[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-tort-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":35,"total":16,"page":25,"limit":64},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},72,"tort-law-nl","Tort Law","NL","2026-07-08T16:54:31.314Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2025-06-18T00:00:00.000Z","2026-06-10T00:00:00.000Z",[21,26,29,32],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124469","Burgerlijk Wetboek","art. 7:9",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"124470","art. 3:86 lid 1",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"124477","art. 6:129 lid 1",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"124056","art. 6:162 lid 3",[36,47,56],{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":45,"updatedAt":46},"1621","ECLI:NL:RBMNE:2026:3578","ecli-nl-rbmne-2026-3578","","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: 11819212 \\ UC EXPL 25-6229\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nFBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,\n\ngevestigd in Leeuwarden,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: FBTO,\n\ngemachtigde: mr. D. de Waard,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Aygün.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.\n\n1.2. De zaak is op 28 april 2026 besproken tijdens de mondelinge behandeling. Namens FBTO was [.] (gemachtigde) aanwezig. [gedaagde] en zijn gemachtigde mr. M. Aygün waren aanwezig.\n\n1.3.. Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. Op 2 augustus 2021 in [plaats 1] heeft tussen [gedaagde] en [A] een voorval plaatsgevonden, waarbij [gedaagde] aan [A] letsel heeft toegebracht. [A] heeft hiervoor een medische behandeling moeten ondergaan. FBTO heeft als ziektekostenverzekeraar van [A] de door hem gemaakte medische kosten vergoed. FBTO wil in deze procedure het bedrag van € 1.895,26 dat zij aan schade heeft vergoed verhalen op [gedaagde] . Volgens FBTO is er sprake van een onrechtmatige daad van [gedaagde] en is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade. [gedaagde] betwist aansprakelijk te zijn voor de schade. Ook stelt [gedaagde] dat er sprake is van eigen schuld van [A] waardoor een groot deel van de schade voor FBTO moet blijven. De kantonrechter wijst de gevorderde schade gedeeltelijk toe.\n\n3. De beoordeling\n\n [gedaagde] heeft onrechtmatig tegenover [A] gehandeld\n\n3.1.. Vooropgesteld wordt dat op grond van het bepaalde in artikel 161 van het Wetboek van Rechtsvordering een in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit. In het onderhavige geval staat vast dat [gedaagde] door de strafrechter bij vonnis van 7 september 2022 is veroordeeld voor poging tot doodslag.De strafrechter heeft bewezen verklaard dat [gedaagde] [A] heeft gestoken met een mes in de romp. Het vonnis van de strafrechter is onherroepelijk. Dat betekent dat – behoudens tegenbewijs – als vaststaand dient te worden aangenomen dat [gedaagde] [A] met een mes heeft gestoken, waardoor [A] lichamelijk letsel heeft opgelopen. [gedaagde] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat dit bewezen verklaarde feit in déze procedure niet als vaststaand feit kan worden aangenomen. Het enkel stellen dat het mes nooit is teruggevonden en dat hij [A] met een huissleutel een vuistslag heeft gegeven is daartoe niet voldoende. Dit had [gedaagde] kunnen weten omdat de strafrechter deze stelling al als ‘volstrekt ongeloofwaardig’ heeft aangemerkt. De vaststaande messteek in de romp leidt in beginsel tot de conclusie dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover [A] heeft gehandeld.\n\nIs er sprake van een rechtvaardigingsgrond?\n\n3.2.. Van onrechtmatig handelen is geen sprake als komt vast te staan dat voor het handelen van [gedaagde] een rechtvaardigingsgrond bestaat.De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond doet namelijk een daad, welke naar algemene omschrijving onrechtmatig zou zijn, in het concrete geval geheel haar onrechtmatig karakter verliezen.3.3.. De kantonechter is van oordeel dat het beroep van [gedaagde] op de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond niet slaagt. De kantonrechter legt hierna uit waarom. Overmacht of noodweer wordt als rechtvaardigingsgrond aangemerkt. Onder noodweer (in strafrechtelijke zin) wordt verstaan een gedraging die geboden is door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De wijze van verdediging moet voldoen aan het proportionaliteits- en het subsidiariteitsvereiste: er mag geen wanverhouding bestaan tussen de wijze van verdediging en de ernst van de aanranding, en degene die zich op noodweer beroept moet niet met een minder schadelijke wijze van verdediging hebben kunnen volstaan. Het bestaan van de rechtvaardigingsgrond moet – als bevrijdend verweer – in een civiele procedure als hier aan de orde, door [gedaagde] worden bewezen.\n\n3.4.. Volgens [gedaagde] was er sprake van noodweer. [gedaagde] heeft daartoe gesteld dat hij zich heeft moeten verdedigen tegen de agressie van [A] . [gedaagde] stond namelijk met een groep jongens bij een bankje op het [locatie] . Zij werden opeens door tien tot vijftien jongens van de groep waar [A] toe behoort omsingeld. [A] kwam toen op de groep af rennen op zoek naar mensen om te slaan. Daarbij heeft hij een vriend van [gedaagde] en [gedaagde] zelf geslagen. [gedaagde] voelde zich bedreigd omdat hij veel kleiner is dan [A] . Ook kon [gedaagde] naar eigen zeggen niet weg uit deze situatie omdat hij werd omsingeld door de jongens uit de groep van [A] . [gedaagde] heeft daarom [A] een vuistslag gegeven. FBTO heeft daar tegenover gesteld dat het hier ging om een vechtpartij met een vriend van [gedaagde] en niet met [gedaagde] zelf. Volgens FBTO was er wel ruimte voor [gedaagde] om zich te onttrekken aan de vechtpartij. Ook stond het door [gedaagde] gekozen middel om zijn vriend te verdedigen niet in verhouding tot de ernst van de aanval. [gedaagde] heeft daarom niet proportioneel gehandeld.\n\n3.5.. De kantonrechter stelt vast dat op 2 augustus 2021 de groep waartoe [A] behoort op zoek was naar de groep van [gedaagde] . De kantonrechter verwijst daartoe naar de bij de politie afgelegde verklaring van [A] waaruit dit blijkt. [A] heeft namelijk verklaard: “(…)Toen ik aan kwam (…) was er geen groep jongens meer(…) In het dorp kwamen we nog wel wat jongens tegen maar dat waren niet degene die mijn vriend lastig hadden gevallen. Later zijn we met de hele groep, we waren met 10 à 15 man, in de richting van het plein gelopen. Daar was de groep jongens, het zijn allemaal jonge jongens die mijn vriend hadden lastig gevallen.”[A] en de groep waartoe hij behoort waren duidelijk uit op een gevecht. De kantonrechter stelt op basis van de door [gedaagde] overgelegde foto’s van de politie camerabeelden rondom het incident vast dat [A] zich doelbewust in de vechtpartij heeft gemengd.Dat [A] op [gedaagde] is afgekomen en naast zijn vriend ook [gedaagde] zelf een klap heeft gegeven, zoals [gedaagde] ter zitting heeft gesteld, is niet te zien op de foto’s van de camerabeelden en wordt ook door FBTO weersproken.Op de foto’s is ook niet te zien dat de groep van [A] de groep van [gedaagde] heeft omsingeld zoals [gedaagde] heeft gesteld.Zo is niet te zien of er achter de bomen op het plein ook jongens uit de groep van [A] stonden. Het lag op de weg van [gedaagde] om dat aan te tonen. Dat had [gedaagde] bijvoorbeeld kunnen doen door op een plattegrond met een inrichting van het plein aan te geven waar de jongens uit de groep van [A] precies stonden. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.