[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-violent-crime-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":85,"limit":86},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},115,"violent-crime-nl","Violent Crime","NL","2026-07-08T16:56:56.704Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2023-01-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[],[22,32,39,46,54,61,69,78],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"531","ECLI:NL:RBMNE:2026:4064","ecli-nl-rbmne-2026-4064","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16-317660-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1968] in [geboorteplaats] (India),\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. L.J.B.G. van Kleef (hierna: de advocaat);\n\nde benadeelde partij: [slachtoffer] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partij: mr. M.C. van Megen.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;\n\nfeit 2 primair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen [slachtoffer] heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 primair heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2 primair. De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feit 1 en feit 2 subsidiair.\n\nDe advocaat heeft een aantal opmerkingen gemaakt over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nBewijsmiddelen feit 1 en feit 2 subsidiair\n\nDe rechtbank oordeelt dat feit 1 en feit 2 subsidiair zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2.. \n\nBewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nOp 4 oktober 2024 is het slachtoffer naar het adres [adres] in [woonplaats] (de woning van de verdachte en zijn vrouw) gegaan met het idee te hebben afgesproken met een meisje, namelijk getuige [getuige] (de jongste dochter van de verdachte). Het slachtoffer had berichten ontvangen vanaf haar Instagramaccount, waarin zij hem uitnodigde bij haar thuis te komen. Toen het slachtoffer vervolgens op genoemd adres aankwam, is hij door meerdere personen de woning aangevallen, vastgebonden en mishandeld. Het slachtoffer heeft fysiek letsel overgehouden aan het incident. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij is aangevallen door twee mannen, de vader en broer (de rechtbank begrijpt: de zwager) van [getuige] . Een vrouw, de zus van [getuige] , heeft hem vastgebonden. [getuige] heeft verklaard dat zij de uitnodigende berichten niet naar het slachtoffer heeft gestuurd.\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe rechtbank vindt de verklaringen van de aangever betrouwbaar. De aangever heeft een verklaring afgelegd bij de politie en deze op een later moment aangevuld. De verklaringen zijn uitgebreid, gedetailleerd en op grote lijnen consistent. Daarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde geweldshandelingen, de daarvoor gebruikte middelen zoals een paraplu en een snoer en het vastbinden van de aangever.\n\nAlternatief scenario verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de zaak vanaf het begin ten onrechte een lading heeft gekregen van eerwraak. Het zou volgens de verdediging zo kunnen zijn dat [getuige] de situatie bewust heeft laten escaleren. Zij zou eerder melding hebben gedaan tegen haar familie van huiselijk geweld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachten niet wisten wie de aangever was en wat hij bij hen in huis kwam doen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. De rechtbank ziet voor dit scenario onvoldoende aanknopingspunten in het dossier en verwijst specifiek naar de verklaring van de aangever waar hij stelt dat hij een bericht van [getuige] heeft ontvangen waarin staat dat hij niet moest reageren op uitnodigingen om naar haar huis te komen omdat haar vader en zwager hem daarheen wilden lokken. Daarnaast volgt uit het bewijs dat de verdachten wisten dat de aangever een jongen was met wie [getuige] contact had. Zo blijkt uit de verklaring van de overbuurman dat de verdachte riep dat er een jongen in zijn huis was die met zijn jongste dochter appte en volgt uit de verklaring van de verdachte dat zijn schoonzoon, medeverdachte [medeverdachte 1] , naar de aangever riep dat hij hem herkende van een filmpje. Ook heeft de overbuurman verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] precies wist waar de auto van de aangever geparkeerd stond. Dit is onmogelijk als waar is dat de verdachten in de woning werden verrast door de aanwezigheid van de aangever. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het aangevoerde alternatieve scenario volstrekt ongeloofwaardig.\n\nWederrechtelijke vrijheidsberoving\n\nDe verdachte en de medeverdachten hebben de aangever wederrechtelijk van de vrijheid beroofd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever, nadat hij naar de woning aan de [adres] was gelokt, in de betreffende woning enige tijd van zijn vrijheid beroofd is geweest. Verdachte en zijn mededader hebben in de woning geweld tegen de aangever gebruikt, hij is vastgebonden en er is op meerdere momenten dreigend tegen hem gesproken. Doordat aangever op geen enkel moment alleen is gelaten kon hij de woning niet zelf verlaten.\n\nPoging zware mishandeling\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 2 primair (poging tot zware mishandeling). De rechtbank is namelijk van oordeel dat niet is bewezen dat de verdachte geprobeerd heeft om aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond. Ook blijkt niet dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank heeft hierbij gekeken naar de bewezen geweldshandelingen en het daardoor toegebrachte letsel.\n\nMishandeling\n\nDe verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever (gedurende de wederrechtelijke vrijheidsberoving) meerdere malen met de blote hand en met voorwerpen geslagen, getrapt, aan het haar getrokken en de aangever bij zijn keel gepakt. Daardoor is de aangever onwel geworden, heeft hij pijn gehad en heeft hij letsel opgelopen. De rechtbank merkt dit geweld aan als mishandeling.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte bij beide strafbare feiten de rol van medepleger had. Medeplegen kan worden bewezen als bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De (materiële en\u002Fof intellectuele) bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet daarbij van voldoende gewicht zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte(n) nauw en bewust hebben samengewerkt. De bijdrage van de verdachte aan de strafbare feiten is van zodanig gewicht dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte en de medeverdachten hebben samen handelingen verricht om de aangever van zijn vrijheid te beroven. De aangever is naar de woning gelokt en de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever geslagen en getrapt en dreigende woorden geuit, terwijl de medeverdachte [medeverdachte 2] de aangever heeft vastgebonden. Hierdoor was de aangever niet in staat zich vrij te bewegen en uit de woning weg te gaan. De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben de aangever samen mishandeld, door hem te slaan met de blote hand, een paraplu, een snoer en een schoen, hem te trappen, aan zijn haren te trekken en hem stevig bij de keel te pakken.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt feit 1 en feit 2 subsidiair van de beschuldiging bewezen. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij zijn\" en \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te zeggen,\n\n- de handen en voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, en\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en zich niet uit de woning kon verwijderen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 te Almere,\n\ntezamen en in vereniging met een ander,\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]\n\n- in het gezicht te slaan en te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels te slaan,\n\n- met een snoer tegen die knieën te slaan,\n\n- met een schoen in het gezicht te slaan,\n\n- tegen het lichaam te trappen en\n\n- stevig bij zijn keel te pakken.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;\n\nfeit 2: medeplegen van mishandeling.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feiten en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Een eventuele gevangenisstraf voegt volgens de verdediging niets toe aan de doelen van het strafrecht. De rechtbank zou kunnen volstaan met een alternatieve sanctie of met een voorwaardelijke straf.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachten het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Tijdens deze vrijheidsberoving hebben zij hem geslagen en gestompt in zijn gezicht en op zijn lichaam, getrapt, aan zijn haren getrokken en geslagen met een paraplu, een snoer en een schoen. Voor het slachtoffer, een jongeman van net 18 jaar die dacht dat hij in de woning een afspraak met een hem bekend meisje zou hebben, is dit een enorm angstige ervaring geweest. Dit blijkt ook wel uit de slachtofferverklaring en de toelichting op het schadevergoedingsverzoek dat het slachtoffer heeft ingediend.\n\nMet hun handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachten fors inbreuk gemaakt op de vrijheid en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte en zijn medeverdachten zijn volledig voorbij gegaan aan de gevolgen voor het slachtoffer, die hij tot de dag van vandaag ervaart. Hoewel het slachtoffer van het lichamelijk letsel is hersteld, ondervindt hij nog dagelijks de psychische gevolgen van wat hem is overkomen. Het slachtoffer was volop bezig om zijn toekomst op te bouwen, maar heeft door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten dit toekomstbeeld moeten bijstellen. De rechtbank neemt verdachte kwalijk dat hij weinig verantwoordelijkheid neemt voor wat hij het slachtoffer heeft aangedaan.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 23 juni 2026 met betrekking tot de verdachte. De reclassering schat de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden in als laag. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden en merkt op dat er geen contra-indicaties zijn voor het opleggen van een gevangenisstraf, taakstraf of financiële sanctie.\n\nStrafkader\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen variëren van taakstraffen tot gevangenisstraffen van korte en langere duur, en zijn voor een groot deel afhankelijk van de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd.\n\nDe rechtbank vindt dat bij de strafbare feiten waar het in deze zaak om gaat, rekening houdend met de aard en ernst daarvan zoals hiervoor omschreven, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden past. Dat is dan ook de straf die de rechtbank aan de verdachte oplegt. Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een taakstraf.\n\nTenuitvoerlegging van de straf\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank ziet niet langer aanleiding de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Om die reden zal het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.708,41 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd is en geheel kan worden toegewezen.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijzen van aankoop van de kledingstukken bij de vordering zijn gevoegd. De verdediging stelt zich om die reden op het standpunt dat niet kan worden nagegaan of het daadwerkelijk merkkleding betreft, of dat sprake is van namaak. Daarnaast brengt de verdediging naar voren dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn telefoon heeft teruggekregen. De verdediging vindt het argument dat dit lang duurde, waardoor het slachtoffer een nieuwe telefoon moest kopen, niet houdbaar. De verdediging wijst erop dat er geen bewijs van aankoop van de airpods bij de vordering is gevoegd.\n\nVoor het overige heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank wijst € 3.195,85 aan materiële schade toe voor de weggenomen airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten. De verdediging heeft het wegnemen van de airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten niet betwist. Ten aanzien van de kleding geeft de opmerking van de advocaat over de mogelijkheid dat het gaat om namaakkleding onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De verdediging heeft de feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist.\n\nDe kosten voor een nieuwe telefoon komen niet voor vergoeding in aanmerking. De aangever heeft zijn telefoon teruggekregen en de advocaat betwist dat schade is ontstaan aan de telefoon. Die schade is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat het alsnog nader onderbouwen een onevenredige belasting zou vormen voor het strafproces. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nAls gevolg van de mishandeling heeft [slachtoffer] een hersenschudding en letsel aan zijn hoofd, rug, oren en gezicht opgelopen in de vorm van blauwe plekken en bloeduitstortingen. Ook heeft hij geestelijk letsel opgelopen: hijis na het incident gediagnosticeerd met PTSS.\n\nDe verdediging heeft de immateriële schade niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nGelet op de setting waarin het incident zich heeft afgespeeld, de doodsangsten die het slachtoffer heeft uitgestaan en de gestelde diagnose, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag ook rekening gehouden met de richtbedragen in de Rotterdamse schaal.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte of een ander de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nProceskosten\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 23.195,85 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Als de verdachte niet betaalt, wordt deze verplichting aangevuld met 135 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .\n\nHoofdelijk\n\nOmdat de verdachte de feiten waarvoor de schadevergoeding worden toegekend samen met zijn mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Dit betekent dat de verdachte tegenover [slachtoffer] voor het hele bedrag van € 23.195,85 aansprakelijk is.\n\nVoor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- artikelen 36f, 47, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\n- verklaart feit 2 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 subsidiair heeft gepleegd, zoals hierboven is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 subsidiair bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 23.195,85, bestaande uit € 3.195,85 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nverklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 135 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;voorlopige hechtenis\n\n- heft op het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. D.S. Terporten-Hop en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nDe oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk\n\n [slachtoffer]\n\nwederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd heeft gehouden,\n\ndoor\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten en\u002Fof\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, in elk geval gedurende enig tijd\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de\n\nwoning kon verwijderen;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen\n\nmisdrijf om\n\naan [slachtoffer]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] ,\n\n- in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- hard aan de haren heeft getrokken,\n\n- tegen het lichaam heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam heeft geschopt en\u002Fof getrapt en\u002Fof\n\n- stevig bij de keel heeft vastgepakt en\u002Fof de keel heeft dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,\n\n- in het gezicht te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof te trappen en\u002Fof\n\n- stevig bij zijn keel te pakken en\u002Fof zijn keel dicht te knijpen.\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [verdachte] , zakelijk weergegeven:\n\n Gisteren (de rechtbank begrijpt: 4 oktober 2024) zag ik zag een worsteling tussen mijn schoonzoon (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ) en een jongen. Ik heb de veters van de jongen vastgemaakt. Gewoon zijn veters aan elkaar zodat hij niet weg kon rennen.\n\n Mijn schoonzoon heeft zijn handen vastgebonden met een touwtje.\n\n Ik zag dat mijn schoonzoon die jongen aan het slaan was en mijn schoonzoon riep: “Ik heb jou op een filmpje gezien”. Toen snapte ik dus dat die jongen via social media was. Ik heb mijn schoen uitgetrokken en hem ook twee of drie keer geslagen met mijn schoen.\n\n Ik heb op zijn benen, billen geslagen en in zijn gezicht. Mijn zoon zei dat ze een filmpje hadden dat hij iets deed bij een meisje\n\n Ik heb hem met de schoen geslagen en met de paraplu.\n\n Ik heb wel een snoer gepakt.\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nIk heb hem klappen gegeven.\n\n- een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 reed ik in Almere. Ik had contact met [getuige] via Instagram. [getuige] gaf haar straatnaam op. Toen ben ik naar de straat gereden waar [getuige] zou wonen.\n\nIk liep de [straat] in. Ik las op Instagram dat [getuige] mij een bericht stuurde, dat de voordeur open zou staan. Daarom dacht ik dat ik bij deze woning moest zijn.\n\n Ik liep de woning in. Ik hoorde opeens achter mij een geluid van voetstappen. Ik draaide mij om en er werd direct een hand voor mijn ogen gehouden. Ik voelde dat ik werd vastgepakt om mijn middel. Ik ben op de grond gegooid. Ik zag twee mannen en een vrouw voor me staan. Ik hoorde een man zeggen: “Jij gaat het vandaag niet meer halen”.\n\n Ik zag dat beide mannen mij sloegen. Ik voelde dat één van die mannen mij aan mijn haar trok. Dit zag ik ook. De andere man bleef met vuisten op mijn hoofd slaan.\n\n Persoon 1 noem ik ‘vader’.\n\n Persoon 2 noem ik ‘broer’.\n\n Ik hoorde broer zeggen: “Je weet niet wie wij zijn”. Ik voelde en zag dat broer mij op mijn hoofd trapte. Ik hoorde de broer zeggen: “Ik ga je mond afplakken met Duck tape”.\n\n Ik zag dat de broer mij bij mijn keel vastpakte. Ik voelde een sterke greep om mijn keel heen. Ik kreeg bijna geen adem.\n\n Ik zag vader met een paraplu op mijn beide enkels slaan. Ik zag dat broer mijn haar vastpakte met zijn rechterhand en ik zag dat broer mij met zijn linkerhand sloeg op mijn hoofd.\n\nIk zag en voelde dat vader en broer mij ook trapten. In mijn gezicht, mijn buik en op mijn rug. Ik zag dat vader zijn hand naar achter bracht met daarin het witte snoer en zag dat vader met kracht met dit snoer op mijn knieën sloeg. Ik zag dat ik met mijn polsen aan elkaar werd vastgebonden met een wit touw. Ik zag dat dit ook gebeurde met mijn enkels. Dit ook met een wit touw. Dit werd gedaan door een vrouw. Ik zag dat vader mij met één hand bij mijn haren vasthield en trok over de vloer van de woonkamer richting de bank. Ik zag dat vader een schoen uittrok. Ik zag dat vader mij met deze schoen hard in mijn gezicht sloeg.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aanvullende informatie van de aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 11 oktober 2024 sprak ik telefonisch met het slachtoffer [slachtoffer] .\n\n Hij vertelde de volgende informatie die voor het onderzoek van belang is:\n\n • De zus van [getuige] had in de woning zijn voeten met een verlengsnoer bij elkaar gebonden.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende contact met slachtoffer [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nHet slachtoffer verklaarde dat hij op 5 oktober 2024 zag dat er op Snapchat een bericht was van [getuige] .\n\n Hierop zag hij een tekst welke hij nog niet eerder had gezien. In de tekst stond dat hij niet naar de woning moest komen omdat de vader en de broer hem naar de woning zouden hebben gelokt.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 zag ik dat de overbuurman (de rechtbank begrijpt: de verdachte) voor de deur stond.\n\n Zijn woning is [adres] . Ik holde met de buurman mee naar de overkant van de straat.\n\n Ik hoorde buurman [medeverdachte 2] iets zeggen van “die jongen appt ook steeds met dochter”.\n\n Ik zag dat de jongeman aan handen en voeten gebonden was middels veters en ik zag ook dat de jongeman meerdere verwondingen aan zijn gezicht had. Achter de jongen zag ik een deel van een paraplu liggen.\n\n Buurman [medeverdachte 2] liep op de jongen af en gaf hem een klap vol in zijn gezicht. Buurman [medeverdachte 2] gebruikte hiervoor een schoen.\n\n Ik zag in de keuken nog twee personen staan, die ik herkende als de oudste dochter van buurman [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2] , [1998] ) en zijn echtgenote.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik aan de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag in de woonkamer een jongen op de grond liggen. Deze jongen bleek mij te zijn: [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] divers zichtbaar letsel had.\n\n Verder zag ik in de ruimte op de grond een wit verlengsnoer liggen. Ook lag er een paraplu op de grond.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven:\n\n Op 4 oktober 2024 kwam ik ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag een zwarte autosleutel op tafel liggen. Ik vroeg van wie de sleutel was. Ik\n\nhoorde [slachtoffer] zeggen dat dit zijn autosleutel was. Ik besloot samen met een man naar de auto te lopen. Die man gaf aan dat hij wist waar de auto stond. Deze man bleek later te zijn:\n\n* [medeverdachte 1] , geboren op [1992] *\n\nDe sleutel werkte en de auto ging van zijn vergrendeling af.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , zakelijk weergegeven:\n\nNOOT verbalisant: Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de onderstaande berichten niet heeft verstuurd.\n\nChat 202 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 19:59:03 “Wil je komen”\n\nChat 205 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:25:19 “Ja ben alleen”\n\nChat 208 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:27:36 “ [straat] ”\n\nChat 223 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:02:23 “Je kan komen babe”\n\nChat 236 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:07:27 “Kom eventjes binnen”\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 9 oktober 2024, inhoudende de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nVraag: Is die jongen die in het huis was ( [slachtoffer] ) met een soort smoes naar de [adres] in [woonplaats] gekomen?\n\nAntwoord: Ja.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024315295, doorgenummerd pagina 1 tot en met 249. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 27-28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 29.\n\n Pagina 30.\n\n Pagina 53.\n\n Pagina 101.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 153.\n\n Pagina 122.\n\n Pagina 111.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 86.\n\n Pagina 159.\n\n Pagina 165-166.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4064","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:35.104Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"529","ECLI:NL:RBMNE:2026:4063","ecli-nl-rbmne-2026-4063","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16-317678-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1998] in [geboorteplaats] ,\n\nadres [adres] , [woonplaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\n- de verdachte;\n\n- de officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;\n\n- de advocaat van de verdachte: mr. L.J.B.G. van Kleef (hierna: de advocaat);\n\n- de benadeelde partij: [slachtoffer] ;\n\n- de advocaat van de benadeelde partij: mr. M.C. van Megen.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:\n\nprimair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;\n\nsubsidiair\n\nhierbij opzettelijk behulpzaam is geweest door [slachtoffer] naar de woning te lokken, ervoor te zorgen dat [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en tijdens voornoemde situatie in het huis aanwezig te blijven en niet in te grijpen.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de primaire beschuldiging heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken, omdat geen geweldshandelingen kunnen worden bewezen die de verdachte tot medepleger of medeplichtige kunnen bestempelen.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nBewijsmiddelen ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit\n\nDe rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nOp 4 oktober 2024 is het slachtoffer naar het adres [adres] in [woonplaats] (de woning van de ouders van de verdachte) gegaan met het idee te hebben afgesproken met een meisje, namelijk getuige [getuige] (de zus van de verdachte). Het slachtoffer had berichten ontvangen van het Instragramaccount van [getuige] , waarin zij hem uitnodigde bij haar thuis te komen. Toen het slachtoffer vervolgens op genoemd adres aankwam, is hij door meerdere personen de woning in aangevallen, vastgebonden en mishandeld. Het slachtoffer heeft fysiek letsel overgehouden aan het incident. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij is aangevallen door twee mannen, de vader en de broer (de rechtbank begrijpt: de zwager) van [getuige] . Een vrouw, vermoedelijk de zus van [getuige] , heeft hem vastgebonden. [getuige] heeft verklaard dat zij de uitnodigende berichten niet naar het slachtoffer heeft gestuurd.