft.Op de zitting heeft de statutair directeur van [BV] verklaard dat [BV] slechts eigenaar is van de percelen, maar niet het melkveebedrijf exploiteert. [BV] is vennoot in de Vof en heeft de percelen ingebracht in de Vof. De Vof exploiteert het melkveebedrijf. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen en dit sluit ook aan bij het uittreksel uit de Kamer van Koophandel dat de Vof heeft ingebracht. Daarin staat dat de activiteiten van de Vof onder andere bestaan uit het houden van melkvee. Hiermee is voldoende aannemelijk dat de Vof een gebruiksrecht ten aanzien van de percelen heeft en dus belanghebbende bij de onteigeningsbeschikking is. De bedenkingen van de Vof zijn daarmee ontvankelijk.\n\nHet toetsingskader\n\n3. De rechtbank beoordeelt het verzoek om bekrachtiging aan de hand van de wettelijk voorgeschreven ambtshalve basistoets en de door belanghebbenden ingebrachte bedenking.\n\n3.1.. De ambtshalve basistoets bestaat uit de volgende vier onderdelen:\n\nIs de onteigeningsbeschikking volgens de wettelijke vormvoorschriften voorbereid?\n\nIs de onteigeningsbeschikking gegeven in het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving (het onteigeningsbelang)?\n\nIs de onteigeningsbeschikking noodzakelijk (de noodzaak)?\n\nIs de onteigening urgent (de urgentie)?\n\n3.2.. De rechtbank zal in deze uitspraak achtereenvolgens ingaan op voornoemde vier onderdelen van de basistoets en daarbij aanvullend de bedenkingen bespreken.\n\nDe wettelijke vormvoorschriften\n\n4. Met de wettelijke vormvoorschriften wordt bedoeld de voorschriften die zien op de procedure van totstandkoming van de onteigeningsbeschikking. Op de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.In deze afdeling zijn onder meer regels opgenomen over de terinzagelegging en kennisgeving van het ontwerpbesluit.\n\n4.1.. De rechtbank stelt vast dat PS een ontwerpbeschikking met de bijbehorende stukken zes weken ter inzage hebben gelegd bij Het Huis voor de Provincie Utrecht en het gemeentehuis van de gemeente Stichtse Vecht. Van deze terinzagelegging hebben PS kennisgeving gedaan in het Provinciaal blad. Voor [BV] en WRK was ook het logboek in te zien. PS hebben ook kennisgeving gedaan van de definitieve onteigeningsbeschikking in het Provinciaal blad en deze is met de daarbij behorende stukken op de voorgeschreven wijzeter inzage gelegd.\n\n4.2.. De ontwerp- en vastgestelde onteigeningsbeschikking moeten als de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt toegepast niet alleen ter inzage worden gelegd, PS moeten de ontwerp onteigeningsbeschikking voorafgaand aan de terinzagelegging en vervolgens de vastgestelde onteigeningsbeschikking ook toezenden aan de belanghebbenden aan wie de beschikking is gericht.Onder de belanghebbenden tot wie de beschikking is gericht, moeten in elk geval worden verstaan eigenaren, rechthebbenden, gebruikers en andere persoonlijk gerechtigden van percelen waarop het desbetreffende besluit betrekking heeft.\n\n4.3.. De rechtbank stelt vast dat PS met brieven van 20 februari 2025 de ontwerp onteigeningsbeschikking hebben toegestuurd aan [BV] en WRK. [BV] en de Vof hebben een zienswijze ingediend tegen de ontwerpbeschikking. Hoe PS deze zienwijze bij het nemen van de definitieve onteigeningsbeschikking hebben betrokken, staat in de ‘Zienswijzennota inzake de ontwerp onteigeningsbeschikking tot aanwijzing van onroerende zaken te onteigening in de gemeente Stichtse Vecht die nodig zijn voor onteigeningsplan ‘Uitbreiding transformatorstation Breukelen-Kortrijk 380-150 kV’’. PS hebben ook de vastgestelde onteigeningsbeschikking aan [BV] en WRK toegezonden.\n\n4.4.. De ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking zijn niet aan de Vof gestuurd. Dat had wel gemoeten want, zoals overwogen, is de Vof gebruiker van de percelen die worden onteigend. Daarmee staat vast dat de Vof een belanghebbende is tot wie de onteigeningsbeschikking is gericht. Omdat de beschikkingen wel naar [BV] zijn gestuurd en [BV] vennoot is van de Vof, is de rechtbank van oordeel dat PS dit gelet op de vennootschapsstructuur achterwege hebben kunnen laten.\n\n4.5.. De ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking zijn ook niet aan de overige zakelijk gerechtigden gestuurd. Wel zijn KPN, Ziggo, HDSR en Vitens door TenneT per brief in november 2024 geïnformeerd over de onteigening. In deze brieven staat dat de opstalrechten van de betreffende zakelijk gerechtigde niet rusten op de benodigde perceelsgedeelten en dat daardoor een mogelijke onteigening hiervan geen gevolgen voor deze zakelijke rechten heeft. De rechtbank heeft de positie van de overige zakelijk gerechtigden op de zitting besproken. Zowel PS als TenneT hebben op de zitting aangegeven dat de overige zakelijk gerechtigden niet worden geraakt door de onteigening. Daarom is ervoor gekozen om hen alleen te informeren over de onteigening.\n\n4.6.. De rechtbank heeft PS na de zitting in de gelegenheid gesteld om dit standpunt nader toe te lichten. In de reactie van 6 maart 2026 hebben PS dit gedaan en inzichtelijk gemaakt waar de overige zakelijke rechten ten opzichte van de te onteigenen gedeelten van de percelen zijn gevestigd. PS zijn van mening dat de overige zakelijk gerechtigden niet in hun belangen worden geraakt, nu hun rechten zijn gevestigd buiten de te onteigenen perceelsgedeelten. Zij worden door de eigendomsontneming niet rechtstreeks in hun belangen geraakt in de zin van artikel 1:2 van de Awb.\n\n4.7.. Uit de wetsgeschiedenis bij de invoering van artikel 3:13 Awb volgt dat onder ‘belanghebbenden tot wie de beschikking is gericht’, in elk geval worden verstaan eigenaren, rechthebbenden, gebruikers en andere persoonlijk gerechtigden van percelen waarop het desbetreffende besluit betrekking heeft. De rechtbank ziet geen reden om in het geval van een onteigeningsbeschikking hiervan af te wijken door onderscheid te maken in perceelsgedeelten die wel of niet door de onteigening worden geraakt. De onteigeningsprocedure is bovendien gebaat bij een eenvoudig en helder criterium voor het toesturen van de ontwerpbeschikking en het bekendmaken van de vastgestelde beschikking aan (zakelijk) gerechtigden. Dit voorkomt ook dat de rechtbank in het kader van de basistoets moet beoordelen welke rechten betrekking hebben op een te onteigenen perceelsgedeelte. Dit betekent dat PS de ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking dus aan KPN, Ziggo, HDSR, Vitens en Stedin hadden moeten sturen, zodat zij de gelegenheid hadden gehad om daartegen een zienswijze en bedenkingen in te dienen. Zij hebben immers een recht van opstal ten aanzien van de te onteigenen percelen en zijn daarmee belanghebbenden die een zienswijze en bedenkingen kunnen indienen.Anders dan waar PS in hun reactie van 6 maart 2026 van uitgaan, gaat het hierbij niet om naburige percelen. Daarmee zijn de belangen van KPN, Ziggo, HDSR, Vitens en Stedin rechtstreeks bij de onteigeningsbeschikking betrokken en zijn zij belanghebbenden tot wie de onteigeningsbeschikking is gericht.\n\n4.8.. Voor Saranne ligt dit anders. Uit het overgelegde uittreksel uit de Kamer van Koophandel blijkt dat zij een 100% dochtervennootschap is van TenneT. Hoewel Saranne ook zakelijk gerechtigde is en dus formeel ook de ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking toegestuurd had moeten krijgen, is de rechtbank van oordeel dat PS dit gelet op de vennootschapsstructuur achterwege hebben kunnen laten.\n\n4.9.. Het voorgaande betekent dat de onteigeningsbeschikking niet volgens de wettelijke vormvoorschriften is voorbereid. De rechtbank kan aan het gebrek bij de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking voorbijgaan als het aannemelijk is dat KPN, Ziggo, HDSR, Vitens en Stedin niet zijn benadeeld doordat de ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking niet aan hen zijn toegezonden.Samen met de reactie van 6 maart 2026 hebben PS verklaringen overgelegd van KPN, Ziggo, HDSR, Vitens en Stedin. Uit deze verklaringen volgt dat zij niet als belanghebbenden willen deelnemen aan de procedure. Daarom is het niet aannemelijk dat zij door het niet toesturen van de ontwerp- en vastgestelde onteigeningsbeschikking zijn benadeeld en passeert de rechtbank het gebrek.\n\nHet onteigeningsbelang\n\n5. De onteigeningsbeschikking moet zijn gegeven in het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving. Hiervan is sprake als de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving mogelijk is gemaakt in een vastgesteld omgevingsplan.\n\n5.1.. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een onteigeningsbelang. Zoals vermeld onder 1.3, is de beoogde vorm van ontwikkeling en gebruik van de fysieke leefomgeving – namelijk de uitbreiding van het transformatorstation – mogelijk gemaakt in het omgevingsplan. Met het PIP dat van rechtswege onderdeel uitmaakt van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan zijn hiervoor aan de percelen de bestemmingen ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ ‘Groen’, ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ en ‘Waarde – Archeologie’ toegekend. Dit zijn bestemmingen die de uitbreiding van het transformatorstation mogelijk maken.