\n\n3.6.. De kantonrechter overweegt dat gezien de onder 3.5 genoemde omstandigheden er sprake was van een bedreigende situatie voor de vriend van [gedaagde] en niet zozeer voor [gedaagde] zelf. Dat [gedaagde] zich genoodzaakt voelde zijn vriend te verdedigen acht de kantonrechter gerechtvaardigd. Maar de wijze waarop [gedaagde] zijn vriend (en mogelijk ook zichzelf) heeft verdedigd staat niet in verhouding tot de ernst van het handelen van [A] tegenover [gedaagde] . [A] heeft een klap aan de vriend van [gedaagde] uitgedeeld waarop hij door [gedaagde] met een mes is gestoken. Zoals FBTO onweersproken heeft gesteld, had dit nog veel ernstiger kunnen aflopen. Dit blijkt ook uit het strafvonnis waarin het volgende citaat van een forensisch arts is opgenomen: ‘Gezien de plaats van de steekwond op de overgang van buik en borst had dit kunnen leiden tot dodelijke bloedingen en zeer ernstige orgaanbeschadigingen.’Naar het oordeel van de kantonrechter had [gedaagde] zich op een minder ingrijpende wijze kunnen verdedigen. Zo had [gedaagde] weg kunnen komen door uit de vechtende groep te stappen. Dat [gedaagde] geen ruimte had om weg te komen omdat hij volledig was omsingeld is, zoals onder 3.5 is overwogen, niet gebleken. Daarom heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd dat hij niet met een minder schadelijke wijze van verdediging heeft kunnen volstaan. Dat betekent dat noodweer niet kan worden aangenomen. Het handelen van [gedaagde] moet dus als onrechtmatig handelen worden aangemerkt.\n\nGeen sprake van een overmachtssituatie\n\n3.7.. Ook heeft [gedaagde] een beroep gedaan op de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond, namelijk noodweerexces, die aan toerekenbaarheid van een onrechtmatige daad in de weg staat.Toerekening van de daad aan de dader vindt plaats wanneer deze is te wijten aan zijn schuld of aan een oorzaak die krachtens wet of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Een terecht beroep op noodweerexces staat aan aansprakelijkheid in de weg.\n\n3.8.. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake was van een overmachtssituatie. Dat [gedaagde] bang was en dacht dat [A] hem iets ging aandoen is daarvoor niet voldoende. De strafrechter heeft hierover al overwogen dat de omstandigheid dat [gedaagde] bang was om zelf te worden geslagen, onvoldoende is voor het aannemen van een dergelijke hevige gemoedstoestand.Ter zitting heeft [gedaagde] gesteld dat hij bang was omdat hij klein en tenger was en [A] veel groter was dan hij en omdat hij eerder een vechtpartij heeft meegemaakt. Omdat [gedaagde] niet zelf door [A] is aangevallen zijn deze omstandigheden echter onvoldoende om in deze (civiele) procedure wel aan te nemen dat [gedaagde] in een hevige gemoedstoestand verkeerde die ertoe leidde dat de noodzakelijke verdediging verder ging dan in die situatie geboden was.\n\n3.9.. De kantonrechter concludeert op grond van het voorgaande dat het onrechtmatig handelen van [gedaagde] aan hem kan worden toegerekend.\n\nEigen schuld en billijkheidscorrectie\n\n3.10.. Naar het oordeel van de kantonrechter moet een deel van de door [A] geleden schade als eigen schuld voor zijn rekening en risico blijven. De kantonrechter legt hierna uit waarom. Artikel 6:101 BW geeft als uitgangspunt dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Deze laatste toets wordt aangeduid als de billijkheidscorrectie.3.11.. Volgens [gedaagde] heeft [A] met de groep waartoe hij behoort moedwillig het gevecht met de andere groep opgezocht. Ook heeft [A] in plaats van zich afzijdig te houden zich doelbewust in het gevecht gemengd. Daarmee heeft [A] het risico genomen om gewond te raken. Omdat [A] heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade moet een deel van de medische kosten voor rekening van FBTO blijven. Volgens FBTO heeft [A] niet doelbewust het risico opgezocht om met een mes gestoken te worden. Het verdedigingsmiddel door het gebruik van een mes stond niet in verhouding tot de ernst van de aanval van [A] die met blote vuisten het gevecht aan ging. FBTO betwist dan ook dat er sprake is van eigen schuld van [A]\n\n3.12.. \n\nDe kantonrechter stelt vast dat zowel [gedaagde] als [A] hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Uit de foto’s van de camerabeelden rondom het incident met bijbehorende beschrijving volgt dat de mishandeling door [gedaagde] niet kan worden gezien als een op zichzelf staand feit. Uit de hiervoor onder 3.4 weergegeven omstandigheden kan worden afgeleid dat [A] de confrontatie met [gedaagde] niet uit de weg is gegaan. In tegendeel, [A] heeft zich doelbewust in het gevecht gemengd. Op de foto’s is te zien dat [A] om zich heen slaat en ook na het door [gedaagde] toegebrachte letsel de confrontatie met andere mensen bleef opzoeken.Door zo agressief te handelen heeft [A] bewust een gevaarzettende situatie opgezocht, en het reële risico aanvaard dat hij bij de vechtpartij betrokken zou raken en daarbij letsel zou kunnen oplopen. Daarmee is sprake van enige mate van eigen schuld aan de zijde van [A] als bedoeld in artikel 6:101 BW. FBTO heeft onvoldoende ingebracht om dat anders te zien. De kantonrechter acht wel de rol van [gedaagde] bij het ontstaan van de schade van [A] groter omdat de verdediging met een mes door [gedaagde] in dit geval disproportioneel is. [A] hoefde niet te verwachten dat hij als gevolg van zijn eigen handelen ernstig gewond zou raken en zelfs het leven zou kunnen laten door een messteek. [gedaagde] had ook kunnen verwachten dat [A] als gevolg daarvan medisch behandeld zou moeten worden en daardoor schade zou lijden en heeft de aanmerkelijk kans op ernstiger letsel aanvaard. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben de aan [A] toe te rekenen omstandigheden voor 25% bijgedragen aan het ontstaan van de schade. De kantonrechter ziet dan ook reden 25% van de schade voor rekening van [A] te laten.\n\nBillijkheidscorrectie3.13.. \n [gedaagde] doet een beroep op de billijkheidscorrectie en komt tot een 80% aansprakelijkheid van [A] . Volgens [gedaagde] dient er rekening mee gehouden te worden dat [A] zich niet afzijdig heeft gehouden en heeft gezorgd voor een voor hem bedreigende situatie. [gedaagde] heeft zich door de bedreiging van de grotere groep van [A] en de aanval van [A] zelf geïntimideerd en angstig gevoeld.\n\n3.14.. De kantonrechter acht voor de beoordeling of er op grond van de billijkheid een andere verdeling moet komen van belang dat [gedaagde] bedreigd werd door een aanzienlijk grotere groep, hij zich daardoor geïntimideerd voelde en dat hij erg angstig was. Door de chaotische situatie en zijn angst is het zeer goed mogelijk dat [gedaagde] het gevoel heeft gehad dat hij geen kant meer op kon. De kantonrechter vindt het zeer kwalijk dat [A] vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] is gekomen om te vechten terwijl hem zelf niets was aangedaan. [gedaagde] is dan ook door [A] in deze situatie terecht gekomen. [gedaagde] heeft weliswaar verkeerd gehandeld door [A] met een mes te steken maar dat neemt niet weg dat [A] de aanstichter van de vechtpartij is geweest. Deze omstandigheden maken dat in dit geval tot een andere verdeling van de schade op grond van de billijkheidscorrectie wordt gekomen dan die op basis van de causaliteit. De kantonrechter komt gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden tot 50% aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de door [A] geleden schade.\n\nSchadevergoeding\n\n3.15.. FBTO vordert € 1.895,26 aan (materiële) schade. Dit zijn de medische kosten die [A] heeft moeten maken voor behandeling in het ziekenhuis.FBTO heeft tegen de gevorderde schade geen verweer gevoerd. De gevorderde schade wordt daarom toegewezen met inachtneming van het percentage eigen schuld van [A] . Vanwege de 50% eigen schuld van [A] dient [gedaagde] een bedrag van € 947,63 te vergoeden.\n\n [gedaagde] moet de wettelijke rente betalen\n\n3.16.. FBTO vordert de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 2 februari 2023. Dit zal worden toegewezen over het toegewezen bedrag van € 947,63 tot aan de dag van volledige betaling.