\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe rechtbank vindt de verklaringen van de aangever betrouwbaar. De aangever heeft een verklaring afgelegd bij de politie en deze op een later moment aangevuld. De verklaringen zijn uitgebreid, gedetailleerd en op grote lijnen consistent. Daarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde geweldshandelingen en het vastbinden van de aangever.\n\nAlternatief scenario verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit en voert daartoe aan dat er geen handeling kan worden bewezen die de verdachte tot medepleger of medeplichtige van de wederrechtelijke vrijheidsberoving kan bestempelen. De advocaat betoogt dat de verdachte gedurende het incident op een andere verdieping in het huis was en geen uitvoeringshandelingen heeft kunnen plegen.\n\nDe rechtbank ziet dit anders. Uit de eerste verklaring van de aangever bij de politie volgt dat hij in de woning twee mannen zag en een vrouw van ongeveer vijftig jaar met een baby op haar arm. De aangever noemt haar ‘moeder’. In zijn aanvullende verklaring verklaart de aangever dat hij werd vastgebonden door de zus van [getuige] , de verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] verklaart dat hij op de begane grond de volgende personen aantrof: de aangever, de verdachte [verdachte] , de medeverdachte [medeverdachte 1] en de medeverdachte [medeverdachte 2] . Op de eerste verdieping trof hij [A] (toen 45 jaar oud) aan, de moeder van de verdachte, met een kind op haar arm. De rechtbank concludeert dat zij de vrouw is die aangever ‘moeder’ noemt, die hij eerder op de begane grond had gezien.\n\nDe rechtbank concludeert dat de moeder van de verdachte gedurende het incident het kind heeft vastgehouden. De verdachte had dan ook alle gelegenheid om bij te dragen aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, door de aangever vast te binden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de aanvullende verklaring van de aangever op dit punt niet te geloven. Er is geen reden om aan te nemen dat de verdachte de hele tijd op een andere verdieping is geweest. De politie trof haar nota bene op de begane grond aan. De rechtbank vindt het alternatieve scenario van de verdediging niet aannemelijk.\n\nDe verdediging heeft verder aangevoerd dat de zaak vanaf het begin ten onrechte een lading heeft gekregen van eerwraak. Het zou volgens de verdediging zo kunnen zijn dat [getuige] de situatie bewust heeft laten escaleren. Zij zou eerder melding hebben gedaan tegen haar familie van huiselijk geweld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachten niet wisten wie de aangever was en wat hij bij hen in huis kwam doen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. De rechtbank ziet voor dit scenario onvoldoende aanknopingspunten in het dossier en verwijst specifiek naar de verklaring van de aangever waar hij stelt dat hij een bericht van [getuige] heeft ontvangen waarin staat dat hij niet moest reageren op uitnodigingen om naar haar huis te komen, omdat haar vader en zwager hem daarheen wilden lokken. Daarnaast volgt uit het bewijs dat de verdachten wisten dat de aangever een jongen was met wie [getuige] contact had. Zo blijkt uit de verklaring van de overbuurman dat medeverdachte [medeverdachte 2] zei dat er een jongen in zijn huis was die met zijn jongste dochter appte. Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] volgt dat zijn schoonzoon naar de aangever riep dat hij hem herkende van een filmpje. Ook heeft de overbuurman verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] precies wist waar de auto van de aangever geparkeerd stond. Dit is onmogelijk als waar is dat de verdachten in de woning werden verrast door de aanwezigheid van de aangever. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het aangevoerde alternatieve scenario ongeloofwaardig.\n\nWederrechtelijke vrijheidsberoving\n\nDe verdachte en de medeverdachten hebben de aangever wederrechtelijk van de vrijheid beroofd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever, nadat hij naar de woning aan de [adres] is gelokt, in de betreffende woning enige tijd van zijn vrijheid beroofd is geweest.\n\nVerdachte en haar mededaders hebben in de woning geweld tegen de aangever gebruikt, hij is vastgebonden en er is op meerdere momenten dreigend tegen hem gesproken. Doordat aangever op geen enkel moment alleen is gelaten kon hij de woning niet zelf verlaten.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte bij deze vrijheidsberoving de rol van medepleger had. Medeplegen kan worden bewezen als bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De (materiële en\u002Fof intellectuele) bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet daarbij van voldoende gewicht zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachten nauw en bewust hebben samengewerkt. De bijdrage van de verdachte aan de vrijheidsberoving, namelijk het vastbinden van de aangever, is van zodanig gewicht dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte en de medeverdachten hebben immers samen handelingen verricht om de aangever van zijn vrijheid te beroven en beroofd te houden. De aangever is naar de woning gelokt en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben meerdere geweldshandelingen tegen hem verricht. Hij werd meermaals geslagen, getrapt en er werden dreigende woorden tegen hem geuit, terwijl de verdachte hem heeft vastgebonden. Hierdoor was de aangever niet in staat zich vrij te bewegen en uit de woning weg te gaan.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt de primaire beschuldiging bewezen. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving.\n\nDe verdediging heeft verzocht om [getuige] te horen als getuige in het geval de rechtbank zou aannemen dat de verdachte degene is geweest die de berichten aan de aangever had verstuurd met de uitnodiging naar het huis te komen. De rechtbank is niet tot die vaststelling gekomen, zodat de voorwaarde van het verzoek niet is vervuld. Er is dus geen verzoek gedaan waarop de rechtbank een beslissing moet nemen.\n\n3.4.. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nprimair:\n\nop 4 oktober 2024 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij zijn\" en \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te zeggen,\n\n- meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- de handen en voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden en\n\n- steeds in dezelfde ruimtevan die [slachtoffer] te verkeren, en gedurende enige tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en zich niet uit de woning kon verwijderen.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nprimair:medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur, met 100 dagen vervangende hechtenis.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Een eventuele gevangenisstraf voegt volgens de verdediging niets toe aan de doelen van het strafrecht. De rechtbank zou kunnen volstaan met een alternatieve sanctie of met een voorwaardelijke straf.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachten het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Zij hebben hem door geweld tegen hem te gebruiken en hem vast te binden tegen zijn wil in de woning vastgehouden. Voor het slachtoffer, een jongeman van net 18 jaar die dacht dat hij in de woning een afspraak met een hem bekend meisje zou hebben, is dit een enorm angstige ervaring geweest. Dit blijkt ook wel uit de slachtofferverklaring en de toelichting op het schadevergoedingsverzoek dat het slachtoffer heeft ingediend.\n\nMet hun handelen hebben de verdachte en haar medeverdachten fors inbreuk gemaakt op de vrijheid van het slachtoffer. De verdachte en haar medeverdachten zijn volledig voorbijgegaan aan de gevolgen voor het slachtoffer, die hij tot de dag van vandaag ervaart. Hoewel het slachtoffer van het lichamelijk letsel is hersteld, ondervindt hij nog dagelijks de psychische gevolgen van wat hem is overkomen. Het slachtoffer was volop bezig om zijn toekomst op te bouwen, maar heeft door het handelen van verdachte en haar medeverdachten dit toekomstbeeld moeten bijstellen. De rechtbank neemt de verdachte kwalijk dat zij bijzonder weinig verantwoordelijkheid neemt voor wat zij het slachtoffer heeft aangedaan.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 10 november 2025 met betrekking tot de verdachte. De reclassering concludeert dat de risico’s op recidive en letsel niet kunnen worden ingeschat, omdat niet duidelijk is geworden wat ten grondslag heeft gelegen aan het gedrag van de verdachte. Het risico op het onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij zien geen zwaarwegende contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf, taakstraf of financiële sanctie. Concrete signalen die wijzen op de noodzaak van een contact- en\u002Fof locatieverbod ziet de reclassering niet.\n\nStrafkader\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen variëren van taakstraffen tot gevangenisstraffen van korte en langere duur, en zijn voor een groot deel afhankelijk van de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de taakstraf die de officier van justitie eist onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het feit. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet enkel kan worden volstaan met een taakstraf maar ziet ook aanleiding, gelet op de ernst van het feit, om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen. Daarom en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte legt de rechtbank aan de verdachte op:\n\neen taakstraf van 200 uur en\n\neen voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.\n\nDeze straf is lager dan de straffen die de rechtbank aan de medeverdachten oplegt, omdat de rol van de verdachte beperkter is.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank ziet niet langer aanleiding de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Om die reden zal het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.708,41 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd is en geheel kan worden toegewezen.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijzen van aankoop van de kledingstukken bij de vordering zijn gevoegd. De verdediging stelt zich om die reden op het standpunt dat niet kan worden nagegaan of het daadwerkelijk merkkleding betreft of dat sprake is van namaak. Daarnaast brengt de verdediging naar voren dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn telefoon heeft teruggekregen. De verdediging vindt het argument dat dit lang duurde, waardoor het slachtoffer een nieuwe telefoon moest kopen, niet houdbaar. De verdediging wijst erop dat er geen bewijs van aankoop van de airpods bij de vordering is gevoegd.\n\nVoor het overige heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank wijst € 3.195,85 aan materiële schade toe voor de weggenomen airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten. De verdediging heeft het wegnemen van de airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten niet betwist. Ten aanzien van de kleding geeft de opmerking van de advocaat over de mogelijkheid dat het gaat om namaakkleding onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De verdediging heeft de feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist.\n\nDe kosten voor een nieuwe telefoon komen niet voor vergoeding in aanmerking. De aangever heeft zijn telefoon teruggekregen en de advocaat betwist dat schade is ontstaan aan de telefoon. Die schade is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat het alsnog onderbouwen ervan een onevenredige belasting zou vormen voor het strafproces. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nAls gevolg van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en het geweld dat daarbij is gebruikt heeft [slachtoffer] een hersenschudding en letsel aan zijn hoofd, rug, oren en gezicht opgelopen in de vorm van blauwe plekken en bloeduitstortingen. Ook heeft hij geestelijk letsel opgelopen: hij is na het incident gediagnosticeerd met PTSS.\n\nDe verdediging heeft de immateriële schade niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nGelet op de setting waarin het incident zich heeft afgespeeld, de doodsangsten die het slachtoffer heeft uitgestaan en de gestelde diagnose, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag ook rekening gehouden met de richtbedragen in de Rotterdamse schaal.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte of een ander de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nProceskosten\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 23.195,85 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Als verdachte niet betaalt, wordt deze verplichting aangevuld met 135 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .\n\nHoofdelijk\n\nOmdat de verdachte het feit waarvoor de schadevergoeding worden toegekend samen met haar mededaders heeft gepleegd, zijn zij allen hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. De verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en deze vrijheidsberoving omvat ook de geweldshandelingen die zijn gepleegd tegen de aangever zoals bewezen verklaard. Dit betekent dat de verdachte tegenover [slachtoffer] voor het hele bedrag van € 23.195,85 aansprakelijk is. Ook ten aanzien van de proceskosten zijn de verdachte en haar mededaders allen hoofdelijk aansprakelijk.\n\nVoor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft gepleegd, zoals hierboven is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;\n\nbepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\nstelt daarbij een proeftijd van 2 jarenvast;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 200 uren;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;\n\nbeveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 23.195,85, bestaande uit € 3.195,85 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nverklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 135 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nvoorlopige hechtenis\n\n- heft op het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. D.S. Terporten-Hop en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nDe oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij op of omstreeks 4 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk\n\n [slachtoffer]\n\nwederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd heeft gehouden,\n\ndoor\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden en\u002Fof\n\n- steeds in dezelfde ruimte, althans in de driecte omgeving van die [slachtoffer] te\n\nverkeren, in elk geval gedurende enig tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet\n\nvrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de woning kon verwijderen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\n [medeverdachte 2] en\u002Fof [medeverdachte 1] op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in\n\nNederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd heeft\u002Fhebben\n\nberoofd en\u002Fof beroofd gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten en\u002Fof\n\n- steeds in dezelfde ruimte, althans in de directe omgeving van die [slachtoffer] te\n\nverkeren, in elk geval gedurende enig tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet\n\nvrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de woning kon verwijderen,\n\ntot en\u002Fof bij het plegen van welk feit, zij, verdachte, op of omstreeks 4 oktober 2024\n\nte Almere, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof\n\ninlichtingen heeft verschaft en\u002Fof behulpzaam is geweest door\n\n- via het account van [getuige] die [slachtoffer] te lokken naar de woning aan de\n\n [adres] ,\n\n- steeds in dezelfde ruimte, althans in de directe omgeving van die [slachtoffer] te\n\nverkeren, in elk geval gedurende enig tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet\n\nvrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de woning kon verwijderen en\u002Fof\n\n- tijdens voorgenoemde handelingen in het huis aanwezig te blijven en\u002Fof bij te\n\ndragen aan een numeriek overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] en\u002Fof een\n\ndreigende situatie te creëren voor die [slachtoffer] en\u002Fof niet in te grijpen.\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nIk heb hem klappen gegeven.\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2] , zakelijk weergegeven:\n\n Gisteren (de rechtbank begrijpt: 4 oktober 2024) zag ik zag een worsteling tussen mijn schoonzoon (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ) en een jongen. Ik heb de veters van de jongen vastgemaakt. Gewoon zijn veters aan elkaar zodat hij niet weg kon rennen.\n\n Mijn schoonzoon heeft zijn handen vastgebonden met een touwtje.\n\n Ik zag dat mijn schoonzoon die jongen aan het slaan was en mijn schoonzoon riep: “Ik heb jou op een filmpje gezien”. Toen snapte ik dus dat die jongen via social media was. Ik heb mijn schoen uitgetrokken en hem ook twee of drie keer geslagen met mijn schoen.\n\n Ik heb op zijn benen, billen geslagen en in zijn gezicht. Mijn zoon zei dat ze een filmpje hadden dat hij iets deed bij een meisje.\n\n Ik heb hem met de schoen geslagen en met de paraplu.\n\n Ik heb wel een snoer gepakt.\n\n- een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 reed ik in Almere. Ik had contact met [getuige] via Instagram. [getuige] gaf haar straatnaam op. Toen ben ik naar de straat gereden waar [getuige] zou wonen.\n\nIk liep de [straat] in. Ik las op Instagram dat [getuige] mij een bericht stuurde, dat de voordeur open zou staan. Daarom dacht ik dat ik bij deze woning moest zijn.\n\n Ik liep de woning in. Ik hoorde opeens achter mij een geluid van voetstappen. Ik draaide mij om en er werd direct een hand voor mijn ogen gehouden. Ik voelde dat ik werd vastgepakt om mijn middel. Ik ben op de grond gegooid. Ik zag twee mannen en een vrouw voor me staan. Ik hoorde een man zeggen: “Jij gaat het vandaag niet meer halen”.\n\n Ik zag dat beide mannen mij sloegen. Ik voelde dat één van die mannen mij aan mijn haar trok. Dit zag ik ook. De andere man bleef met vuisten op mijn hoofd slaan.\n\nPersoon 1 noem ik ‘vader’.\n\n Persoon 2 noem ik ‘broer’.\n\n Persoon 3: vrouw, had een baby in haar handen, leeftijd ongeveer 50 jaar.\n\nPersoon 3 noem ik ‘moeder’\n\n Ik hoorde broer zeggen: “Je weet niet wie wij zijn”. Ik voelde en zag dat broer mij op mijn hoofd trapte. Ik hoorde de broer zeggen: “Ik ga je mond afplakken met Duck tape”.\n\n Ik zag dat de broer mij bij mijn keel vastpakte. Ik voelde een sterke greep om mijn keel heen. Ik kreeg bijna geen adem.\n\n Ik zag vader met een paraplu op mijn beide enkels slaan. Ik zag dat broer mijn haar vastpakte met zijn rechterhand en ik zag dat broer mij met zijn linkerhand sloeg op mijn hoofd.\n\n Ik zag en voelde dat vader en broer mij ook trapten. In mijn gezicht, mijn buik en op mijn rug. Ik zag dat vader zijn hand naar achter bracht met daarin het witte snoer en zag dat vader met kracht met dit snoer op mijn knieën sloeg. Ik zag dat ik met mijn polsen aan elkaar werd vastgebonden met een wit touw. Ik zag dat dit ook gebeurde met mijn enkels. Dit ook met een wit touw. Dit werd gedaan door een vrouw. Ik zag dat vader mij met één hand bij mijn haren vasthield en trok over de vloer van de woonkamer richting de bank. Ik zag dat vader een schoen uittrok. Ik zag dat vader mij met deze schoen hard in mijn gezicht sloeg.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aanvullende informatie van de aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 11 oktober 2024 sprak ik telefonisch met het slachtoffer [slachtoffer] .\n\n Hij vertelde de volgende informatie die voor het onderzoek van belang is:\n\n De zus van [getuige] had in de woning zijn voeten met een verlengsnoer bij elkaar gebonden.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende contact slachtoffer [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\n Het slachtoffer verklaarde dat hij op 5 oktober 2024 zag dat er een bericht op Snapchat was van [getuige] .\n\n Hierop zag hij een tekst welke hij nog niet eerder had gezien. In de tekst stond dat hij niet naar de woning moest komen omdat de vader en de broer hem naar de woning zouden hebben gelokt.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 zag ik dat de overbuurman (de rechtbank begrijpt de medeverdachte [medeverdachte 2] ) voor de deur stond.\n\n Zijn woning is [adres] . Ik holde met de buurman mee naar de overkant van de straat. Ik hoorde buurman [verdachte] iets zeggen van “die jongen appt ook steeds met dochter”.\n\n Ik zag dat de jongeman aan handen en voeten gebonden was middels veters en ik zag ook dat de jongeman meerdere verwondingen aan zijn gezicht had. Achter de jongen zag ik een deel van een paraplu liggen.\n\n Buurman [verdachte] liep op de jongen af en gaf hem een klap vol in zijn gezicht. Buurman [verdachte] gebruikte hiervoor een schoen.\n\n Ik zag in de keuken nog twee personen staan, die ik herkende als de oudste dochter van buurman [verdachte] (de rechtbank begrijpt [verdachte] , [1998] ) en zijn echtgenote.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik aan de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag in de woonkamer een jongen op de grond liggen. Deze jongen bleek mij te zijn: [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] divers zichtbaar letsel had.\n\n Verder zag ik in de ruimte op de grond een wit verlengsnoer liggen. Ook lag er een paraplu op de grond.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik in de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag verschillende personen op de begane grond. Deze bleken later te zijn:\n\n [slachtoffer]\n\n [medeverdachte 2]\n\n [verdachte]\n\n [medeverdachte 1]\n\n Hierop ben ik naar de eerste verdieping gelopen. Aldaar zag ik een vrouw die bleek te zijn:\n\n [A] , geboren op [1979] .\n\n Ik zag dat zij een kind van ongeveer 1 jaar oud op haar arm hield.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 4] , zakelijk weergegeven:\n\n Op 4 oktober 2024 kwam ik ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag een zwarte autosleutel op tafel liggen. Ik vroeg van wie de sleutel was. Ik\n\nhoorde [slachtoffer] zeggen dat dit zijn autosleutel was. Ik besloot samen met een man naar de auto te lopen. Die man gaf aan dat hij wist waar de auto stond. Deze man bleek later te zijn:\n\n* [medeverdachte 1] , geboren op [1992] *\n\nHij is later als verdachte aangemerkt. Ik vond het vreemd dat hij precies wist waar het voertuig van [slachtoffer] stond. De sleutel werkte en de auto ging van zijn vergrendeling af.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] , zakelijk weergegeven:\n\nNOOT verbalisant: Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de onderstaande berichten niet heeft verstuurd.\n\nChat 202 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 19:59:03 “Wil je komen”\n\nChat 205 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:25:19 “Ja ben alleen”\n\nChat 208 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:27:36 “ [straat] ”\n\nChat 223 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:02:23 “Je kan komen babe”\n\nChat 236 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:07:27 “Kom eventjes binnen”\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 9 oktober 2024, inhoudende de verklaring van de verdachte [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nVraag: Is die jongen die in het huis was ( [slachtoffer] ) met een soort smoes naar de [adres] in [woonplaats] gekomen?\n\nAntwoord: Ja.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024315295, doorgenummerd pagina 1 tot en met 249. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 53.\n\n Pagina 27-28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 29.\n\n Pagina 30.\n\n Pagina 101.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 153.\n\n Pagina 122.\n\n Pagina 111.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 89.\n\n Pagina 90.\n\n Pagina 90.\n\n Pagina 86.\n\n Pagina 159.\n\n Pagina 165-166.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4063","2026-07-13T00:28:35.009Z",{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":43,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":45},"532","ECLI:NL:RBMNE:2026:4065","ecli-nl-rbmne-2026-4065","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16-317532-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1992] in [geboorteplaats] (India),\n\nadres: [adres] , [woonplaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. L.J.B.G. van Kleef (hierna: de advocaat);\n\nde benadeelde partij: [slachtoffer] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partij: mr. M.C. van Megen.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;\n\nfeit 2 primair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen [slachtoffer] heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 primair heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2 primair. De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feit 1 en feit 2 subsidiair.