\n\nDe noodzaak\n\n6. De noodzaak tot onteigening ontbreekt in ieder geval als de onteigenaar geen redelijke poging heeft gedaan tot minnelijke verwerving van de percelen vrij van rechten en lasten. Of als aannemelijk is dat op afzienbare tijd alsnog overeenstemming kan worden bereikt over minnelijke verwerving.Ook ontbreekt de noodzaak als belanghebbenden hebben aangetoond bereid en in staat te zijn om de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving op zich te nemen.Dit is het zogenaamde recht op zelfrealisatie.6.1.. \n [BV] en de Vof hebben geen beroep gedaan op het recht op zelfrealisatie. Zij hebben aangevoerd dat de noodzaak van de voorgenomen onteigening niet is aangetoond, omdat er geen redelijke poging is gedaan tot minnelijke verwerving van de percelen en omdat op het moment van het onteigeningsverzoek van TenneT nog niet vast stond dat een minnelijke regeling niet mogelijk zou zijn. Ook is het onteigeningsverzoek prematuur volgens [BV] en de Vof.\n\nHet onteigeningsverzoek is niet prematuur6.2.. \n [BV] en de Vof hebben er op gewezen dat TenneT voor een volgende uitbreiding van het transformatorstation binnen enkele jaren opnieuw interesse zal hebben in de verwerving van gronden van [BV] . Deze gronden vallen buiten het plangebied van het PIP, maar [BV] en de Vof vinden het redelijk dat TenneT deze gronden nu al verwerft in het kader van deze onteigeningsprocedure. Het betreft een strook grond van 125 meter diepte. Zij vinden de onteigening daarom prematuur.6.3.. De rechtbank is het daar niet mee eens. Het gaat in deze procedure om de gronden die nodig zijn voor de uitbreiding van het transformatorstation zoals het PIP dat mogelijk maakt. Dat is het onteigeningsbelang. De strook grond van 125 meter valt daar niet onder. Het is voorstelbaar dat [BV] en de Vof graag in één keer alle gronden die TenneT nu en in de toekomst nodig heeft, willen verkopen, maar dat is niet relevant voor beantwoording van de vraag of de onteigening van de percelen die binnen het plangebied van het PIP vallen noodzakelijk is.\n\nMinnelijke verwerving\n\n7. De rechtbank oordeelt verder dat er redelijke pogingen zijn gedaan om de percelen minnelijk te verwerven en dat het niet aannemelijk is dat op het moment van het onteigeningsverzoek nog een minnelijke regeling mogelijk was. De rechtbank legt dat hierna uit.\n\n7.1.. Uit het logboek blijkt dat TenneT diverse pogingen heeft ondernomen tot minnelijke verwerving van de percelen. Op 12 september 2024 heeft TenneT aangeboden om de gronden binnen het plangebied te kopen voor € 35,- per m2, wat neerkomt op een bedrag € 2.280.000,-. Dit aanbod heeft TenneT op 24 oktober 2024 herhaald. TenneT heeft toen een bijkomend aanbod gedaan om de gronden binnen het plangebied én de strook van 125 meter te kopen voor € 35 per m2, dat komt neer op een bedrag van € 4.120.000,-. Op 24 maart 2025 heeft [BV] dit aanbod afgewezen, omdat zij vindt dat TenneT de gronden binnen het plangebied en de strook van 125 meter moet kopen voor een prijs van € 60,- per m2. Dat komt neer op een bedrag € 8.915.450,-. TenneT is hier niet mee akkoord gegaan en heeft op 19 mei 2025 aangeboden om alleen de gronden binnen het plangebied te kopen voor € 40,- per m2, wat neerkomt op een bedrag van € 2.760.000,-. Het ging dus om minder grond (het aanbod om ook de strook van 125 meter te kopen is komen te vervallen), maar tegen een hogere prijs per m2. [BV] heeft dit aanbod op 5 juni 2025 afgewezen. In december 2025 heeft TenneT het bod van € 2.760.000,- herhaald, maar dit heeft [BV] vooralsnog niet geaccepteerd.\n\n7.2.. Zoals ook op de zitting besproken, zit het bezwaar voor [BV] en de Vof er vooral in dat PS op 19 maart 2024 een concept koopovereenkomst hebben gestuurd met daarin een aanbod om de gronden binnen het plangebied aan te kopen voor een prijs van € 60,- per m2. Dit aanbod is op 13 mei 2024 ingetrokken omdat TenneT de regie over de aankoop van de gronden van PS heeft overgenomen. [BV] en de Vof vinden dat onredelijk. Zij vinden dat de prijs van € 60,- per m2 het uitgangspunt had moeten blijven bij de onderhandelingen, ook omdat het aanbod alweer was ingetrokken voordat [BV] het kon accepteren.\n\n7.3.. Op de zitting hebben TenneT en PS uitgelegd dat de bieding van PS is gedaan om direct grond te verwerven en een procedure te voorkomen, en dat PS dit aanbod niet in opdracht van TenneT hebben gedaan. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze uitleg te twijfelen. De verplichting om redelijke pogingen te doen om de percelen minnelijk te verwerven rust op de onteigenaar,dus op TenneT. Alleen al daarom kan de omstandigheid dat PS een aanbod hebben gedaan dat vervolgens weer is ingetrokken niet tot de conclusie leiden dat de onteigening niet noodzakelijk is. Maar ook overigens maakt deze gang van zaken niet dat er geen redelijke poging is gedaan om de gronden minnelijk te verwerven. [BV] heeft immers bijna twee maanden de tijd gehad om het bod van PS te accepteren, maar dat heeft zij niet gedaan.7.4.. Uit de stukken blijkt dat het aanbod dat TenneT daarna heeft gedaan voor de gronden binnen het plangebied (een bedrag van € 2.760.000,-) is gebaseerd op een door [onderzoeksbureau] uitgevoerd onderzoek. Aan de hand van twee verschillende taxatiemethoden is een grondprijs voor de percelen bepaald. De rechtbank vindt dit aanbod niet evident onredelijk. De rechtbank wil daarbij nog meegeven dat het antwoord op de vraag wat een realistische, marktconforme grondprijs is, niet ter beoordeling voor ligt in deze procedure. Dat komt aan de orde bij de schadeloosstellingsprocedure.\n\n7.5.. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat aannemelijk is dat de onteigenaar een redelijke poging tot minnelijke verwerving van de percelen heeft gedaan. Gelet op het grote verschil tussen wat TenneT heeft geboden en wat [BV] vraagt voor de percelen, viel ook niet te verwachten dat op afzienbare termijn alsnog overeenstemming kan worden bereikt over de minnelijke verwerving van de percelen. De onteigening is dus noodzakelijk.\n\nDe urgentie\n\n8. De urgentie tot onteigening ontbreekt in ieder geval als niet aannemelijk is dat binnen drie jaar na het inschrijven van de onteigeningsakte een begin wordt gemaakt met de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling.\n\n8.1.. Op de zitting is door PS toegelicht dat de aanbesteding inmiddels is gegund. De werkzaamheden starten zodra de gronden zijn verworven. In het derde kwartaal van dit jaar wordt dan begonnen met het realiseren van de inpassing en de voorbelasting van de gronden waarop gebouwd gaat worden. TenneT heeft op de zitting toegelicht dat daarna de daadwerkelijk werkzaamheden starten. De rechtbank is gelet op deze toelichting van oordeel dat de onteigening urgent is.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De onteigeningsbeschikking is noodzakelijk, de onteigening is urgent en er is een onteigeningsbelang. De onteigeningsbeschikking is niet volgens de wettelijke vormvoorschriften voorbereid, maar de rechtbank passeert dit gebrek.De rechtbank zal het verzoek om de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen daarom toewijzen.\n\nGriffierecht en kosten\n\nGriffierecht\n\n10. Van PS wordt een griffierecht geheven.Dit betreft een griffierecht voor het indienen van het verzoek tot bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking en een griffierecht voor elke ingebrachte bedenking. In deze zaak wordt griffierecht geheven voor een bedrag van € 770,-, een bedrag van € 385,- voor het verzoekschrift en een bedrag van € 385,- voor de bedenkingen van [BV] en de Vof.\n\nKosten [BV] en de Vof\n\n11. De rechtbank zal PS veroordelen in de kosten die [BV] en de Vof redelijkerwijs hebben moeten maken. Het gaat hierbij allereerst om de kosten in verband met de behandeling van het verzoek. Daarnaast gaat het ook om de kosten die belanghebbenden hebben moeten maken in het kader van de minnelijke verwerving en de zienswijze en de behandeling daarvan bij de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking.Het woord ‘redelijkerwijs’ betekent hier een dubbele redelijkheidstoets. Beoordeeld moet worden of de bijstand redelijkerwijs is ingeroepen en of de kosten daarvan redelijk zijn.11.1.. \n [BV] en de Vof hebben op 1 september 2025 declaraties overgelegd van hun gemachtigde voor de werkzaamheden tot en met 1 september 2025 en op 10 februari 2026 hebben zij declaraties overgelegd voor de werkzaamheden van 1 september 2025 tot en met de zitting. Het betreft een bedrag van in totaal € 21.409,46 inclusief btw voor de kosten van rechtsbijstand. De rechtbank acht het inroepen van de bijstand door de gemachtigde redelijk. Het uurtarief vindt de rechtbank ook redelijk (€ 195,- en vanaf 1 januari 2026 € 225,- voor mr. Akdemir en € 310 tot 1 juli 2025, € 325,- tot 31 december 2025 en vanaf 1 januari 2026 € 335,- voor mr. Helvoirt, beiden exclusief btw). Voor het aantal uren dat de gemachtigde in rekening heeft gebracht geldt het volgende. Bij de facturen zijn overzichten overgelegd van de uitgevoerde werkzaamheden en het uurloon. Van de uitgevoerde werkzaamheden zijn 8,9 uren voor een totaalbedrag van € 2.099,95, gemaakt in het kader van een gedoogplichtbeschikking, de vergunning voor het transformatorstation en de schadeloosheidsprocedure. Deze kosten houden geen verband met deze bekrachtigingsprocedure en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De overige uren komen wel voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft een bedrag van in totaal € 19.309,51 inclusief btw.