\n\n [gedaagde] moet de door FBTO gemaakte buitengerechtelijke kosten vergoeden\n\n3.17.. FBTO vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. FBTO heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat sprake is van verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Aan de voornoemde criteria is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 172,- inclusief btw worden toegewezen.\n\n3.18.. \n [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van FBTO worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n146,14\n\n- griffierecht\n\n€\n\n385,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n432,00\n\n(3 punten × € 144,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n72,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.035,14\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan FBTO van een schadevergoeding van € 947,63 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 februari 2023 tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2. veroordeelt [gedaagde] om aan FBTO te betalen een bedrag van € 172,00 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw,\n\n4.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.035,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.5. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door A.L. Poort-Gleusteen en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026\n\n Productie 1 bij de dagvaarding\n\n Artikel 6:162 lid 2 BW\n\n Productie 1 bij de conclusie van antwoord\n\n Productie 2 bij de conclusie van antwoord\n\n Productie 2 bij de conclusie van antwoord pagina 3, 4 en 5\n\n Productie 2 bij de conclusie van antwoord\n\n Onder 4.3.van het strafvonnis van 7 september 2022 productie 1 bij de dagvaarding\n\n Artikel 6:162 lid 3 BW\n\n Zie onder 7 van het strafvonnis van 7 september 2022, productie 1 bij de dagvaarding\n\n Productie 2 bij de conclusie van antwoord pagina 6\n\n Zie specificatie van de gemaakte medische kosten productie 3 bij de dagvaarding","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3578","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:30.075Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":52,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":45,"updatedAt":55},"1898","ECLI:NL:RBMNE:2026:710","ecli-nl-rbmne-2026-710","2026-02-18T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: 11395484 \\ UC EXPL 24-7565 VL\u002F58599\n\nVonnis in verzet van 18 februari 2026\n\nin de zaak van\n\n1. de vennootschap onder firma [opposant sub 1] ,\n\ngevestigd te [plaats] ,\n\nhierna te noemen: [opposant sub 1] , 2. [opposant sub 2] , vennoot van sub 1,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen: vennoot 1, 3. [opposant sub 3] , vennoot van sub 1,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen: vennoot 2, 4. [opposant sub 4] , vennoot van sub 1,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen: vennoot 3,\n\nverder ook tezamen en in mannelijk enkelvoud te noemen: [opposanten] ,\n\neisende partij in het verzet,\n\ngedaagde partij in de oorspronkelijke procedure,\n\ngemachtigde: mr. B.H.M. Nijsten,\n\ntegen\n\n [geopposeerde],\n\nwonende te [plaats] ,\n\nverder ook te noemen: [geopposeerde] ,\n\ngedaagde partij in het verzet,\n\neisende partij in de oorspronkelijke procedure,\n\ngemachtigde: drs. M. Taja, werkzaam bij Tax & Legalhof.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet verstekvonnis van 25 september 2024 in de procedure met zaaknummer 11268195 UC EXPL 24-5653;\n\nde verzetdagvaarding van [opposanten] van 30 oktober 2024;\n\nde conclusie van antwoord in oppositie van [geopposeerde] , tevens houdende wijzigingen van eis;\n\nde aanvullende productie van [opposanten] , verzonden bij een e-mail van 1 mei 2025;\n\nhet proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 mei 2025;\n\nde conclusie van repliek in oppositie van [geopposeerde] , tevens houdende wijzigingen van eis;\n\nde conclusie van dupliek in oppositie van [opposanten] ;\n\nde brief waarin is meegedeeld dat een tweede mondelinge behandeling is bepaald.\n\n1.2.. De tweede mondelinge behandeling heeft op 24 oktober 2025 plaatsgevonden. Namens [opposanten] was de heer [opposant sub 2] aanwezig, bijgestaan door mr. Nijsten. De heer [geopposeerde] was aanwezig, bijgestaan door mr. Taja. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en hebben hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Tenslotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. Op 15 februari 2024 heeft [opposanten] een auto aan [geopposeerde] verkocht en geleverd. [geopposeerde] stelt dat deze auto een verduisterde auto is en is gekloond (door de letter [letter] in het chassisnummer te veranderen in de letter [letter] ). Omdat [opposanten] niet bevoegd is om over deze verduisterde auto te beschikken, kan hij de eigendom niet rechtsgeldig aan [geopposeerde] overdragen.Dit is een tekortkoming op grond waarvan de koopovereenkomst ontbonden moet worden. [geopposeerde] wil de auto aan [opposanten] teruggeven en hij wil dat [opposanten] hem het aankoopbedrag terugbetaalt. Daarnaast wil [geopposeerde] dat [opposanten] hem (schade)vergoedingen betaalt. [opposanten] is het hier niet mee eens. Volgens hem is de auto die hij aan [geopposeerde] heeft verkocht en geleverd niet verduisterd en gekloond. En als dit wel het geval is, dan is nog steeds sprake van een rechtsgeldige eigendomsoverdracht omdat [opposanten] zelf te goeder trouwwas toen hij de auto in België van een particulier kocht. De kantonrechter wijst een groot deel van de vordering van [geopposeerde] toe.\n\n3. De achtergrond van de zaak\n\n3.1.. Voor of rond 21 december 2023 wordt een auto van het merk Audi en model A3 als tweedehands auto ingevoerd in België en wordt een aanvraag gedaan tot inschrijvingbij de Dienst voor Inschrijving van Voertuigen (hierna: DIV). De DIV heeft vervolgens na een visuelekeuring een Belgisch kenteken afgegeven voor deze auto en “ [chassisnummer] ” als het ingeslagen chassisnummer (hierna ook te noemen: het chassisnummer [letter] ) van deze auto geregistreerd.\n\n3.2.. Op enig moment is in België een auto van het merk Audi en model A3 met een Belgisch kenteken en het ingeslagen chassisnummer “ [chassisnummer] ” (hierna ook te noemen: het chassisnummer [letter] ) verduisterd, nadat deze van een verhuurbedrijf was gehuurd.\n\n3.3.. Op enig moment heeft [opposanten] in België een auto van het merk Audi en model A3 met een Belgisch kenteken gekocht van een particulier in België. In de door deze particulier aan [opposanten] verstrekte autobescheidenstaat als het chassisnummer van deze auto het chassisnummer [letter] vermeld. Op 15 februari 2024 heeft [opposanten] deze auto doorverkocht aan [geopposeerde] . Voormelde autobescheiden heeft [opposanten] aan [geopposeerde] overhandigd. Het betreft eenschade-auto.\n\n3.4.. Op 19 februari 2024heeft [geopposeerde] een auto van het merk Audi en model A3 aan een RDW keuringsstation aangeboden, mede ter verkrijging van een Nederlands kenteken. De RDW heeft het chassisnummer [letter] als het chassisnummer van deze auto geregistreerd.