\n\nDe advocaat heeft een aantal opmerkingen gemaakt over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nBewijsmiddelen feit 1 en feit 2 subsidiair\n\nDe rechtbank oordeelt dat feit 1 en feit 2 subsidiair zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nOp 4 oktober 2024 is het slachtoffer naar het adres [adres] in [woonplaats] (de woning van de schoonouders van de verdachte) gegaan met het idee te hebben afgesproken met een meisje, namelijk getuige [getuige] (de schoonzus van de verdachte). Het slachtoffer had berichten ontvangen vanaf haar Instagramaccount, waarin zij hem uitnodigde bij haar thuis te komen. Toen het slachtoffer vervolgens op genoemd adres aankwam, is hij door meerdere personen aangevallen, vastgebonden en mishandeld. Het slachtoffer heeft fysiek letsel overgehouden aan het incident. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij is aangevallen door twee mannen, de vader en de broer (de rechtbank begrijpt: de zwager) van [getuige] . Een vrouw, de zus van [getuige] , heeft hem vastgebonden. [getuige] heeft verklaard dat zij de uitnodigende berichten niet naar het slachtoffer heeft gestuurd.\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe rechtbank vindt de verklaringen van de aangever betrouwbaar. De aangever heeft een verklaring afgelegd bij de politie en deze op een later moment aangevuld. De verklaringen zijn uitgebreid, gedetailleerd en op grote lijnen consistent. Daarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde geweldshandelingen, de daarvoor gebruikte middelen zoals een paraplu en een snoer en het vastbinden van de aangever.\n\nAlternatief scenario verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de zaak vanaf het begin ten onrechte een lading heeft gekregen van eerwraak. Het zou volgens de verdediging zo kunnen zijn dat [getuige] de situatie bewust heeft laten escaleren. Zij zou eerder melding hebben gedaan tegen haar familie van huiselijk geweld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachten niet wisten wie de aangever was en wat hij bij hen in huis kwam doen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. De rechtbank ziet voor dit scenario onvoldoende aanknopingspunten in het dossier en verwijst specifiek naar de verklaring van de aangever waar hij stelt dat hij een bericht van [getuige] heeft ontvangen waarin staat dat hij niet moest reageren op uitnodigingen om naar haar huis te komen, omdat haar vader en zwager hem daarheen wilden lokken. Daarnaast volgt uit het bewijs dat de verdachten wisten dat de aangever een jongen was met wie [getuige] contact had. Zo blijkt uit de verklaring van de overbuurman dat medeverdachte [medeverdachte 1] zei dat er een jongen in zijn huis was die met zijn jongste dochter appte. Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] volgt dat zijn schoonzoon, de verdachte, naar de aangever riep dat hij hem herkende van een filmpje. Ook heeft de overbuurman verklaard dat de verdachte precies wist waar de auto van de aangever geparkeerd stond. Dit is onmogelijk als waar is dat de verdachte in de woning werd verrast door de aanwezigheid van de aangever. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het aangevoerde alternatieve scenario ongeloofwaardig.\n\nWederrechtelijke vrijheidsberoving\n\nDe verdachte en de medeverdachten hebben de aangever wederrechtelijk van de vrijheid beroofd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever, nadat hij naar de woning aan de [adres] is gelokt, in de betreffende woning enige tijd van zijn vrijheid beroofd is geweest.\n\nVerdachte en zijn mededader hebben in de woning geweld tegen de aangever gebruikt, hij is vastgebonden en er is op meerdere momenten dreigend tegen hem gesproken. Doordat aangever op geen enkel moment alleen is gelaten kon hij de woning niet zelf verlaten.\n\nPoging zware mishandeling\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 2 primair (poging tot zware mishandeling). De rechtbank is namelijk van oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte geprobeerd heeft om aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond. Ook blijkt niet dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank heeft hierbij gekeken naar de bewezen geweldshandelingen en het daardoor toegebrachte letsel.\n\nMishandeling\n\nDe verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever (gedurende de wederrechtelijke vrijheidsberoving) meerdere malen met de blote hand en met voorwerpen geslagen, getrapt, aan het haar getrokken en de aangever bij zijn keel gepakt. Daardoor is de aangever onwel geworden, heeft hij pijn gehad en heeft hij letsel opgelopen. De rechtbank merkt dit geweld aan als een mishandeling.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte bij beide strafbare feiten de rol van medepleger had. Medeplegen kan worden bewezen als bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De (materiële en\u002Fof intellectuele) bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet daarbij van voldoende gewicht zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte(n) nauw en bewust hebben samengewerkt. De bijdrage van de verdachte aan de strafbare feiten is van zodanig gewicht, dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte en de medeverdachten hebben samen handelingen verricht om de aangever van zijn vrijheid te beroven. De aangever is naar de woning gelokt en de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever geslagen en getrapt en dreigende woorden geuit, terwijl de medeverdachte [medeverdachte 2] de aangever heeft vastgebonden. Hierdoor was de aangever niet in staat zich vrij te bewegen en uit de woning weg te gaan. De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben de aangever samen mishandeld, door hem te slaan met de blote hand, een paraplu een snoer en een schoen, hem te trappen, aan zijn haren te trekken en hem stevig bij de keel te pakken.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt feit 1 en feit 2 subsidiair van de beschuldiging bewezen. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij zijn\" en \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te zeggen,\n\n- de handen en voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, en\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en zich niet uit de woning kon verwijderen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]\n\n- in het gezicht te slaan en te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels te slaan,\n\n- met een snoer tegen de knieën te slaan,\n\n- met een schoen in het gezicht te slaan,\n\n- tegen het lichaam te trappen en\n\n- stevig bij zijn keel te pakken.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;\n\nfeit 2: medeplegen van mishandeling.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feiten en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Een eventuele gevangenisstraf voegt volgens de verdediging niets toe aan de doelen van het strafrecht. De rechtbank zou kunnen volstaan met een alternatieve sanctie of met een voorwaardelijke straf.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachten het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Tijdens deze vrijheidsberoving hebben zij hem geslagen en gestompt in zijn gezicht en op zijn lichaam, getrapt, aan zijn haren getrokken en geslagen met een paraplu, een snoer en een schoen. Voor het slachtoffer, een jongeman van net 18 jaar die dacht dat hij in de woning een afspraak met een hem bekend meisje zou hebben, is dit een enorm angstige ervaring geweest. Dit blijkt ook wel de slachtofferverklaring en de toelichting op het schadevergoedingsverzoek dat het slachtoffer heeft ingediend.\n\nMet hun handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachten fors inbreuk gemaakt op de vrijheid en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte en zijn medeverdachten zijn volledig voorbijgegaan aan de gevolgen voor het slachtoffer, die hij tot de dag van vandaag ervaart. Hoewel het slachtoffer van het lichamelijk letsel is hersteld, ondervindt hij nog dagelijks de psychische gevolgen van wat hem is overkomen. Het slachtoffer was volop bezig om zijn toekomst op te bouwen, maar heeft door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten dit toekomstbeeld moeten bijstellen. De rechtbank neemt verdachte kwalijk dat hij weinig verantwoordelijkheid neemt voor wat hij het slachtoffer heeft aangedaan.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 11 november 2025 met betrekking tot de verdachte. De reclassering concludeert dat de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden niet kunnen worden ingeschat, omdat niet duidelijk is geworden wat ten grondslag heeft gelegen aan het gewelddadige gedrag van de verdachte. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden en merkt op dat een eventuele detentie gevolgen zou hebben voor het privéleven van de verdachte. De verdachte is in staat om een werkstraf uit te voeren en een geldboete te betalen. Concrete signalen die wijzen op de noodzaak van een contact- en\u002Fof locatieverbod ziet de reclassering niet.\n\nStrafkader\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen variëren van taakstraffen tot gevangenisstraffen van korte en langere duur, en zijn voor een groot deel afhankelijk van de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd.\n\nDe rechtbank vindt dat bij de strafbare feiten waar het in deze zaak om gaat, rekening houdend met de aard en ernst daarvan zoals hiervoor omschreven, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden past. Dat is dan ook de straf die de rechtbank aan de verdachte oplegt. Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een taakstraf.\n\nTenuitvoerlegging van de straf\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank ziet niet langer aanleiding de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Om die reden zal het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.708,41 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd is en geheel kan worden toegewezen.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijzen van aankoop van de kledingstukken bij de vordering zijn gevoegd. De verdediging stelt zich om die reden op het standpunt dat niet kan worden nagegaan of het daadwerkelijk merkkleding betreft, of dat sprake is van namaak. Daarnaast brengt de verdediging naar voren dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn telefoon heeft teruggekregen. De verdediging vindt het argument dat dit lang duurde, waardoor het slachtoffer een nieuwe telefoon moest kopen, niet houdbaar. De verdediging wijst erop dat er geen bewijs van aankoop van de airpods bij de vordering is gevoegd.\n\nVoor het overige heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank wijst € 3.195,85 aan materiële schade toe voor de weggenomen airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten. De verdediging heeft het wegnemen van de airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten niet betwist. Ten aanzien van de kleding geeft de opmerking van de advocaat over de mogelijkheid dat het gaat om namaakkleding onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De verdediging heeft de feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist.\n\nDe kosten voor een nieuwe telefoon komen niet voor vergoeding in aanmerking. De aangever heeft zijn telefoon teruggekregen en de advocaat betwist dat schade is ontstaan aan de telefoon. Die schade is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat het alsnog nader onderbouwen ervan een onevenredige belasting zou vormen voor het strafproces. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nAls gevolg van de mishandeling heeft [slachtoffer] een hersenschudding en letsel aan zijn hoofd, rug, oren en gezicht opgelopen in de vorm van blauwe plekken en bloeduitstortingen . Ook heeft hij geestelijk letsel opgelopen: hij is na het incident gediagnosticeerd met PTSS.\n\nDe verdediging heeft de immateriële schade niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nGelet op de setting waarin het incident zich heeft afgespeeld, de doodsangsten die het slachtoffer heeft uitgestaan en de gestelde diagnose, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag ook rekening gehouden met de richtbedragen in de Rotterdamse schaal.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte of een ander de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nProceskosten\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 23.195,85, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Als de verdachte niet betaalt, wordt deze verplichting aangevuld met 135 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .\n\nHoofdelijk\n\nOmdat de verdachte de feiten waarvoor de schadevergoeding worden toegekend samen met zijn mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Dit betekent dat de verdachte tegenover [slachtoffer] voor het hele bedrag van € 23.195,85 aansprakelijk is.\n\nVoor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\n7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- artikelen 36f, 47, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\n- verklaart feit 2 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 subsidiair heeft gepleegd, zoals hierboven is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 subsidiair bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 23.195,85, bestaande uit € 3.195,85 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nverklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 135 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;voorlopige hechtenis\n\n- heft op het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. D.S. Terporten-Hop en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nDe oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk\n\n [slachtoffer]\n\nwederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd heeft gehouden,\n\ndoor\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten en\u002Fof\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, in elk geval gedurende enig tijd\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de\n\nwoning kon verwijderen;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen\n\nmisdrijf om\n\naan [slachtoffer]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] ,\n\n- in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- hard aan de haren heeft getrokken,\n\n- tegen het lichaam heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam heeft geschopt en\u002Fof getrapt en\u002Fof\n\n- stevig bij de keel heeft vastgepakt en\u002Fof de keel heeft dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,\n\n- in het gezicht te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof te trappen en\u002Fof\n\n- stevig bij zijn keel te pakken en\u002Fof zijn keel dicht te knijpen.\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n-de verklaring van de verdachte [verdachte] op de zitting van 24 juni 2026, zakelijk weergegeven:\n\nDie jongen heeft wel een paar klappen gehad van mij.\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\n Gisteren (de rechtbank begrijpt: 4 oktober 2024) zag ik zag een worsteling tussen mijn schoonzoon (de rechtbank begrijpt [verdachte] ) en een jongen. Ik heb de veters van de jongen vastgemaakt. Gewoon zijn veters aan elkaar zodat hij niet weg kon rennen.\n\n Mijn schoonzoon heeft zijn handen vastgebonden met een touwtje.\n\n Ik zag dat mijn schoonzoon die jongen aan het slaan was en mijn schoonzoon riep: “Ik heb jou op een filmpje gezien”. Toen snapte ik dus dat die jongen via social media was. Ik heb mijn schoen uitgetrokken en hem ook twee of drie keer geslagen met mijn schoen.\n\n Ik heb op zijn benen, billen geslagen en in zijn gezicht. Mijn zoon zei dat ze een filmpje hadden dat hij iets deed bij een meisje\n\n Ik heb hem met de schoen geslagen en met de paraplu.\n\n Ik heb wel een snoer gepakt.\n\n- een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 reed ik in Almere. Ik had contact met [getuige] via Instagram. [getuige] gaf haar straatnaam op. Toen ben ik naar de straat gereden waar [getuige] zou wonen.\n\nIk liep de [straat] in. Ik las op Instagram dat [getuige] mij een bericht stuurde, dat de voordeur open zou staan. Daarom dacht ik dat ik bij deze woning moest zijn.\n\n Ik liep de woning in. Ik hoorde opeens achter mij een geluid van voetstappen. Ik draaide mij om en er werd direct een hand voor mijn ogen gehouden. Ik voelde dat ik werd vastgepakt om mijn middel. Ik ben op de grond gegooid. Ik zag twee mannen en een vrouw voor me staan. Ik hoorde een man zeggen: “Jij gaat het vandaag niet meer halen”.\n\n Ik zag dat beide mannen mij sloegen. Ik voelde dat één van die mannen mij aan mijn haar trok. Dit zag ik ook. De andere man bleef met vuisten op mijn hoofd slaan.\n\nPersoon 1 noem ik ‘vader’.\n\n Persoon 2 noem ik ‘broer’.\n\n Ik hoorde broer zeggen: “Je weet niet wie wij zijn”. Ik voelde en zag dat broer mij op mijn hoofd trapte. Ik hoorde de broer zeggen: “Ik ga je mond afplakken met Duck tape”.\n\n Ik zag dat de broer mij bij mijn keel vastpakte. Ik voelde een sterke greep om mijn keel heen. Ik kreeg bijna geen adem.\n\n Ik zag vader met een paraplu op mijn beide enkels slaan. Ik zag dat broer mijn haar vastpakte met zijn rechterhand en ik zag dat broer mij met zijn linkerhand sloeg op mijn hoofd.\n\n Ik zag en voelde dat vader en broer mij ook trapten. In mijn gezicht, mijn buik en op mijn rug. Ik zag dat vader zijn hand naar achter bracht met daarin het witte snoer en zag dat vader met kracht met dit snoer op mijn knieën sloeg. Ik zag dat ik met mijn polsen aan elkaar werd vastgebonden met een wit touw. Ik zag dat dit ook gebeurde met mijn enkels. Dit ook met een wit touw. Dit werd gedaan door een vrouw. Ik zag dat vader mij met één hand bij mijn haren vasthield en trok over de vloer van de woonkamer richting de bank. Ik zag dat vader een schoen uittrok. Ik zag dat vader mij met deze schoen hard in mijn gezicht sloeg.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aanvullende informatie van de aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 11 oktober 2024 sprak ik telefonisch met het slachtoffer [slachtoffer] .\n\n Hij vertelde de volgende informatie die voor het onderzoek van belang is:\n\n De zus van [getuige] had in de woning zijn voeten met een verlengsnoer bij elkaar gebonden.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende contact met slachtoffer [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\n Het slachtoffer verklaarde dat hij op 5 oktober 2024 zag dat er op Snapchat een bericht was van [getuige] .\n\n Hierop zag hij een tekst welke hij nog niet eerder had gezien. In de tekst stond dat hij niet naar de woning moest komen omdat de vader en de broer hem naar de woning zouden hebben gelokt.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 zag ik dat de overbuurman (de rechtbank begrijpt de medeverdachte [medeverdachte 1] ) voor de deur stond.\n\n Zijn woning is [adres] . Ik holde met de buurman mee naar de overkant van de straat. Ik hoorde buurman [medeverdachte 2] iets zeggen van “die jongen appt ook steeds met dochter”.\n\n Ik zag dat de jongeman aan handen en voeten gebonden was middels veters en ik zag ook dat de jongeman meerdere verwondingen aan zijn gezicht had. Achter de jongen zag ik een deel van een paraplu liggen.\n\n Buurman [medeverdachte 2] liep op de jongen af en gaf hem een klap vol in zijn gezicht. Buurman [medeverdachte 2] gebruikte hiervoor een schoen.\n\n Ik zag in de keuken nog twee personen staan, die ik herkende als de oudste dochter van buurman [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2] , [1998] ) en zijn echtgenote.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik aan de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag in de woonkamer een jongen op de grond liggen. Deze jongen bleek mij te zijn: [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] divers zichtbaar letsel had.\n\n Verder zag ik in de ruimte op de grond een wit verlengsnoer liggen. Ook lag er een paraplu op de grond.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven:\n\n Op 4 oktober 2024 kwam ik ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag een zwarte autosleutel op tafel liggen. Ik vroeg van wie de sleutel was. Ik\n\nhoorde [slachtoffer] zeggen dat dit zijn autosleutel was. Ik besloot samen met een man naar de auto te lopen. Die man gaf aan dat hij wist waar de auto stond. Deze man bleek later te zijn:\n\n* [verdachte] , geboren op [1992] *\n\nDe sleutel werkte en de auto ging van zijn vergrendeling af.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , zakelijk weergegeven:\n\nNOOT verbalisant: Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de onderstaande berichten niet heeft verstuurd.\n\nChat 202 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 19:59:03 “Wil je komen”\n\nChat 205 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:25:19 “Ja ben alleen”\n\nChat 208 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:27:36 “ [straat] ”\n\nChat 223 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:02:23 “Je kan komen babe”\n\nChat 236 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:07:27 “Kom eventjes binnen”\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 9 oktober 2024, inhoudende de verklaring van de verdachte [verdachte] , zakelijk weergegeven:\n\nVraag: Is die jongen die in het huis was ( [slachtoffer] ) met een soort smoes naar de [adres] in [woonplaats] gekomen?\n\nAntwoord: Ja.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024315295, doorgenummerd pagina 1 tot en met 249. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 27-28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 29.\n\n Pagina 30.\n\n Pagina 101.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 153.\n\n Pagina 122.\n\n Pagina 111.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 86.\n\n Pagina 159.\n\n Pagina 165-166.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4065","2026-07-13T00:28:35.186Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":51,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":30,"updatedAt":53},"679","ECLI:NL:RBMNE:2026:4044","ecli-nl-rbmne-2026-4044","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F277060-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1983] in [geboorteplaats] ,\n\nverblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,\n\nhierna: de verdachte.1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. M.P.M. Balemans (hierna: de advocaat);\n\nde officieren van justitie: mr. F. Leeman en mr. V. van der Horst;\n\nmr. J.R. Mekkes als advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ..\n\n2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:\n\nin de periode van 22 januari 2024 en 19 augustus 2024 in Utrecht, samen met een ander, de kinderen van haar mededader, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Daartoe voert de raadsman aan dat niet is gebleken dat de verdachte strafbare handelingen heeft verricht dan wel daarbij betrokken is geweest. Volgens de verdediging ontbreekt bewijs voor een bewuste en nauwe samenwerking, zodat van medeplegen geen sprake kan zijn. Zelfs indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat een dergelijke samenwerking wel kan worden bewezen, stelt de advocaat dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van het voor medeplegen vereiste dubbele opzet.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nOp 19 augustus 2024 krijgt de politie een melding dat er mogelijk sprake zou zijn van huiselijk geweld in de woning aan de [adres] in [woonplaats] . De buren zouden gegil uit de woning horen komen. De politie gaat ter plaatse naar de woning en treft daar medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en haar twee kinderen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) aan. [slachtoffer 1] is volledig naakt en [slachtoffer 2] loopt in een nat broekje en T-shirt waar een sterke geur van urine vanaf komt. In de woonkamer ligt een grote plas urine. Over de wangen van de kinderen lopen tranen en hun ogen zijn rood.\n\nVervolgens zijn de kinderen verhoord en is er onder meer ook onderzoek gedaan naar de telefoon van [medeverdachte] . Hierin zijn belastende gesprekken en foto’s aangetroffen tussen [medeverdachte] en de verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ).\n\nDe advocaat van de verdachte betwist niet zozeer wat er met de kinderen is gebeurd, maar wel dat [verdachte] strafbare handelingen heeft verricht dan wel daarbij betrokken is geweest. Volgens de verdediging ontbreekt bewijs voor een bewuste en nauwe samenwerking, zodat van medeplegen geen sprake kan zijn.\n\nDe rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\nMedeplegen\n\nDe betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan van dit feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij moet de intellectuele en\u002Fof materiële bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.