\n\n11.2.. \n [BV] en de Vof hebben verder bijstand gehad van [makelaar] B.V., adviseur. [BV] en de Vof hebben een overzicht van werkzaamheden van de heer [D] overgelegd voor de werkzaamheden tot en met 1 september 2025. Het betreft een bedrag van in totaal € 93.490,27 inclusief btw. Op 10 februari 2026 is dit overzicht aangevuld met de werkzaamheden van 1 september 2025 tot en met de zitting, dat gaat om een bedrag van € 5.314,19 inclusief btw. Ook deze bijstand is redelijkerwijs ingeroepen en het uurtarief van de heer [D] van € 195,- per uur, verhoogd met 5% kantoorkosten en exclusief btw vindt de rechtbank redelijk. Dat geldt niet voor het aantal uren dat in rekening wordt gebracht. De overzichten beslaan de periode 15 december 2022 tot en met de zitting. De minnelijke overleggen zijn gestart op 28 september 2023. Dit betekent dat werkzaamheden die vóór dit moment zijn uitgevoerd niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarnaast zijn in het overzicht onder de omschrijving ‘kantoor’ uren opgenomen die betrekking hebben op de gedoogplichtbeschikking, de beoordeling van het PIP en de schadeloosstellingsprocedure. Deze uren komen in ieder geval niet voor vergoeding in aanmerking, omdat die geen verband houden met deze bekrachtigingsprocedure. Verder worden onder de omschrijving ‘kantoor’ 70 uren opgevoerd voor het beoordelen van inkomende e-mail, 18 uren voor het boordelen van uitgaande e-mail, 52 uren voor het bijwerken van de administratie en 25 uren voor kadastrale recherche. Zonder nadere specificatie kan de rechtbank niet beoordelen of deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Dat geldt ook voor de werkzaamheden van 1 september 2025 tot en met de zitting: ook daar staan veel ongespecificeerde posten op zoals ‘procedure’, ‘statenbrief’ en ‘overleg’, en een aantal posten die geen verband lijken te houden met deze bekrachtigingsprocedure zoals ‘beschikking schadeloosstellingsprocedure’. Het had wel verwacht mogen worden dat er een voldoende duidelijke specificatie was overgelegd waar alleen de werkzaamheden op staan die verband houden met deze bekrachtigingsprocedure. Zeker gezien de 5% kantoorkosten die in rekening worden gebracht en de verklaring van [D] op zitting dat hij een administratie bijhoudt. Het is op basis van de overzichten onduidelijk welke uren betrekking hebben op de werkzaamheden voor het overleg over de minnelijke verwerving, het naar voren brengen van een zienswijze en de behandeling daarvan bij de voorbereiding van de onteigeningbeschikking en de bekrachtigingsprocedure. Daarom moet de rechtbank een schatting maken van de kosten die belanghebbenden redelijkerwijs hebben moeten maken.\n\n12. Voor de kosten die [BV] en de Vof hebben gemaakt acht de rechtbank een tijdsbesteding van de heer [D] van in totaal 100 uur redelijk. Daarmee komen de kosten van [D] die [BV] en de Vof redelijkerwijs hebben moeten maken neer op een bedrag van € 24.774,75 inclusief btw.\n\n13. Dit betekent dat de rechtbank de gemeenteraad zal veroordelen in de kosten die belanghebbenden hebben gemaakt voor een bedrag van in totaal € 44.084,26, inclusief btw.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst het verzoek toe;\n\n- bekrachtigt de onteigeningsbeschikking;\n\n- heft van PS een bedrag van € 770,- aan griffierecht;\n\n- veroordeelt PS tot betaling van € 44.084,26, inclusief btw aan kosten voor [BV] en de Vof.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzitter, en mr. J.A. Spee en mr. A. de Snoo, leden, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDe griffier is verhinderd om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Als bedoeld in artikel 5, derde lid, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht.\n\n Artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Als bedoeld in artikel 16.97, eerste lid, onder e, van de Ow.\n\n Artikel 16.106 van de Omgevingswet (Ow).\n\n Artikel 16.107 van de Ow.\n\n Artikel 16.33b van de Ow.\n\n Artikel 3:44 van de Awb en artikel 16.33d, tweede lid, van de Ow.\n\n Artikel 3:13 en artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.\n\n De rechtbank verwijst hierbij naar de Memorie van Toelichting bij de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb, Kamerstukken II 2003-2004, 29421, nr. 3, p. 14 en 15.\n\n Deze zakelijke gerechtigden worden genoemd in artikel 16.97, eerste lid, onder c, van de Ow en daarmee staat vast dat zij belanghebbenden zijn.\n\n Zie ook de uitspraak ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:720.\n\n Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, dat op grond van artikel 16.113, eerste lid, van de Ow ook van toepassing is in een bekrachtigingsprocedure.\n\n Artikel 11.6, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang met artikel 4.4a van de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet.\n\n Artikel 11.7, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Ow.\n\n Artikel 11.7, tweede lid, van de Ow.\n\n Artikel 11.7, eerste lid, van de Ow.\n\n Artikel 11.11 van de Ow.\n\n Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.\n\n Artikel 16.110, eerste lid, van de Ow.\n\n Dit volgt uit de artikelen 16.111 en 16.112 van de Ow.\n\n Kamerstukken II 2018\u002F2019 35133, 3, p. 280 en 281.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1300","2026-04-01T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:38.329Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":42,"fullText":43,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":36,"updatedAt":46},"539","ECLI:NL:RBMNE:2023:2552","ecli-nl-rbmne-2023-2552","2023-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 21\u002F3971\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2023 in de zaak tussen\n \n [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. B. Eising)\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [A] h.o.d.n. [derde-partij]\n\n(gemachtigde: mr. S.H. van den Ende).\n\nPartijen worden hierna aangeduid als: de [eiseres] , het college en [derde-partij] .\n\nInleiding\n\n1. Deze zaak gaat over de afwijzing van het verzoek van de [eiseres] om handhavend op te treden tegen de vergunningvoorwaarden bij de omgevingsvergunning die aan [derde-partij] is verleend.\n\n2. De [eiseres] is gevestigd op het perceel [adres 1] in [vestigingsplaats] . [derde-partij] exploiteert in het pand op het perceel [adres 2] het [derde-partij] . In 2015 is aan [derde-partij] een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een sporthal en fysiotherapiepraktijk en het realiseren van een bovenwoning met dakterras op dit perceel. De [eiseres] is opgekomen tegen de omgevingsvergunning omdat zij zorgen heeft over de parkeersituatie. De twee percelen hebben allebei een onbebouwd gedeelte. Op het onbebouwde deel van het perceel van de [eiseres] wordt geparkeerd door medewerkers en patiënten. Dit deel van het perceel grens aan het onbebouwde deel van het perceel van [derde-partij] , dat ook voor parkeren wordt gebruikt. Dat betekent dat zowel op het perceel van de [eiseres] als op het perceel van [derde-partij] parkeerplaatsen zijn. Om die parkeerplaatsen (aan beide kanten) te bereiken moet een auto over de middenstrook rijden. In het midden van die middenstrook bevindt zich de perceelsgrens. Het college heeft aan de omgevingsvergunning twee voorwaarden verbonden met betrekking tot het parkeren. Met de uitspraak van 30 maart 2020 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van de [eiseres] tegen deze omgevingsvergunning.\n\n3. De [eiseres] heeft het college op 8 september 2020 verzocht om handhavend op te treden tegen [derde-partij] vanwege overtreding van de vergunningvoorwaarden. Het college heeft dit verzoek beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een overtreding van de vergunningvoorwaarden. De afwijzing van het handhavingsverzoek is met de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2021 in stand gebleven. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van de [eiseres] tegen deze beslissing op bezwaar (hierna: het bestreden besluit).\n\n4. Voordat de rechtbank het beroep inhoudelijk zal beoordelen, zal zij het procesverloop in beroep schetsen, wat uitgebreider ingaan op de voorgeschiedenis en de vorige uitspraak van de rechtbank.