[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-planning-permit-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":59,"limit":60},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},104,"planning-permit-nl","Planning Permit","NL","2026-07-08T16:56:40.776Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2023-03-23T00:00:00.000Z","2026-07-02T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,51],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1041","ECLI:NL:RBMNE:2026:3907","ecli-nl-rbmne-2026-3907","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 26\u002F3070 en 26\u002F2165-T\n\ntussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n [eiser sub 1]\n\n [eiser sub 2]\n\n [eiser sub 3]\n\n [eiser sub 4]\n\n [eiser sub 5] ,\n\n [eiser sub 6] B.V.\n\neisers, allen uit [woonplaats]\n\n(gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer),\n\nenhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E. Kovacsek).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij]uit [woonplaats] (vergunninghouder).\n\nInleiding\n\n1. Vergunninghouder heeft op 9 juli 2024 een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen van 30 woonunits voor de huisvesting van arbeidsmigranten aan de [adres] in [plaats] aangevraagd. Het college heeft de omgevingsvergunning op 2 oktober 2024 verleend (het primaire besluit I). Daartegen hebben eisers bezwaar gemaakt, omdat zij vrezen dat zij door de woonunits in hun agrarische bedrijfsvoering, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, worden belemmerd.\n\n2. Met het besluit op bezwaar van 4 juni 2025, dat is uitgereikt op 6 februari 2026 (hierna het bestreden besluit I), heeft het college het primaire besluit in stand gelaten onder verbetering van de motivering. Omdat twee units op minder dan 50 meter afstand van de agrarische percelen zijn gelegen, zoals is gebleken bij een grensreconstructie van het Kadaster, is het primaire besluit I aangepast met een nieuwe situatietekening. Op die tekening staat bij de twee betreffende units het woord ‘opslag’. Het gewijzigde primaire besluit (het primaire besluit II) is genomen op 5 januari 2026.\n\n3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit I en hebben daartegen beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat het bestreden besluit I volgens hen evident onrechtmatig is.\n\n4. Naar aanleiding van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening heeft het college het bestreden besluit I aangevuld met het besluit van 2 juni 2026 (het bestreden besluit II). Met het bestreden besluit II zijn twee voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden en is het primaire besluit II ingetrokken. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eisers van rechtswege mede tegen het bestreden besluit II gericht.\n\n5. Op 9 juni 2026 hebben eisers de rechtbank bericht dat het bestreden besluit II geen aanleiding geeft om het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken.\n\n6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser sub 2] , [eiser sub 1] , de gemachtigde van eiser, vergezeld door mr. M. de Boer, en de gemachtigde van het college. Vergunninghouder is niet op de zitting verschenen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n7. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.\n\n8. De voorzieningenrechter beoordeelt de bestreden besluiten I en II aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Op de zitting hebben eisers hun beroepsgrond dat hen de mogelijkheid is ontnomen om zich uit te laten over de vraag of de wijziging die met het primaire besluit II is doorgevoerd aangemerkt kan worden als een ondergeschikte wijziging, doordat dit besluit niet aan hen kenbaar is gemaakt, ingetrokken. Dat betekent dat de voorzieningenrechter niet zal beoordelen of sprake is geweest van een ondergeschikte wijziging van de aanvraag.\n\n9. De voorzieningenrechter zal hierna eerst het wettelijk kader, dan het bestreden vergunningvoorschrift in het bestreden besluit II en daarna alle overige beroepsgronden bespreken.\n\nHet wettelijk kader\n\n10. Partijen zijn het erover eens, en de voorzieningenrechter stelt ook vast, dat de bouw van de woonunits in strijd is met het bestemmingsplan ‘Buitengebied Dronten (D4000)’ dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan en waarin het perceel de bestemming ‘Maatschappelijk-Zorgboerderij’ heeft.\n\n11. De voorzieningenrechter stelt bij haar beoordeling van de omgevingsvergunning voorop dat, omdat de omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, het college deze alleen kan verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter oordeelt daarom niet zelf of de verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eisers of de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het recht.\n\n12. Het college heeft voor het bouwplan ook een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit aan vergunninghouder verleend, maar daartegen zijn de beroepsgronden niet gericht. De beroepsgronden zijn uitsluitend gericht tegen de buitenplanse omgevingsplanactiviteit.\n\nHet beroep tegen het voorschrift in het bestreden besluit II\n\n13. Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunning evident in strijd is met de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over spuitvrije zones tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt (spuitzonering). Met het vergunningvoorschrift dat het gebruik van units 1 en 16 voor langdurig verblijf van mensen niet is toegestaan (waaronder in elk geval, doch niet uitsluitend, het gebruik voor de huisvesting van arbeidsmigranten wordt begrepen) is volgens eisers onvoldoende ondervangen dat niet wordt verbleven in de spuitzone. De units blijven gevoelige objecten, voorzien van een keuken, badkamer, slaapkamer en woonkamer, waarvoor een minimale afstand van 50 meter tot agrarische gronden in acht moet worden genomen. Omdat dit niet het geval is, had de omgevingsvergunning volgens eisers geweigerd moeten worden.\n\n14. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, niet onredelijk wordt geacht.Het college heeft in de bezwaarfase onderkent dat units 1 en 16 zich binnen de spuitzones van de aangrenzende agrarische percelen van eisers bevinden. Om die reden heeft het college het primaire besluit II genomen, waarmee een gewijzigde tekening aan de omgevingsvergunning is toegevoegd. Op die tekening is bij units 1 en 16 het woord ‘opslag’ vermeld, zodat het niet is toegestaan dat deze units gebruikt worden voor het verblijf van personen. Bij nader inzien vond het college de keuze voor een tweede primaire besluit minder wenselijk, omdat dit besluit inhoudelijk een reactie is op het ingestelde bezwaar van eisers, maar geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit I. Daarom heeft het college het primaire besluit II weer ingetrokken en alsnog met het bestreden besluit II het in rechtsoverweging 13 genoemde voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Het bestreden besluit II maakt wel, zoals eerder vermeld, op grond van artikel 6:19 van de Awb van rechtswege onderdeel uit van de onderhavige beroepsprocedure tegen het bestreden besluit I.