\n\n [verdachte] en [medeverdachte] kennen elkaar van het schoolplein van de kinderen. Tijdens de zitting vertelden zij dat de kinderen het samen goed konden vinden en het tussen hen ook klikte. Zij kregen steeds meer contact. Rond de scheiding van [medeverdachte] intensiveerde dit contact, omdat [medeverdachte] advies vroeg aan [verdachte] over de opvoeding van de kinderen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 22 januari 2024 met de hulpverlening van [medeverdachte] is afgesproken dat [verdachte] als contactpersoon voor [medeverdachte] zou fungeren. Daarbij is afgesproken dat [medeverdachte] contact met [verdachte] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [verdachte] [medeverdachte] gaat helpen om afspraken na te komen. Vanaf dat moment was [verdachte] nadrukkelijk betrokken bij het gezin van [medeverdachte] .\n\nUit de analyse van de chatberichten blijkt dat [medeverdachte] en [verdachte] in de periode van 2 juli tot en met 18 augustus 2024 meer dan twintigduizend berichten met elkaar hebben uitgewisseld. De tijd tussen opeenvolgende berichten bedroeg soms slechts enkele seconden. De inhoud van deze berichten heeft grotendeels betrekking op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , met name het gedrag van de kinderen, de wijze waarop [medeverdachte] daarop reageert of zou moeten reageren. De hoeveelheid chats tonen aan dat er sprake was van zeer intensief contact over de opvoeding en behandeling van de kinderen. [medeverdachte] hield [verdachte] dagelijks, vanaf de vroege ochtend tot de late avond, op de hoogte van het gedrag van de kinderen en haar eigen handelen. Naast het chatten blijkt ook dat de verdachten vaak met elkaar gingen (beeld)bellen en dat [medeverdachte] regelmatig foto’s stuurde van haar kinderen naar [verdachte] .\n\nNaar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, onder meer de chats tussen de verdachten en de verklaring van [medeverdachte] , dat [verdachte] een sturende en bepalende rol had bij de beslissingen die [medeverdachte] ten aanzien van haar kinderen nam. Zo stuurt [verdachte] onder meer: ‘niks doms lopen doen nu ik niet aan de lijn ben’.Ook zegt [verdachte] ‘Geef hem niet zulke antwoorden. En zeggen bek houden anders geef ik nergens antwoord meer op tot ik jou antwoord heb. Nog uit leggen ook. Ben je gek. Niks uitleggen.’Vervolgens bedrukt [verdachte] dat [medeverdachte] het weer niet goed doet‘ja weer die fout’.\n\nUit de chats blijkt ook dat ze onderling afspraken hebben. In dat kader schrijft [medeverdachte] in een chatbericht aan [verdachte] op 1 augustus ‘wrm zou k het doen als k juist wil bewijzen dat k me aan de dingen hou die we hebben afgesproken samen’.Dit wordt ook ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte] .\n\nOok blijkt uit de analyse van de enorme hoeveelheid chatberichten dat de instructies van [verdachte] in belangrijke mate richtinggevend waren voor hetgeen zich binnen het gezin afspeelde. [medeverdachte] spreekt [verdachte] in de chats nauwelijks tegen en lijkt haar aanwijzingen en opdrachten zonder weerstand op te volgen. De communicatie laat ook zien dat [verdachte] dominant was in het contact tussen hen. Enkele voorbeelden waaruit dit onder meer volgt, zijn de berichten van [verdachte] op 29 juli 2024 ‘ja en hij moet nee laat hem nu zitten nu’ en ‘ja maar hoor je ook niet zeggen zitten mongool’.Ook schrijf [verdachte] op 14 juli 2024 ‘wakker houden slaan anders’.\n\nTegelijkertijd merkt de rechtbank op dat uit de berichten niet volgt dat [medeverdachte] geen eigen keuzevrijheid meer had ten aanzien van de wijze waarop zij haar kinderen behandelde. Wel lijkt zij zich gemakkelijk te conformeren aan de suggesties en instructies van [verdachte] .\n\nGelet op het voorgaande, in onderling samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, anders dan de verdediging heeft betoogd, een actieve en aansturende rol heeft gehad bij alle ten laste gelegde gedragingen en dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Het feit dat er geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, in die zin dat de verdachte fysiek in de nabijheid van [medeverdachte] was op het moment dat zij de gedragingen uitvoerde, doet daaraan niet af. De intellectuele en aansturende bijdrage van de verdachte ook via het soms langdurig beeldbellen is naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.\n\nDubbel opzet\n\nEr is alleen sprake van medeplegen als wordt vastgesteld dat sprake is geweest van ‘dubbel opzet’. De verdachte moet opzet hebben op de nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] en - al dan niet in voorwaardelijke zin - op de verwezenlijking van het gronddelict, in dit geval de kindermishandeling.\n\nDoor te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, namelijk door gedurende een langere periode vrijwel dagelijks intensief met [medeverdachte] te communiceren over wat de kinderen wel of niet mochten, en of zij wel of niet gestraft moesten worden, heeft de verdachte opzet gehad op de nauwe en bewuste samenwerking met van [medeverdachte] . Gelet op de inhoud en strekking van chats tussen de verdachten komt de rechtbank tot het oordeel dat [verdachte] ook (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn aan de kinderen van [medeverdachte] , dan wel op het veroorzaken van hevige onlust veroorzakende lichamelijke en\u002Fof geestelijke gewaarwording of het benadelen van hun gezondheid. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de advocaat.\n\nGedragingen\n\nDe rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun verklaringen hebben beschreven hoe de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden en hoe de situatie waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden, is ontstaan en verlopen. Deze verklaringen vinden over en weer op essentiële punten steun in elkaar en vinden steun in de verklaring die de medeverdachte heeft afgelegd. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn ook voldoende gedetailleerd en er worden concrete situaties beschreven die steun vinden in andere bewijsmiddelen, te weten de chatberichten tussen de verdachte en de medeverdachte en getuigenverklaringen. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen en zal deze dan ook in haar geheel voor het bewijs gebruiken, ook voor zover deze betrekking heeft op de door de verdachte(n) ontkende gedragingen. Bovendien is niet vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring afzonderlijk door twee bewijsmiddelen wordt gedragen.\n\nOordeel\n\nDe rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] , de kinderen van de medeverdachte, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gedurende een periode van ongeveer 8 maanden stelselmatig heeft mishandeld.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat er sprake was van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Zo werden de kinderen verplicht om voor alle alledaagse handelingen (waaronder naar de wc gaan, douchen of eten en drinken) vooraf toestemming te vragen. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand en [slachtoffer 1] eenmaal ook geslagen is met een koekenpan. [slachtoffer 1] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Daarnaast werden de kinderen gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd de toegang tot de wc en\u002Fof douche onthouden. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de chatberichten dat de kinderen ’s nachts niet naar het toilet mogen. Om dit te controleren legt de verdachte elke avond wc-papier in de wc, maakt hier een foto van en stuurt deze naar medeverdachte [verdachte] . De volgende ochtend maakt de verdachte nieuwe foto's en stuurt deze ook weer naar medeverdachte [verdachte] . Daarna vergelijken de verdachten beide foto’s om te controleren of de wc inderdaad niet is gebruikt. Als ze dan op een andere plek hadden geplast of gepoept moesten de kinderen in hun eigen ontlasting en urine zitten en in vervuilde kleding rondlopen. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine ook opruimen en [slachtoffer 1] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken werd onthouden en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nPartiële vrijspraak\n\nSlaan met de vuist van [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2]\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachten [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] met de vuist heeft geslagen. Het dossier bevat daarvoor geen aanknopingspunten. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte gedeeltelijk vrij zal spreken.\n\nGedragingen ten aanzien [slachtoffer 2]\n\nDe rechtbank zal de verdachte ook vrij spreken ten aanzien van [slachtoffer 2] van het schoppen, aan de handen\u002Farmen meeslepen en\u002Fof armen (ver)draaien, door haar eigen urine heen trekken, beplakken van de mond met ducttape en\u002Fof daarmee te bedreigen en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. [slachtoffer 2] zelf verklaart hier niets over en het blijkt ook niet uit enige andere verklaring in het dossier.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nin of omstreeks de periode tussen 22 januari 2024 en 19 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, het kind van haar mededader, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] ,\n\nstelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1]\n\n- met een koekenpan en met vlakke hand te slaan en\n\n- te schoppen en\n\n- aan zijn handen\u002Farmen mee te slepen en zijn armen te (ver)draaien en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in zijn\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof hem (gedurende geruime tijd) in zijn door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- zijn eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door zijn eigen urine\n\nheen te trekken en\n\n- met grijze ducttape zijn mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in zijn slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (zijn pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken en\n\n- hem te onthouden van schoolgang;\n\nen\n\nhet kind van haar mededader, [slachtoffer 2] , geboren op [2017]\n\nstelselmatig\n\nheeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2]\n\n- met vlakke hand te slaan en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in haar\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof haar (gedurende geruime tijd) in haar door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- haar eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in haar slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (haar pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nMedeplegen van mishandeling, stelselmatig begaan tegen een minderjarige, meermalen gepleegd.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf en maatregel\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het hierna te noemen reclasseringsrapport van 9 juni 2026. Daarbij gaat het, zakelijk weergegeven, om een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, ambulante begeleiding en een contactverbod met de slachtoffers en de medeverdachte. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).\n\nDe officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank, indien zij tot een bewezenverklaring komt, te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf. Indien de rechtbank daartoe aanleiding ziet, kan deze worden aangevuld met een voorwaardelijke straf waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.\n\nTer onderbouwing van dit verzoek wijst de advocaat op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze onder meer blijken uit de over haar opgemaakte rapportages. Daarnaast wijst de advocaat op de rol van de verdachte binnen de ten laste gelegde feiten. Een aanzienlijk deel van de in de tenlastelegging omschreven gedragingen heeft volgens de advocaat buiten medeweten en zonder betrokkenheid van de verdachte plaatsgevonden.\n\nHoewel uit de chatberichten blijkt dat de verdachte zich op momenten heftig heeft uitgelaten, moet dit volgens de advocaat worden gezien in het licht van het voortdurende spervuur aan berichten van [medeverdachte] , waardoor de verdachte haar geduld verloor. De verdachte had niet de bedoeling om de baas te zijn, maar vroeg zich af waarom de medeverdachte haar om hulp vroeg, terwijl zij zich vervolgens niet hield aan verdachtes goedbedoelde adviezen. Volgens de advocaat is de verdachte in een toxische relatie terechtgekomen.\n\nTot slot merkt de advocaat op dat het contactverbod zal worden nageleefd.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachte gedurende ongeveer 8 maanden stelselmatig de kinderen van de medeverdachte mishandeld.\n\nDe mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] had zowel een fysieke als een geestelijke component. Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden, waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Hierbij keerden twee volwassenen, waaronder hun moeder van wiens zorg de minderjarige [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volledig afhankelijk waren, zich tegen twee jonge kinderen. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waren aan het begin van de bewezenverklaarde periode slechts 6 en 9 jaar oud. Beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand, eenmaal werd [slachtoffer 1] ook geslagen met een koekenpan. [slachtoffer 1] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Zij werden gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd verboden om naar de wc te gaan waarna zij in hun eigen ontlasting en urine moesten zitten of in vervuilden kleding moesten blijven. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Ook werd de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken onthouden, mochten zij niet douchen en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nHoewel de medeverdachte weliswaar de feitelijke handelingen uitvoerde en zij degene was die de kinderen sloeg of niet naar de wc liet gaan, blijkt uit de bewijsmiddelen dat alles in samenspraak ging. Dag in dag uit werd alles aangaande de kinderen door de medeverdachte en [verdachte] besproken, per chat maar ook via FaceTime. De rechtbank acht de rollen van de verdachten bij het plegen van deze schokkende feiten daarom gelijkwaardig en net zo kwalijk.\n\nDe verdachten hebben gedurende lange tijd de lichamelijke en de psychische integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ernstig geschonden. De gebeurtenissen vonden thuis plaats, terwijl de kinderen zich juist daar, in het bijzijn van hun moeder, veilig en geboren hadden moeten voelen. In plaats van aandacht, verzorging en bescherming waar zij als jonge kinderen recht op hadden, zijn zij geconfronteerd met een voortdurend escalerend patroon van controle, angst en geweld. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.\n\nDe gevolgen van kindermishandeling kunnen langdurig en ernstig zijn. Uit de slachtofferverklaring van de tante (pleegouder) en vader van de kinderen, blijkt dat de angst die de kinderen hebben ontwikkeld als gevolg van de mishandelingen nog ieder dag aanwezig is en invloed heeft op hun gedrag, hun zelfbeeld en hun gevoel van veiligheid. [slachtoffer 1] is voortdurend bang om iets verkeerd te doen, legt de lat voor zichzelf onmenselijk hoog en heeft weinig zelfvertrouwen. Hij heeft geleerd dat liefde, aandacht en zorg afhankelijk zijn van goed gedrag, terwijl een kind zou moeten weten dat hij ook wanneer hij fouten maakt nog steeds veilig is en geaccepteerd wordt. Ook bij [slachtoffer 2] is zichtbaar hoe diep de angst geworteld zit. Wanneer zij gespannen raakt, verstijft zij letterlijk. De kinderen vragen hun tante (pleegouder) nog vaak of ze naar de wc mogen en of ze het eten, dat zij voor hen maakte, mogen opeten. Nu het vertrouwen van de kinderen in een van de belangrijkste volwassenen in hun leven (hun moeder) beschadigd is geraakt, heeft dat invloed op hoe zij naar andere mensen kijken. Zij verwachten vaak eerder iets negatiefs dan iets positiefs van anderen. Hun eerste reactie is vaak gebaseerd op zelfbescherming in plaats van vertrouwen. Naast de emotionele gevolgen, hebben de kinderen ook ieder dag veel zorg, begeleiding en structuur nodig. Uit de stukken is bovendien gebleken dat de kinderen door de mishandelingen ernstige psychische schade hebben opgelopen en bij hen beide is PTSS vastgesteld. De kinderen volgen hiervoor wekelijks traumabehandeling en hoe dit zich verder zal ontwikkelen moet nog blijken.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nWat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 18 mei 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Het strafblad van verdachte weegt dus niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank gelet op het Pro-Justitia-rapport met daarin het onderzoek van 5 februari 2025, opgesteld door klinisch psycholoog M.G.H. van Willigenburg. Uit het rapport blijkt het volgende. De rapporteur stelt vast dat bij de verdachte sprake is van een gecombineerd beeld van een licht verstandelijke beperking en een traumagerelateerde stoornis. Haar vermogen om gesproken en geschreven taal te begrijpen en zich daarin uit te drukken is verminderd. Inlevingsvermogen is zwak, gedrag van anderen kan ze niet goed inschatten door zwakke empathische vaardigheden. Relativeringsvermogen ontbreekt en ze raakt erg makkelijk overbelast als er dingen gebeuren die buiten haar normale structuur vallen. Bij oplopende stress is ze vermijdend, meer wantrouwend, meer prikkelbaar en mogelijk meer bot. Het vermogen tot signaleren van problemen bij haarzelf is zwak, haar zorgen delen en hulp vragen doet ze niet adequaat. Abstract redeneervermogen is zwak. Ze heeft geen goed overzicht van de gevolgen die haar eigen gedrag op anderen kan hebben en neigt tot concreet denken, zoals zaken letterlijk nemen. Gezien de onafgebroken aanwezigheid van de verstandelijke beperking en de psychische problematiek, acht rapporteur het onwaarschijnlijk dat de verdachte haar gedragingen in vrijheid heeft kunnen afwegen en wordt geadviseerd haar de ten laste gelegde feiten bij bewezenverklaring in verminderde mate toe te rekenen.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van deze deskundige ten aanzien van de toerekenvatbaarheid over en maakt die tot de hare. De rechtbank concludeert dat het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.\n\nDe rapporteur adviseert outreachende lvb-gespecialiseerde hulpverlening in de thuissituatie, die bijdraagt aan structuur, stabiliteit, rust, regelmaat en ondersteuning kan geven op de verschillende levensgebieden. De hulpverlening rondom de verdachte kan het beste gecoördineerd worden door een regiebehandelaar (bij voorkeur een psychotherapeut of klinisch psycholoog) die kennis heeft van lvb-problematiek en traumaproblematiek en ook enige forensische expertise heeft. Verder acht de rapporteur van belang de opvoedkundige vaardigheden van de verdachte te monitoren. Gezien haar functieniveau zou opschalen naar woonbegeleiding en\u002Fof op termijn beschermd\u002Fbegeleid wonen een geschikte route kunnen zijn. Het interventieadvies kan worden uitgevoerd door de polikliniek [naam] , onderdeel van [instelling] , waar de verdachte nu ook in behandeling is. De beschreven behandeling kan worden voortgezet (en geïntensiveerd) in het kader van een bijzondere voorwaarde met een verplicht toezicht door de reclassering, bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 9 juni 2026, opgesteld door reclasseringswerker [A] . De reclassering heeft, doordat de verdachte zich de vermeende feiten niet kan herinneren, beperkt relatie kunnen leggen tussen het ten laste gelegde en de leefgebieden. De reclassering ziet een directe relatie tussen de vermeende feiten en het sociale netwerk van de verdachte. Volgens de reclassering zou de verdachte baat hebben bij een outreachende LVB-gespecialiseerde hulpverlening in de thuissituatie die bijdraagt aan rust, structuur, stabiliteit, regelmaat en ondersteuning op verschillende leefgebieden. Daarnaast wordt behandeling door of met een regiebehandelaar noodzakelijk geacht. De eerder ingezette zorg in de vorm van het Buurtteam en Spoor 030 hebben niet bijgedragen aan het voorkomen of stoppen van de vermeende feiten.\n\nDe reclassering adviseert bij een veroordeling om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht;\n\nAmbulante behandeling;\n\nContactverbod de slachtoffers en de medeverdachte in de zaak;\n\nAmbulante begeleiding.\n\nStrafkader\n\nVanwege de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers die de verdachte heeft gemaakt, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige manier om de strafwaardigheid van haar gedrag tot uitdrukking te brengen, zowel richting de verdachte, haar slachtoffers als de maatschappij.\n\nNaast vergelding is een belangrijk doel van het opleggen van straf ook het voorkomen dat een verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan het plegen van dit soort feiten. Gelet daarop legt de rechtbank de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, waaronder passende hulpverlening, waar de verdachte naar verwachting veel baat bij zou hebben.\n\nConclusie\n\nAlles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het\n\nbewezenverklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk. De proeftijd bij de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt vastgesteld op drie jaren, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich meldt bij de reclassering, meewerkt aan ambulante behandeling, meewerkt aan ambulante begeleiding en zich houdt aan een contactverbod met de slachtoffers in deze zaak.\n\nDadelijk uitvoerbaar\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er, zonder een beschermend kader, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden en het daarop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\n38v-maatregel\n\nDe rechtbank zal ook een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met de medeverdachte [medeverdachte] . Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen, met een maximum van 6 maanden.\n\nDe rechtbank oordeelt het noodzakelijk dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Uit het reclasseringsadvies volgt dat het contact met de medeverdachte delictgerelateerd is en een risicofactor is voor de kans op recidive. Gelet hierop is de rechtbank is van oordeel dat ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen wanneer zij weer in contact zal komen met de medeverdachte. Daarom zal zij bevelen dat het contactverbod dadelijk uitvoerbaar is.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. Vordering van de benadeelde partijen\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nNamens [slachtoffer 1] heeft zijn vader [benadeelde] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 29.815,72 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 17.315,72 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReeds gemaakte kosten bijles: € 1.764,16;\n\nToekomstige kosten bijles: € 5.400,-;\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.059,30;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nBasisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\nOpslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nNamens [slachtoffer 2] heeft haar vader [benadeelde] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 22.882,34 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 10.382,34 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.290,08;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\n Basisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\n Opslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van beide benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert zij hoofdelijkheid en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert geen verweer tegen de gevorderde reiskosten en parkeerkosten voor de traumabehandeling.\n\nTen aanzien van de gevorderde bijleskosten stelt de advocaat zich primair op het standpunt dat deze kosten moeten worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat deze noodzakelijk waren. Subsidiair verzoekt de advocaat de benadeelde partijen ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk te verklaren.\n\nMet betrekking tot de post ‘verplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante’ stelt de advocaat zich primair op het standpunt dat deze moet worden afgewezen, omdat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen. Subsidiair verzoekt de advocaat de benadeelde partij ook op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren, nu de behandeling van deze post een onevenredige belasting is van het strafproces en de kosten worden betwist.\n\nTen aanzien van de immateriële schade stelt de advocaat zich op het standpunt dat, indien en voor zover tot toewijzing wordt overgegaan, maximaal een bedrag van € 3.000,- aan de verdachte kan worden toegerekend gelet op haar ondergeschikte rol. Dit bedrag kan eventueel in mindering worden gebracht op het aan de medeverdachte toe te rekenen bedrag.\n\n6.4.. Oordeel van de rechtbank\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.059,30) daarom toe.\n\nReeds gemaakte kosten bijles;\n\nToekomstige kosten bijles;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de kosten van de bijles en de verplaatste schade niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 1.764,16 + € 5.400 + € 9.092,26 = €16.256,42) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald, zoals gevorderd.