\n\n3.5.. Ongeveer een maand later heeft [geopposeerde] een auto van het merk Audi en model A3 voor een keuring naar Audi dealer [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) gebracht. [bedrijf] kwam er achter dat het chassisnummer [letter] , zoals op de carrosserie van deze auto zichtbaar was en op de in deze auto geplaatste stickers stond vermeld, niet overeenkwam met het chassisnummer in het in deze auto geïnstalleerde MMI radio navigatiesysteem en de boardcomputer, waarin het chassisnummer [letter] stond. Daarvan heeft [bedrijf] melding gemaakt. Naar aanleiding van deze melding heeft de politie op 28 mei 2024 deze auto in beslag genomen voor forensisch onderzoek. Uit dat onderzoek blijkt dat die in beslag genomen auto een gekloonde auto is. Het originele ingeslagen chassisnummer van deze auto blijkt het chassisnummer [letter] te zijn. Deze auto staat als verduisterd geregistreerd; het gaat om de onder 3.2 bedoelde auto. Het Nederlandse kenteken is op 28 mei 2024 ongeldig verklaard. Deze verduisterde auto, waarvan de letter [letter] in het chassisnummer is gewijzigd in de letter [letter] , is op 27 augustus 2024 geretourneerd aan de kentekenhouder, zijnde de echtgenote van [geopposeerde] , omdat het Openbaar Ministerie\u002Fde officier van justitie vindt dat de Nederlandse bezitter een sterker recht heeft dan de Belgische eigenaar (de verhuurder van de verduisterde auto).\n\n4. De beoordeling\n\n [opposanten] is ontvankelijk in het verzet\n\n4.1.. \n [opposanten] heeft vijf weken na betekening van het verstekvonnis verzet aangetekend. Hij heeft dus op tijd en op de juiste manier verzet ingesteld.\n\nRechtsgeldige eigendomsoverdracht? Nee\n\n4.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat de koopovereenkomst een consumentenkoop is als bedoeld in artikel 7:5 lid 1 BW. Oorspronkelijk verwees [geopposeerde] naar artikel 7:17 BW (dat gaat over nonconformiteit) als de juridische grondslag van zijn vorderingen en stellingen. [opposanten] heeft aanvankelijk in dat juridisch kader verweer gevoerd. Tijdens de eerste mondelinge behandeling heeft de kantonrechter uitgelegd dat artikel 7:17 BW betrekking heeft op fysieke gebreken aan een roerende zaak, terwijl het in deze zaak gaat om een gestelde verduisterde en gekloonde auto. De kantonrechter heeft met ambtshalve aanvulling van rechtsgronden met partijen besproken dat artikel 7:9 BW de juridische grondslag is, welk artikel bepaalt dat een verkoper verplicht is de verkochte zaak in eigendom over te dragen. De kantonrechter heeft ook met partijen besproken dat de stelling van [opposanten] dat hij te goeder trouw heeft gehandeld, wordt aangemerkt als een beroep op artikel 3:86 lid 1 BW. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om hun stellingen mede in het licht van deze artikelen aan te vullen door middel van nadere conclusies.\n\n4.3.. Als komt vast te staan dat de auto die [opposanten] aan [geopposeerde] heeft verkocht en geleverd de verduisterde auto met het ingeslagen chassisnummer [letter] is en niet kan worden vastgesteld dat [opposanten] te goeder trouw was toen hij deze auto zelf in België van een particulier aankocht en geleverd heeft gekregen, dan heeft dit tot gevolg dat [opposanten] de eigendom van de verkochte en geleverde auto met het ingeslagen chassisnummer [letter] niet rechtsgeldig heeft overdragen aan [geopposeerde] . De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Dit levert een tekortkoming op van [opposanten] , zodat [geopposeerde] de koopovereenkomst tussen partijen mag ontbinden. Dit wordt hieronder toegelicht.\n\n [opposanten] heeft aan [geopposeerde] een verduisterde auto verkocht en geleverd\n\n4.4.. \n [geopposeerde] stelt dat de auto die [opposanten] aan hem heeft verkocht en geleverd, een verduisterde auto is. Hij voert hiertoe aan dat [opposanten] de aan hem geleverde auto heeft verkocht als een auto met het chassisnummer [letter] , terwijl deze verkochte en geleverde auto het ingeslagen chassisnummer [letter] heeft waarvan de letter [letter] in de letter [letter] is gewijzigd. Deze auto is verduisterd. [opposanten] betwist dat de auto die het ingeslagen chassisnummer [letter] heeft en waarvan het chassisnummer van [letter] in [letter] is gewijzigd, de auto is die hij aan [geopposeerde] heeft verkocht en geleverd. Volgens hem heeft [geopposeerde] een andere auto bij [bedrijf] gebracht die vervolgens door de politie in beslag is genomen voor forensisch onderzoek, dan de auto die [opposanten] aan [geopposeerde] heeft verkocht en geleverd.\n\n4.5.. De kantonrechter overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [opposanten] aan [geopposeerde] een auto heeft verkocht en geleverd waarbij het chassisnummer [letter] in de carrosserie van de geleverde auto zichtbaar was en het chassisnummer [letter] in de papieren van de DIV stond vermeld. Uit de e-mail van [bedrijf]volgt dat in de carrosserie van de auto die [geopposeerde] aldaar heeft gebracht, het chassisnummer [letter] zichtbaar was en dat dit chassisnummer niet overeenkwam met het chassisnummer [letter] dat in het in deze auto geïnstalleerde MMI radio navigatiesysteem en de boardcomputer stond en dat het chassisnummer [letter] stond geregistreerd alsgestolen– later blijkt dat het niet omdiefstalmaar omverduisteringgaat –. Nadat [bedrijf] dit heeft gemeld, heeft de politie deze auto bij [bedrijf] in beslag genomen voor forensisch onderzoek. Uit het forensisch onderzoek van het Openbaar Ministerie volgt dat deze bij [bedrijf] in beslag genomen auto, waarbij het chassisnummer [letter] in de carrosserie zichtbaar is, het oorspronkelijke ingeslagen chassisnummer [letter] heeft die als verduisterd staat geregistreerd.[opposanten] heeft weliswaar ter betwisting gesteld dat [geopposeerde] niet de auto die [opposanten] aan hem heeft verkocht en geleverd naar [bedrijf] heeft gebracht, maar hij heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot die conclusie kunnen leiden. Zo heeft [opposanten] bijvoorbeeld niet gesteld – en evenmin is gebleken – dat hetschadebeeldvan de door hem aan [geopposeerde] verkochte en geleverde auto niet overeenkomt met het (herstelde schade)beeld van de auto die [geopposeerde] naar [bedrijf] heeft gebracht en die door de politie aldaar in beslag is genomen voor forensisch onderzoek. De kantonrechter stelt daarom vast dat [opposanten] aan [geopposeerde] een verduisterde auto waarvan het chassisnummer [letter] is gewijzigd in chassisnummer [letter] (hierna: de auto), heeft verkocht en geleverd.\n\nNiet is vast te stellen dat [opposanten] te goeder trouw was\n\n4.6.. \n [geopposeerde] stelt dat [opposanten] weliswaar de te koop aangeboden, verduisterde auto aan hem heeft geleverd maar niet in eigendom heeft overgedragen, omdat [opposanten] niet bevoegd was om over deze auto te beschikken. Daardoor is [opposanten] tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichting uit de koopovereenkomst, aldus [geopposeerde] .\n\n4.7.. \n [opposanten] verweert zich en stelt dat hij te goeder trouw was op het moment dat hij zelf deze auto kocht van een particulier in België. Hij voert hiertoe aan dat hij van de toenmalige verkoper de originele papieren van de auto heeft gekregen, waarop het chassisnummer [letter] stond vermeld, en de carrosserie van de auto heeft bekeken, alwaar het chassisnummer [letter] stond ingegraveerd. De DIV heeft ook niet aangegeven dat de auto gekloond was. Doordat [opposanten] te goeder trouw was toen hij de auto kocht, is hij eigenaar geworden van deze verduisterde auto en heeft hij bij de verkoop van de verduisterde auto aan [geopposeerde] de eigendom aan [geopposeerde] overgedragen, aldus [opposanten]\n\n4.8.. De kantonrechter overweegt als volgt. [opposanten] heeft onweersproken gesteld dat hij, toen hij de auto kocht, het chassisnummer [letter] in de autobescheiden zag staan en de carrosserie van de auto heeft bekeken alwaar hij ook het chassisnummer [letter] heeft zien staan. Daarbij mocht hij afgaan op de omstandigheid dat het DIV na onderzoek van de auto een Belgisch kenteken heeft afgegeven zonder verdere aantekeningen die zouden kunnen doen vermoeden dat de auto niet op reguliere wijze is verkregen. [opposanten] is echter een professionele in-\u002Fverkoper van auto’s, niet alleen in Nederland maar ook in België. In die hoedanigheid mag van hem worden verwacht dat hij, wanneer hij een auto (met een Belgisch kenteken) inkoopt, vóór de inkoop controleert of deze auto al dan niet is verduisterd\u002Fgekloond. Naar het oordeel van de kantonrechter had [opposanten] daarom, ter verificatie van de identiteit van de auto, ook de software van de auto moeten uitlezen en moeten onderzoeken of het chassisnummer zoals deze in de software stond vermeld, overeenkwam met het chassisnummer zoals stond vermeld in de autobescheiden en op de carrosserie zichtbaar was. Dit geldt temeer nu hij, naar eigen zeggen, in het verleden al eens te maken heeft gehad met een gestolen auto.4.9.. \n [opposanten] heeft niet betwist dat hij de software had kunnen uitlezen. Uit de email van [bedrijf]blijkt dat [bedrijf] de software van de auto heeft uitgelezen en daar het chassisnummer [letter] uitkwam. Als [opposanten] vóór de inkoop van de auto de software had uitgelezen, dan had hij dus kunnen ontdekken dat de auto het chassisnummer [letter] had en niet het chassisnummer [letter] zoals in de aan hem overhandigde autobescheiden staat, althans had hij kunnen ontdekken dat de auto verschillende chassisnummers had. Het doen van nader onderzoek lag dan in de rede. [opposanten] heeft dat echter niet gedaan. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat [opposanten] ten tijde van de inkoop van de auto te goeder trouw was. Om die reden heeft hij de eigendom van de verduisterde auto niet rechtsgeldig kunnen overdragen aan [geopposeerde] .\n\nDe koopovereenkomst wordt ontbonden\n\n4.10.. \n [geopposeerde] vordert primair een verklaring van recht dat partijen een stilzwijgende ontbindende voorwaarde zijn overeengekomen die inhoudt dat de koopovereenkomst zou worden ontbonden als geen rechtsgeldig voertuig zou worden geleverd. [geopposeerde] heeft niet gemotiveerd of onderbouwd op welke wijze partijen deze stilzwijgende ontbindende voorwaarde zijn overeengekomen. Deze vordering wordt daarom afgewezen.\n\n4.11.. Subsidiair vordert [geopposeerde] dat de koopovereenkomst wordt ontbonden op grond van artikel 6:265 BW. Deze vordering wordt toegewezen. Doordat [opposanten] de eigendom van de te koop aangeboden auto niet rechtsgeldig aan [geopposeerde] heeft overgedragen, is hij tekortgeschoten in zijn verplichting uit artikel 7:9 BW. Aangezien [opposanten] deze tekortkoming niet meer kan herstellen, is hij per direct in verzuim. De kantonrechter ontbindt de overeenkomst daarom per vandaag.\n\n [opposanten] moet de koopprijs terugbetalen\n\n4.12.. Op grond van artikel 6:271 BW ontstaan door een ontbinding ongedaanmakings-verbintenissen. Dit betekent dat [geopposeerde] de auto terug moet geven aan [opposanten] en dat [opposanten] de koopprijs aan [geopposeerde] moet terugbetalen. [opposanten] wordt daartoe veroordeeld.\n\n4.13.. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de koopprijs. [geopposeerde] stelt dat de koopprijs € 18.750,00 was, waarvan hij € 15.000,00 heeft overgemaakt en € 3.750,00 contant heeft afgerekend. Hij onderbouwt dit met de verklaring van zijn echtgenote, mevrouw [A] (hierna te noemen: [A] ).[opposanten] betwist dit. Volgens hem hadden partijen een koopprijs van € 15.000,00 afgesproken en heeft [geopposeerde] niet meer betaald dan € 15.000,00. Dit bedrag staat ook op de factuur vermeld.\n\n4.14.. De kantonrechter overweegt als volgt. De verklaring van [A] vertoont een discrepantie met de stellingen\u002Fproducties van [geopposeerde] . [A] verklaart dat zij op 14 februari 2024 samen met haar echtgenoot een proefrit heeft gemaakt en aan [opposanten] heeft verzocht de auto voor hen te reserveren. [opposanten] zou hebben aangegeven dat een reservering mogelijk was, als [A] \u002F [geopposeerde] een voorschot van € 15.000,00 zou overmaken. [A] verklaart dat zij dit bedrag toen heeft overgemaakt. Vervolgens zou zij de auto op 15 februari 2024 hebben opgehaald en op dat moment nog het restantbedrag van € 3.750,00 contant hebben betaald. Op de overgelegde pin\u002Fbetaalbewijzenis echter te zien dat op 13 februari 2024 al een bedrag van € 3.750,00 is gepind en op 14 februari 2025 een bedrag van € 15.000,00 is overgemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling van 7 mei 2025 zijn door [geopposeerde] ook wisselende stellingen ingenomen. Tijdens deze zitting is eerst gesteld dat het restantbedrag ook op 14 februari 2024 is betaald en vervolgens is gesteld dat het restantbedrag op 15 februari 2024 is betaald. [geopposeerde] heeft geen rechtens acceptabele reden gegeven voor deze discrepantie en wisselende stellingen. Gelet hierop heeft [geopposeerde] zijn stelling dat een koopprijs van € 18.750,00 is overeengekomen, niet voldoende gemotiveerd en\u002Fof onderbouwd. Daar komt bij dat op de factuur een koopprijs staat van € 15.000,00 en [geopposeerde] deze factuur heeft getekend. De kantonrechter is daarom van oordeel dat vaststaat dat de koopprijs € 15.000,00 bedraagt. Dit bedrag moet [opposanten] aan [geopposeerde] teruggeven.\n\nStallingskosten & Transportkosten & Herstelkosten\n\n4.15.. \n [geopposeerde] vordert verschillende bedragen aan respectievelijk stallingskosten, transportkosten en herstelkosten. [opposanten] heeft betwist dat [geopposeerde] deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. De kantonrechter wijst deze vorderingen af, omdat [geopposeerde] (ook na het verstekvonnis) geen (bancaire) stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt.\n\n [opposanten] wordt ongerechtvaardigd verrijkt\n\n4.16.. \n [geopposeerde] vordert € 1.919,00 aan BPM kosten op grond van ongerechtvaardigde verrijking.Ter onderbouwing van de betaling hiervan heeft hij een bancair betalingsbewijs overgelegd.[geopposeerde] stelt dat de BPM wordt verdisconteerd in de marktwaarde, waardoor [opposanten] bij teruggave van de auto ongerechtvaardigd wordt verrijkt ten koste van [geopposeerde] . [opposanten] betwist dat hij deze kosten moet vergoeden en voert hiertoe aan dat hij te goeder trouw was bij de in\u002Fverkoop van de auto. De kantonrechter heeft onder 4.6 tot en met 4.9 reeds overwogen dat niet vastgesteld kan worden dat [opposanten] te goeder trouw was. Dit verweer gaat dus niet op. De kantonrechter wijst de gevorderde BPM kosten daarom toe.\n\nImmateriële schadevergoeding & onderzoekskosten\u002Fhuurkosten\n\n4.17.. \n [geopposeerde] had aanvankelijk ook immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 105,00 aan onderzoekskosten\u002Fhuurkosten gevorderd, maar deze vorderingen heeft hij ingetrokken. Voormelde vorderingen behoeven dan ook geen beoordeling.\n\nAdministratie- en bijkomende schade\n\n4.18.. \n [geopposeerde] heeft in de conclusie van antwoord in oppositie ook administratie- en bijkomende schade gevorderd, nader op te maken bij staat. Deze vordering wordt afgewezen omdat [geopposeerde] deze vordering niet heeft gemotiveerd en\u002Fof onderbouwd.\n\nVerrekening bedrag ter grootte van de beslagkosten\n\n4.19.. Na het verstekvonnis heeft [geopposeerde] beslag laten leggen op de volledige handelsvoorraad en alle bankrekeningen van [opposanten] Vóór de tweede mondelinge behandeling van 24 oktober 2025 heeft [opposanten] aan [geopposeerde] in totaal een bedrag van € 24.985,29betaald en daarnaast de beslagkosten van € 5.203,41 aan hem vergoed.\n\n4.20.. De kantonrechter verwerpt de stelling van [geopposeerde] dat het hierna te bespreken beroep van [opposanten] op verrekening buiten de beoordeling van deze zaak moet blijven. [opposanten] heeft immers reeds tijdens de eerste mondelinge behandeling dit beroep op verrekening gedaan, waarop [geopposeerde] in de conclusie van repliek en tijdens de mondelinge behandeling heeft gereageerd. Van schending van de beginselen van de goede procesorde, waaronder het beginsel van hoor en wederhoor dan wel het verdedigingsbeginsel, is dan ook geen sprake.