\n\nProcesverloop in beroep\n\n5. De [eiseres] heeft op 21 september 2021 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2021 en op 1 november 2021 de gronden ingediend. [derde-partij] heeft een korte schriftelijke reactie gegeven op het beroepschrift. De [eiseres] heeft nog een nader stuk met daarbij opnames van een rijproef toegestuurd.\n\n6. De rechtbank heeft het beroep op 22 november 2022 op zitting behandeld. Namens de [eiseres] zijn [B] en [C] verschenen, bijgestaan door gemachtigde mr. T.A.M. van Oosterhout. De gemachtigde van het college is verschenen. Namens [derde-partij] heeft [A] deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door mr. S.H. van den Ende.\n\n7. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of hun conflict door middel van mediaton kan worden opgelost. Er heeft een verkennend gesprek met een mediator plaatsgevonden, maar de mediator heeft daaruit geconcludeerd dat een mediationgesprek onvoldoende perspectief biedt om tot een gezamenlijke oplossing te komen. De mediator heeft opgemerkt dat wellicht een gesprek met de gemeente nog openingen kan bieden. [derde-partij] heeft aan de [eiseres] kenbaar gemaakt dit niet op voorhand af te wijzen, maar hier pas voor open te staan nadat uitspraak is gedaan op dit beroep.\n\n8. Met toestemming van partijen is geen nadere zitting gehouden. De rechtbank heeft het onderzoek op 20 april 2023 gesloten.\n\nEerdere procedures\n\n9. Partijen zijn al lang in conflict met elkaar over de parkeersituatie op de percelen. Het is begonnen in 2015 toen aan [derde-partij] een omgevingsvergunning is verleend voor het verbouwen van een sporthal en fysiotherapiepraktijk en het realiseren van een bovenwoning met dakterras op het perceel [adres 2] . Voor die tijd was dit perceel niet in gebruik waardoor de beschikbare ruimte ook gebruikt kon worden door de [eiseres] . Tegen de verleende omgevingsvergunning heeft de [eiseres] bezwaar en beroep ingesteld. Met de uitspraak van 6 maart 2018 vernietigde deze rechtbank de beslissing op bezwaar, waarmee de omgevingsvergunning in stand was gebleven, en kreeg het college de opdracht opnieuw op het bezwaar te beslissen.\n\n10. Met een nieuwe beslissing op bezwaar handhaafde het college de omgevingsvergunning, onder aanvulling van de motivering en met toevoeging van twee aanvullende voorwaarden. Het daartegen ingediende beroep van de [eiseres] is met de uitspraak van 6 maart 2020 gegrond verklaard, omdat deze rechtbank vond dat een deel van voorwaarde 2 vaag was geformuleerd en daardoor rechtsonzeker was. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en voorwaarde 2 gelet op het belang dat het college voor ogen stond bij het opleggen van deze voorwaarde gewijzigd vastgesteld. Voorwaarde 1 is ongewijzigd in stand gebleven. Verder oordeelde de rechtbank dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of het college het handhavingsverzoek van de [eiseres] terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van de [eiseres] . De rechtbank zal eerst de formele beroepsgrond beoordelen en daarna de inhoudelijke beroepsgronden.\n\nHeeft het college op alle bezwaargronden beslist?\n\n12. De [eiseres] voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat het college niet op alle bezwaargronden is ingegaan. Zo is het college niet ingegaan op de bezwaargrond dat het handhavingsverzoek niet alleen zag op een overtreding van de vergunningvoorschriften, maar ook een overtreding van het bestemmingsplan. Ook is het college niet ingegaan de bevindingen van de rijproef dat de middenstrook tussen de parkeerplaatsen op beide percelen vrij moet worden gehouden en de paaltjes en belijning dus strak tegen de parkeervakken geplaatst moeten worden om zonder problemen te kunnen in- en uitparkeren.\n\n13. De rechtbank stelt vast dat de bezwaren in het bestreden besluit samengevat staan weergegeven. Bij de beoordeling staat vermeld dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat het plaatsen van paaltjes bij de parkeerplaatsen door [derde-partij] tot gevolg heeft dat de [eiseres] niet overeenkomstig de in het bestemmingsplan opgenomen (maatschappelijke) bestemming kan worden gebruikt. Omdat op deze bezwaargrond is ingegaan, bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dat verder niet op alle bezwaren afzonderlijk is ingegaan, geeft de rechtbank ook geen reden om te oordelen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de heroverweging zijn betrokken.\n\nHandhavingsverzoek\n\n14. De [eiseres] heeft verzocht om handhavend op te treden tegen het overtreding van de vergunningvoorwaarde 1, omdat [derde-partij] belemmert dat de parkeerplaatsen van de [eiseres] goed bereikbaar zijn en gebruikt kunnen worden. [derde-partij] heeft paaltjes geplaatst voor de parkeerplaatsen op zijn perceel, terwijl volgens de [eiseres] de middenstrook volledig vrij moet blijven. Ook vindt de [eiseres] dat het college erop moet toezien dat zij op juiste wijze invulling kan geven aan de bestemming die op het perceel rust.\n\nVergunningvoorwaarden\n\n15. Vergunningvoorwaarde 1 bepaalt dat vergunninghouder verplicht is om de negen parkeerplaatsen die zijn vereist om aan de parkeerbehoefte te voldoen, uiterlijk binnen drie maanden na dagtekening van dit besluit te hebben gerealiseerd. Tevens is hij verplicht om de negen parkeerplaatsen vervolgens beschikbaar, bruikbaar en bereikbaar te houden ten behoeve van het gebruik van het pand aan de [adres 2] . Het is vergunninghouder toegestaan om deze parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar te houden met behulp van een verwijderbare ketting of opklapbaar hekje per parkeerplek met inachtneming van het in voorwaarde 2 gestelde.\n\n16. Vergunningvoorwaarde 2, zoals door de rechtbank vastgesteld, luidt als volgt: Het plaatsen van een hekwerk of andersoortige erfafscheiding door [derde-partij] op de perceelsgrens wordt niet toegestaan.\n\nMiddenstrook\n\n17. De [eiseres] betoogt dat [derde-partij] de vergunningvoorwaarden heeft overtreden. Door het plaatsen van paaltjes en het aanbrengen van belijning zijn hun eigen parkeerplaatsen praktisch onbereikbaar en ontoegankelijk. De [eiseres] wijst erop dat de middenstrook tussen de parkeerplaatsen op beide percelen vrij moet worden gehouden om zonder problemen te kunnen in- en uitparkeren. Dit blijkt klip en klaar uit de rijproef die heeft plaatsgevonden. Volgens de [eiseres] heeft de rechtbank in de vorige procedure de uitdrukkelijke aanwijzing gegeven dat het vrijhouden van de middenstrook de enige oplossing is van het conflict. Het college is hiervan ook op de hoogte.\n\n18. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek heeft een inspecteur van het college in september 2020 twee controles op het perceel uitgevoerd. Daarbij zijn foto’s gemaakt van de situatie ter plaatse. Op de foto’s is te zien dat een erfafscheiding is geplaatst die bestaat uit losstaande paaltjes die door middel van een koord met elkaar verbonden zijn. Het college is van mening dat deze erfafscheiding, die niet op de perceelsgrens is geplaatst, niet in strijd is met de vergunningvoorschriften. In vergunningvoorwaarde 2 is geen specifieke afstand opgenomen waarbinnen het [derde-partij] niet is toegestaan de erfafscheiding te plaatsen.\n\n19. Het college heeft alleen bij een overtreding van een wettelijk voorschrift de bevoegdheid om handhavend op te treden. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of het niet volledig vrijhouden van de middenstrook tussen de haakse parkeerplaatsen op beide percelen strijd oplevert met de vergunningvoorwaarden. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Daartoe overweegt zij dat in de vergunningvoorwaarden niet expliciet is bepaald dat de middenstrook volledig vrij gehouden moet worden. Dat volgens de [eiseres] in de vorige procedure door de rechtbank het advies is gegeven om de middenstrook vrij te houden, laat onverlet dat bij de vraag of sprake is van een overtreding gekeken moet worden naar de vergunningvoorwaarden. De [eiseres] is niet in hoger beroep gegaan tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank, waardoor de omgevingsvergunning met de voorwaarde 1 en de (gewijzigde) voorwaarde 2 in rechte is vast komen te staan en als uitgangspunt geldt in deze handhavingszaak. De inhoud van de vergunningvoorwaarden kan niet meer in deze procedure aan de orde gesteld worden.