\n\n15. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, heeft het college bij de formulering van het vergunningvoorschrift gepoogd om aan te sluiten bij de definitie van een gevoelig object, zoals is ontwikkeld in de rechtspraak van de Afdeling. Een (spuit)gevoelig object wordt in de rechtspraak van de Afdeling gedefinieerd als een object waar mensen langdurig verblijven.De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het alsnog aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift onvoldoende duidelijk is wat wordt verstaan onder een ‘langdurig verblijf’ van mensen. Uit het voorschrift zelf blijkt niet welke maximale verblijfsduur daaronder wordt geschaard. Gelet hierop is het voorschrift onvoldoende concreet. Dit leidt tot onduidelijkheden voor de naleving en handhaafbaarheid. Bovendien zullen er ook met het verbinden van een geconcretiseerd voorschrift twee units aanwezig zijn die onverminderd geschikt blijven voor het gebruik dat binnen de spuitzone onaanvaardbaar is. Het bestreden besluit II bevat op dit punt een gebrek.\n\nHet beroep tegen het bestreden besluit I\n\n16. Eisers voeren aan dat het college de omgevingsvergunning om drie redenen had moeten weigeren: er is gebouwd buiten het bouwvlak, de aanvraag voldoet niet aan de voorwaarden in het afwijkingenbeleid en de tuinaanleg bij de units valt (gedeeltelijk) binnen de spuitzone.\n\nWoonunits buiten het bouwvlak\n\n17. Eisers voeren aan dat de woonunits inmiddels al zijn gebouwd in afwijking van de verleende omgevingsvergunning en zich bevinden buiten het bouwvlak (specifieke bouwaanduiding- bebouwing) zoals dat op de plankaart van het bestemmingsplan met een stippellijn is weergegeven. Dat blijkt volgens eisers uit de gegevens afkomstig van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). De overschrijding van het bouwvlak is volgens eisers ten onrechte niet betrokken bij het bestreden besluit I. Bovendien was ten tijde van het nemen van dat besluit al bekend dat de ingediende tekening bij de vergunningaanvraag onjuist was, omdat in ieder geval twee units zich binnen de spuitzone bevonden. Het college had in bezwaar niet alleen onderzoek moeten doen naar units 1 en 16, maar ook naar de plaatsing van de reeds gerealiseerde units buiten het bouwvlak. Omdat in afwijking van de omgevingsvergunning is gebouwd buiten het bouwvlak, had het college de omgevingsvergunning volgens eisers moeten weigeren.\n\n18. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het college moet beslissen op de aanvraag, zoals die door de aanvrager is ingediend. De aanvraag heeft geen betrekking op bouwen buiten het bouwvlak. Dat de woonunits inmiddels al in afwijking van de verleende omgevingsvergunning buiten het bouwvlak zijn gerealiseerd, zoals ook door het college op de zitting is bevestigd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een handhavingskwestie. Omdat op het college een beginselplicht tot handhaving rust, is het aan het college om te onderzoeken of er een concreet zicht op legalisatie bestaat en zo niet om tot handhaving over te gaan. Kortom, de afwijkende plaatsing van de units is geen grond voor weigering van de omgevingsvergunning. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nToetsing aan afwijkingenbeleid: participatie en aantal personen per slaapvertrek\n\n19. Eisers voeren aan dat het college het eigen beleid willekeurig toepast. Zo wijkt het college af van het beleid dat elke arbeidsmigrant in beginsel zijn eigen kamer heeft (dit beleid is gebaseerd op de zogenoemde Roemer-norm). Het beleid is volgens eisers opgesteld om aanvaardbare woon- en leefomstandigheden voor arbeidsmigranten te waarborgen, maar ook om overlast voor omwonenden te voorkomen. Uit het vergunde aantal personen blijkt dat het college uitgaat van een maximale bezetting, dus van twee personen per kamer in plaats van de Roemer-norm. Met de stelling van het college dat participatie op grond van de Omgevingswet geen weigeringsgrond is, gaat het college volgens eisers ook voorbij aan de participatieverplichting die voortvloeit uit het eigen beleid. In dit kader verwijzen eisers naar de op 10 september 2025 geweigerde omgevingsvergunning voor vijftien extra units op het perceel. Volgens eisers was die aanvraag geweigerd vanwege strijdigheden met het gemeentelijk beleid, wat volgens eisers ook nu het geval is.\n\n20. De aanvraag is door het college getoetst aan het Afwijkingenbeleid 2024 van de gemeente Dronten (het afwijkingenbeleid). Het afwijkingenbeleid schrijft voor dat de minimale gebruiksoppervlakte voor wonen conform de NEN 2580, 15 m2 per persoon bedraagt, waarvan minimaal 5,5 m2 per slaapvertrek. Uitgangspunt is één persoon per slaapvertrek. Als de arbeidsmigranten dit wensen zijn tweepersoonsslaapvertrekken toegelaten.In tegenstelling tot wat het college stelt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze norm ook strekt ter bescherming van het woonklimaat van omwonenden zodat zij zich op deze norm kunnen beroepen. Zoals uit de formulering blijkt is echter sprake van een beleidsmatig uitgangspunt en geen harde norm. De voorzieningenrechter kan het college volgen in zijn standpunt dat het aan de arbeidsmigranten zelf is om te beslissen of zij een unit alleen of samen (met bijvoorbeeld een partner) willen huren. Het college zou te veel ingrijpen in de financiële en relationele sfeer van de arbeidsmigranten door in de vergunning een harde eis van één persoon per slaapvertrek te stellen.\n\n21. Verder overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De Omgevingswet schrijft geen verplichte participatie voor. De aanvrager van een omgevingsvergunning is enkel verplicht om te motiveren of aan participatie is gedaan en wat de resultaten daarvan zijn.Tijdens de zitting heeft het college bevestigd dat de gemeenteraad geen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten heeft aangewezen op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet, op grond waarvan het bieden van participatiemogelijkheden verplicht is voordat een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend. Dat in het verleden een vergelijkbare vergunning zou zijn geweigerd onder verwijzing naar het gemeentelijk beleid ligt, wat daar ook van zij, in deze procedure niet ter beoordeling voor. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nSpuitzone en de tuinaanleg\n\n22. Eisers voeren aan dat ook aan de oostzijde van het perceel sprake is van een overschrijding van de spuitvrije zone, daar waar er een tuin staat weergegeven op de plattegronden bij de omgevingsvergunning. Eisers stellen zich op het standpunt dat deze tuin vrij gebruikt zal gaan worden door de bewoners van de units en zij dan dus verblijven binnen de spuitzone met het risico dat zij blootgesteld worden aan gewasbeschermingsmiddelen. De stelling van het college in het bestreden besluit dat dit gedeelte binnen de spuitzone als parkeerruimte is ingetekend, is feitelijk onjuist. Op de inrichtingstekening is een tuin gesitueerd direct aangrenzend aan de woonunits welke voor een groot oppervlakte doorloopt tot binnen de spuitzone. Ook om deze reden had de omgevingsvergunning volgens eisers geweigerd moeten worden.\n\n23. Uit de inrichtingstekening bij de aanvraag maakt de voorzieningenrechter op dat de gronden bij de woonunits worden ingericht als een tuin. Op tekening is de aanduiding ‘groene ontwikkeling’ vermeld en is onder meer voorzien in een grasveld en een haag. Dit grasveld is volgens eisers gelegen binnen 50 meter tot de perceelsgrens en bevindt zich dus gedeeltelijk binnen de spuitzone. Het college betwist dat niet. Zoals de Afdeling heeft overwogen is een tuin bij een woning een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie.Omdat de woonunits relatief klein zijn acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de bewoners vanaf het voorjaar tot het najaar regelmatig gebruik zullen maken van de tuin. Zij zullen geregeld buiten zitten om bijvoorbeeld te recreëren en te eten. Het is precies de periode waarin agrariërs gewasbeschermingsmiddelen op hun gewassen toepassen en waarin het, gelet op mogelijke gezondheidsrisico’s, van belang is dat er geen gevoelige functies binnen de spuitzone zijn. Omdat het bouwplan in zoverre een gevoelige functie mogelijk maakt op een kortere afstand dan 50 meter van gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, bevat het bestreden besluit I een gebrek.\n\nTussenuitspraak\n\n24. Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen zijn er twee gebreken in de besluitvorming. Het ene gebrek is dat de units 1 en 16 zich bevinden binnen de spuitzone en niet als zodanig vergund hadden mogen worden. De poging van het college om dit te ondervangen met het voorschrift dat deze units niet gebruikt mogen worden voor langdurig verblijf is te onbepaald. Het andere gebrek is dat de vergunning er in voorziet dat gronden binnen de spuitzone zullen worden ingericht als tuin, zonder dat met een zichtbare afscheiding in de vorm van een hek of haag wordt voorkomen dat personen daarbinnen gaan verblijven. Om de gebreken te kunnen herstellen zal het college met inachtneming van de hierboven opgenomen overwegingen een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Daarbij zal de verleende omgevingsvergunning, zo mogelijk op basis van een gewijzigde tekening bij de aanvraag, moeten worden gewijzigd. Daarbij zullen de units 1 en 16 moeten komen te vervallen of zodanig moeten worden aangepast dat deze ruimten (zoals aanvankelijk met het primaire besluit II bedacht) alleen gebruikt kunnen worden voor bijvoorbeeld opslag en niet voor het verblijf van personen geschikt zijn. Ook zal een gewijzigde inrichtingstekening bij de omgevingsvergunning gevoegd moeten worden op basis waarvan de tuinaanleg bij de units zodanig wordt gewijzigd dat met een adequate afbakening in de vorm van bijvoorbeeld een hekwerk of haag vermeden wordt dat de gronden binnen de spuitzone gebruikt worden voor het verblijf van personen.\n\n25. Het college moet (in overleg met vergunninghouder) zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de voorzieningenrechter of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen. Als het college gebruik heeft gemaakt van de herstelmogelijkheid, zal de voorzieningenrechter verzoekers en vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de voorzieningenrechter zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.\n\n26. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.\n\n27. De voorzieningenrechter houdt in de beroepszaak iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op dit beroep. Dat laatste betekent ook dat hij over de proceskosten in bezwaar en beroep nu nog geen beslissing neemt.\n\nVoorlopige voorziening\n\n28. Omdat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan de bestreden besluiten gebreken kleven gaat hij over tot beoordeling van de vraag of het noodzakelijk is om een voorlopige voorziening te treffen. Hiertoe weegt hij de belangen van de verschillende partijen bij het treffen van een voorlopige voorziening.\n\n29. Uit de beoordeling van het beroep volgt dat de besluitvorming van het college gebreken vertoont, maar ook dat dat die gebreken gelet op de aard ervan herstelbaar kunnen zijn. Hoewel de gebreken nog hersteld kunnen worden, zal de voorzieningenrechter een voorziening treffen. De voorzieningenrechter sluit namelijk niet uit dat de nieuwe besluitvorming door het college ertoe kan leiden dat de omgevingsvergunning alsnog wordt geweigerd. Verder is het, zoals na iedere tussenuitspraak, niet zeker dat de gebreken door het college hersteld worden. Daar komt bij dat vergunninghouder niet op de zitting is verschenen en ook niet schriftelijk heeft gereageerd, zodat onbekend is in hoeverre hij tot de nodige aanpassingen bereid is. Gelet op deze omstandigheden zal de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning schorsen voor zover het betreft de units 1 en 16 en de tuinaanleg binnen de spuitzone. Met het oog op de ingebruikneming van de overige units zal de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat een (voorlopige) afscheiding aanwezig is, waarmee duidelijk wordt dat de tuingedeelten binnen de spuitzone niet geschikt zijn voor het verblijf van personen. Deze voorlopige voorziening vervalt automatisch als er einduitspraak wordt gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\ndraagt het college op binnen twee weken aan de voorzieningenrechter mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen;\n\nstelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\nhoudt iedere verdere beslissing in de bodemzaak aan;\n\nschorst bij wijze van een voorlopige voorziening de omgevingsvergunning van 2 oktober 2024 voor zover deze ziet op:\n\n1. units 1 en 16;\n\n2. het inrichten van de gronden binnen de spuitzone als tuinaanleg.\n\n- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat zodra de andere vergunde units in gebruik zijn, een zichtbare afscheiding is aangebracht, waarmee duidelijk wordt dat de tuingedeelten binnen de spuitzone niet geschikt zijn voor het verblijf van personen.