\n\n4.21.. \n [opposanten] wil dat de door hem aan [geopposeerde] vergoede beslagkosten van € 5.203,41 worden verrekend met de vorderingen van [geopposeerde] die in deze procedure worden toegewezen. Hij voert hiertoe aan dat hij na het verstekvonnis van 25 september 2024 aan [geopposeerde] had voorgesteld om de volledige bij verstekvonnis toegewezen bedragen inclusief de proceskosten over te maken op een derdenrekening bij zijn advocaat of de deurwaarder. [geopposeerde] heeft dit voorstel geweigerd en is daarna overgegaan tot beslaglegging op de volledige handelsvoorraad en alle bankrekeningen van [opposanten] Dit staat in geen verhouding tot de omvang van de bij verstek toegewezen vorderingen en is ook in strijd met de eis van subsidiariteit, aldus [opposanten]\n\n4.22.. \n [geopposeerde] is het hier niet mee eens. Hij voert aan dat hij [opposanten] na het verstekvonnis van 25 september 2024 meermaals heeft aangeschreven, maar dat [opposanten] daarop niet heeft gereageerd en niet is overgegaan tot betaling van de toegewezen vorderingen. Hij had daarom geen andere keus dan het leggen van executoriaal beslag.\n\n4.23.. De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van het veroordelende verstekvonnis van 25 september 2024 had [geopposeerde] een executoriale titel ter verkrijging van betaling waartoe [opposanten] bij verstek was veroordeeld. Niet is weersproken dat [opposanten] na het verstekvonnis aanvankelijk niet op de aanschrijvingen van [geopposeerde] heeft gereageerd. [opposanten] heeft echter onbetwist gesteld dat hij daarna ter voorkoming van daadwerkelijke beslaglegging op zijn gehele handelsvoorraad en alle bankrekeningen contact met [geopposeerde] heeft opgenomen en aan [geopposeerde] heeft aangeboden een bedrag gelijk aan de volledige bij verstekvonnis toegewezen bedragen inclusief proceskosten over te maken op een derdenrekening bij zijn advocaat of de deurwaarder. Hiermee had [geopposeerde] voldoende zekerheid gehad dat zijn bij verstekvonnis toegewezen vorderingen zouden worden voldaan als [opposanten] in de verzetprocedure ongelijk zou krijgen\u002Fook zou worden veroordeeld tot betaling. Het belang dat [geopposeerde] nog had bij beslaglegging is daarmee onevenredig aan het belang van [opposanten] dat met beslaglegging is geschaad: het kunnen blijven uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. Naar het oordeel van de kantonrechter had [geopposeerde] in redelijkheid moeten afzien van het laten leggen van executoriaal beslag. Door ondanks het aanbod tot zekerheidstelling van [opposanten] executoriaal beslag te laten leggen op de volledige handelsvoorraad en alle bankrekeningen van [opposanten] heeft [geopposeerde] in strijd met de eis van subsidiariteit gehandeld. Er is dan ook sprake van misbruik van bevoegdheiden dus onrechtmatig handelen. De schade die [opposanten] daardoor heeft geleden, bestaande in de aan [geopposeerde] vergoede beslagkosten van € 5.203,41, moet [geopposeerde] dan ook aan [opposanten] vergoeden. Het beroep van [opposanten] op verrekening slaagt dan ook. Een bedrag gelijk aan de door [opposanten] aan [geopposeerde] betaalde beslagkosten van € 5.203,41 wordt daarom verrekend met de aan [geopposeerde] toegewezen hoofdsom.\n\n4.24.. Gelet op het voorgaande wordt de vordering van [geopposeerde] om [opposanten] te veroordelen in de beslagkosten, afgewezen.\n\nTussenconclusie\n\n4.25.. \n [opposanten] is (€ 15.000,00 + € 1.919,00 =) € 16.919,00 aan [geopposeerde] verschuldigd. Met dit bedrag wordt een bedrag gelijk aan de door [opposanten] betaalde beslagkosten van € 5.203,41 verrekend. Dit betekent dat [opposanten] nog een bedrag van (€ 16.919,00 - € 5.203,41 =) € 11.715,59 aan [geopposeerde] verschuldigd is (voor zover hij dit bedrag niet reeds heeft voldaan).\n\nWettelijke rente over de hoofdsom\n\n4.26.. De over € 16.919,00 gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is toewijsbaar, zoals in de beslissing staat. Bij de berekening van de rente dient rekening te worden gehouden met de betalingen die [opposanten] na het verstekvonnis aan [geopposeerde] heeft gedaan en de omstandigheid dat de verrekening terugwerkt tot het tijdstip, waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan.\n\n [opposanten] is buitengerechtelijke incassokosten aan [geopposeerde] verschuldigd\n\n4.27.. \n [geopposeerde] vordert € 931,13 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [geopposeerde] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is lager dan het in het Besluit bepaalde tarief en wordt toegewezen.\n\nRente over de buitengerechtelijk incassokosten wordt afgewezen\n\n4.28.. \n [geopposeerde] vordert de wettelijke (handels)rente over de buitengerechtelijke incassokosten. Nog los van het feit dat geen grondslag is gesteld of gebleken voor de gevorderde wettelijke handelsrente, is evenmin gesteld of gebleken dat [geopposeerde] deze kosten al daadwerkelijk aan zijn gemachtigde heeft betaald of met de betaling daarvan in verzuim verkeert en als zodanig vermogensschade heeft geleden. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom niet toegewezen.\n\n [opposanten] moet de proceskosten en wettelijke rente betalen\n\n4.29.. \n [opposanten] is grotendeels in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat hij zijn eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van [geopposeerde] aan hem moet betalen. De kosten voor het herstelexploot van 13 augustus 2024 blijven als nodeloos gemaakte kosten voor rekening van [geopposeerde] . De proceskosten van [geopposeerde] worden begroot op:\n\n- dagvaarding\n\n€\n\n143,66\n\n- griffierecht\n\n€\n\n706,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n2.443,50\n\n(4,5 punten x tarief € 577,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus eventuele kosten van betekening)\n\nTotaal\n\n€\n\n3.437,16\n\n4.30.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals in de beslissing staat.\n\n [opposant sub 1] , vennoot 1, vennoot 2 en vennoot 3 worden hoofdelijk veroordeeld\n\n4.31.. De veroordeling van [opposanten] wordt hoofdelijkuitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\nDit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard\n\n4.32.. De kantonrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\nVernietiging verstekvonnis\n\n4.33.. Omdat [geopposeerde] zijn vorderingen meerdere keren heeft gewijzigd en de vorderingen in deze procedure daarom verschillen van de vorderingen ten tijde van het verstekvonnis, ziet de kantonrechter aanleiding om het verstekvonnis te vernietigen en opnieuw recht te doen op grond van de huidige vorderingen.\n\nExecutie van dit vonnis\n\n4.34.. Bij de executie van dit vonnis in verzet moet [geopposeerde] rekening houden met de bedragen die [opposanten] reeds aan hem heeft betaald.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. vernietigt het door een kantonrechter van deze rechtbank op 25 september 2024 in de procedure met zaaknummer 11268195 UC EXPL 24-5653 gewezen verstekvonnis,\n\nen opnieuw beslissend:\n\n5.2.. ontbindt de tussen partijen op 15 februari 2024 gesloten koopovereenkomst per vandaag;\n\n5.3.. veroordeelt [opposanten] hoofdelijk tot betaling aan [geopposeerde] van:\n\n € 11.715,59 € 11.715,59aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 16.919,00 vanaf 18 juli 2024 tot de dag van de volledige betaling;\n\n € 931,13 € 931,13 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;\n\n5.4.. veroordeelt [opposanten] hoofdelijk in de kosten; hij moet de proceskosten van [geopposeerde] van € 3.437,16 aan hem betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [opposanten] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n5.5.. veroordeelt [opposanten] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op\n\n18 februari 2026.\n\n Met het zaaknummer 11268195 UC EXPL 24-5653.\n\n Idem.\n\n Zoals bedoeld in artikel 7:9 lid 1 in verbinding met artikel 3:84 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Zoals bedoeld in artikel 3:86 lid 1 BW.