\n\n20. Op grond van vergunningvoorwaarde 1 mag [derde-partij] de parkeerplaatsen op het eigen perceel beschikbaar houden met behulp van een verwijderbare ketting als voorwaarde 2 in acht wordt genomen. De vergunningvoorwaarden 1 en 2 moeten in samenhang gelezen worden. Vergunningvoorwaarde 2 staat het niet toe dat een erfafscheiding op de perceelsgrens wordt geplaatst. In het bestreden besluit is uiteengezet dat [derde-partij] de paaltjes niet op de perceelsgrens heeft geplaatst, maar op enige afstand. De [eiseres] heeft gesteld dat belijning niet overeenkomst met de perceelsgrens, maar dat deze grens vóór de belijning ligt. Op basis hiervan kan vastgesteld worden dat de paaltjes met koorden niet op de perceelsgrens staan. Verder is van belang dat de paaltjes geen permanent karakter hebben en eenvoudig te verplaatsen zijn. Op basis van de dossierstukken en wat op zitting is besproken kan de rechtbank niet vaststellen dat met het plaatsen van de paaltjes sprake is van een overtreding van de vergunningvoorwaarden. Het beschikbaar, bruikbaar en bereikbaar houden van parkeerplaatsen, zoals in voorwaarde 1 staat, heeft betrekking op de parkeerplaatsen van [derde-partij] . De handelwijze van [derde-partij] maakt niet dat hier niet aan voldaan wordt. De rechtbank ziet ook het belang van een goede bereikbaarheid van de parkeerplaatsen van de [eiseres] , maar dat kan geen reden zijn om te oordelen dat [derde-partij] de vergunningvoorwaarden heeft overtreden.\n\nReclamebord\n\n21. De [eiseres] brengt ook naar voren dat het bij de toegang van de inrit geplaatste reclamebord een onnodige belemmering vormt. Het reclamebord staat op het perceel van [derde-partij] . De rechtbank is het met het college eens dat dit bord niet tot gevolg heeft dat de parkeerplaatsen van [derde-partij] niet beschikbaar, bruikbaar en bereikbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank levert het reclamebord geen strijd met de vergunningvoorwaarden op.\n\nBestemmingsplan\n\n22. Volgens de [eiseres] wordt een inbreuk gemaakt op het bestemmingsplan. Omdat [derde-partij] het goed in-en uitrijden belemmert komt de spoedeisende zorg in gevaar.\n\n23. Het perceel van de [eiseres] heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemming “Maatschappelijk”. Op deze bestemming en de bestemming “Sport” zoals dat op het perceel van [derde-partij] geldt, zijn ook parkeervoorzieningen toegestaan. Dat de huidige parkeersituatie door de [eiseres] als een probleem wordt ervaren, betekent niet dat dat perceel niet meer voor de maatschappelijke bestemming gebruikt kan worden. Van een overtreding van het bestemmingsplan door [derde-partij] is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.\n\nAlternatieven\n\n24. De [eiseres] wijst erop dat er alternatieven voorhanden zijn waardoor alle parkeerplaatsen toegankelijk zijn, zoals het plaatsen van beugels of boorden voor de parkeerplaatsen van [derde-partij] . De rechtbank overweegt dat dit geen rol kan spelen bij de vraag die in deze zaak ter beoordeling voorligt. Dat laat onverlet dat een aanpassing van de huidige parkeersituatie een oplossing kan bieden voor de door de [eiseres] ervaren problemen. De rechtbank merkt in dit verband op dat zowel de [eiseres] als [derde-partij] kunnen onderzoeken wat zij zelf kunnen doen om tot een oplossing te komen. Zij zijn immers als eigenaren van de percelen gelijkwaardige partijen van elkaar.\n\nCollege is niet vooringenomen\n\n25. De [eiseres] meent dat het college vooringenomen is geweest, omdat bij de besluitvorming geen rekening is gehouden met de belangen van de [eiseres] . De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat het college vooringenomen is geweest is bij de beoordeling van het handhavingsverzoek. Naar aanleiding van dit verzoek hebben controles plaatsgevonden en op basis daarvan is het handhavingsverzoek beoordeeld. De besluitvorming geeft ook geen blijk van vooringenomenheid.\n\nConclusie en gevolgen\n\n26. De conclusie van de rechtbank is dat het college terecht heeft geconstateerd dat geen sprake is van een overtreding en dat hij daarom niet bevoegd is om handhavend op te treden. Het handhavingsverzoek is terecht afgewezen.\n\n27. Het beroep is ongegrond. De [eiseres] krijgt geen gelijk. Dit betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft.\n\n28. De [eiseres] krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2020:1260.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2018:900.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:2552","2023-05-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.774Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":52,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":36,"updatedAt":54},"2012","ECLI:NL:RBMNE:2022:1791","ecli-nl-rbmne-2022-1791","2022-05-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 22\u002F810 en UTR 22\u002F811\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 mei 2022 in de zaken tussen\n\n1. Stichting Behoud het Weteringgebied, gevestigd in Langbroek;Vereniging Natuur en Milieu, IVN-afdeling Wijk bij Duurstede, gevestigd in Wijk bij Duurstede;\n\nDe Loonbrouwerij B.V.,;\n\nTapkoel Holding B.V., beide gevestigd in Cothen;\n\n [verzoeker sub 1]uit [woonplaats] ;\n\n2. Stichting Instandhouding Sterkenburg,;\n\nLandgoed Hardenbroek B.V., beide gevestigd in Driebergen-Rijsenburg;Ridderhofstad Hindersteyn B.V.;Poggel B.V.;Klein Hindersteyn B.V.;Hindersteyn C B.V.;Landgoed Dondersteyn B.V.;Landgoed Rhodesteyn B.V.;Landgoed Dijkhoeve B.V.;Landgoed De Lange Akkers B.V., alle gevestigd in Langbroek;\n\n3. 29 29 personenuit [woonplaats] , [woonplaats] en [woonplaats] ;\n\n3. 29 [verzoeker sub 3.1] de [woonplaats] (Landgoed [landgoed 1] );\n\n [verzoeker sub 3.2] (Landgoed [landgoed 2] ), beiden uit [woonplaats] ;\n\n [verzoeker sub 3.3] en [verzoeker 3.4] ( [naam] );\n\n [verzoeker sub 3.5] (Landgoed [landgoed 3] ), beiden uit [woonplaats] ;\n\nsamen: verzoekers\n\n(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. H.S. Heite)\n\nVerder heeft als partij aan het geding deelgenomen:\n\nGroene Energie Kromme Rijn & Heuvelrug B.V., gevestigd in Leersum\n\n(gemachtigde: mr. F.H. Damen).\n\nPartijen worden hierna verzoekers, gedeputeerde staten en Kromme Rijn & Heuvelug genoemd.\n\nInleiding\n\nKromme Rijn & Heuvelrug heeft het voornemen om aan de Graaf van Lynden van Sandenburgweg in Cothen, gemeente Wijk bij Duurstede, een installatie voor de opwekking van bio-energie te realiseren. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de gebieden Kolland & Overlangbroek en Rijntakken. Deze gebieden zijn gevoelig voor stikstof. Gedeputeerde staten zijn op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verantwoordelijk voor de beoordeling van de gevolgen op de Natura 2000-gebieden van plannen en projecten in de provincie Utrecht.\n\nOp 30 maart 2017 hebben gedeputeerde staten aan de rechtsvoorganger van Kromme Rijn & Heuvelrug een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van een (co-)vergistingsinstallatie met be- en verwerking van digestaat. Op diezelfde datum hebben gedeputeerde staten aan de rechtsvoorganger van Kromme Rijn & Heuvelrug voor het oprichten van die installatie een vergunning verleend op grond van de Wnb. Deze natuurvergunning is verleend met toepassing van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en in de vergunning zijn de gevolgen van het project voor het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek beoordeeld.\n\nDe biovergistingsinstallatie is nog niet gereed en niet in gebruik. Als onderdeel van de installatie is er inmiddels een loods gebouwd; de overige bouw- en aanlegwerkzaamheden zullen de komende tijd verder plaatsvinden. Kromme Rijn & Heuvelrug heeft het streven om de installatie medio 2023 in werking te stellen.\n\n4. Met de uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het PAS onverbindend verklaard.Verzoekers hebben gedeputeerde staten om die reden op 12 mei 2021 verzocht om de natuurvergunning in te trekken. Zij hebben daarbij ook verzocht om de omgevingsvergunning in te trekken.\n\n5. Gedeputeerde staten hebben nog niet beslist op het verzoek om de omgevingsvergunning in te trekken. Het verzoek om de natuurvergunning in te trekken hebben zij met het besluit van 9 september 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 februari 2022 hebben gedeputeerde staten het bezwaar van verzoekers daartegen ongegrond verklaard. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben beroep ingesteld. Zij hebben daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n6. De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 26 april 2022. Stichting Behoud het Weteringgebied heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] . Vereniging Natuur en Milieu, IVN-afdeling Wijk bij Duurstede heeft zich laten vertegenwoordigen door haar voorzitter [C] . Zij werden bijgestaan door en de overige verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde en door deskundige [D] . Gedeputeerde staten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, bijgestaan door [E] . Kromme Rijn & Heuvelug heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door deskundige [F] .