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.\n\nDe griffier is verhinderd om de\n\nuitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.\n\nTegen deze tussenuitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Op grond van artikel 8:86 van de Awb.\n\n Artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4407, rechtsoverweging 12.2.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1973, rechtsoverweging 9.1.\n\n Artikel 8.1, vijfde lid, van het afwijkingenbeleid.\n\n Artikel 7.4 van de Omgevingsregeling en artikel 16.55 lid 6 van de Omgevingswet.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4133, rechtsoverweging 10.3.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3907","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:00.821Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1517","ECLI:NL:RBMNE:2026:3289","ecli-nl-rbmne-2026-3289","2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F6779\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 op het beroep in de zaak tussen\n [eiser] uit [plaats] , eiser\n\nen\n\nhet college van Dijkgraaf en Heemraden van Waterschap Zuiderzeeland, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. T. de Beet en mr. M.L. Lanz).\n\nInleiding\n\n1. Eiser is eigenaar van het perceel aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats] . Met het besluit van 25 augustus 2025 heeft het waterschap aan de gemeente Almere een omgevingsvergunning verleend voor het graven en verbreden van watergangen en het leggen van dammen met duikers in Oosterworld, ter compensatie van de toename van verhardingen in het gebied. De omgevingsvergunning ziet ook op het graven van een watergang langs het perceel van eiser.\n\n2. Het waterschap heeft de omgevingsvergunning bekendgemaakt middels publicatie in het Waterschapsblad van 28 augustus 2025. De omgevingsvergunning is hierin als volgt omschreven: “De vergunning is verleend voor het graven en verbreden van watergangen voor de compensatie van de toename verharding in Oosterwold (fase 3) op percelen van Staatsbosbeheer en het leggen van dammen met duikers in de nieuwe watergangen tussen de [straat] , de [straat] , de [straat] , de [straat] en de A27 te [plaats] .” Verder is de volgende kaart gevoegd:\n\n3. Belanghebbenden kunnen binnen zes weken, dus uiterlijk op 6 oktober 2025, bezwaar maken tegen de omgevingsvergunning. Eiser heeft zijn bezwaarschrift op 7 november 2025 ingediend. Omdat het bezwaar te laat is en eiser daar volgens het waterschap geen goede reden voor heeft, heeft het waterschap het bezwaar van eiser met het besluit van 24 november 2025 (hierna: het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.\n\n4. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Het waterschap heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is op 22 april 2026 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiser is verschenen. Het waterschap heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en door [A] , vergunningverlener water.\n\nHet beroep\n\n5. Eiser voert aan dat hij door de onduidelijke publicatie niet kon weten dat de omgevingsvergunning ook zag op het graven van een watergang langs zijn perceel. Allereerst is de omschrijving van de locatie volgens eiser onduidelijk. Genoemde wegen sluiten niet precies op elkaar aan. Zo loopt de [straat] ten oosten van de A27 nog acht kilometer door en houdt de [straat] halverwege het gebied op. Om hoeveel watergangen het gaat wordt ook niet vermeld.\n\n6. Ook de kaart is volgens eiser onduidelijk. Daarop is langs het perceel van eiser géén blauwe lijn ingetekend. Eiser is ervan uitgegaan dat de blauwe lijnen stonden voor de watergangen. Op de kaart bij publicatie van de ontgrondingsvergunning (voor hetzelfde gebied) was dat immers wél het geval. Dat de ingetekende lijnen de begrenzing van het gebied vormen is volgens eiser onlogisch. Niet alleen omdat de lijnen blauw gekleurd zijn (blauw staat normaliter voor water), maar ook omdat de lijnen niet op elkaar aansluiten en daardoor geen net afgebakend gebied vormen. Dit had anders kunnen zijn als het gebied was gearceerd, maar ook dat is niet gebeurd.\n\n7. Verder gaat het om een gebied van maar liefst 17 vierkante kilometer. Volgens eiser kan niet van alle bewoners binnen dat gebied worden verwacht dat zij de stukken opvragen om na te gaan of de omgevingsvergunning ook op hun perceel ziet. Bovendien stond in de ontgrondingsvergunning niet vermeld dat er watercompensatie nodig zou zijn. Als dat wél was gebeurd, had eiser alert kunnen zijn op besluitvorming daarover.\n\n8. Volgens eiser had het waterschap kunnen weten dat hij bezwaren zou hebben tegen het besluit. Eiser heeft namelijk al op 5 juli 2025 (toen hij op de hoogte raakte van de aanvraag) gevraagd om inzage in de omgevingsvergunning, maar daar toen geen reactie op gekregen. Toen de omgevingsvergunning uiteindelijk werd verleend had het waterschap eiser dan ook moeten informeren. Eiser wijst er op dat hij nota bene één dag na de vergunningverlening nog bij het waterschap op gesprek geweest, maar de omgevingsvergunning ook toen niet te berde is gebracht. Eiser kan zich hierdoor niet aan de indruk onttrekken dat het waterschap hem met opzet buiten de boot probeert te houden.\n\n9. Tot slot wijst eiser erop dat zijn belang bij een inhoudelijke behandeling van zijn bezwaar groot is, omdat de watergang zeer negatieve gevolgen zal hebben voor de waterhuishouding op zijn perceel.\n\nBeoordeling van het beroep\n\n10. De rechtbank stelt voorop dat besluiten die niet gericht zijn tot één of meer belanghebbenden, zoals de onderhavige omgevingsvergunning, worden bekendgemaakt door publicatie.Het waterschap publiceert zijn wettelijk voorgeschreven kennisgevingen in het Waterschapsblad, in de vorm van een zakelijke weergave van de inhoud (een korte omschrijving) met vermelding van de wijze waarop en de periode waarin de stukken waar de kennisgeving betrekking op heeft voor eenieder ter inzage liggen.\n\n11. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geldt als hoofdregel dat als een vergunning is gepubliceerd, de overschrijding van de termijn bij het indienen van een bezwaar daartegen niet verschoonbaar kan worden geacht. Het uitgangspunt is namelijk dat belanghebbenden via de publicatie tijdig kennis hadden kunnen nemen van het besluit. Bij de vraag of de inhoud van het besluit voldoende is weergegeven, moeten alle onderdelen in de publicatie in onderlinge samenhang worden bezien. De zakelijke weergave van het besluit moet voldoende adequaat en duidelijk zijn. Dat het mogelijk is om een locatie nog specifieker weer te geven, betekent op zichzelf niet dat de gegeven locatieomschrijving niet voldoende duidelijk is.