\n\n Zie de Car-Pass en de ‘aanvraag tot inschrijving van een voertuig’ (productie 4 van [geopposeerde] bij de dagvaarding).\n\n De DIV is de Belgische variant van de Nederlandse Rijksdienst voor Wegverkeer (RDW).\n\n Zie één van de stukken die [geopposeerde] als productie 4 bij de dagvaarding heeft overgelegd.\n\n Zie in onderlinge samenhang productie 3 van [geopposeerde] bij de dagvaarding, productie 13 van [geopposeerde] (een e-mail van het Openbaar Ministerie (Afdeling Beslag) van 17 april 2025), productie 16 van [geopposeerde] , een bij een e-mail van [opposanten] van 1 mei 2025 gevoegde productie en productie 4 van [geopposeerde] bij de conclusie van antwoord in oppositie.\n\n Zie productie 4 van [geopposeerde] bij de dagvaarding.\n\n Zie productie 2 van [geopposeerde] bij de dagvaarding, zijnde de door [opposanten] op 15 februari 2024 opgemaakte factuur.\n\n Zie de factuur van het RDW Keuringsstation Den Bosch (productie 4 van [geopposeerde] bij de dagvaarding).\n\n Zie productie 9 van [geopposeerde] .\n\n Zie in onderlinge samenhang productie 3 van [geopposeerde] bij de dagvaarding, productie 13 van [geopposeerde] (een e-mail van het Openbaar Ministerie (Afdeling Beslag) van 17 april 2025) en een bij een e-mail van 1 mei 2025 gevoegde productie van [opposanten]\n\n Zie productie 13 van [geopposeerde] bij de dagvaarding (een e-mail van het Openbaar Ministerie (Afdeling Beslag) van 17 april 2025).\n\n Artikel 143 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.\n\n Zie productie 4 van [geopposeerde] bij de conclusie van antwoord in oppositie.\n\n Zie productie 13 van [geopposeerde] (een e-mail van het Openbaar Ministerie (Afdeling Beslag) van 17 april 2025).\n\n Zie in onderlinge samenhang productie 3 van [geopposeerde] bij de dagvaarding, productie 13 van [geopposeerde] (een e-mail van het Openbaar Ministerie (Afdeling Beslag) van 17 april 2025), productie 16 van [geopposeerde] , een bij een e-mail van [opposanten] van 1 mei 2025 gevoegde productie en productie 4 van [geopposeerde] bij de conclusie van antwoord in oppositie.\n\n Zie onder 3.3. De door [opposanten] aan [geopposeerde] verkochte auto betrof een schade-auto.\n\n Zie productie 4 van [geopposeerde] bij de conclusie van antwoord in oppositie.\n\n Zie productie 12 van [geopposeerde] bij de conclusie van antwoord in oppositie.\n\n Zie productie 2 van [geopposeerde] bij de conclusie van antwoord in oppositie.\n\n Artikel 6:212 BW.\n\n Zie productie 7 van [geopposeerde] bij de conclusie van antwoord in oppositie.\n\n Zie productie 2 bij de conclusie van repliek van [geopposeerde] .\n\n Zoals bedoeld in artikel 3:13 BW.\n\n Zie artikel 6:129 lid 1 BW.\n\n Zie artikel 18 van het Wetboek van Koophandel.\n\n Zie voor de berekening van dit bedrag wat onder 4.25 staat.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:710","2026-03-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.408Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":60,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":45,"updatedAt":63},"373","ECLI:NL:RBMNE:2025:4015","ecli-nl-rbmne-2025-4015","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: 11419496 \\ UC EXPL 24-7929 VL\u002F58599\n\nVonnis van 18 juni 2025\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. E.T. van Dalen,\n\ntegen\n\nSTICHTING RECLASSERING NEDERLAND,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Reclassering Nederland,\n\ngemachtigde: mr. J. Stikkelbroeck.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n [eiser] heeft Reclassering Nederland op 4 november 2024 gedagvaard voor de kantonrechter. Reclassering Nederland heeft op 4 februari 2025 schriftelijk op de dagvaarding gereageerd. De kantonrechter heeft een mondelinge behandeling bepaald, waaraan voorafgaand [eiser] nog aanvullende producties heeft overgelegd.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft op 16 mei 2025 plaatsgevonden. [eiser] was niet aanwezig en mr. Van Dalen heeft de zitting telefonisch bijgewoond. Namens Reclassering Nederland waren [A] en [B] aanwezig, bijgestaan door mr. Stikkelbroeck. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.\n\n2. Waar de zaak over gaat\n\n2.1.. \n [eiser] woonde, in verband met de voorwaardelijke beëindiging van zijn TBS met dwangverpleging, op het terrein van [instelling 1] in [plaats 1] (hierna: de [instelling 1] ). Op 13 april 2016 heeft de [instelling 1] de zorg echter per direct beëindigd, waarna [eiser] uiteindelijk op de longstay-afdeling in de [instelling 2] in [plaats 2] is geplaatst. [eiser] is van mening dat dit komt doordat Reclassering Nederland hem – kort gezegd – onvoldoende hulp en steun heeft geboden en wil daarom dat Reclassering Nederland hem een immateriële schadevergoeding van € 20.000,00 betaalt. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af.\n\n3. De achtergrond van de zaak\n\n3.1.. In 2002 is [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en TBS met dwangverpleging vanwege het seksueel misbruiken van minderjarige jongens. In 2015 heeft de rechtbank de TBS met dwangverpleging voorwaardelijk beëindigd. Deze voorwaarden hielden onder andere in dat [eiser] zou worden opgenomen in een instelling voor begeleid wonen (en zich daar aan de huisregels zou houden) en dat [eiser] , mede voor zijn eigen veiligheid, niet zijn pedoseksuele voorkeur met andere derden zou bespreken. Reclassering Nederland werd belast met het toezicht op Hde naleving van de voorwaarden door [eiser] .\n\n3.2.. \n [eiser] werd vervolgens opgenomen in de [instelling 1] waar hij dagelijks werd begeleid door de [instelling 1] . [eiser] woonde hier in een zelfstandige woning, werkte bij een agrariër in de buurt en bezocht de lokale kerk. [eiser] had begin 2016 de verwachting dat Reclassering Nederland de rechtbank op korte termijn zou adviseren tot onvoorwaardelijk ontslag van [eiser] uit de TBS.\n\n3.3.. In maart 2016 laat een persoonlijk begeleider van [eiser] aan Reclassering Nederland weten dat hij op de computer van [eiser] heeft gezien dat bepaalde websites zijn bezocht, die erop duiden dat [eiser] heeft gezocht naar kinderporno. De politie heeft de computer meegenomen en heeft op basis van de gevonden zoektermen geconstateerd dat [eiser] inderdaad heeft gezocht naar kinderporno.\n\n3.4.. In april 2016 vond een gesprek plaats tussen de afdeling Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente [gemeente] , de politie, de [instelling 1] en de contactfunctionaris van Reclassering Nederland. Tijdens dit gesprek vertelde de wijkagent dat hem ter oren was gekomen dat [eiser] (destijds nog bekend onder een andere naam, een geruchtmakende zaak met veel media-aandacht indertijd) in de [instelling 1] verbleef. Hij benoemde daarbij het risico dat bepaalde inwoners van [plaats 3] in staat zouden zijn tot een afrekening als het verhaal van betrokkene ( [eiser] ) bij hen bekend wordt. Niet veel later zou een medewerker van de [instelling 1] op een verjaardagsfeestje gevraagd zijn of [eiser] bij de [instelling 1] woonde. Vanwege het door de wijkagent geschetste scenario en het daarbij behorende risico voor zowel [eiser] als de (andere bewoners van de) [instelling 1] heeft de [instelling 1] besloten de zorg aan [eiser] op 13 april 2016 te beëindigen.\n\n3.5.. Reclassering Nederland heeft daarna onderzoek gedaan naar eventuele doorplaatsingsmogelijkheden, maar heeft geen vergelijkbare setting gevonden die de mate van controle en veiligheid biedt zoals de [instelling 1] . Reclassering Nederland heeft daarom, in combinatie met het feit dat [eiser] heeft gezocht naar kinderporno, de rechtbank geadviseerd de TBS met dwangverpleging te hervatten. Op 15 juni 2016 hervat de rechtbank de TBS met dwangverpleging, maar deze uitspraak wordt op 6 april 2017 door het hof vernietigd, omdat er nog een alternatief werd gezien voor hervatting van de verpleging van overheidswege en daarmee mogelijk een longstay-traject kon worden afgewend. [eiser] heeft daardoor nog een periode TBS met (gewijzigde) voorwaarden gehad.