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.559,30 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 92 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk), ongeacht hun rol. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.290,08) daarom toe.\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de verplaatste schade, niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 9.092,26) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026 omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Het is gebruikelijk om voor schade die is ontstaan over een langere periode de wettelijke rente in te laten gaan halverwege de periode en dat is in dit geval 6 mei 2024.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.790,08 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 93 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jarenvast;\n\n- stelt als algemene voorwaardendat de verdachte:\n\n zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat de verdachte:\n\n Meldplicht Reclassering\n\nDe verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;\n\n Ambulante behandeling\n\nDe verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel als mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op opmaak delict-analyse, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, en andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n Contactverbod\n\nDe verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze, direct of indirect, contact met de slachtoffers [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en [slachtoffer 2] , geboren op [2017] , zolang het Openbaar Ministerie dat nodig acht;\n\n Ambulante begeleiding\n\nDe verdachte laat zich gedurende de proeftijd begeleiden door het Forensisch Fact team of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering ambulante begeleiding nodig vindt. De begeleiding start zo snel als mogelijk. Huisbezoeken zijn onderdeel van de begeleiding;\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\n38v-maatregel\n\nlegt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaar;\n\nbeveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [medeverdachte] , geboren op [1989] ;\n\nbeveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaaris;\n\nbeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum vanzes maanden;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.559,30, bestaande uit € 1.059,30 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van tot 18 juni 2026 de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 13.559,30 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\n- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld bij niet betaling aan te vullen met 92 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\n- wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.790,08, bestaande uit € 1.290,08 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\n- veroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 13.790,08 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nals de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 93 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. S.E. van den Brink en mr. M.J. Westerink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij in of omstreeks de periode tussen 22 januari 2024 en 19 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, de kinderen van haar mededader, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] - met een koekenpan en\u002Fof met vlakke hand en\u002Fof vuisten te slaan (zie o.a. p. 228, 239, 965) en\u002Fof - te schoppen (zie o.a. p. 240) en\u002Fof - aan hun handen\u002Farmen mee te slepen en\u002Fof hun armen te (ver)draaien (zie o.a. p. 239) en\u002Fof - (gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond te laten lopen (zie o.a. p. 229, 498, toonmap p.1-19) en\u002Fof - gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en\u002Fof (vervolgens) in hun eigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap te laten zitten en\u002Fof hen (gedurende geruime tijd) in hun door ontlasting en\u002Fof urine vervuilde kleding te laten verblijven (zie o.a. p. 229, 494) en\u002Fof - hun eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door hun eigen urine heen te trekken (zie o.a. p. 496, 514, toonmap p. 1-3, 15-16) en\u002Fof - met grijze ducttape hun mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen (zie o.a. p. 47, 142, 922) en\u002Fof - gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden (zie o.a. p. 500, 507) en\u002Fof - gedurende geruime tijd in hun slaapkamer op te sluiten (zie o.a. p. 501, 982) en\u002Fof - als straf onder een koude douche te zetten (zie o.a. p. 239, 509) en\u002Fof - te kleineren en\u002Fof (hun pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te spreken (zie o.a. p. 228, 500) en\u002Fof - hun te onthouden van schoolgang (zie o.a. p. 44, 172);\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\nDe verklaring van de verdachte op de zitting van 23 juni 2026:\n\nHet klopt dat er intensief contact tussen ons beide (de rechtbank begrijpt: de verdachte en [medeverdachte]) is geweest. Er was veel chatverkeer. Zij vroeg veel over de kinderen en over de opvoeding. Wij hebben via face time gebeld. Ik heb wel gescholden omdat ik boos was. Ze deed dingen anders dan we hadden besproken.\n\nEen proces-verbaal samenvatting van verhoor verdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nToen hebben [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) en ik samen regels bedacht van hoe ik met de kinderen om moest gaan, want ik wist het zelf niet meer. Het begon minder extreem, maar de laatste paar weken (voor de aanhouding) was het wel op het hoogtepunt. Eerst kon er meer qua eten, plassen. Maar de laatste paar weken was het extreem geworden. Dus bijvoorbeeld zoals maandag (de rechtbank begrijpt: maandag 19 augustus 2024), dat ze een tijdje in de plas zitten.\n\nDe regels waren bijvoorbeeld: - De kinderen moesten op de grond zitten; - Ze mochten alleen twee boterhammen s ochtends, 2 s middags en avondeten. Alleen wat nodig was. Als straf kregen ze geen tussendoortjes; - Ze mochten alleen plassen en poepen als het gesprek klaar was (bijvoorbeeld, gesprek over school, over familie of over het misbruik); - Ze moesten alles vragen (of ze mochten plassen, poepen, eten, drinken, schoonmaken van plas en poep); - De kinderen moesten dit aan mij vragen, en ik moest het dan vervolgens aan [verdachte] vragen en [verdachte] gaf dan toestemming (ja of nee of even wachten); - Ik moest alles overleggen met [verdachte] en overal toestemming voor vragen.\n\nEen proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nV: Als jullie dan gingen beeldbellen, want dat gebeurde wel eens, hoe ging dat dan? Want soms typte je ook wat tegelijkertijd. A: Ja, dan hoorde ze het niet. V: Wie? A: [verdachte] . Ja. Dus dan moest ik het ook typen, zeg maar. V: En wat hoorde ze dan niet? A: Wat de kinderen zeiden.\n\nV: En zij jou dan opdrachten gaf, wat je moest doen. En wat voor opdrachten hebben we het dan over? A: Hoe ik mijn kinderen aan moest pakken.\n\nV: En wat voor, hoe moest je dat doen? A: Slaan. Ze heb ook weleens gezegd, geef ze een tik. V: Geef ze een tik. En deed je dat dan ook? A: Ja.\n\nA: Ik moest ook overleggen, als de kinderen iets vroegen, moest ik het naar haar typen. A: En dan bepaalde zij of het mocht ja of nee. V: En waar hebben we het dan over? A: Ze vroegen altijd of ze mochten plassen, eten en drinken. V: En wat was [verdachte] 's rol dan? A: Toestemming geven daarvoor.\n\nV: Jullie hebben dan beeldbellen en typen tegelijk. Hoelang was dat op een dag? A: Van ochtends vroeg tot avonds laat.\n\nV: Waarom mocht hij niet naar de wc ‘s nachts? A: Omdat hij straf had. Volgens haar. V: Er waren nachten dat hij niet naar de wc mocht. En was dat voor [slachtoffer 1] of ook voor [slachtoffer 2] ? A: Allebei. V: En hoe vaak gebeurde het dat ze ‘s nachts niet mochten plassen? A: De laatste tijd heel vaak.\n\nV: De kinderen mochten s ‘nachts niet plassen, omdat ze dan straf hadden. En wij hebben ook gevraagd, ja, maar wat als de kinderen dan moesten plassen of poepen? Wat dan? A: Dan deden ze het gewoon in bed. V: En wat gebeurde er dan? A: En moesten we het de volgende ochtend opruimen van haar.\n\nV: Schold jij je kinderen uit? A: Niet in hun gezicht. Niet altijd.​​​​​​​ V: En niet altijd zeg je? A: Nee, ik werd wel eens opgedragen om dingen te zeggen.\n\nV: Waar moest ze zich uitkleden en naakt zitten? A: Oh, eh op de grond, thuis. V: En waarom moesten ze dat? A: Omdat ze straf hadden.\n\nV: En hoe zat dat met wassen en douchen? Hoe vaak deden de kinderen dat bij jou?\n\nV: Nee, maar wat is dat ongeveer? A: Nou, bijna niet. A: De laatste tijd niet vaak. Ik denk misschien één keer in de week. Als ze geluk hadden. Als het mocht.\n\nV: Want heb jij [slachtoffer 1] wel eens opgesloten in huis? A: Ja.\n\nO: De leerkracht heeft gezien dat [slachtoffer 1] eten uit de tassen pakte.\n\nA: Ja.\n\nV: Van andere kinderen. Nou, dat weet je, ja. Er waren zelfs kinderen die hadden gezegd dat ze een extra boterham hadden voor als [slachtoffer 1] honger had.\n\nV: En toen dat aan het licht kwam, werd [slachtoffer 1] van de 33 dagen, 18 dagen, thuisgehouden. Dat was van maart tot begin mei. En jij zou gezegd hebben tegen de directeur dat [slachtoffer 1] steeds voedselvergiftiging had, omdat hij uit andere tassen at. Daarom zou hij niet op school zijn. Wat kan je daarop zeggen? A: Ook. Maar dat was ook haar idee. V: Wat was haar idee? A: Om hem te straffen, zodat... Wacht even. Om hem thuis te houden en om hem zo te straffen.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp 19 augustus 2024 hoorde ik dat de centralist van het Operationeel Centrum vroeg of wij wilden gaan te [adres] in [woonplaats] . Op dit adres zou mogelijk sprake zijn van huiselijk geweld.\n\nIk zag een dame in de deuropening staan, welke uit onze politiesystemen bleek te zijn: [medeverdachte] .\n\nIk zag dat de jongen volledig naakt was. Ik zag dat de jongen met zijn rug tegen de muur aanzat, met zijn hoofd tussen zijn knieën in. Ik zag dat het meisje op de eerste trede van de trap zat. Ik zag dat het meisje met opgetrokken knieën zat en met haar hoofd tussen haar knieën. Ik zag dat de tranen over de wangen van de kinderen liepen en dat hun oogjes rood waren.\n\nUit onze politiesystemen bleken de kinderen te zijn: [slachtoffer 1]\n\nGeboren [2014] te [geboorteplaats] [slachtoffer 2]\n\nGeboren op [2017] .\n\nToen ik de woonkamer inliep zag ik aan de rechterzijde een grote plas urine liggen. Toen de kinderen voor mij uitliepen zag ik dat het meisje een nat broekje en T-shirt had. Toen ik plaats nam naast haar op de bank, rook ik dat er een sterke geur urine van deze kleding afkwam.\n\nIk zag dat er op de salontafel een rol grijze ducttape lag. Toen ik aan [slachtoffer 1] vroeg waarom de tape daar lag, hoorde ik hem zeggen dat als ze straf hebben, dat mama dan hun monden met tape afplakt. Ik hoorde [slachtoffer 1] zeggen: \"Kijk daar hangt nog een stuk losse tape, die mama vanochtend bij mij gebruikt heeft\". Ik zag dat er een losse strip tape aan de salontafel hing.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:A: Omdat mijn moeder zei tegen mij dat ik mijn mond moest houden en dat deed ik niet. Toen pakte mijn moeder plakband om mijn mond dicht te doen. Daarna ging mijn moeder zo draaien en slaan en mij meeslepen. A: En als we thuis zijn mogen we niet eten van onze moeder niet water drinken, niet plassen. Toen ik zondag thuis kwam moest ik in mijn nakie zitten van mijn moeder Omdat ik had geplast op de grond omdat ik niet mocht plassen.\n\nV: En als we het nu hebben over dat arm draaien en dat slaan he. Is dat ene keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\n A: Ze deed vroeger dat ze boos was. Of we een grote mond had of niet luisteren deed ze wel eens koekenpan of douche, koude douche. V: En wat deed ze dan? A: Op mijn hoofd slaan. A: En de koude douche daar moest ik dan 20 seconden onder. V: En je zei aan het begin dat was vroeger. A: Ja.V: En wat is vroeger dan? A: Best wel een jaar geleden. V: En hoe oud was je dan toen dat gebeurde? A: 9. V: Dus dat was vorig jaar toen dat gebeurde met de koekenpan. En is dat een keer gebeurd met de koekenpan of vaker? A: Een keer. Maar de douche wel heel vaak. V: En je zei helemaal aan het begin dat ze plakband pakte. Wat deed ze dan met het plakband? A: Zo helemaal over mijn mond heen plakken. Zo tapen. A: Ze pakte het vast klaar. Ze deed vast 3 van die stukjes tape die pakte ze dan op tafel voor als ik zou gaan praten. V: Is het weleens gebeurd dat ze het wel op je heeft geplakt? A: Ja. V: En is dat een keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\nV: En vertel me eens alles over dat slaan. Hoe ging dat? A: Dat doet ze dan op mijn hoofd. Of dat doet ze dan hier. Maar ze doet ook soms weleens schoppen. V: Schoppen? A: Ja. Hierop of hierop of op mijn rug. V: En wat voel je dan? A: Pijn alleen. V: En hoe ze dat slaat dan? A: Zo. V: Met haar hand. A: Ja.V: En als ze je schopt. Waar doet ze dat dan mee? A: Met d'r voet.\n\nV: Vertel me eens alles over het arm draaien. A: Dan doet ze zo en mijn arm dan zo en dan zo. V: Wat voel je dan? A: Dan doet het heel erg pijn.\n\nV: En toen vertelde je ook nog over het meeslepen? Wat bedoel je daarmee, meeslepen? A: Dat ze me dan vastpakt en meeneemt. V: En meeslepen he, wat heet ze dan vast bij jou? A: Mijn hand. V: Je hand. En waar sleept ze je dan heen? A: Euh of naar de keuken of naar de badkamer.\n\nV: En je vertelde ik moest huilen. Hoe reageert je moeder dan als je moet huilen? A: Dan zegt ze dat we onze bek moeten houden.\n\nV: En dan vertelde je ook nog dat als je thuis bent dat je dan geen eten krijgt of geen water mag drinken. Vertel me daar dan eens alles over? A: En niet plassen. V: Vertel daar eens over? A: En dan vragen we het aan onze moeder en dan mag het niet en dan doen we het gewoon plassen op de grond. V: En is dat een keer gebeurd of vaker. A: Heel vaak. Bijna elke dag.V: Bijna elke dag. En wat gebeurt er dan elke dag? A: Op de grond plassen. En soms ook bijna elke dag niet eten krijgen. Of geen water drinken. Water drinken en plassen mag niet elke dag. Maar eten mag wel soms. Niet elke dag. A: We moeten eigenlijk om alles vragen. Ook of we naar beneden mogen. Dat duurt ook soms best wel lang voordat ze de deur opendoet.\n\nV: En vertel eens over welke deur heb je het dan? A: Mijn slaapkamerdeur.\n\nV: En die week daarvoor, dus dat is twee weken terug was je dan de hele week bij je moeder? A: Ja, dan kregen we geen eten. V: En kreeg je dan de hele week geen eten of een paar dagen niet of anders? A: Hele week geen eten. V: En drinken? A: Ook niet. V: Geen water ook niet? A: Nee. V: En als je dan moet plassen of moet poepen hoe doe je dat dan? A: Mogen we ook niet. V: En hoe gaat dat dan, want het mag niet maar op een gegeven moment moet je toch? A: Dan doen we het op de grond. V: En wat gebeurt er dan als je het op de grond doet? A: Dan moeten we het schoonmaken. V: En hoe doe je dat schoonmaken dan? A; Met een emmer en een soort van schoonmaakmiddel. En dan heet water erin met en doekje. V: En hoe zit dat bij je zusje dan? A: Ook. V: Kun je daar iets over vertellen? Want als je zusje dan heeft geplast, wat gebeurt er dan daarna? A: Dan moet ze het ook schoonmaken. V: En hoe zit het dan met poep? A: Poepen doet ze dan ook soms op de grond.\n\n V: Want je vertelde ook over dat je in je nakie moest zitten omdat je had geplast. A: In mijn kleren eerst en daarna moest ik mij uitkleden en daarna moest ik zo naar bed. V: Moest je zo naar bed, in je nakie? A: Ja. V: Ja. En moet je zus ook weleens in haar nakie als zij heeft geplast? A: Eén (1) keer.\n\n V: En hoelang is dit al zo? A: Sinds mijn vader, uh, gescheiden is. Is in 2023. Dat is eigenlijk al een jaar.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:V: Vertel mij eens [slachtoffer 2] wat er precies allemaal gebeurd is toen mama(de rechtbank begrijpt: de medeverdachte)jullie ging slaan? A: Uh mama heb mij geslagen, en we plasten op de grond omdat we niet naar de wc mogen, en als we vragen mama mogen we naar de wc of plassen of water drinken, dan mogen we niks en moeten we alleen maar door blijven vragen, en dan onze moeder ik heb jullie nu toch genoeg gewaarschuwd, en daarna zegt onze moeder uh dat we, alleen maar dat uh soort van onze mond moeten houden en dat we niks mogen zeggen en daarom plassen we op de grond. V: En verder? A: En als we vragen mama mogen we aankleden, dan mogen we ook niet aankleden of iets.V: En nou vertelde jij mij van mama dat ze je heeft geslagen. A: Ja. V: Is dat een keer gebeurd of is dat vaker gebeurd? A: Wel vaker. V: En waar is dat dan gebeurd? A: Bij ons thuis.\n\nV: Je hebt ook verteld dat jullie op de grond geplast hebben omdat jullie niet naar de wc mochten he? A: Ja V: Is dat een keer gebeurd of is dat ook vaker gebeurd? A: Ook vaker.\n\n V: Jij vertelde mij dat mama jou vaker heeft geslagen bij mama thuis he? A: Ja. V: En als mama dat doet, hoe doet ze dat dan? A: Zo. V: Op je hoofd. A: Ja zo. V: Is dat altijd hetzelfde of gaat dat ook wel eens anders? A: Altijd hetzelfde. V: Altijd hetzelfde ok, en wat vind jij daarvan als mama dat doet? A: Niet leuk. V: Nee, waarom vind je dat niet leuk? A: Omdat ik dan gaat huilen en dan zegt mama kan je je kop dicht houden.\n\nA: Over die andere dingen zegt mama dan, je mag geen water drinken, of broodje eten want ik heb niet.\n\nV: [slachtoffer 1] was in z’n blootje en toen had de politie gevraagd aan [slachtoffer 1] waarom hij in z'n blootje was. A: Ja. V: En wat zei [slachtoffer 1] toen? A: Omdat hij niet mocht aankleden. V: Dat zei [slachtoffer 1] . A: Ja. V: En van wie mocht hij dan niet aankleden? A: Van m'n moeder niet. V: En hoe was het met jouw kleding dan? A: Die was ook nat. V: En hoe kwam dat? A: Omdat ik niet naar de wc mocht. V: Jij mocht ook niet naar de wc, en waarom mocht dat dan niet van mama? A: Omdat we heel veel vragen en dat dat dan niet mag. V: En wat hadden jullie dan aan mama gevraagd? A: Mama mag ik plassen want ik kan het echt niet meer ophouden. V: En wat zei mama toen? A: Niks. Moet je elke dag door blijven vragen maar toen hadden we op een gegeven moment geplast.\n\nV: En dat slaan van mama was dat daarvoor of daarna gebeurd? Dat jullie op de grond hadden geplast? A: Daarna nee en daarvoor. A; Omdat hij ook had geslagen mama ook hij. [slachtoffer 1] . V: maar hoe weet je dat mama [slachtoffer 1] had geslagen? Had je dat gezien of had je dat gehoord? A: Dat had ik gehoord.A: Dat tik van dat slaan.\n\nV: Ok, want waarom sloeg mama jou dan? A: Omdat ik aan de spikkels zat. Aan te pulken. V: Ok, niet omdat je in je broek had geplast? A: Ook dat.\n\nV: En hoe was dat met [slachtoffer 1] ? A: Wel een paar keer\n\nV: Over jezelf dus mama heeft je ook op een andere dag geslagen begrijp ik dat? A: Ja.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, chat tbv verhoor [verdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nUit de telefoon van [medeverdachte] is een chatgesprek naar voren gekomen tussen [medeverdachte] en [verdachte] . Dit betreft een gesprek wat grotendeels gaat over de kinderen van [medeverdachte] . Uit de context is op te maken dat [verdachte] en [medeverdachte] veel bellen tussendoor en [verdachte] meekijkt bij [medeverdachte] in de woning en dus ziet en hoort wat [medeverdachte] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] doen.\n\nOp 29 juli 2024 hebben [verdachte] en [medeverdachte] een gesprek waarin [verdachte] verteld wat [medeverdachte] moet doen met betrekking tot de kinderen.\n\n [verdachte] : ja laat hem zo zitten\n [medeverdachte] : Ja hy heeft gepist\n [verdachte] : Ja en hij moet nee laat hem na zitten nu\n\nOp 14 juli 2024 in de avond is er een gesprek waarin [verdachte] zegt wat [medeverdachte] bij haar kinderen moet doen.\n\n [verdachte] : Wakker houden slaan anders\n\nNiet zo op je tel zitten\n\n [verdachte] : Geef hem niet zulke antwoorden zeggen antwoord\n\nEn zeggen bek houden anders geef ik nergens antwoord meer op tot ik jou antwoord heb\n\nNog uit leggen ook\n\nBen je gek\n\nNiks uitleggen\n\n [verdachte] : Ja dat deed k idd over dat niet slapen\n\n [verdachte] : Ja weer die fout\n\nOp 29 juli 2024 is er een gesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] waarin onder andere het volgende werd gezegd:\n\n [verdachte] : Volgens mij moet hij zitten op z e kont en niet dit\n\n [medeverdachte] : Nee dit zkr niet\n\nMaar hy gaat ook gwn door\n\n [verdachte] : Ja maar hoorje ook niet zeggen zitten mongool\n\nGepoep zeker\n\nVal dood zeggen\n\nWat deed ie\n\n [medeverdachte] : Hy schopte de plas weg\n\nIk trok hem er door heen\n\n [verdachte] : Ja hoorde ik\n\n [medeverdachte] : Hys nu also een baby om z'n vader aan het roepen maar heel zacht\n\n [verdachte] : Ohh latenzo\n\n [medeverdachte] : Ja drm\n\nHij zit me best\n\n [verdachte] : Niet schoonmaken\n\nOp 31 juli zegt [verdachte] tegen [medeverdachte] :\n\nKlappen geven neem ik aan\n\nAls ze doorgaat\n\nNee geen nieuw water\n\nProces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, analyse chats tussen [medeverdachte] en [verdachte] , voor\n\nzover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nDe telefoon van verdachte [medeverdachte] is in beslag genomen en uitgelezen. In deze telefoon is een grote hoeveelheid chatberichten aangetroffen tussen [medeverdachte] en medeverdachte [verdachte] . De meeste chats hebben betrekking op de kinderen van [medeverdachte] ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ), hun gedragingen, hoe [medeverdachte] daarmee omgaat en het instrueren van [medeverdachte] door [verdachte] . De chatberichten die het onderzoeksteam aan ons ter beschikking heeft gesteld en die wij hebben gebruikt voor deze analyse, beslaan de periode 2 juli 2024 tot en met 18 augustus 2024. Dit betreft in totaal 21304 chats. Het is opvallend hoe snel de chats elkaar opvolgen. De tijd tussen de chats bedraagt soms enkele seconden. ledere dag worden de eerste chats vaak al rond 7 uur in de ochtend verstuurd door [medeverdachte] en dat gaat meestal door tot ongeveer 23 uur’. Naast het chatten blijkt dat [medeverdachte] en [verdachte] ook vaak met elkaar (beeld)bellen en dat [medeverdachte] regelmatig foto's van haar kinderen verstuurt naar [verdachte] .\n\nIn de weergave hierna volgt een selectie van chats die door [verdachte] zijn verzonden.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, dossier VT, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\n22 januari 2024 [verdachte] wordt contactpersoon voor [medeverdachte] .\n\nAfspraak met hulpverlening dat [verdachte] de contactpersoon voor [medeverdachte] wordt. Er wordt afgesproken dat [medeverdachte] contact met [verdachte] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [verdachte] [medeverdachte] gaat helpen om afspraken na te komen.\n\n Pagina 461.\n\n Pagina 479.\n\n Pagina 482.\n\n Pagina 479.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland, onderzoek 31DONKER24 met proces-verbaalnummer 240917.2109.23955, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1111. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 946.\n\n Pagina 947.\n\n Pagina 962.\n\n Pagina 966.\n\n Pagina 967.\n\n Pagina 969.\n\n Pagina 972.\n\n Pagina 976.\n\n Pagina 978.\n\n Pagina 979.\n\n Pagina 982.\n\n Pagina 984.\n\n Pagina 43.\n\n Pagina 44.\n\n Pagina 238.\n\n Pagina 239.\n\n Pagina 240.\n\n Pagina 241.\n\n Pagina 242.\n\n Pagina 243.\n\n Pagina 244.\n\n Pagina 245.\n\n Pagina 226.\n\n Pagina 227.\n\n Pagina 228.\n\n Pagina 229.\n\n Pagina 230.\n\n Pagina 477.\n\n Pagina 479.\n\n Pagina 458.\n\n Pagina 459.\n\n Pagina 461.\n\n Pagina 480.\n\n Pagina 482.\n\n Pagina 485.\n\n Pagina 486.\n\n Pagina 495.\n\n Pagina 500.\n\n Pagina 501.\n\n Pagina 502.\n\n Pagina 509.\n\n Pagina 511.\n\n Pagina 512.\n\n Pagina 514.\n\n Pagina 736.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4044","2026-07-13T00:28:42.896Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":58,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":30,"updatedAt":60},"677","ECLI:NL:RBMNE:2026:4029","ecli-nl-rbmne-2026-4029","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F268999-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1989] in [plaats 1] ,\n\nverblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats 2] ,\n\nhierna: de verdachte.1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. M. Landsman (hierna: de advocaat);\n\nde officieren van justitie: mr. F. Leeman en mr. V. van der Horst;\n\nmr. J.R. Mekkes als advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:\n\nin de periode van 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 in Utrecht, samen met een ander, haar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken.\n\nDe advocaat stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende onderbouwing is voor 1 augustus 2023 als aanvangsdatum van de pleegperiode en verzoekt daarom de pleegperiode te beperken tot de periode vanaf 27 mei 2024.