\n\n7. Na de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat meer onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.Overwegingen over het beroep - ontvankelijkheid\n\n8. Gedeputeerde staten hebben de vraag of verzoekers allemaal als belanghebbende kunnen worden aangemerkt bij de intrekking van de natuurvergunning voor een deel van de verzoekers in het midden gelaten en hebben alle bezwaren ontvankelijk geacht. De voorzieningenrechter kan die praktische afdoeningswijze niet toepassen: hij moet de belanghebbendheid van verzoekers beoordelen om het beroep te kunnen afdoen. Bij die beoordeling is bepalend dat alleen een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als aanvraag in behandeling moet worden genomen. Er moet dus worden beoordeeld of alle verzoekers belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij het door hen gevraagde besluit om de natuurvergunning in te trekken.\n\n9. Stichting Behoud het Weteringgebied en Vereniging Natuur en Milieu, IVN-afdeling Wijk bij Duurstede zijn belanghebbenden bij het gevraagde besluit. Zij zijn rechtspersonen die blijkens hun statuten opkomen voor de algemene bij dat besluit betrokken belangen, waarbij uit de feitelijke werkzaamheden blijkt dat zij die behartigen. Ook De Loonbrouwerij B.V., Tapkoel Holding B.V. en [verzoeker sub 1] zijn belanghebbenden bij het gevraagde besluit, omdat zij op korte afstand in de directe omgeving van de locatie waarvoor de natuurvergunning geldt zijn gevestigd of wonen en daarvan rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden. De in de kop van deze uitspraak onder 1. genoemde (rechts)personen zijn ontvankelijk in hun beroep en hun beroepsgronden zullen hierna inhoudelijk worden beoordeeld.\n\n10. De in de kop van deze uitspraak onder 2. genoemde rechtspersonen zijn landgoederen in de omgeving van de locatie waarvoor de natuurvergunning geldt. Onder 3. zijn 29 personen genoemd die in de omgeving wonen. Van de onder 4. genoemde personen kan op basis van de overgelegde machtigingen worden geconstateerd dat zij optreden namens landgoederen in de omgeving die geen rechtspersoon zijn. De voorzieningenrechter heeft via Googlemaps kunnen vaststellen dat deze (rechts)personen allemaal zijn gevestigd of wonen op een afstand van meer dan 500 meter van de locatie waarvoor de natuurvergunning geldt. Deze afstand loopt op tot ongeveer 3.350 meter. Gelet op deze afstanden is niet aannemelijk dat deze (rechts)personen van de biovergistingsinstallatie rechtstreeks feitelijke gevolgen zullen ondervinden die van enige betekenis zijn voor hun woon-, leef- of bedrijfssituatie. Zij zijn daarom geen belanghebbenden bij het gevraagde besluit om de natuurvergunning in te trekken. Voor zover het verzoek is ingediend door de in de kop van de uitspraak onder 2., 3. en 4. genoemde (rechts)personen is het verzoek daartoe daarom geen aanvraag om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De afwijzing daarvan is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het college had de bezwaren in zoverre niet-ontvankelijk moeten verklaren en heeft dat ten onrechte niet gedaan. Het beroep is daarom gegrond. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit daarom (in zoverre) vernietigen en zal zelf in de zaak voorzien door de bezwaren van de in de kop van de uitspraak onder 2., 3. en 4. genoemde (rechts)personen niet-ontvankelijk te verklaren.\n\nOverwegingen over het beroep - inhoudelijkBeoordelingskader\n\n11. Deze zaak gaat over de vraag of gedeputeerde staten het verzoek van verzoekers om intrekking van de natuurvergunning van Kromme Rijn & Heuvelrug hebben mogen afwijzen. Verzoekers vinden dat gedeputeerde staten de vergunning hadden moeten intrekken op grond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, dan wel artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. Als leidraad voor de beoordeling van de zaak kijkt de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 januari 2021 (Logtsebaan), waarin is uiteengezet onder welke omstandigheden een natuurvergunning kan of moet worden ingetrokken en welke eisen aan de motivering van een beslissing op een verzoek om intrekking of wijziging van een natuurvergunning worden gesteld. Daarnaast is de uitspraak van deze rechtbank van 22 september 2021 (Westbroek)relevant, waarin al is ingegaan op een rechtsvraag die in deze zaak ook speelt.\n\n12. Artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb bepaalt dat een vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd als de vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend. Het gaat om een zogenoemde discretionaire bevoegdheid van gedeputeerde staten. Dit betekent dat gedeputeerde staten niet verplicht zijn om deze bevoegdheid te gebruiken. Zij zullen een afweging van de betrokken belangen moeten maken. Tot die belangen behoort ook het belang van de rechtszekerheid van de vergunninghouder.\n\n13. Artikel 5.4, tweede lid van de Wnb bepaalt dat een vergunning wordt ingetrokken of gewijzigd indien dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn voorziet in een permanente beschermingsverplichting en strekt ertoe dat passende maatregelen getroffen worden als verslechtering of significante verstoring van natuurlijke habitats en habitats van soorten dreigt.\n\n14. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat het eerste en tweede lid van artikel 5.4 van de Wnb in samenhang moeten worden gelezen, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5.4. De Afdeling heeft overwogen dat als de c- of d-grond uit het eerste lid van toepassing is én uit de herbeoordeling van de vergunde activiteit volgt dat deze, anders dan ten tijde van de vergunningverlening werd verondersteld, leidt tot een (dreigende) verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden, dat dan ook artikel 5.4, tweede lid, van belang is.In artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb ligt besloten dat een grond voor intrekking of wijziging van een natuurvergunning aanwezig is als een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden in een Natura 2000-gebied dreigt en de activiteit waarvoor de natuurvergunning is verleend effecten heeft op die natuurwaarden. Anders dan bij het eerste lid, hebben gedeputeerde staten bij toepassing van het tweede lid geen ruimte voor een belangenafweging. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat gedeputeerde staten bij toepassing van dit artikel wel beoordelingsruimte hebben bij de keuze van de maatregelen die passend zijn om verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen voor de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied te voorkomen. Het intrekken of wijzigen van een natuurvergunning is in het licht daarvan niet altijd een passende maatregel die moet worden getroffen. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgen duidelijke kaders voor de vraag waaraan de motivering van het bevoegd gezag moet voldoen als het niet kiest voor intrekking of wijziging van de natuurvergunning als passende maatregel. De enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen, zullen of al worden getroffen, is onvoldoende. Het bevoegd gezag moet inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen afzienbare tijd.\n\nStandpunten van partijen over bevoegdheid lid 1\n\n15. Gedeputeerde staten stellen zich in het bestreden besluit – in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie – op het standpunt dat de intrekkings- en wijzigingsgrond uit artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb niet van toepassing is, omdat de natuurvergunning niet is verleend in strijd met wettelijke voorschriften. Toen de vergunning werd verleend was dat immers in overeenstemming met de toen geldende PAS-regelgeving. Gelet hierop wordt volgens gedeputeerde staten niet toegekomen aan een beoordeling van de vraag of de natuurvergunning op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb moet worden ingetrokken.\n\n16. Verzoekers betwisten deze insteek en verwijzen daarbij naar de PAS-uitspraak van de Afdeling en naar de uitspraak Westbroek van de rechtbank.Oordeel over bevoegdheid lid 1\n\n17. De rechtbank heeft in de uitspraak Westbroek overwogen dat een onverbindendverklaring jegens een ieder geldt, niet beperkt is tot de in de uitspraak voorliggende zaak, in zoverre terugwerkende kracht heeft en dat dit betekent dat het PAS niet in de wet had mogen worden opgenomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de in die zaak voorliggende natuurvergunning, ondanks dat deze in rechte onaantastbaar was, is verleend in strijd met wettelijke voorschriften.De voorzieningenrechter overweegt dat dit ook geldt voor de natuurvergunning in deze zaak en dat hij geen aanleiding ziet om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan in de uitspraak Westbroek. Gedeputeerde staten hebben ten onrechte niet onderkend dat de in artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb genoemde omstandigheid zich voordoet en dat zij op grond daarvan bevoegd zijn de natuurvergunning voor Kromme Rijn & Heuvelrug in te trekken. De beroepsgrond slaagt.\n\n18. Gelet hierop hadden gedeputeerde staten vervolgens moeten beoordelen of de natuurvergunning moet worden ingetrokken op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. Gedeputeerde staten hebben dat ten onrechte nagelaten. Ook deze beroepsgrond slaagt.