\n\n3.6.. Op 6 februari 2019 beveelt de rechtbank Midden-Nederland alsnog hervatting van de TBS met dwangverpleging en deze beslissing wordt in hoger beroep op 19 september 2019 bekrachtigd. [eiser] is vervolgens (uiteindelijk) op de longstay-afdeling in de [instelling 2] in [plaats 2] geplaatst.\n\n4. De beoordeling\n\nReclassering Nederland heeft niet onrechtmatig gehandeld\n\n4.1.. \n [eiser] vordert een verklaring voor recht dat Reclassering Nederland onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld. De kantonrechter wijst deze vordering af en overweegt hiertoe als volgt.\n\n4.2.. Als onrechtmatige gedraging kan worden aangemerkt een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht en een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.[eiser] stelt dat Reclassering Nederland in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht, doordat zij [eiser] niet de hulp en steun heeft geboden die van haar mocht worden verwacht.\n\n4.3.. Volgens [eiser] heeft Reclassering Nederland niets ondernomen tegen de onmiddellijke verwijdering van [eiser] op 13 april 2016 van het terrein van de [instelling 1] en heeft zij zich daarna onvoldoende ingespannen om [eiser] ergens anders in Nederland bij een soortgelijke zorgverlener onder te brengen. Vervolgens heeft Reclassering Nederland de rechtbank onterecht geadviseerd de TBS met dwangverpleging te hervatten; zij had de rechtbank beter moeten informeren over de situatie van [eiser] . De reden dat de [instelling 1] heeft besloten tot het beëindigen van de zorg was volgens [eiser] namelijk niet het feit dat [eiser] verdacht werd van het zoeken naar kinderporno, maar dat de [instelling 1] haar imago niet wilde beschadigen als mensen wisten dat [eiser] bij haar verbleef. [eiser] verwijst hierbij naar het schrijven van Reclassering Nederland waarin staat dat zij de rechtbank waarschijnlijk niet negatief geadviseerd zou hebben als het alleen zou gaan om de kinderporno. Het beëindigen van de zorg door de [instelling 1] is dus beslissend geweest voor het advies, terwijl die beëindiging plaatsvond op grond van dreigende imagoschade van de [instelling 1] , die niet aan [eiser] kan worden toegerekend, aldus [eiser] .\n\n4.4.. Reclassering Nederland heeft dit – met verwijzing naar haar verslagen – betwist en toegelicht wat zij heeft ondernomen en welke maatregelen binnen haar mogelijkheden liggen. Reclassering Nederland heeft geen zeggenschap over de beslissing van de [instelling 1] om het verblijf van [eiser] te beëindigingen of deze niet meer te hervatten. Dat Reclassering Nederland hulp en steun dient te verlenen aan [eiser] bij de naleving van de voorwaarden, geeft haar niet een positie om de [instelling 1] te dwingen de opname van [eiser] voort te zetten.\n\n4.5.. Reclassering Nederland heeft voor [eiser] vervolgens een tijdelijke plek geregeld bij [instelling 3] , geprobeerd om met de [instelling 1] een tussenoplossing te vinden en vervolgens breed onderzoek gedaan naar eventuele doorplaatsingsmogelijkheden. Reclassering Nederland heeft ook later nog contact gehad met de [instelling 1] over de mogelijkheid tot een verzoeningsgesprek en eventuele terugkeer, maar de [instelling 1] stond daar niet voor open.\n\n4.6.. In de e-mail van Reclassering Nederland waar [eiser] naar verwijst, zegt Reclassering Nederland inderdaad dat zij mogelijk niet negatief geadviseerd zou hebben als het slechts zou gaan om het zoeken naar kinderporno. Maar er speelde juist wél meer dan alleen het zoeken naar kinderporno: [eiser] kon ook niet voldoen aan de voorwaarde van het verblijven in een instelling voor begeleid wonen. Gelet op deze met verslagen onderbouwde betwisting van Reclassering Nederland heeft [eiser] zijn stellingen onvoldoende onderbouwd en wordt de verklaring voor recht dat Reclassering Nederland onrechtmatig heeft gehandeld afgewezen.\n\nDe gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen\n\n4.7.. \n [eiser] vordert € 20.000,00 aan schadevergoeding, met als grondslag onrechtmatig handelen van Reclassering Nederland. Uit de wet volgt dat degene die ten opzichte van een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke onrechtmatige daad aan hem kan worden toegerekend, aan de ander de schade moet vergoeden die die ander door dit onrechtmatig handelen of nalaten lijdt. Omdat de kantonrechter van oordeel is dat Reclassering Nederland niet onrechtmatig heeft gehandeld, zal de gevorderde schadevergoeding worden afgewezen.\n\n4.8.. Daarbij is niet gebleken dat [eiser] schade heeft geleden door enig handelen of nalaten van Reclassering Nederland. [eiser] verwijst naar artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek, welk artikel bepaalt dat een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. [eiser] stelt dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast en vergelijkt hierbij de situatie in februari 2016 waarin hij (volgens hem) bijna onvoorwaardelijk uit de TBS zou komen met de uitzichtloze situatie waarin hij nu zit: TBS met dwangverpleging op een longstay-afdeling.\n\n4.9.. De kantonrechter overweegt als volgt. De beslissing om de TBS met dwangverpleging te hervatten, is in eerste instantie op 15 juni 2016 genomen door de rechtbank omdat [eiser] zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden, waarbij de eigen gedraging van [eiser] als uitgangspunt wordt genomen. De rechtbank Midden-Nederland overwoog op 15 juni 2016 namelijk dat: “wat er zij van de handelwijze van het [instelling 1] , vast staat dat veroordeelde ondanks aanwijzing én waarschuwing van de reclassering op internet gezocht heeft naar kinderporno. Hiermee heeft hij zich niet gehouden aan de bijzondere voorwaarden én zich weer in het delict scenario begeven. Dit maakt het naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat de verpleging van overheidswege wordt hervat.”Weliswaar is dit vonnis vernietigd in hoger beroep, waarna nog even de TBS onder voorwaarden is voorgezet, maar uiteindelijk is op 6 februari 2019 de TBS met dwangverpleging hervat. Met de stelling van [eiser] dat de huidige situatie moet worden vergeleken met de situatie in februari 2016 toen hij uitzicht had op beëindiging van de TBS, wordt voorbij gegaan aan het feit dat niet alleen in juni 2016 de rechtbank heeft besloten tot hervatting van de dwangverpleging, maar (na vernietiging van deze uitspraak) in 2019 opnieuw is besloten tot TBS met dwangverpleging. Ook is daarna de TBS nog verlengd. In deze periode is dus kennelijk van alles gebeurd dat aanleiding is geweest om de TBS met dwangverpleging te hervatten. Dit maakt dat geen sprake is van een (voldoende direct) causaal verband tussen het gestelde handelen\u002Fnalaten van Reclassering Nederland en de situatie waarin [eiser] zich nu bevindt en daarmee met de gestelde schade die hij daardoor zou hebben geleden. Ook op basis hiervan zou de gevorderde schadevergoeding zijn afgewezen.\n\n [eiser] moet de proceskosten betalen\n\n4.10.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Reclassering Nederland worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde € 812,00 (2 punten x tarief € 406,00)\n\n- nakosten € 135,00\n\nTotaal € 947,00\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n4.11.. De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af;\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen;\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.\n\n Zie artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek.\n\n Zie artikel 38g Wetboek van Strafrecht (oud) en artikel 38 lid 2 Wetboek van Strafrecht (oud).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:4015","2025-07-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.599Z",20]