\n\nDaarnaast verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken van het slaan met een koekenplan en het slaan met de vuist, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.\n\nTot slot verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)] van het schoppen, aan de armen meeslepen en\u002Fof armen verdraaien, door urine heen trekken, afplakken van de mond met ducttape en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nOp 19 augustus 2024 krijgt de politie een melding dat er mogelijk sprake zou zijn van huiselijk geweld in de woning aan de [adres 2] in [plaats 3] . De buren zouden gegil uit de woning horen komen. De politie gaat ter plaatse naar de woning en treft daar [verdachte] (hierna: de verdachte) en haar twee kinderen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1 (voornaam)] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2 (voornaam)] ). [slachtoffer 1 (voornaam)] is volledig naakt en [slachtoffer 2 (voornaam)] loopt in een nat broekje en T-shirt waar een sterke geur van urine vanaf komt. In de woonkamer ligt een grote plas urine. Over de wangen van de kinderen lopen tranen en hun ogen zijn rood. De kinderen zijn vervolgens gehoord door de politie.\n\nGedragingen\n\nDe rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] in hun verklaringen hebben beschreven hoe de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden en hoe de situatie waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden, is ontstaan en verlopen. Deze verklaringen vinden over en weer op essentiële punten steun in elkaar en vinden steun in de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. De verklaringen van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] zijn ook voldoende gedetailleerd en er worden concrete situaties beschreven die steun vinden in andere bewijsmiddelen, te weten de chatberichten tussen de verdachte en de medeverdachte en getuigenverklaringen. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen en zal deze dan ook in haar geheel voor het bewijs gebruiken, ook voor zover deze betrekking heeft op de door de verdachte(n) ontkende gedragingen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de advocaat van verdachte dat er onvoldoende en wettig bewijs is voor het slaan met de koekenpan. Het is niet vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring afzonderlijk door twee bewijsmiddelen wordt gedragen.\n\nOp grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, het stelselmatig mishandelen van haar kinderen [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] . Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Zo werden de kinderen verplicht om voor alle alledaagse handelingen (waaronder naar de wc gaan, douchen of eten en drinken) vooraf toestemming te vragen. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand. [slachtoffer 1 (voornaam)] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Daarnaast werden de kinderen gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd de toegang tot de wc en\u002Fof douche onthouden. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de chatberichten dat de kinderen ’s nachts niet naar het toilet mogen. Om dit te controleren legt de verdachte elke avond wc-papier in de wc, maakt hier een foto van en stuurt deze naar medeverdachte [medeverdachte] . De volgende ochtend maakt de verdachte nieuwe foto's en stuurt deze ook weer naar medeverdachte [medeverdachte] . Daarna vergelijken de verdachten beide foto’s om te controleren of de wc inderdaad niet is gebruikt.\n\nAls ze dan op een andere plek hadden geplast of gepoept moesten ze in hun eigen ontlasting en urine zitten en in vervuilde kleding rondlopen. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1 (voornaam)] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken werd onthouden en dat zij werden opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1 (voornaam)] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nPartiele vrijspraak\n\nSlaan met de vuist van [slachtoffer 1 (voornaam)] en\u002Fof [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte [slachtoffer 1 (voornaam)] en\u002Fof [slachtoffer 2 (voornaam)] met de vuist heeft geslagen. Het dossier bevat daarvoor geen aanknopingspunten. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte gedeeltelijk vrij zal spreken.\n\nGedragingen ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\nDaarnaast verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)] van het schoppen, aan de handen\u002Farmen meeslepen en\u002Fof armen (ver)draaien, door eigen urine heen trekken, beplakken van de mond met ducttape en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank volgt dit verweer. Het dossier bevat hiervoor onvoldoende bewijs nu [slachtoffer 2 (voornaam)] zelf hier niets over verklaart en dit ook niet uit enige andere verklaring blijkt. De rechtbank zal de verdachte hiervan dan ook vrijspreken.\n\nPeriode\n\nDe advocaat stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende onderbouwing is voor 1 augustus 2023 als aanvangsdatum van de pleegperiode en verzoekt de pleegperiode te beperken tot de periode vanaf 27 mei 2024. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\n [slachtoffer 1 (voornaam)] is op 21 augustus 2024 verhoord. Tijdens dit verhoor verklaart [slachtoffer 1 (voornaam)] onder meer dat zijn moeder vroeger als ze boos was wel eens sloeg met een koekenpan of hen onder de koude douche zette. Wanneer de politie vraagt wanneer ‘vroeger’ was, verklaart [slachtoffer 1 (voornaam)] dat dit wel een jaar geleden was en dat hij toen 9 jaar was. Ook verklaart hij dat dit allemaal thuis gebeurt sinds zijn vader gescheiden is in 2023 en dat het eigenlijk al een jaar zo is.\n\nDe verklaring van [slachtoffer 1 (voornaam)] wordt ondersteund door de verklaringen van de juffen van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] in het schooljaar 2023\u002F2024. Uit de verklaring van de juf van [slachtoffer 2 (voornaam)] blijkt namelijk dat zij al vanaf oktober 2023 zorgen hadden over [slachtoffer 2 (voornaam)] . Zo was er sprake van veranderend gedrag. [slachtoffer 2 (voornaam)] was onrustig en was snel bozig. Ook had [slachtoffer 2 (voornaam)] vaak dezelfde kleren aan. [slachtoffer 2 (voornaam)] begon er vermoeid uit te zien en haar juf had de indruk dat ze wat vermagerde. Na de meivakantie in 2024 gaf [slachtoffer 2 (voornaam)] ook aan dat ze geen ontbijt kreeg naar school. Uit de verklaring van de juf van [slachtoffer 1 (voornaam)] volgt ook dat er zorgen waren in het schooljaar 23\u002F24. Zo viel aan het begin van het schooljaar externaliserend gedrag op en zag hij er vanaf september onverzorgd en niet schoon uit. Hij had vieze nagels en zijn haar zat niet in model. Ook verklaart zijn juf dat [slachtoffer 1 (voornaam)] vergeleken met 5 september 2024 (de dag waarop zij haar verklaring bij de politie aflegt) echt wel mager was en kringen onder zijn ogen had. Ook verklaart zij dat [slachtoffer 1 (voornaam)] dat schooljaar vaak dezelfde kleren aan. Begin maart 2024 heeft de juf ook gezien dat [slachtoffer 1 (voornaam)] brood uit de tas van andere kinderen pakte en gaf [slachtoffer 1 (voornaam)] aan af en toe trek te hebben.\n\nGelet op het voorgaande, in onderling samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte haar kinderen stelselmatig heeft mishandeld vanaf 1 augustus 2023, zoals ten laste gelegd.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nin of omstreeks de periode tussen 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 te\n\n [plaats 3] , tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,\n\nhaar kind, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] ,\n\nstelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1 (voornaam)]\n\n- met een koekenpan en met vlakke hand te slaan en\n\n- te schoppen en\n\n- aan zijn handen\u002Farmen mee te slepen en zijn armen te (ver)draaien en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in zijn\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof hem (gedurende geruime tijd) in zijn door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- zijn eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door zijn eigen urine\n\nheen te trekken en\n\n- met grijze ducttape zijn mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in zijn slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (zijn pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken en\n\n- hem te onthouden van schoolgang;\n\nen\n\nhaar kind, [slachtoffer 2] , geboren op [2017] ,\n\nstelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\n- met vlakke hand te slaan en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in haar\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof haar (gedurende geruime tijd) in haar door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- haar eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in haar slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (haar pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nMedeplegen van mishandeling, stelselmatig begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf en maatregel\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het hierna te noemen reclasseringsrapport van 11 juni 2026. Daarbij gaat het, zakelijk weergegeven, om een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en een contactverbod met haar kinderen. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).\n\nDe officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die niet langer is dan de duur van het voorarrest, aangevuld met een fors voorwaardelijk strafdeel. Indien noodzakelijk zou dit aangevuld kunnen worden met een onvoorwaardelijke taakstraf.\n\nDaartoe voert de advocaat aan dat indien de rechtbank de verdediging volgt, de rechtbank tot een bewezenverklaring komt over een kortere periode dan ten laste is gelegd en één of meer feitelijkheden niet bewezen worden verklaard.\n\nTer onderbouwing van zijn verzoek wijst de advocaat ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is een first offender en heeft vanaf het moment dat de politie heeft ingegrepen haar verantwoordelijkheid genomen. Ze heeft openheid van zaken gegeven en is met zichzelf aan de slag gegaan. Zo werkt de verdachte onder meer mee aan een behandeling bij [instelling 2] . Ook merkt de advocaat op dat verdachtes kinderen niet meer onder haar gezag vallen en dat hier ook geen omgang of contact mee is. De verdachte heeft een sociale huurwoning die zij bij een langdurige detentie zal kwijtraken. Hetzelfde geldt voor haar baan.\n\nTot slot merkt de advocaat op dat er geen bezwaar is tegen een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] . Ten aanzien van de kinderen stelt de advocaat zich op het standpunt dat er geen aanleiding is die een dergelijk verbod noodzakelijk maakt nu contact altijd met tussenkomst van de instanties moet gebeuren.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft gedurende ongeveer één jaar stelselmatig haar kinderen mishandeld. De rechtbank acht bovendien bewezen dat sprake was van medeplegen van die mishandeling, in ieder geval gedurende de periode vanaf 22 januari 2024 tot 19 augustus 2024.\n\nDe mishandeling van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] had zowel een fysieke als een geestelijke component. Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden, waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Hierbij keerden twee volwassenen, waaronder hun moeder van wiens zorg de minderjarige [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] volledig afhankelijk waren, zich tegen twee jonge kinderen. [slachtoffer 2 (voornaam)] en [slachtoffer 1 (voornaam)] waren aan het begin van de bewezenverklaarde periode slechts 6 en 9 jaar oud. Beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand, eenmaal werd [slachtoffer 1 (voornaam)] ook geslagen met een koekenpan. [slachtoffer 1 (voornaam)] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Zij werden gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd verboden om naar de wc te gaan, waarna zij vervolgens in hun eigen ontlasting en urine moesten zitten of in vervuilde kleding moesten blijven. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1 (voornaam)] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Ook werd de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken onthouden, mochten zij niet douchen en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1 (voornaam)] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nDe verdachten hebben gedurende lange tijd de lichamelijke en de psychische integriteit van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] ernstig geschonden. De gebeurtenissen vonden thuis plaats, terwijl de kinderen zich juist daar, in het bijzijn van hun moeder, veilig en geborgen hadden moeten voelen. In plaats van aandacht, verzorging en bescherming waar zij als jonge kinderen recht op hadden, zijn zij geconfronteerd met een voortdurend escalerend patroon van controle, angst en geweld. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.\n\nDe gevolgen van kindermishandeling kunnen langdurig en ernstig zijn. Uit de slachtofferverklaring van de tante (pleegouder) en vader van de kinderen, blijkt dat de angst die de kinderen hebben ontwikkeld als gevolg van de mishandelingen nog iedere dag aanwezig is en invloed heeft op hun gedrag, hun zelfbeeld en hun gevoel van veiligheid. [slachtoffer 1 (voornaam)] is voortdurend bang om iets verkeerd te doen, legt de lat voor zichzelf onmenselijk hoog en heeft weinig zelfvertrouwen. Hij heeft geleerd dat liefde, aandacht en zorg afhankelijk zijn van goed gedrag, terwijl een kind zou moeten weten dat hij ook wanneer hij fouten maakt nog steeds veilig is en geaccepteerd wordt. Ook bij [slachtoffer 2 (voornaam)] is zichtbaar hoe diep de angst geworteld zit. Wanneer zij gespannen raakt, verstijft zij letterlijk. De kinderen vragen hun tante (pleegouder) nog vaak of ze naar de wc mogen en of ze het eten, dat zij voor hen maakte, mogen opeten. Nu het vertrouwen van de kinderen in een van de belangrijkste volwassenen in hun leven (hun moeder) beschadigd is geraakt, heeft dat invloed op hoe zij naar andere mensen kijken. Zij verwachten vaak eerder iets negatiefs dan iets positiefs van anderen. Hun eerste reactie is vaak gebaseerd op zelfbescherming in plaats van vertrouwen. Naast de emotionele gevolgen, hebben de kinderen ook iedere dag veel zorg, begeleiding en structuur nodig. Uit de stukken is bovendien gebleken dat de kinderen door de mishandelingen ernstige psychische schade hebben opgelopen en bij hen beide is PTSS vastgesteld. De kinderen volgen hiervoor wekelijks traumabehandeling en hoe dit zich verder zal ontwikkelen, moet nog blijken.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nWat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 18 mei 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Het strafblad van verdachte weegt dus niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank gelet op het Pro-Justitia-rapport met daarin het onderzoek van 21 februari 2025, opgesteld door klinisch psycholoog [A] . Uit het onderzoeksrapport van de psycholoog blijkt onder meer dat bij de verdachte tekortkomingen zijn geconstateerd, maar geen psychische stoornis aanwezig is en ook niet was ten tijde van het tenlastegelegde feit. De psycholoog acht de verdachte geheel toerekeningsvatbaar en adviseert haar het tenlastegelegde, indien bewezen verklaard, toe te rekenen. Tot slot wordt er geen advies voor behandeling gegeven.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van [instelling 1] van 11 juni 2026, opgesteld door reclasseringswerker [B] . Hieruit volgt dat de reclassering het recidiverisico op korte termijn als laag inschat. Als delictgerelateerd en als risicofactoren die de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit vergroten, ziet de reclassering het psychosociale functioneren van de verdachte, het contact met de medeverdachte en de zorgtaak over haar kinderen. De verdachte is inmiddels uit het ouderlijk gezag gezet. Dit verlaagt de recidivekans aanzienlijk. Daarnaast heeft de verdachte haar leven in praktische zin op orde en werkt zij mee aan de bijzondere voorwaarden die haar in het kader van de schorsing van de preventieve hechtenis zijn opgelegd, waaronder de behandelverplichting. Hoewel de risico's vanwege haar huidige persoonlijke omstandigheden op dit moment laag lijken, kan de reclassering het risico op de langere termijn niet inschatten, omdat het afhangt van hoe de verdachte haar persoonlijke omstandigheden er dan uitzien. Zoals of er (stief)kinderen in haar leven zijn en hoe het met haar beïnvloedbaarheid en met haar vaardigheden gesteld is na de behandeling bij [instelling 2] .\n\nDe reclassering adviseert bij een veroordeling om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht;\n\nAmbulante behandeling;\n\nContactverbod met haar kinderen.\n\nDe reclassering schat in dat er een langer dan gebruikelijk toezicht nodig is om de behandeling af te kunnen ronden en om eventuele risico’s op de langere termijn te monitoren. Gelet hierop adviseert de reclassering een langer dan gebruikelijke proeftijd.\n\nStrafkader\n\nVanwege de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers die de verdachte heeft gemaakt, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige manier om de strafwaardigheid van haar gedrag tot uitdrukking te brengen, zowel richting de verdachte en haar slachtoffers als de maatschappij.\n\nNaast vergelding is een belangrijk doel van het opleggen van straf ook het voorkomen dat een verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan het plegen van dit soort feiten. Gelet daarop legt de rechtbank de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.\n\nConclusie\n\nAlles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het\n\nbewezenverklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van veertien (14) maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van vier (4) maanden voorwaardelijk. De proeftijd bij de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt vastgesteld op drie jaren, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich meldt bij de reclassering, meewerkt aan ambulante behandeling en zich houdt aan een contactverbod met haar kinderen.\n\nDeze straf is langer dan de gevangenisstraf die aan de medeverdachte wordt opgelegd. De reden hiervoor is onder meer dat bij de medeverdachte een aanzienlijk kortere periode bewezen is verklaard dan bij de verdachte en het feit in verminderde mate kan worden toegerekend aan de medeverdachte.\n\nDadelijk uitvoerbaar\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er, zonder een beschermend kader, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden en het daarop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\n38v-maatregel\n\nDe rechtbank zal ook een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met de medeverdachte [medeverdachte] . Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen, met een maximum van 6 maanden.\n\nDe rechtbank oordeelt het noodzakelijk dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Uit het reclasseringsadvies volgt dat het contact met de medeverdachte delictgerelateerd is en een risicofactor is voor de kans op recidive. Gelet hierop is de rechtbank is van oordeel dat ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen wanneer zij weer in contact zal komen met de medeverdachte. Daarom zal zij bevelen dat het contactverbod dadelijk uitvoerbaar is.6. Vordering benadeelde partij6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partijen\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nNamens [slachtoffer 1] heeft zijn vader [C] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 29.815,72 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 17.315,72 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReeds gemaakte kosten bijles: € 1.764,16;\n\nToekomstige kosten bijles: € 5.400,-;\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.059,30;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nBasisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\nOpslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en te bepalen dat de toegekende immateriële schadevergoeding worden gestort op een zogenaamde BEM-rekening (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nNamens [slachtoffer 2] heeft haar vader [C] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 22.882,34 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 10.382,34 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.290,08;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\n Basisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\n Opslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en te bepalen dat de toegekende immateriële schadevergoeding worden gestort op een zogenaamde BEM-rekening (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van beide benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert zij hoofdelijkheid en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt primair de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, omdat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting is van het strafproces. Het gaat om omvangrijke vorderingen, die slechts twee werkdagen voorafgaand aan de zitting zijn ingediend. De verdediging heeft onvoldoende voorbereidingstijd gehad.\n\nSubsidiair stelt de advocaat zich op het standpunt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard ten aanzien van de posten ‘toekomstige kosten bijles’ en ‘verplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante’. Dit zijn posten die een mogelijk deskundigenoordeel of externe informatie behoeven om juist te kunnen beoordelen.\n\nTen aanzien van de immateriële deel stelt de advocaat zich op het standpunt dat bij toewijzing de pleegperiode die bewezen wordt verklaard, verdisconteerd moet worden in de gevorderde bedragen, die van een andere begindatum uitgaan.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert in verband met de late indiening van de vorderingen. De wet biedt de mogelijkheid aan een benadeelde partij om zich tot het moment van het requisitoir te voegen. De vorderingen zijn op 19 juni 2026 ingediend voor de inhoudelijke behandeling op 23 juni 2026. De vorderingen zijn in die zin tijdig ingediend.\n\nDit betekent dat de benadeelde partijen ontvangen kunnen worden in hun vorderingen\n\nDe rechtbank zal bij de verdere beoordeling van de verschillende onderdelen van de vordering voor ogen houden dat in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken, en dat dat meebrengt dat de rechtbank zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen, en, als dit aan zijde van verdachte niet zo is, of eigen onderzoek van rechter naar toewijsbaarheid van vordering daarvoor voldoende compensatie biedt. (HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644).\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.059,30) daarom toe.\n\nReeds gemaakte kosten bijles;\n\nToekomstige kosten bijles;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de kosten van de bijles en de verplaatste schade niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 1.764,16 + € 5.400 + € 9.092,26 = €16.256,42) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Er zijn geen omstandigheden gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden dus de ingangsdatum van de wettelijke rente wordt bepaald op halverwege de periode en dat is in dit geval 9 februari 2024.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.559,30 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 92 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.290,08) daarom toe.\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de verplaatste schade, niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 9.092,26) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Er zijn geen omstandigheden gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden dus de ingangsdatum van de wettelijke rente wordt bepaald op halverwege de periode en dat is in dit geval 9 februari 2024.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.790,08 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 93 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jarenvast;\n\n- stelt als algemene voorwaardendat de verdachte:\n\n zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat de verdachte:\n\n Meldplicht Reclassering\n\nDe verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij [instelling 1] op het adres [adres 3] in [plaats 3] ;\n\n Ambulante behandeling\n\nDe verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door [instelling 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en de beïnvloedbaarheid. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n Contactverbod\n\nDe verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met haar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en [slachtoffer 2] , geboren op [2017] , zolang het Openbaar Ministerie dat nodig acht;\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\n38v-maatregel\n\nlegt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaar;\n\nbeveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [medeverdachte] , geboren op [1983] ;\n\nbeveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaaris;\n\nbeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum vanzes maanden;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.559,30, bestaande uit € 1.059,30 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 13.559,30 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\n- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 92 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\n- wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.790,08, bestaande uit € 1.290,08 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\n- veroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 13.790,08 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\n- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld bij niet betaling aan te vullen met 93 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. S.E. van den Brink en mr. M.J. Westerink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij in of omstreeks de periode tussen 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 te\n\nUtrecht, althans in Nederland\n\ntezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,\n\nhaar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] ,\n\ngeboren op [2017]\n\nstelselmatig\n\nheeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\n- met een koekenpan en\u002Fof met vlakke hand en\u002Fof vuisten te slaan (zie o.a. p. 228,\n\n239, 965) en\u002Fof\n\n- te schoppen (zie o.a. p. 240) en\u002Fof\n\n- aan hun handen\u002Farmen mee te slepen en\u002Fof hun armen te (ver)draaien (zie o.a. p.\n\n239) en\u002Fof\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen (zie o.a. p. 229, 498, toonmap p.1-19) en\u002Fof\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en\u002Fof (vervolgens) in hun\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof hen (gedurende geruime tijd) in hun door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven (zie o.a. p. 229, 494) en\u002Fof\n\n- hun eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door hun eigen urine\n\nheen te trekken (zie o.a. p. 496, 514, toonmap p. 1-3, 15-16) en\u002Fof\n\n- met grijze ducttape hun mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen (zie o.a.\n\np. 47, 142, 922) en\u002Fof\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden (zie o.a. p.\n\n500, 507) en\u002Fof\n\n- gedurende geruime tijd in hun slaapkamer op te sluiten (zie o.a. p. 501, 982) en\u002Fof\n\n- als straf onder een koude douche te zetten (zie o.a. p. 239, 509) en\u002Fof\n\n- te kleineren en\u002Fof (hun pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken (zie o.a. p. 228, 500) en\u002Fof\n\n- hun te onthouden van schoolgang (zie o.a. p. 44, 172);\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\nDe verklaring van de verdachte op de zitting van 23 juni 2026:\n\nIk had intensief contact met [medeverdachte (voornaam)] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]). We hadden appcontact maar ook contact via Face time. Het was onze afspraak dat ik alles zou zeggen wat de kinderen zeiden en deden. Ik heb haar om advies gevraagd, vooral over het straffen van de kinderen. Ik luisterde naar het advies van [medeverdachte (voornaam)] . We gingen steeds meer straffen geven en de straffen werden steeds erger tot 19 augustus 2024.\n\nHet klopt dat de kinderen niet naar de wc mochten en dat zij als zij op de grond plasten of poepten dit zelf moesten opruimen. Er zat een slot op de slaapkamerdeuren van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] . De kinderen hebben maximaal één of twee dagen geen eten gekregen. Ze gingen wel eens zonder ontbijt naar school. Ik ben de kinderen gaan uitschelden.\n\nEen proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nA: [medeverdachte (voornaam)] heb ook weleens gezegd, geef [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] een tik. V: Geef ze een tik. En deed je dat dan ook? A: Ja.\n\nV: Waar moesten ze zich uitkleden en naakt zitten? A: Op de grond, thuis. V: En waarom moesten ze dat? A: Omdat ze straf hadden.\n\nV: En hoe zat dat met wassen en douchen? Hoe vaak deden de kinderen dat bij jou? A: De laatste tijd niet vaak.\n\nV: Nee, maar wat is dat ongeveer? A: Nou, bijna niet.Ik denk misschien één keer in de week. Als ze geluk hadden. Als het mocht.\n\nO: De leerkracht heeft gezien dat [slachtoffer 1 (voornaam)] eten uit de tassen pakte.\n\nA: Ja.\n\nV: Van andere kinderen. Nou, dat weet je, ja. Er waren zelfs kinderen die hadden gezegd dat ze een extra boterham hadden voor als [slachtoffer 1 (voornaam)] honger had. En toen dat aan het licht kwam, werd [slachtoffer 1 (voornaam)] van de 33 dagen, 18 dagen, thuisgehouden. Dat was van maart tot begin mei. En jij zou gezegd hebben tegen de directeur dat [slachtoffer 1 (voornaam)] steeds voedselvergiftiging had, omdat hij uit andere tassen at. Daarom zou hij niet op school zijn. Wat kan je daarop zeggen?\n\nA: Ook. Maar dat was ook haar idee.\n\nV: Wat was haar idee?\n\nA: Om hem te straffen, zodat. Wacht even. Om hem thuis te houden en om hem zo te straffen.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp 19 augustus 2024 hoorde ik dat de centralist van het Operationeel Centrum vroeg of wij wilden gaan te [adres 2] in [plaats 3] . Op dit adres zou mogelijk sprake zijn van huiselijk geweld.\n\nIk zag een dame in de deuropening staan, welke uit onze politiesystemen bleek te zijn: [verdachte] .\n\nIk zag dat de jongen volledig naakt was. Ik zag dat de jongen met zijn rug tegen de muur aanzat, met zijn hoofd tussen zijn knieën in. Ik zag dat het meisje op de eerste trede van de trap zat. Ik zag dat het meisje met opgetrokken knieën zat en met haar hoofd tussen haar knieën. Ik zag dat de tranen over de wangen van de kinderen liepen en dat hun oogjes rood waren.\n\nUit onze politiesystemen bleken de kinderen te zijn: [slachtoffer 1]\n\nGeboren [2014] te [plaats 3] [slachtoffer 2]\n\nGeboren op [2017] .\n\nToen ik de woonkamer inliep zag ik aan de rechterzijde een grote plas urine liggen. Toen de kinderen voor mij uitliepen zag ik dat het meisje een nat broekje en T-shirt had. Toen ik plaats nam naast haar op de bank, rook ik dat er een sterke geur urine van deze kleding afkwam.\n\nIk zag dat er op de salontafel een rol grijze ducttape lag. Toen ik aan [slachtoffer 1 (voornaam)] vroeg waarom de tape daar lag, hoorde ik hem zeggen dat als ze straf hebben, dat mama dan hun monden met tape afplakt. Ik hoorde [slachtoffer 1 (voornaam)] zeggen: \"Kijk daar hangt nog een stuk losse tape, die mama vanochtend bij mij gebruikt heeft\". Ik zag dat er een losse strip tape aan de salontafel hing.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:A: Omdat mijn moeder zei tegen mij dat ik mijn mond moest houden en dat deed ik niet. Toen pakte mijn moeder plakband om mijn mond dicht te doen. Daarna ging mijn moeder zo draaien en slaan en mij meeslepen. A: En als we thuis zijn mogen we niet eten van onze moeder niet water drinken, niet plassen. Toen ik zondag thuis kwam moest ik in mijn nakie zitten van mijn moeder omdat ik had geplast op de grond omdat ik niet mocht plassen.\n\nV: En als we het nu hebben over dat arm draaien en dat slaan he. Is dat ene keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\n A: Ze deed vroeger dat ze boos was. Of we een grote mond had of niet luisteren deed ze wel eens koekenpan of douche, koude douche. V: En wat deed ze dan? A: Op mijn hoofd slaan. A: En de koude douche daar moest ik dan 20 seconden onder. V: En je zei aan het begin dat was vroeger. A: Ja.V: En wat is vroeger dan? A: Best wel een jaar geleden. V: En hoe oud was je dan toen dat gebeurde? A: 9. V: Dus dat was vorig jaar toen dat gebeurde met de koekenpan. En is dat een keer gebeurd met de koekenpan of vaker? A: Een keer. Maar de douche wel heel vaak. V: En je zei helemaal aan het begin dat ze plakband pakte. Wat deed ze dan met het plakband? A: Zo helemaal over mijn mond heen plakken. Zo tapen. A: Ze pakte het vast klaar. Ze deed vast 3 van die stukjes tape die pakte ze dan op tafel voor als ik zou gaan praten. V: Is het weleens gebeurd dat ze het wel op je heeft geplakt? A: Ja. V: En is dat een keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\nV: En vertel me eens alles over dat slaan. Hoe ging dat? A: Dat doet ze dan op mijn hoofd. Of dat doet ze dan hier. Maar ze doet ook soms weleens schoppen. V: Schoppen? A: Ja. Hierop of hierop of op mijn rug. V: En wat voel je dan? A: Pijn alleen. V: En hoe ze dat slaat dan? A: Zo. V: Met haar hand. A: Ja.V: En als ze je schopt. Waar doet ze dat dan mee? A: Met d'r voet.\n\nV: Vertel me eens alles over het arm draaien. A: Dan doet ze zo en mijn arm dan zo en dan zo. V: Wat voel je dan? A: Dan doet het heel erg pijn.\n\nV: En toen vertelde je ook nog over het meeslepen? Wat bedoel je daarmee, meeslepen? A: Dat ze me dan vastpakt en meeneemt. V: En meeslepen he, wat heet ze dan vast bij jou? A: Mijn hand. V: Je hand. En waar sleept ze je dan heen? A: Euh of naar de keuken of naar de badkamer.\n\nV: En je vertelde ik moest huilen. Hoe reageert je moeder dan als je moet huilen? A: Dan zegt ze dat we onze bek moeten houden.\n\nV: En dan vertelde je ook nog dat als je thuis bent dat je dan geen eten krijgt of geen water mag drinken. Vertel me daar dan eens alles over? A: En niet plassen. V: Vertel daar eens over? A: En dan vragen we het aan onze moeder en dan mag het niet en dan doen we het gewoon plassen op de grond. V: En is dat een keer gebeurd of vaker. A: Heel vaak. Bijna elke dag.V: Bijna elke dag. En wat gebeurt er dan elke dag? A: Op de grond plassen. En soms ook bijna elke dag niet eten krijgen. Of geen water drinken. Water drinken en plassen mag niet elke dag. Maar eten mag wel soms. Niet elke dag. A: We moeten eigenlijk om alles vragen. Ook of we naar beneden mogen. Dat duurt ook soms best wel lang voordat ze de deur opendoet.\n\nV: En vertel eens over welke deur heb je het dan? A: Mijn slaapkamerdeur.\n\nV: En die week daarvoor, dus dat is twee weken terug was je dan de hele week bij je moeder? A: Ja, dan kregen we geen eten. V: En kreeg je dan de hele week geen eten of een paar dagen niet of anders? A: Hele week geen eten. V: En drinken? A: Ook niet. V: Geen water ook niet? A: Nee. V: En als je dan moet plassen of moet poepen hoe doe je dat dan? A: Mogen we ook niet. V: En hoe gaat dat dan, want het mag niet maar op een gegeven moment moet je toch? A: Dan doen we het op de grond. V: En wat gebeurt er dan als je het op de grond doet? A: Dan moeten we het schoonmaken. V: En hoe doe je dat schoonmaken dan? A; Met een emmer en een soort van schoonmaakmiddel. En dan heet water erin met en doekje. V: En hoe zit dat bij je zusje dan? A: Ook. V: Kun je daar iets over vertellen? Want als je zusje dan heeft geplast, wat gebeurt er dan daarna? A: Dan moet ze het ook schoonmaken. V: En hoe zit het dan met poep? A: Poepen doet ze dan ook soms op de grond.\n\n V: Want je vertelde ook over dat je in je nakie moest zitten omdat je had geplast. A: In mijn kleren eerst en daarna moest ik mij uitkleden en daarna moest ik zo naar bed. V: Moest je zo naar bed, in je nakie? A: Ja. V: Ja. En moet je zus ook weleens in haar nakie als zij heeft geplast? A: Eén (1) keer.\n\n V: En hoelang is dit al zo? A: Sinds mijn vader, uh, gescheiden is. Is in 2023. Dat is eigenlijk al een jaar.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:V: Vertel mij eens [slachtoffer 2 (voornaam)] wat er precies allemaal gebeurd is toen mama (de rechtbank begrijpt: de verdachte)jullie ging slaan? A: Uh mama heb mij geslagen, en we plasten op de grond omdat we niet naar de wc mogen, en als we vragen mama mogen we naar de wc of plassen of water drinken, dan mogen we niks en moeten we alleen maar door blijven vragen, en dan onze moeder ik heb jullie nu toch genoeg gewaarschuwd, en daarna zegt onze moeder uh dat we, alleen maar dat uh soort van onze mond moeten houden en dat we niks mogen zeggen en daarom plassen we op de grond. V: En verder? A: En als we vragen mama mogen we aankleden, dan mogen we ook niet aankleden of iets.V: En nou vertelde jij mij van mama dat ze je heeft geslagen. A: Ja. V: Is dat een keer gebeurd of is dat vaker gebeurd? A: Wel vaker. V: En waar is dat dan gebeurd? A: Bij ons thuis.\n\nV: Je hebt ook verteld dat jullie op de grond geplast hebben omdat jullie niet naar de wc mochten he. A: Ja. V: Is dat een keer gebeurd of is dat ook vaker gebeurd? A: Ook vaker.\n\n V: Jij vertelde mij dat mama jou vaker heeft geslagen bij mama thuis he. A: Ja. V: En als mama dat doet, hoe doet ze dat dan? A: Zo. V: Op je hoofd. A: Ja zo. V: Is dat altijd hetzelfde of gaat dat ook wel eens anders? A: Altijd hetzelfde. V: Altijd hetzelfde ok, en wat vind jij daarvan als mama dat doet? A: Niet leuk. V: Nee, waarom vind je dat niet leuk? A: Omdat ik dan gaat huilen en dan zegt mama kan je je kop dicht houden.\n\nA: Over die andere dingen zegt mama dan, je mag geen water drinken, of broodje eten want ik heb niet.\n\nV: [slachtoffer 1 (voornaam)] was in z’n blootje en toen had de politie gevraagd aan [slachtoffer 1 (voornaam)] waarom hij in z'n blootje was. A: Ja V: En wat zei [slachtoffer 1 (voornaam)] toen? A: Omdat hij niet mocht aankleden. V: Dat zei [slachtoffer 1 (voornaam)] . A: Ja. V: En van wie mocht hij dan niet aankleden? A: Van m'n moeder niet. V: En hoe was het met jouw kleding dan? A: Die was ook nat V: En hoe kwam dat? A: Omdat ik niet naar de wc mocht. V: Jij mocht ook niet naar de wc, en waarom mocht dat dan niet van mama? A: Omdat we heel veel vragen en dat dat dan niet mag. V: En wat hadden jullie dan aan mama gevraagd? A: Mama mag ik plassen want ik kan het echt niet meer ophouden. V: En wat zei mama toen? A: Niks. Moet je elke dag door blijven vragen maar toen hadden we op een gegeven moment geplast.\n\nV: En dat slaan van mama was dat daarvoor of daarna gebeurd? Dat jullie op de grond hadden geplast? A: Daarna nee en daarvoor. A; Omdat hij ook had geslagen mama ook hij. [slachtoffer 1 (voornaam)] . V: Maar hoe weet je dat mama [slachtoffer 1 (voornaam)] had geslagen? Had je dat gezien of had je dat gehoord? A: Dat had ik gehoord.A: Dat tik van dat slaan.\n\nV: Ok, want waarom sloeg mama jou dan? A: Omdat ik aan de spikkels zat. Aan te pulken. V: Ok, niet omdat je in je broek had geplast? A: Ook dat.\n\nV: En hoe was dat met [slachtoffer 1 (voornaam)] ? A: Wel een paar keer\n\nV: Over jezelf dus mama heeft je ook op een andere dag geslagen begrijp ik dat? A: Ja.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, analyse chats tussen [verdachte] en [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nDe telefoon (een Iphone 13) van verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) is in beslag genomen en uitgelezen. In deze telefoon is een grote hoeveelheid chatberichten aangetroffen tussen [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). De meeste chats hebben betrekking op de kinderen van [verdachte] ( [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] ), hun gedragingen, hoe [verdachte] daarmee omgaat en het instrueren van [verdachte] door [medeverdachte] . De chatberichten die het onderzoeksteam aan ons ter beschikking heeft gesteld en die wij hebben gebruikt voor deze analyse, beslaan de periode 2 juli 2024 tot en met 18 augustus 2024. Dit betreft in totaal 21304 chats. Het is opvallend hoe snel de chats elkaar opvolgen. De tijd tussen de chats bedraagt soms enkele seconden. ledere dag worden de eerste chats vaak al rond 7 uur in de ochtend verstuurd door [verdachte] en dat gaat meestal door tot ongeveer 23 uur’. Naast het chatten blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] ook vaak met elkaar (beeld)bellen en dat [verdachte] regelmatig foto's van haar kinderen verstuurt naar [medeverdachte] .\n\nIn de chats wordt benoemd door [verdachte] dat ze [slachtoffer 1 (voornaam)] sleept. De volgende chat illustreert dat [verdachte] [slachtoffer 1 (voornaam)] door zijn eigen urine heeft getrokken.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, dossier VT, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\n22 januari 2024 [medeverdachte (voornaam)] wordt contactpersoon voor [verdachte (voornaam)] .\n\nAfspraak met hulpverlening dat [medeverdachte (voornaam)] de contactpersoon voor [verdachte (voornaam)] wordt. Er wordt afgesproken dat [verdachte (voornaam)] contact met [medeverdachte (voornaam)] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [medeverdachte (voornaam)] [verdachte (voornaam)] gaat helpen om afspraken na te komen.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland, onderzoek 31DONKER24 met proces-verbaalnummer 240917.2109.23955, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1111. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen..\n\n Pagina 965.\n\n Pagina 978.\n\n Pagina 979.\n\n Pagina 984.\n\n Pagina 43.\n\n Pagina 44.\n\n Pagina 238.\n\n Pagina 239.\n\n Pagina 240.\n\n Pagina 241.\n\n Pagina 242.\n\n Pagina 243.\n\n Pagina 244.\n\n Pagina 245.\n\n Pagina 226.\n\n Pagina 227.\n\n Pagina 228.\n\n Pagina 229.\n\n Pagina 230.\n\n Pagina 482.\n\n Pagina 514.\n\n Pagina 736.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4029","2026-07-13T00:28:42.749Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":30,"updatedAt":68},"1718","ECLI:NL:RBMNE:2026:3784","ecli-nl-rbmne-2026-3784","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F230376-25\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 30 juni 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [1982] in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:\n\n [adres] in [woonplaats] , hierna: de verdachte.\n\n1. De zitting\n\nDe strafzaak tegen de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 2 juni 2026. Het onderzoek is gesloten op 30 juni 2026.\n\nOp de inhoudelijke zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie, mr. M.A.P.J.J. Lousberg;\n\nde advocaat van de verdachte, mr. M.H.H. Meulemeesters;\n\nde benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partijen (nabestaanden), mr. C.H. Dijkstra.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij op 19 juli 2025 in Utrecht opzettelijk [slachtoffer] heeft gedood, door hem met een mes in zijn nek en zijn bovenarm te steken.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.\n\n3. Het bewijs\n\n3.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde doodslag heeft gepleegd.\n\n3.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe advocaat heeft bepleit de verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde doodslag, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk heeft gedood. Weliswaar heeft de verdachte met een mes in de richting van de nek van het slachtoffer gestoken, waardoor een aanmerkelijke kans ontstond dat het slachtoffer zou worden gedood, maar de verdachte heeft deze kans niet willens en wetens aanvaard, zoals is vereist voor voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft onwillekeurig en in een reflex steekbewegingen gemaakt. Het handelen van de verdachte kan dus niet worden gezien als gericht op het doden van het slachtoffer, aldus de advocaat.\n\n3.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nDe bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank oordeelt dat het ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. \n\nBewijsoverweging\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte tijdens een ruzie [slachtoffer] meermalen met kracht met een groot keukenmes diep in de nek heeft gestoken. Dit is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van potentieel dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] hierdoor zou komen te overlijden bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. De verdachte heeft hierdoor voorwaardelijk opzet gehad op de dood van het slachtoffer.\n\n3.4.. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nop 19 juli 2025 te Utrecht, [slachtoffer] (geboren op [1985] ), opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen met kracht met een mes in de nek van die [slachtoffer] te steken.\n\n4. De strafbaarheid van het feit\n\n4.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe advocaat heeft bepleit dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is, omdat dit wordt gerechtvaardigd door noodweer. Ter onderbouwing daarvan heeft hij aangevoerd dat de door de verdachte in zijn politieverhoren en ter zitting geschetste noodweersituatie op grond van het dossier aannemelijk is en niet kan worden weerlegd.\n\nDe door de verdachte geschetste noodweersituatie\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij die avond in de keuken van zijn woning eten wilde gaan maken, en daarvoor een geschikt mes wilde uitkiezen. Op het moment dat hij twee grote keukenmessen in zijn rechterhand had, hoorde hij hard gebonk op de voordeur die zich een verdieping lager bevindt. De verdachte liep vervolgens de trap af naar de voordeur, in de veronderstelling dat het een pakketbezorger was die op de voordeur bonkte. Bij dit afdalen naar de voordeur hield de verdachte de twee keukenmessen, min of meer onbewust, in zijn rechterhand. Toen de verdachte de voordeur opendeed, bleek echter geen pakketbezorger voor de deur te staan, maar [slachtoffer] , het latere slachtoffer. [slachtoffer] stormde direct de hal in, viel de verdachte aan en sloeg op hem in, waardoor de verdachte een reflexbeweging maakte met zijn rechterhand, waarin hij de twee keukenmessen vasthad. Hierdoor werd [slachtoffer] , naar later bleek, dodelijk in de nek getroffen.\n\nDe ondersteuning voor de gestelde noodweersituatie in het dossier\n\nVolgens de advocaat is het op grond van de inhoud van het dossier aannemelijk dat de door de verdachte geschetste noodweersituatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, vanwege het volgende.\n\nTen eerste is de hierboven geschetste gang van zaken in overeenstemming met hetgeen de verdachte vanaf zijn eerste verklaring ter plaatse tegen de politie tot en met de inhoudelijke behandeling op zitting consistent heeft verklaard. Ook in de afgeluisterde gesprekken blijft de verdachte consequent bij zijn verklaring over de noodweersituatie.\n\nTen tweede is het aannemelijk dat de verdachte de keukenmessen inderdaad in zijn hand had, omdat hij wilde gaan koken. In zijn koelkast en vriezer werden voor het koken geschikte groenten en vlees aangetroffen en op het gasfornuis stond een steelpan. De toenmalige vriendin van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte die avond, voordat hij naar haar toe zou komen, in zijn eigen huis voor hen samen wilde gaan koken.\n\nTen derde is het aannemelijk dat de verdachte, toen hij de voordeur opende, in de veronderstelling verkeerde dat niet [slachtoffer] , maar een pakketbezorger voor de deur stond. De [straat] is een drukke straat en de verdachte was in de keuken op éénhoog, aan de achterkant van het gebouw, kookvoorbereidingen aan het treffen. Het kan dus heel goed dat de verdachte alleen het bonken, en niet het geschreeuw van [slachtoffer] heeft gehoord. Verder heeft de broer van de verdachte, die in dezelfde woning woont, verklaard dat er bij hen vaak pakketjes worden bezorgd, ook voor buren, en dat het goed zou kunnen dat hij die dag tegen de verdachte heeft gezegd dat hij een pakketje verwachtte.\n\nTen vierde is het aannemelijk dat de verdachte de keukenmessen min of meer onbewust mee heeft genomen naar de voordeur, in ieder geval zonder de intentie om deze te gebruiken. Dit is in overeenstemming met het door de broer geschetste timide karakter van de verdachte. Verder is het niet heel vreemd om met twee messen in de hand een pakketje te willen aannemen. De messen kunnen na het openen van de voordeur immers uit het zicht blijven of even worden weggelegd. Verder geldt dat als de verdachte de messen al bewust zou hebben meegenomen in de wetenschap dat [slachtoffer] voor de deur stond, hij de messen ook kan hebben meegenomen om [slachtoffer] op afstand te houden.\n\nTen slotte staat op grond van de vele getuigenverklaringen vast, dat [slachtoffer] , nadat de voordeur door de verdachte werd geopend, als eerste in de aanval is gegaan, de verdachte naar achteren heeft geduwd en hard op hem in heeft geslagen. De verdachte heeft hierbij zelf ook lichamelijk letsel, waaronder een breuk in zijn sleutelbeen, opgelopen.\n\nVoldaan aan eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, geen culpa in causa\n\nVolgens de advocaat voldoet de door de verdachte in deze noodweersituatie verrichte verdedigingshandeling aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Tegen de aanval door het slachtoffer was immers verdediging noodzakelijk (subsidiariteit) en de verdachte heeft met zijn verdedigingshandeling de grenzen van deze noodzakelijke verdediging niet overschreden (proportionaliteit).