\n\n19. Het bestreden besluit moet gelet op het voorgaande (ook) worden vernietigd voor zover daarbij inhoudelijk op de bezwaren van verzoekers is beslist.\n\nStandpunten van partijen over belangenafweging lid 1 en beoordeling lid 2\n\n20. Gedeputeerde staten hebben de voorzieningenrechter verzocht om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, in het geval waarin tot vernietiging wordt overgegaan. In dat kader hebben zij het standpunt ingenomen dat zij bij de belangenafweging in de zin van artikel 5.4, eerste lid, van de Wnb in redelijkheid meer belang kunnen hechten aan de rechtszekerheid van Kromme Rijn & Heuvelrug. Ten aanzien van de te maken afweging op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb wijzen gedeputeerde staten op hun verweerschrift uit de bezwaarfase, waarin wordt ingegaan op verschillende maatregelen die zijn uitgewerkt in het beheerplan Kolland & Overlangbroek en waaruit volgens hen volgt dat intrekking van de natuurvergunning van Kromme Rijn & Heuvelrug geen noodzakelijke passende maatregel is.\n\n21. Verzoekers vinden dat het belang bij het voorkomen van een aantasting van de natuurwaarden zwaarder moet wegen dan de mogelijkheid voor Kromme Rijn & Heuvelrug om met haar plan door te kunnen gaan. Over de beoordeling van de te treffen maatregelen uit het beheerplan voeren verzoekers aan dat onvoldoende duidelijk is dat dit passende maatregelen zijn en wanneer en hoe zij effectief zullen zijn.Oordeel over beoordeling lid 2\n\n22. De voorzieningenrechter zal eerst op dit laatste punt – de beoordeling op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb – ingaan en hij geeft verzoekers ook hier gelijk. Partijen zijn het erover eens dat bij de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden Kolland & Overlangbroek en Rijntakken een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden dreigt, én dat de voorgenomen activiteiten van Kromme Rijn & Heuvelrug daarop effecten hebben. Gedeputeerde staten hebben in het verweerschrift uit de bezwaarfase gewezen op de maatregelen uit het beheerplan voor Kolland & Overlangbroek. Binnen de deelgebieden worden hydrologische maatregelen uitgevoerd om de grondwaterstand te verhogen en de afvoer van overtollig zuur (regen)water te verbeteren. Er wordt een hydrologische scheiding aangebracht tussen het agrarische gebied en de natuurgebieden, waarbij wordt verwezen naar het daartoe op grond van de Waterwet opgestelde projectplan. De maatregelen hebben als doel het tegengaan van verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie en op de zitting is toegelicht dat zij voor het grootste deel inmiddels zijn uitgevoerd. Gedeputeerde staten wijzen daarnaast op de gebiedsgerichte aanpak door de provincie en op de landelijke aanpak van de stikstofproblematiek.\n\n23. De voorzieningenrechter stelt voorop dat gedeputeerde staten niet zijn ingegaan op de vraag welke passende maatregelen worden genomen in het Natura 2000-gebied Rijntakken en hoe daarmee voor dat gebied uitvoering wordt gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie. De door hen gegeven motivering gaat immers alleen over het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek en alleen al om deze reden kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand blijven.\n\n24. Met betrekking tot het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek overweegt de voorzieningenrechter gelijkluidend als de rechtbank heeft gedaan in de uitspraak Westbroek over de in die zaak gepresenteerde maatregelen voor het Natura 2000-gebied dat daar aan de orde was. Net als in die zaak hebben gedeputeerde staten alle hiervoor genoemde (natuur)herstelmaatregelen geduid als passende maatregelen in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Niet is toegelicht of gemotiveerd waarom deze maatregelen als passende maatregelen zijn aan te merken. Weliswaar hebben gedeputeerde staten beoordelingsruimte als het gaat om de vraag welke maatregelen getroffen gaan worden, maar bij de keuze mogen alleen passende maatregelen betrokken worden en niet andersoortige maatregelen. Gedeputeerde staten zijn er zonder motivering van uitgegaan dat de genomen en te nemen maatregelen passende maatregelen zijn, terwijl gelet op de aard van de maatregelen niet valt uit te sluiten dat het om andersoortige maatregelen gaat. De verwijzing naar de gronden van het hoger beroep dat gedeputeerde staten tegen de uitspraak Westbroek hebben ingesteld volstaat ook niet. Zij hebben daarin gewezen op de aard van passende maatregelen en instandhoudingsmaatregelen in het licht van de bepalingen uit de Habitatrichtlijn. Juist omdat de Habitatrichtlijn instandhoudingsmaatregelen definieert als maatregelen die in een beheerplan kunnen worden opgenomen en het in deze zaak gaat om maatregelen uit het beheerplan, moet nader gemotiveerd worden waarom de maatregelen desondanks (ook) als passende maatregel moeten worden aangemerkt. De voorzieningenrechter volgt verder de overwegingen van de bezwaarschriftencommissie over de gebiedsgerichte aanpak: daarvan is onduidelijk wanneer verwacht wordt dat deze effectief zijn en wat de effecten zijn. Gedeputeerde staten hebben niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de maatregelen bijdragen aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. Hoewel het niet nodig is om concreet aan te geven welke maatregel tot dezelfde reductie van de stikstofdepositie leidt als de intrekking of wijziging van de natuurvergunning zou leiden, moet wel duidelijk worden gemaakt of de maatregelen effectief zijn en op welke termijn.Conclusie\n\n25. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit, omdat het in strijd is met artikel 5.4, eerste lid, onder c en het tweede lid, van de Wnb. Gedeputeerde staten moeten het verzoek om de natuurvergunning in te trekken in een nieuwe beslissing op de bezwaren van de verzoekers die in de kop van de uitspraak onder 1. zijn genoemd opnieuw beoordelen in het licht van wat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld. Daarvoor geeft hij hen niet via een bestuurlijke lus de gelegenheid, omdat onvoldoende duidelijk is of de weigering om de natuurvergunning in te trekken alsnog toereikend kan worden gemotiveerd.\n\n26. De voorzieningenrechter zal een termijn stellen waarbinnen gedeputeerde staten het nieuwe besluit moeten nemen. Daartoe is aanleiding omdat zowel verzoekers als Kromme Rijn & Heuvelrug er baat bij hebben dat er duidelijkheid komt over het wel of niet kunnen voortzetten van de plannen. De termijn wordt bepaald op 4 weken na deze uitspraak. Dat is een haalbare termijn, omdat er al is geadviseerd door de bezwaarschriftencommissie en de standpunten van partijen duidelijk zijn.\n\nOverwegingen over het verzoek om een voorlopige voorziening\n\n27. Omdat uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak moet het separate verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen. Ook als de voorzieningenrechter op het beroep beslist kan hij daarbij echter zo nodig een voorlopige voorziening treffen, op de grondslag van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.\n\n28. Verzoekers hebben gevraagd om dat te doen in de vorm van een bouwstop. Zij vrezen voor stikstofdepositie, ook tijdens de bouwfase van de biovergistingsinstallatie die op korte termijn zal starten. Bovendien wordt het terugdraaien van het project volgens hen steeds moeilijker naarmate de bouw vordert en er meer investeringen zijn gedaan.\n\n29. Kromme Rijn & Heuvelrug heeft gewezen op het belang dat zij heeft om met haar plannen door te kunnen gaan, juist vanwege de investeringen die al zijn gedaan en de gemaakte planning. Zij heeft aan de hand van een AERIUS-berekening onderbouwd dat er in de bouwfase geen sprake is van stikstofdepositie.\n\n30. De voorzieningenrechter weegt de belangen van partijen bij het al dan niet treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van het nieuwe besluit van gedeputeerde staten. Hij beperkt zijn oordeel tot de bouwfase, omdat niet aannemelijk is dat de biovergistingsinstallatie op korte termijn in gebruik zal worden genomen en omdat er op basis van deze uitspraak een korte beslistermijn voor gedeputeerde staten geldt. Bij de huidige stand van zaken heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de AERIUS-berekening over de bouwfase. Verzoekers hebben er wel op gewezen dat die berekening pas op een laat moment in de procedure is gemaakt en dat zij deze door een deskundige willen laten toetsen en op die wijze willen betwisten. Het is echter de aard van de voorlopigevoorzieningprocedure dat er nog laat stukken kunnen worden gewisseld. De voorzieningenrechter heeft daarom op de zitting toegestaan dat dit stuk aan het dossier wordt toegevoegd en ziet geen reden om de berekening nu niet bij zijn belangenafweging te betrekken. Daarvan uitgaande is er geen reden om de bouw nu te verbieden vanwege de vrees voor onherstelbare schade aan de Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie. Het belang van Kromme Rijn & Heuvelrug moet dan zwaarder wegen. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat zij voor eigen risico verder bouwt: het is immers nog niet zeker dat de biovergistingsinstallatie ook in gebruik kan worden genomen en de intrekking van de natuurvergunning hangt nog steeds in de lucht. De uitkomst van de belangenafweging geldt bovendien bij de huidige stand van zaken. Verzoekers kunnen bij het uitblijven van nadere besluitvorming, als zij de AERIUS-berekening alsnog inhoudelijk willen betwisten, gebruik maken van hun verdere rechtsbeschermingsmogelijkheden via een beroep vanwege niet tijdig beslissen.\n\n31. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen op grondslag van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.\n\nOverwegingen over de kosten\n\n32. Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart, moeten gedeputeerde staten aan verzoekers het door hen in de beide procedures betaalde griffierecht vergoeden.\n\n33. Omdat het beroep gegrond is, krijgen verzoekers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Gedeputeerde staten moeten die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.277,-.Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 15 februari 2022;\n\nverklaart de bezwaren van de in de kop van de uitspraak onder 2., 3. en 4. genoemde (rechts)personen niet-ontvankelijk en bepaalt dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;\n\ndraagt gedeputeerde staten op om binnen 4 weken opnieuw op de bezwaren van de in de kop van de uitspraak onder 1. genoemde (rechts)personen te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;\n\ndraagt gedeputeerde staten op het voor het beroep betaalde griffierecht van € 365,- aan verzoekers te vergoeden;\n\ndraagt gedeputeerde staten op het voor het verzoek om een voorlopige voorziening betaalde griffierecht van € 365,- aan verzoekers te vergoeden;\n\nveroordeelt gedeputeerde staten in de proceskosten van verzoekers in het beroep tot een bedrag van € 2.277,-;\n\nwijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2022.\n\nde griffier is verhinderd om\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u voor zover op het beroep is beslist een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1603.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2021:4524.\n\n Overweging 6.5 van de Logtsebaan-uitspraak.\n\n Richtlijn 92\u002F43\u002FEEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.\n\n Overwegingen 6.4. en 6.5 van de Logtsebaan-uitspraak.\n\n Overweging 7.3 van de Logtsebaan-uitspraak.\n\n Overweging 17 van de uitspraak Westbroek.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1791","2026-07-13T00:29:49.842Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":59,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":36,"updatedAt":61},"509","ECLI:NL:RBMNE:2022:567","ecli-nl-rbmne-2022-567","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 21\u002F1250\n uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2022 in de zaak tussen\n Vereniging Vrienden van 't Gooi, uit Huizen, eiseres\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M. Bekooy).\n\nDe partijen worden in het vervolg van deze uitspraak aangeduid als: de VVG en het college.\n\nInleiding\n\n1. Bij de Stichtse Brug in Blaricum ligt het Voorland, een natuurgebied met een recreatiestrand. Het Voorland is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Begin 2019 is in opdracht van de gemeente het strand deels afgegraven en met zand opgehoogd. Ook zijn een volleybalveld en een pad aangelegd. De VVG heeft het college om handhaving verzocht.\n\n2. In het besluit van 14 november 2019 heeft het college het handhavingsverzoek met betrekking tot het volleybalveld toegewezen en met betrekking tot de strandverbreding en de verhardingen afgewezen. De VVG heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. In de beslissing op bezwaar van 20 januari 2021 heeft het college de motivering van het besluit aangevuld. De VVG is het niet eens met die beslissing op bezwaar en heeft daartegen beroep ingesteld.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 14 december 2021 op zitting behandeld, gelijktijdig met een beroepszaak over de plaatsing van een strandpaviljoen (UTR 21\u002F98). De VVG is vertegenwoordigd door voorzitter ing. [A] en mr. [B] , vergezeld door deskundigen dr. J.A.M. Janssen en P.A. Bakker. Het college is vertegenwoordigd door gemachtigde mr. M. Bekooy, vergezeld door teamleider [C] en deskundige D. Grote Beverborg. Ook aanwezig was [D] , namens [bedrijf] B.V., de vergunninghouder van het strandpaviljoen.\n\n4. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek aangehouden in verband met een nadere uitwisseling van stukken over de ontvankelijkheid van het beroep. Het college heeft stukken ingediend en de VVG heeft daarop gereageerd. Partijen hebben aangegeven geen gebruik te maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft op 6 januari 2022 het onderzoek gesloten.\n\nOverwegingen\n\n5. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van de VVG niet-ontvankelijk, omdat het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend.\n\n6. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel gekomen is.\n\nWas er sprake van een termijnoverschrijding?\n\n7. De beslissing op bezwaar is genomen op 20 januari 2021. Het college heeft stukken ingediend waaruit blijkt dat het besluit op 21 januari 2021 bij PostNL is aangeboden om aangetekend verzonden te worden. Uit de ‘Track & Trace’ gegevens van PostNL blijkt dat het poststuk op 26 januari 2021 bij het PostNL-punt is aangekomen en op 27 januari 2021 is afgehaald. Het pro forma beroepschrift is op 16 maart 2021 door de rechtbank ontvangen.\n\n8. Aan de beslissing op bezwaar ligt een salderingsovereenkomst ten grondslag. Deze salderingsovereenkomst is niet met de beslissing op bezwaar meegezonden, maar is op verzoek van de VVG op 9 februari 2021 per e-mail naar de VVG verzonden. De VVG voert aan dat de beroepstermijn pas is aangevangen na de verzending van het salderingsbesluit, omdat dat een belangrijk onderdeel van de beslissing op bezwaar is. Volgens de VVG was eerder niet voldaan aan artikel 14 van de Bekendmakingswet.\n\n9. Naar het oordeel van de rechtbank is de beroepstermijn aangevangen op 22 januari 2021, de dag na verzending van de beslissing op bezwaar. Daarmee was het besluit op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Uit artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat dat de start van de beroepstermijn is. Dat de salderingsovereenkomst op dat moment niet is meegezonden maakt daarvoor geen verschil. Die overeenkomst ligt wel ten grondslag aan het besluit, maar is geen onderdeel van het besluit zelf. De overeenkomst is daarom niet bepalend voor de bekendmaking van het besluit, en daarmee ook niet voor de start van de beroepstermijn.\n\n10. De beroepstermijn is op grond van artikel 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht 6 weken vanaf de dag na de verzenddatum. De rechtbank stelt vast dat de beroepstermijn afliep op 4 maart 2021. Het beroepschrift is op 16 maart 2021 ingediend, dus pas na het verstrijken van de beroepstermijn.\n\nWas de termijnoverschrijding verwijtbaar?\n\n11. Uit artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een beroep toch ontvankelijk is, als de termijnoverschrijding de indiener redelijkerwijs niet kan worden verweten.\n\n12. De VVG voert aan dat het te laat indienen van het beroep haar niet kan worden verweten. De VVG stelt dat zij pas na ontvangst van de salderingsovereenkomst kon beoordelen of er reden was om beroep in te stellen. Vervolgens moest ook nog beslist worden of er een bureau zou worden ingeschakeld voor een contra-expertise, en welk bureau dat dan zou kunnen doen. De VVG wijst er ook op dat voor het instellen van beroep en het besteden van middelen uit de verenigingskas bestuursbesluiten nodig zijn en verantwoording moet worden afgelegd aan de leden, en dat kost ook tijd.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank kan de termijnoverschrijding de VVG redelijkerwijs worden verweten. Er was geen reden waarom de VVG niet al tijdens de beroepstermijn in ieder geval pro forma, dus nog zonder inhoudelijke gronden, beroep had kunnen instellen. Dat kon de VVG al doen vóór de ontvangst van de salderingsovereenkomst, en na ontvangst van de overeenkomst waren er bovendien ook nog ruim drie weken van de beroepstermijn over. Voor het instellen van beroep is het ook niet nodig dat er al is beslist over het inschakelen van een bureau voor een contra-expertise. Dat er tijd gemoeid is met interne besluiten en procedures binnen de vereniging komt voor risico van de VVG.\n\nConclusie\n\n14. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. E.M. van der Linde en mr. A. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 februari 2022 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid\n\nom deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:567","2026-07-13T00:28:34.023Z",20]