\n\n12. Naar het oordeel van de rechtbank is de publicatie van de omgevingsvergunning in dit geval voldoende adequaat en duidelijk geweest. De genoemde vijf straten vormen een afgegrensd gebied. Op de kaart zijn deze straten ingetekend met blauwe lijnen die her en der inderdaad te ver doorgetrokken of te vroeg afgebroken zijn, maar in samenhang bezien met de gegeven locatieomschrijving is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat het hier gaat om het gebied dat tussen deze straten ligt. Daar komt bij dat het perceel van eiser zich midden in het gebied bevindt. Het had dan ook op eisers weg gelegen om bij onduidelijkheid navraag te doen bij het waterschap. Dat het specifieker had gekund door het betreffende gebied te arceren of de lijnen netter in te tekenen, maakt de locatieomschrijving zoals gezegd, nog niet onduidelijk.\n\n13. De rechtbank vind het, anders dan eiser, ook niet zonder meer logisch dat de blauwe lijnen op de kaart in dit geval zouden staan voor watergangen, enkel vanwege de kleur. De lijnen volgen immers de genoemde vijf (verharde) wegen. Dat de blauwe lijnen bij publicatie van de ontgrondingsvergunning wél voor watergangen stonden, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De ontgrondingsvergunning is immers verleend (en gepubliceerd) door gedeputeerde staten van de provincie, niet door het waterschap. Het is dus niet zo dat het waterschap ineens een andere werkwijze heeft laten zien. Verder geldt dat het waterschap moet beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend, en de aanvraag ziet nu eenmaal op dít gebied van zeventien vierkante kilometer. Die grootte maakt de publicatie naar het oordeel van de rechtbank evenmin onduidelijk.\n\n14. De rechtbank concludeert verder dat, naast het feit dat dit ook niet is vereist, een vermelding van de nodige watercompensatie in de ontgrondingsvergunning geen enkel verschil had gemaakt. Eiser wist immers op 5 juli 2025, dus alsnog ruim op tijd, dat de gemeente Almere een omgevingsvergunning voor watercompensatie had aangevraagd en dat er dus een besluit daarover aanstaande was.\n\n15. Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van opzet aan de kant van het waterschap. Hoewel de rechtbank zich eisers frustratie kan voorstellen, is de omgevingsvergunning op een voldoende adequate en duidelijke manier gepubliceerd en is het waterschap dan niet gehouden om belanghebbenden individueel te informeren. Tot slot kan het belang dat eiser heeft bij een beoordeling van zijn bezwaar, niet worden meegewogen bij de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.\n\nConclusie\n\n16. Omdat de beroepsgronden van eiser niet slagen, is het beroep van eiser ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit waarin het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is verklaard, in stand blijft.\n\n17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is op 16 juni 2026 in het openbaar gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier.\n\n(de griffier is verhinderd om\n\nde uitspraak te ondertekenen)\n\ngriffier rechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 3:42, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Artikel 12, eerste lid van de Bekendmakingswet, Kamerstukken II2018\u002F2019, 35218, nr. 3, pag. 44.\n\nZie de uitspraken van de Afdeling van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1022, 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1373 en 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4876.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3289","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.018Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":31,"updatedAt":50},"528","ECLI:NL:RBMNE:2024:2630","ecli-nl-rbmne-2024-2630","2024-04-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 23\u002F6316\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. S.E. Silbermann),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. B. Dekker).\n\nInleiding\n\n1.1.. Eiseres is eigenaar van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (het perceel). Zij dacht dat zij aan de zijgevel van de woning vergunningsvrij een aanbouw met twee bouwlagen mocht bouwen. In maart 2022 heeft de bouwinspecteur van het college haar er tijdens de bouw op gewezen dat de aanbouw zoals ze die aan het bouwen was, niet vergunningsvrij is. Daarop heeft eiseres bij het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend.\n\n1.2.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het weigeren van haar aanvraag voor een omgevingsvergunning (de weigering). Met de beslissing op bezwaar van 1 november 2023 (het bestreden besluit) is het college bij de weigering gebleven.\n\n1.3.. Daarnaast heeft eiseres aan het college een ingebrekestelling gestuurd vanwege het niet binnen twee weken publiceren van de volgens haar van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Met het besluit van 16 mei 2023 (het tweede bestreden besluit) heeft college aan eiseres meegedeeld dat de omgevingsvergunning niet van rechtswege is verleend en daarom ook geen dwangsom is verbeurd.\n\n1.4.. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het tweede bestreden besluit. Het beroep tegen de weigering heeft van rechtswege mede betrekking op het tweede bestreden besluit.Daarom heeft het college het bezwaarschrift doorgestuurd aan de rechtbank.\n\n1.5.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep op 8 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [A] (de partner van eiseres), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt: - of het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren; - of het besluit dat geen dwangsom is verbeurd juist is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.\n\nIs de omgevingsvergunning van rechtswege verleend?\n\n4. Eiseres voert primair aan dat het college de weigering niet alleen per e-mail aan haar had mogen verzenden. En subsidiair dat de verzending per e-mail niet voldoende betrouwbaar was. Volgens haar heeft het college daarom niet tijdig op haar aanvraag voor een omgevingsvergunning beslist en is de omgevingsvergunning daardoor van rechtswege verleend.Het college had de van rechtswege verleende omgevingsvergunning binnen twee weken moeten publiceren.Nu het college dit niet heeft gedaan en eiseres het college in gebreke heeft gesteld, vindt eiseres dat het college aan haar een dwangsom is verschuldigd.\n\n5. Eiseres heeft haar aanvraag voor een omgevingsvergunningsvergunning ingediend op 18 juli 2022. Als gevolg van een verzoek om aanvullende gegevens is de beslistermijn opgeschort geweesten het college heeft de beslistermijn tijdig verlengd.De rechtbank stelt vast dat het college uiterlijk op 20 maart 2023 op de aanvraag van eiseres had moeten beslissen.\n\n6. De rechtbank stelt voorop dat eiseres bij het indienen van de aanvraag [B] van [bedrijf] als gemachtigde heeft vermeld op het aanvraagformulier en het e-mailadres van deze gemachtigde op het aanvraagformulier heeft opgegeven. Op de zitting heeft het college toegelicht dat als op het aanvraagformulier is aangegeven dat de aanvrager correspondentie per e-mail wil ontvangen, hij ook de beslissing op die aanvraag altijd bekend maakt door deze per e-mailbericht naar het op het aanvraagformulier vermelde e-mailadres toe te sturen.\n\n7. Het college heeft de weigering op 17 maart 2023 per e-mail tegelijk aan eiseres persoonlijk en aan haar gemachtigde, de heer [B] , verzonden. Tussen partijen is niet in geschil dat het persoonlijke e-mailadres van eiseres dat in deze e-mail is gebruikt niet juist is en dat het e-mailbericht haar daardoor niet heeft bereikt. Op het aanvraagformulier is door of namens eiseres een typefout in het persoonlijke e-mailadres van eiseres gemaakt, welke door het college bij het verzenden van de weigering is overgenomen. Het door het college gebruikte e-mailadres van de gemachtigde van eiseres is wel juist. Dit is ook het e-mailadres waarmee door het college met de gemachtigde van eiseres is gecommuniceerd over de aanvulling van de aanvraag. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de e-mail met daarin als bijlage de weigering de gemachtigde van eiseres op 17 maart 2023 heeft bereikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de weigering daarmee tijdig aan eiseres verzonden en dus bekend gemaakt. Het is voor eiseres vervelend dat het college bij de verzending van de weigering gebruik heeft gemaakt van het door of namens eiseres onjuiste persoonlijke e-mailadres van eiseres uit het aanvraagformulier, ondanks dat hij door andere communicatie ook beschikte over haar juiste e-mailadres. Maar dit maakt het oordeel van de rechtbank dat het college de weigering op juiste wijze aan eiseres heeft verzonden niet anders.\n\n8. Het voorgaande betekent dat het college tijdig op de aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft beslist en dus is geen omgevingsvergunning van rechtswege verleend. Daarom hoefde het college ook niet bekend te maken dat er een omgevingsvergunning van rechtswege was verleend. Er is geen dwangsom verbeurd. Dit heeft het college met het tweede bestreden besluit juist vastgesteld.\n\nHad het college moeten afwijken van de beleidsregels?\n\n9. Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank stelt ook vast, dat de aanbouw in twee bouwlagen in strijd is met het voor het perceel geldende bestemmingsplan ‘ [woonplaats] 2009’.\n\n10. Het college is op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2o, van de Wabo in combinatie met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) bevoegd om voor de aanbouw een omgevingsvergunning te verlenen voor planologisch strijdig gebruik. Het college heeft met betrekking tot deze bevoegdheid de ‘Beleidsregels artikel 2.12 lid 1 onder a onder 2 Wabo jo. artikel 4 van Bijlage II Bor, 5de wijziging, Gemeente De Bilt 2014’ (de beleidsregels) vastgesteld. Tussen partijen is niet in geding dat de aanbouw in twee bouwlagen ook in strijd is met deze beleidsregels. Het college heeft de aanvraag overeenkomstig de beleidsregels geweigerd.\n\n11. Eiseres voert aan dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het college in dit geval had moeten afwijken van de beleidsregels. De rechtbank is het daar niet mee eens en zal dat hieronder toelichten.\n\n12. De bijzondere omstandigheden die eiseres aanvoert zijn dat de aanbouw grotendeels al is gebouwd en het weer moeten afbreken hiervan voor haar grote financiële gevolgen zal hebben. Ook haar directe buren hebben tegelijk met eiseres een aanbouw gebouwd die in strijd is met de beleidsregels. Deze aanbouw is verbonden met de aanbouw van eiseres. Deze buren hebben geen bezwaar tegen een aanbouw met twee bouwlagen. Door eiseres is een verklaring overgelegd waaruit dit blijkt. Bovendien is de aanbouw van twee bouwlagen volgens eiseres niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.\n\n13. Op de zitting hebben eisers en haar partner aan de rechtbank duidelijk gemaakt wat de impact is van de weigering. Eiseres heeft verteld dat zij al langere tijd met haar gezin in een woning woont waarvan de verbouwing maar half is afgerond. Toch is de rechtbank van oordeel dat het college in dit geval niet hoeft af te wijken van de beleidsregels. Hoewel de rechtbank niet twijfelt aan de oprechte bedoelingen van eiseres, is zij van oordeel dat eiseres voordat zij begon met de verbouwing beter had moeten uitzoeken of hiervoor een omgevingsvergunning nodig was. Dat zij dit niet heeft gedaan komt voor haar eigen rekening en risico. Ook komt voor haar eigen risico dat eiseres een schuld is aangegaan voor de verbouwing waarvoor zij niet de benodigde omgevingsvergunning krijgt. Dit zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college zou moeten afwijken van de beleidsregels.\n\n14. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat het college ook aan de andere buurtbewoners geen omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouw van bijbehorende bouwwerken die volgens eiseres in strijd zijn met de beleidsregels. Eiseres heeft de beroepsgrond over het gelijkheidsbeginsel daarom op de zitting ingetrokken.\n\n15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de weigering met een verwijzing naar de beleidsregels voldoende gemotiveerd.Het college hoefde eiseres verder niet in de gelegenheid te stellen om een ruimtelijke onderbouwing aan te leveren om daarmee te kunnen aantonen dat de aanbouw niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Het beroep is ongegrond. De rechtbank laat zowel de weigering, als de beslissing dat geen dwangsom is verbeurd in stand. Dit heeft tot gevolg dat het deel van de aanbouw dat al is gerealiseerd, door eiseres is gebouwd zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning. Het is aan het college of hij daaraan consequenties zal verbinden. Daarover kan de rechtbank in deze procedure die gaat over de weigering verder geen oordeel geven.\n\n17. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep tegen de weigering en het tweede bestreden besluit ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr.I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2024.\n\n De rechter is verhinderd de\n\n uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Hij heeft dit gedaan op grond van de artikel 6:15 van de Awb.\n\n Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:20c, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:20d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.\n\n Artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo.\n\n Artikel 4:84 van de Awb.\n\n Artikel 4:82 van de Awb.\n\n De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:58.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:2630","2024-04-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.922Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":55,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":31,"updatedAt":58},"1316","ECLI:NL:RBMNE:2023:1249","ecli-nl-rbmne-2023-1249","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 22\u002F4218\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2023 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren\n\n(gemachtigde: A. Debie).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats]\n\nInleiding\n\nEiser woont aan de [adres 1] in [woonplaats] . Derde-partij woont naast eiser op het perceel aan de [adres 2] in [woonplaats] . Op 15 december 2017 is aan de vorige eigenaar van het perceel aan de [adres 2] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning met een toegangsbrug. Vervolgens is op 22 april 2020 een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een tijdelijke woning op de [adres 2] .\n\nDerde-partij heeft een nieuwe aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning omdat hij zijn woning op een andere manier wil bouwen dan is toegestaan in de omgevingsvergunning van 15 december 2017. Het college heeft in het besluit van 18 februari 2022 (het primaire besluit) de omgevingsvergunning verleend aan derde-partij voor de bouw van een woning aan de [adres 2] (de planlocatie).\n\nOp 9 mei 2022 heeft het college, na verzoek daartoe van derde-partij, de omgevingsvergunning van 15 december 2017 gedeeltelijk ingetrokken. De gedeeltelijke intrekking ziet op de bouw van de woning.\n\nHet bezwaar van eiser tegen het primaire besluit is ongegrond verklaard in het besluit van 18 juli 2022 (het bestreden besluit). Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft beroep ingesteld.\n\nHet college heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld op de zitting van 13 februari 2023. Eiser is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook derde-partij is verschenen. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en medegedeeld dat er binnen zes weken uitspraak wordt gedaan.\n\nNadat de rechtbank het onderzoek op de zitting heeft gesloten, heeft het college nadere stukken naar de rechtbank toegestuurd. Omdat de stukken zijn toegestuurd nadat het onderzoek is gesloten, heeft de rechtbank deze stukken niet betrokken bij het onderzoek.Beoordeling door de rechtbank\n\nHet bestreden besluit\n\nVolgens het college is het bouwplan in overeenstemming met de regels uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Ook is het bouwplan in overeenstemming met de redelijke eisen van welstand, het Bouwbesluit 2012 en de bouwverordening. Dat betekent dat er geen weigeringsgronden zijn zoals bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In dat geval heeft het college geen andere keuze dan de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Uit de bezwaargronden van eiser volgt volgens het college niet dat er wel een weigeringsgrond is. De verleende omgevingsvergunning blijft daarom in stand en de bezwaren van eiser worden door het college ongegrond verklaard.\n\nHet geschil\n\nEiser is het niet met het college eens dat er geen weigeringsgronden zijn. Volgens eiser wordt door het bouwplan het maximale bebouwingsoppervlakte van het bestemmingsplan overschreden. Het college is uitgegaan van bebouwingsoppervlakte van maximaal 230 m², terwijl dit volgens eiser maximaal 190 m² is. Verder is eiser van mening dat bij de berekening van het maximale bebouwingsoppervlakte het college ten onrechte de inrit niet heeft meegerekend, nu met de aanleg van de inrit er ook een bouwwerk zal worden gerealiseerd.\n\nOok stelt eiser zich op het standpunt dat met de bouw van de woning een tweede woning wordt toegestaan terwijl volgens het bestemmingsplan maar één woning is toegestaan aan de [adres 2] . Eiser vreest dat er hierdoor twee woningen blijven bestaan en dat vindt eiser onwenselijk. Tot slot heeft het college volgens eiser verzuimd om na te gaan of de bouw van de woning mogelijk is binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens eiser staat het bestemmingsplan een woning binnen dat gebied niet toe.\n\nHet planologische kader\n\n4. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘ [locatie] 2013’ (hierna: het bestemmingsplan). Op grond van dit bestemmingsplan geldt de enkelbestemming ‘Wonen’, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied 1’.\n\n5. De rechtbank zal hierna aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordelen of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met de regels uit het bestemmingsplan.\n\nWat is het maximale bebouwingsoppervlakte?\n\n6. Volgens eiser is de afstand tussen de te bouwen woning en de zijdelingse perceelsgrenzen minder dan tien meter. Bij een afstand van minder dan tien meter tussen de te bouwen woning en de zijdelingse perceelsgrenzen is het maximale bebouwingsoppervlakte volgens het bestemmingsplan 190 m² en niet de 230 m² waar het college vanuit is gegaan. Dat betekent volgens eiser dat de te bouwen woning te groot is.\n\n7. De rechtbank volgt eiser niet. In artikel 19.2.1, lid a, onder 2, van de planregels staat dat de maximale bebouwingsoppervlakte 230 m² is als de afstand van het hoofdgebouw tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen groter is dan 10 meter. Daarbij is het volgens dat artikel niet van belang of er al bouwwerken aanwezig zijn in die strook van tien meter tussen de te bouwen woning en een van de zijdelingse perceelsgrenzen. De rechtbank merkt daarbij op dat uit dit artikel voldoende duidelijk wordt wat qua bebouwing is toegestaan. De toelichting op het huidige of voorgaande bestemmingsplan is dan niet relevant voor de uitleg van artikel 19.2.1, lid, onder 2. Uit de bouwtekeningen die bij de aanvraag zijn ingediend blijkt dat de afstand van het hoofdgebouw tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 24.42 meter is. Dat is meer dan 10 meter. Dat betekent dat het college terecht heeft geconcludeerd dat het maximale bebouwingsoppervlakte 230 m² is en niet 190 m². De beroepsgrond slaagt niet.\n\nDe inrit\n\n8. Eiser vindt dat het college bij de berekening van het maximale bebouwingsoppervlakte de oppervlakte van de inrit ook had moeten betrekken. Aan weerszijden van de inrit wordt een muur gebouwd. Door deze muren aan weerzijden van de inrit wordt het maximale bebouwingsoppervlakte overschreden, aldus eiser.\n\n9. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 19.2.1, lid a, de totale bebouwingsoppervlakte niet meer mag bedragen dan 30% van het bouwperceel. Aan de voorzijde van de woning wil derde-partij een oprit realiseren met aan weerzijden een muur. Het college heeft toegelicht dat deze muren van de oprit niet betrokken hoeven te worden bij de berekening van het maximum bebouwingsoppervlakte en heeft daarbij verwezen naar artikel 27.1, van de planregels. Artikel 27.1 luidt: Een in de planregels aangegeven percentage geeft aan hoeveel van het desbetreffende bouwperceel ten hoogste mag worden bebouwd met gebouwen en overkappingen.\n\n10. De rechtbank vindt dat het college terecht de oppervlakte van de inrit niet heeft betrokken bij de berekening van het totale bebouwingsoppervlakte. Uit artikel 27.1, volgt dat uitsluitend gebouwen of overkappingen betrokken mogen worden bij de berekening van het maximale bebouwingsoppervlakte. Volgens artikel 1.51 van het bestemmingsplan is een gebouw elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijke met wanden omsloten ruimte vormt. Het is niet in geschil dat de inrit met bijbehorende muren geen gebouw of overkapping is nu de inrit niet overdekt is. Dat betekent dat het college terecht de inrit met bijbehorende muren niet heeft meegenomen in de berekening van het totale bebouwingsoppervlakte. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nTweede woning\n\n11. Eiser voert aan dat op grond van het bestemmingsplan één woning is toegestaan op de planlocatie en dat met de omgevingsvergunning van 22 april 2020 al een (tijdelijke) woning toegestaan is. Met het primaire besluit wordt een tweede woning toegestaan en dat is in strijd met het bestemmingsplan. Het college is in het bestreden besluit volgens eiser ten onrechte bij het standpunt gebleven dat voor de bouw van de tweede woning geen omgevingsvergunning nodig is voor de activiteit handelen in strijd met het bestemmingsplan.Eiser vreest dat er permanent twee woningen worden toegestaan aan de [adres 2] .\n\n12. De rechtbank stelt vast dat op 22 april 2020 een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een tijdelijke woning. Deze tijdelijke woning dient als woning tijdens de bouwfase van de nieuwe woning die is vergund in het primaire besluit. De rechtbank is het met eiser eens dat met het verlenen van het primaire besluit er een tweede woning toegestaan wordt binnen het bestemmingsvlak op de planlocatie. Op hetzelfde moment zijn er dus twee woningen toegestaan, de tijdelijke woning en de nieuwe woning. Dat is in strijd met artikel 19.2.2, lid a, van het bestemmingsplan, nu volgens dat artikel slechts één woning per bestemmingsvlak is toegestaan. In het primaire besluit heeft het college uitsluitend een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen en niet ook voor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Dat had het college wel moeten doen. De beroepsgrond slaagt.\n\n13. De rechtbank zal in de conclusie nader ingaan op de gevolgen voor het bestreden besluit.\n\nIs het bouwplan in strijd met de aanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’?\n\n14. Volgens artikel 28.1, lid a, van de planregels zijn bouwwerken binnen de gebiedsaanduiding 'milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ alleen toegestaan als deze bouwwerken ten behoeve van het grondwaterbeschermingsgebied zijn. Volgens artikel 28.1, onder b, van de planregels kan het college bij omgevingsvergunning afwijken van onder a.\n\n15. De rechtbank stelt vast dat de bouw van de woning in strijd is met artikel 28.1, onder a, omdat de woning geen bouwwerk is ten behoeve van het grondwaterbeschermingsgebied. Dat betekent dat eiser voor de bouw van zijn woning ook een omgevingsvergunning nodig heeft voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Die activiteit is ook niet vergund in het primaire besluit voor het bouwen van de woning in strijd met artikel 28.1, onder a, van het bestemmingsplan. Dat levert een gebrek op in de besluitvorming.\n\n16. Het bestemmingsplan biedt het college de mogelijkheid om via artikel 28.1, onder b, een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van de woning in strijd met artikel 28.1, onder a. Voorwaarden voor het verlenen van die omgevingsvergunning zijn dat het belang van het grondwaterbeschermingsgebied niet onevenredig wordt geschaad en dat eerst advies is ingewonnen bij de beheerder van het grondwaterbeschermingsgebied. Het college heeft een dergelijk advies niet overgelegd in de procedure bij de rechtbank. Het college verwijst in het bestreden besluit en op de zitting bij de rechtbank naar een advies van 25 november 2020. Dit advies is niet als stuk toegevoegd aan het bestreden besluit. Het college heeft het advies van 25 november 2020 ook niet overgelegd in de procedure bij de rechtbank. Het is daarom voor de rechtbank onduidelijk wat er in het advies staat en van wie dit advies afkomstig is. De rechtbank kan niet beoordelen of uit het gestelde advies van 25 november 2020 blijkt dat de beheerder van het grondwaterbeschermingsgebied vindt dat het belang van het grondwaterbeschermingsgebied niet onevenredig wordt geschaad. De beroepsgrond slaagt.\n\n17. Ook voor dit gebrek zal de rechtbank in de conclusie nader ingaan op de gevolgen voor het bestreden besluit.\n\nConclusie\n\n18. Het beroep is gegrond. Het college heeft – gelet op de rechtsoverwegingen 12 en 15 – ten onrechte geconcludeerd dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan.\n\n19. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank geeft het college hiervoor acht weken de tijd.\n\n20. In de nieuwe beslissing op bezwaar moet het college onderzoeken of hij voor de bouw van de tweede woning en de bouw van de woning binnen het grondwaterbeschermingsgebied wil meewerken aan een omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.\n\n21. Volgens artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo kan het college die omgevingsvergunning alleen verlenen als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college moet daarom in de nieuwe beslissing op bezwaar ingaan op de vraag of het (tijdelijk) toestaan van een tweede woning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ook moet het college in de nieuwe beslissing op bezwaar motiveren – na eerst advies te hebben ingewonnen bij de beheerder van het grondwaterbeschermingsgebied – of het belang van het grondwaterbeschermingsgebied onevenredig wordt geschaad met de bouw van de nieuwe woning.\n\n22. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 15 juli 2022;\n\n- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. T.E.G. van Heukelom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2023.\n\n(De rechter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen)\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:1249","2023-03-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.603Z",1,20]