\n\nDe verdediging was noodzakelijk, doordat de verdachte onverhoeds, in een kleine ruimte en vanaf korte afstand werd aangevallen door [slachtoffer] , die veel groter en zwaarder was dan hij. Er was in de nauwe hal geen mogelijkheid om zich aan deze aanval te onttrekken en geen andere mogelijkheid om deze aanval te pareren dan door zich te verdedigen zoals hij heeft gedaan. De grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn hierbij niet overschreden. Gelet op het fysieke krachtsverschil en het door het slachtoffer in zeer korte tijd toegepaste geweld en het toegebrachte letsel, was het verdedigingsmiddel, het steken met een mes, niet onevenredig. Hierbij speelt mee dat de verdachte zich in een zeer bedreigende situatie bevond en in een fractie van een seconde moest beslissen hoe te reageren en hoe de aanval te stoppen.\n\nTen slotte is van culpa in causa geen sprake. De verdachte heeft de fysieke aanval door [slachtoffer] immers niet uitgelokt of geïnitieerd, aldus de advocaat.\n\nConclusie\n\nDe advocaat concludeert dat de bewezenverklaarde geweldshandelingen zijn begaan uit zelfverdediging en niet strafbaar zijn, omdat deze worden gerechtvaardigd door noodweer. De verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n4.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde strafbaar is, omdat geen sprake is van een rechtvaardigingsgrond in de vorm van noodweer. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.\n\n4.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1.. \n\nHet beoordelingskader\n\nAls door de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechter onder meer de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken. Bij dit onderzoek kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag echter niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd.\n\nVoor de aanvaarding van het noodweerverweer is vereist dat de rechtbank de feitelijke grondslag daarvan voldoende aannemelijk acht. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat noodweerberoep steunt geldt niet als maatstaf dat het buiten redelijke twijfel moet zijn dat deze noodweersituatie heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.\n\n4.3.2.. \n\nDe aannemelijkheid van het noodweerscenario\n\nDe rechtbank vindt het niet aannemelijk dat:\n\nde verdachte op het moment dat [slachtoffer] op de deur bonkte messen aan het uitzoeken was waarmee hij wilde gaan koken;\n\nde verdachte op het moment dat hij de voordeur opende niet wist dat [slachtoffer] voor de deur stond;\n\nde verdachte de door hem uitgezochte messen min of meer onbewust en ongewild mee naar de voordeur heeft genomen.\n\nDe rechtbank licht dit als volgt toe.\n\nAd a)\n\nDe rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte, op het moment dat [slachtoffer] op de deur bonkte, messen aan het uitzoeken was waarmee hij wilde gaan koken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\nTen eerste heeft de verdachte wisselend verklaard over welk eten hij wilde klaarmaken, en zijn verklaring daarover aangepast aan de onderzoeksbevindingen.\n\nTen tweede heeft de politie vrijwel direct na de confrontatie tussen de verdachte en het slachtoffer de keuken in de woning van de verdachte doorzocht. Hierbij heeft de politie geen concrete aanwijzingen gevonden dat de verdachte kookvoorbereidingen aan het treffen was.\n\nTen slotte is uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte gebleken dat de verdachte kort voor de confrontatie met het slachtoffer intensief chatverkeer met zijn toenmalige vriendin had. Uit deze chatberichten blijkt dat de verdachte in zijn woning aan het wachten was op een zekere “ [naam] ”, een drugsdealer, en dat de verdachte naar de woning van zijn vriendin zou gaan zodra deze “ [naam] ” was langsgekomen. Uit de chatberichten blijkt niet dat de verdachte van plan was om, voordat hij naar de woning van zijn vriendin zou gaan, voor hen beiden in zijn woning te gaan koken.\n\nDe advocaat heeft verwezen naar het verhoor bij de politie van de toenmalige vriendin van de verdachte op 29 november 2025, waarin zij verklaart dat de verdachte die avond in zijn woning “eten zou maken voor ons twee”. De rechtbank hecht echter geen waarde aan dit onderdeel van haar verklaring, vanwege het volgende. In een eerder verhoor bij de politie, op 22 juli 2025, heeft zij alleen verklaard dat de verdachte die avond, voordat hij naar haar toe zou komen, in zijn woning “aan het wachten was”, en niet dat hij voor hen beiden eten zou gaan koken. Verder reageert zij in een afgeluisterd telefoongesprek tussen haar en de verdachte op 6 augustus 2025, als de verdachte haar vertelt dat hij die avond wilde gaan koken, met “Dat dacht ik al”. De rechtbank leidt hieruit af dat zij daarvóór nog niet wist dat de verdachte die avond wilde gaan koken.\n\nAd b)\n\nDe rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte, op het moment dat hij zijn voordeur opende, niet wist dat [slachtoffer] voor de deur stond, op grond van het volgende.\n\nIn het dossier bevinden zich camerabeelden, inclusief geluidsopnamen, van de kapperszaak die zich direct naast de woning van de verdachte bevindt. Op deze beelden is duidelijk te zien en op het geluid daarbij is te horen dat [slachtoffer] enige tijd voor de voordeur van de woning van de verdachte heeft gestaan en dat hij hierbij hard om de verdachte schreeuwt en hard op de voordeur bonkt. Dit geschreeuw en gebonk gaat door tot het moment dat de verdachte de voordeur opent. Dit betekent dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het schreeuwen en bonken op zijn weg naar de voordeur en dus ook op het moment vóórdat hij de voordeur opent luid en duidelijk heeft gehoord. Ook kan het niet anders zijn dan dat de verdachte op dat moment wist dat het [slachtoffer] was die daar stond te schreeuwen en op zijn deur stond te bonken. De verdachte kende het slachtoffer immers al jaren en had kort voor dit moment op dezelfde dag nog een telefoongesprek met hem gevoerd waarin zij ruzie hebben gemaakt. Bovendien gebruikte [slachtoffer] voor de voordeur scheldwoorden die overeenkomen met de scheldwoorden die hij eerder die dag in het telefoongesprek en kort daarvoor in chatberichten gericht aan de verdachte had gebruikt.\n\nTen overvloede merkt de rechtbank nog op dat de broer van de verdachte heeft verklaard dat hun gezamenlijke woning zeer gehorig is, zodat je in de woning de straatgeluiden duidelijk kunt horen. Dit blijkt ook uit de verklaring van de directe buurman van de verdachte dat hij vanuit zijn woning op éénhoog, voordat de voordeur door de verdachte werd opengedaan, hard geschreeuw bij de voordeur heeft gehoord.\n\nDe rechtbank gaat er, gelet op het bovenstaande, dus van uit dat de verdachte, voordat hij de voordeur opende, wist dat niet een pakketbezorger, maar [slachtoffer] voor de deur stond.\n\nAd c)\n\nDe rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte de door hem uitgezochte messen min of meer onbewust en ongewild mee naar de voordeur heeft genomen, op grond van het volgende.\n\nTen eerste acht de rechtbank het a priori onwaarschijnlijk dat iemand een groot keukenmes, laat staan twee van zulke messen, langere tijd in één hand vasthoudt zonder zich hiervan bewust te zijn. Dit geldt te meer als er met deze twee messen een relatief lange looproute wordt afgelegd, die bovendien de nodige aandacht vergt, omdat deze langs een smalle trap naar beneden loopt.\n\nTen tweede blijkt uit de foto’s in het dossier en de verklaring van de verdachte dat hij de betreffende twee messen bewust heeft uitgekozen uit meerdere andere aanwezige keukenmessen. Dit is een contra-indicatie voor het “min of meer onbewust” meenemen van deze messen naar de voordeur.\n\nTen derde heeft de politie in de woning van de verdachte op de vloer van de gang, bovenaan de trap, een ijsje aangetroffen dat door de verdachte, blijkens zijn eigen verklaring, kort daarvoor uit de vriezer was gehaald. Dit past bij het scenario dat de verdachte dit ijsje in zijn handen had toen hij gebonk hoorde op de voordeur, waarna hij het ijsje op de vloer heeft neergelegd of laten vallen en in de keuken messen is gaan uitzoeken.\n\nTen slotte acht de rechtbank, zoals onder ad a) en ad b) is uiteengezet, het niet aannemelijk dat de verdachte de messen had uitgezocht om mee te gaan koken, en ook niet dat hij niet wist dat [slachtoffer] voor de deur stond. De rechtbank acht het daarentegen aannemelijk dat de verdachte deze messen heeft uitgezocht met het oog op een aanstaande confrontatie met het [slachtoffer] , en dat hij deze messen daartoe bewust heeft meegenomen naar de voordeur.\n\nUit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt wél dat de verdachte en [slachtoffer] een (langlopend) zakelijk conflict hadden. Op 19 juli 2025 escaleerde het conflict. Beiden waren kwaad en over en weer zijn er beledigingen en bedreigingen geuit. Ongeveer twee uur na de laatste bedreigingen is [slachtoffer] naar de woning van de verdachte gegaan. Daar heeft hij al schreeuwend hard op de deur gebonkt en tegen de deur getrapt. Toen de verdachte zijn voordeur opende, is hij vrijwel direct door [slachtoffer] aangevallen. Dit onderdeel van de verklaring van de verdachte wordt bevestigd door vrijwel alle getuigen van de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] .\n\nGelet op het bovenstaande, zal de rechtbank bij het verdere oordeel over het noodweerverweer uitgaan van de situatie dat\n\ner sprake was van een langlopend conflict waarbij er op 19 juli 2025 door de verdachte en door [slachtoffer] over en weer bedreigingen en beledigingen zijn geuit;\n\n [slachtoffer] naar het huis van de verdachte is gegaan en daar hard op de deur heeft gebonkt en hard heeft geschreeuwd;\n\nde verdachte op het moment van bonken en schreeuwen wist dat [slachtoffer] woedend voor de deur stond;\n\nde verdachte met het oog op de te verwachten confrontatie met [slachtoffer] twee grote keukenmessen heeft uitgezocht en meegenomen naar de voordeur;\n\nde verdachte na het openen van de voordeur vrijwel direct door [slachtoffer] werd geduwd en geslagen;\n\nde verdachte vervolgens in de nek en bovenarm van [slachtoffer] heeft gestoken.\n\n4.3.3.. \n\nEen dreigende ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding\n\nTegen de achtergrond van het langlopende conflict en de bedreigingen en beledigingen die eerder op de dag (over en weer) zijn geuit, is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte op het moment dat [slachtoffer] hard op de voordeur van de verdachte bonkte en tegelijkertijd hard schreeuwde.\n\n4.3.4.. \n\nDe noodzakelijkheid van de verdediging (subsidiariteit)\n\nDe rechtbank dient te beoordelen of de door de verdachte in de praktijk gebrachte verdediging tegen deze dreigende aanval noodzakelijk was (de subsidiariteitseis). Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Hierbij geldt als maatstaf dat de verdediging niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk, maar óók dat de verdediging niet als noodzakelijk kan worden gezien, wanneer de verdachte bijvoorbeeld zich aan de (dreigende) aanval had kunnen en moeten onttrekken (het onttrekkingsvereiste). Van dit laatste is sprake wanneer er voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid was om zich aan de (dreigende) aanval te onttrekken, én deze onttrekking ook van de verdachte kon worden gevergd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er geen noodzaak tot verdediging was. Ten tijde van het bonken op de voordeur op de begane grond bevond de verdachte zich veilig in zijn woning op de eerste verdieping, met een werkende telefoon tot zijn beschikking. De verdachte had er, toen hij [slachtoffer] al schreeuwend op zijn voordeur hoorde bonken, voor kunnen kiezen om de voordeur niet open te doen, in zijn woning te blijven en eventueel de politie te bellen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de keuze voor dit reële en redelijke alternatief ook van de verdachte kon worden gevergd, en overweegt daartoe als volgt. De verdachte was die dag in een hoog oplopend conflict met het slachtoffer verwikkeld, waarbij over en weer forse beledigingen en bedreigingen werden geuit. De verdachte heeft, toen hij het slachtoffer ongeveer twee uur na de laatste bedreigingen op zijn voordeur hoorde bonken en schreeuwen, twee grote keukenmessen uitgezocht en deze meegenomen naar de voordeur. De verdachte ging er blijkbaar van uit dat, als hij de voordeur zou openen, een confrontatie met het slachtoffer zou volgen waarvoor hij deze keukenmessen nodig had. De verdachte anticipeerde hiermee, voordat hij de voordeur opendeed, op een dreigende fysieke aanval door het slachtoffer.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank had de verdachte niet met twee grote keukenmessen in de hand de confrontatie met het slachtoffer aan moeten gaan, maar deze confrontatie uit de weg moeten gaan en een van de hierboven geschetste alternatieven moeten beproeven. Deze confrontatie kon immers, volgens zijn eigen inschatting, levensbedreigende gevolgen hebben voor hemzelf en\u002Fof het slachtoffer.\n\nDe verdachte is echter de confrontatie met het slachtoffer aangegaan, met de twee grote keukenmessen in de hand. Na de aanval door het ongewapende slachtoffer heeft de verdachte hem met de meegebrachte messen gedood. Dit kan niet worden gerechtvaardigd of verontschuldigd door de aanval van het slachtoffer, omdat de verdachte de voor hem risicoloze alternatieven had moeten kiezen en dus de voordeur niet open had moeten doen en eventueel de politie had moeten bellen.\n\n4.3.5.. \n\nConclusie en kwalificatie\n\nDe rechtbank concludeert dat er voor de verdachte geen noodzaak was tot verdediging\n\nen daarom strandt het beroep op noodweer.\n\nOmdat ook verder geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, is dit strafbaar en levert het volgens de wet het volgende strafbare feit op:\n\ndoodslag.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\n5.1.. Het standpunt van de advocaat\n\nDe advocaat heeft bepleit de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat het bewezenverklaarde wordt verontschuldigd door noodweerexces.\n\n5.2.. Het standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte strafbaar is, omdat geen sprake is van een schulduitsluitingsgrond in de vorm van noodweerexces.\n\n5.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft onder 4.3. geconcludeerd, dat aan de verdachte geen beroep op noodweer toekomt, omdat er geen noodzaak tot verdediging was. Dit betekent dat ook een beroep op noodweerexces niet kan slagen.\n\nEr is verder geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.\n\n6. De straf\n\n6.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:\n\neen gevangenisstraf van 13 jaar, met aftrek van het voorarrest;\n\nde gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van strafrecht (Sr);\n\neen contactverbod met de nabestaanden en een locatieverbod voor de gemeente De Meern (op grond van artikel 38z Sr).\n\nDe officier van justitie heeft hierbij verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.\n\n6.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd, omdat geen enkele straf aanvaardbaar is voor de verdachte.\n\nTen aanzien van de voorlopige hechtenis heeft de advocaat primair bepleit deze op te heffen, vanwege de bepleite vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging.\n\nSubsidiair heeft de advocaat verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen, onder verwijzing naar de motivering door de rechtbank van de schorsingsbeslissing van 15 januari 2026 en de verslechterde gezondheidstoestand van de verdachte, zoals deze onder 6.3.5. zal worden besproken.\n\n6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n6.3.1.. \n\nInleidende opmerkingen\n\nBij de oplegging van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.\n\n6.3.2.. \n\nDe ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag van [slachtoffer] , een man van 39 jaar oud, in de kracht van zijn leven. De verdachte heeft door zijn handelen [slachtoffer] het meest fundamentele recht dat een mens heeft, het recht op leven, ontnomen. Hij heeft ook de nabestaanden van [slachtoffer] hierdoor onherstelbaar leed berokkend en hun leven blijvend en ingrijpend veranderd. Zij zullen moeten leven zonder hun geliefde vader, partner, kind, broer, zwager en vriend.\n\n [benadeelde 1] , de partner van het slachtoffer, heeft ter zitting indringend verklaard hoe groot de verslagenheid en het verdriet was én is vanwege de gewelddadige dood en het plotselinge verlies van [slachtoffer] en het gemis dat deze onomkeerbare daad bij haar en haar gezin heeft veroorzaakt. Er is onzekerheid over alles, over de basisveiligheid. Hun gezin is voor altijd en blijvend ontwricht. Voor [benadeelde 4] en [benadeelde 5] was [slachtoffer] een held, een voorbeeld, een rots in de branding. Zij zullen verder moeten zonder hun liefdevolle vader.\n\nDat [slachtoffer] geliefd was en dagelijks gemist wordt, blijkt ook uit de aanwezigheid van veel nabestaanden bij de zittingen.\n\nDe rechtbank weegt verder mee dat het door de verdachte gepleegde feit niet alleen voor de nabestaanden een traumatische ervaring is, maar mogelijk ook voor degenen die daarvan getuige zijn geweest. De doodslag vond plaats in een drukke straat met winkels en horeca, waardoor veel omstanders hiervan getuige zijn geweest. De verdachte heeft daardoor, in forse mate bijgedragen aan angstgevoelens in de samenleving.\n\nDe reden voor de doodslag was een escalatie van een zakelijk conflict. Het slachtoffer heeft de verdachte, na telefonische bedreigingen over en weer, bij zijn woning opgezocht en heeft al schreeuwend op de voordeur van de verdachte staan bonken. De verdachte heeft vervolgens twee grote keukenmessen gepakt en is hiermee bewapend de confrontatie met het slachtoffer aangegaan. Tijdens het daaropvolgende gevecht heeft de verdachte het ongewapende slachtoffer meermalen gestoken, onder meer in zijn nek en bovenarm. De verdachte heeft hiermee het conflict geëscaleerd naar doodslag en alleen hij is daardoor verantwoordelijk voor de dood van het slachtoffer. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij in plaats van deze verantwoordelijkheid op zich te nemen, de verantwoordelijkheid voor de doodslag bij het slachtoffer legt.\n\nDe rechtbank rekent dit alles de verdachte zeer ernstig aan.\n\n6.3.3.. \n\nDe persoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.\n\nDe reclassering heeft op 19 mei 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Uit het rapport blijkt dat de verdachte tot aan het moment dat hij in het kader van de onderhavige zaak in detentie kwam geen maatschappelijke problemen ervoer. De reclassering maakt zich wel zorgen over het middelengebruik van de verdachte. De verdachte gebruikt veelvuldig alcohol en cocaïne. Desondanks kan de reclassering het risico op recidive niet inschatten, omdat zij maar beperkt zicht heeft gekregen op risicoverhogende en delictgerelateerde factoren. De reclassering adviseert bij een strafoplegging geen bijzondere voorwaarden op te leggen, vanwege de slechte gezondheid van de verdachte.\n\nUit de door de advocaat verstrekte medische stukken over de verdachte blijkt dat de verdachte terminaal ziek is. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat het erg slecht met hem gaat.\n\n6.3.4.. \n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank stelt voorop dat geen enkele straf of maatregel kan terugdraaien wat er is gebeurd of het verdriet en de pijn van de nabestaanden kan wegnemen of verzachten.\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor doodslag, een van de ernstigste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht, waarvoor binnen de rechtspraak doorgaans een zeer forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De rechtbank houdt er rekening mee wat in andere, vergelijkbare zaken voor straffen zijn opgelegd.\n\nBovendien heeft de wetgever het strafmaximum voor doodslag per 1 juli 2023 verhoogd van 15 jaar naar 25 jaar, om dit meer in balans te brengen met de strafmaxima van andere ernstige geweldsdelicten en meer recht te doen aan de ernst van doodslag. De rechtbank ziet hierin reden om zwaarder te straffen dan vóór deze wetswijziging in vergelijkbare zaken is gedaan.\n\nDe rechtbank zal bij de oplegging van de straf geen rekening houden met de slechte gezondheid van de verdachte. Deze slechte gezondheid doet immers niets af aan de ernst van het bewezenverklaarde, zoals deze in paragraaf 6.3.2. is uiteengezet, en de schuld van de verdachte hieraan.\n\nDe rechtbank zal bij de oplegging van de straf ook geen rekening houden met het achterliggende conflict tussen de verdachte en [slachtoffer] en de rol van [slachtoffer] daarin. Zoals in paragraaf 6.3.2. is uiteengezet, is alleen de verdachte verantwoordelijk voor de escalatie van het conflict, die heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] .\n\nDe rechtbank zal, alles overwegende, conform de eis van de officier van justitie, aan de verdachte een gevangenisstraf van 13 jaar opleggen, met aftrek van voorarrest.\n\nDe rechtbank zal de door de officier van justitie geëiste gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (op grond van artikel 38z Sr) niet opleggen. De rechtbank ziet hiervoor onvoldoende recidivegevaar, nu de doodslag plaatsvond binnen de specifieke context van een persoonlijk conflict. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het niet mogelijk is om nu in de strafzaak op grond van artikel 38z Sr een contact- en locatieverbod op te leggen. De inhoud van een dergelijke maatregel wordt pas ingevuld na een vordering tot tenuitvoerlegging aan het einde van de gevangenisstraf.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.\n\n6.3.5.. \n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe verdachte is per 16 januari 2026 geschorst uit de voorlopige hechtenis. De rechtbank zal aan de verdachte een straf opleggen die de duur van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht overstijgt. Dit betekent dat de verdachte naar de gevangenis moet als deze uitspraak onherroepelijk is.\n\nDe vraag die de rechtbank ook moet beantwoorden is of de verdachte weer in voorlopige hechtenis moet worden genomen en de schorsing van de voorlopige hechtenis dus moet worden opgeheven. Dit zou betekenen dat de verdachte nu direct, voordat de zaak onherroepelijk is, terug naar de gevangenis moet. De rechtbank benadrukt dat dit een andere vraag is dan de vraag welke straf passend is voor wat de verdachte heeft gedaan. De rechtbank heeft, zoals hierboven weergegeven, geoordeeld dat aan verdachte een gevangenisstraf van 13 jaren wordt opgelegd.\n\nDe officier van justitie vindt dat de verdachte weer in voorlopige hechtenis moet worden genomen en stelt dat sprake is van een andere situatie dan ten tijde van de schorsing van verdachte eerder dit jaar. Die schorsing was volgens de officier van justitie ingegeven door onderzoeken en de start van de behandeling, die de verdachte moest ondergaan. Er is nu geen duidelijke prognose wanneer verdachte komt te overlijden en de behandeling is levensverlengend. Dit persoonlijke belang vindt de officier van justitie niet zwaarder wegen dan het belang van strafvordering en dus ook de samenleving bij het benemen van de vrijheid van verdachte.\n\nDe advocaat heeft bepleit dat het onmenselijk zou zijn om de verdachte – in zijn huidige toestand – terug te sturen naar de gevangenis.\n\nDe advocaat heeft verder verzocht de voorwaarden van de schorsing aan te passen, in die zin dat een identiteitsbewijs aan de verdachte zal worden teruggegeven. De verdachte ondervindt er in het dagelijks leven en bij zijn medische behandeling veel praktische hinder van dat hij geen enkel identiteitsbewijs tot zijn beschikking heeft, en wil te zijner tijd, bijvoorbeeld bij verdere verslechtering van zijn gezondheid, naar Marokko kunnen reizen.\n\nBij de beslissing over de voorlopige hechtenis gaat het om een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. Bij het maken van die belangenafweging staat voorop dat voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast. De enkele omstandigheid dat bij het vonnis een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van langere duur dan de al ondergane voorlopige hechtenis, is geen toereikende grond voor de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Met andere woorden: het gegeven dat er aan de verdachte een lange gevangenisstraf is opgelegd waarvan hij nog een (groot) deel moet uitzitten, zoals in deze zaak, is onvoldoende om de verdachte direct weer vast te zetten. Ook in dat geval moet de beslissing tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis berusten op een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte.\n\nIn deze zaak betrekt de rechtbank het volgende bij de afweging van belangen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat, gelet op de inhoud van dit vonnis, nog steeds sprake is van ernstige bezwaren. Gelet op de huidige gezondheidstoestand van de verdachte en de specifieke context waarin het bewezenverklaarde feit zich heeft afgespeeld, is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen gevaar voor herhaling meer is. De twaalfjaarsgrond (met geschokte rechtsorde) is nog wel onverkort aanwezig. En met dit veroordelend vonnis zijn de belangen van strafvordering in gewicht toegenomen.\n\nDeze belangen van strafvordering weegt de rechtbank af tegen de volgende persoonlijke belangen van de verdachte. De verdachte is terminaal ziek, zoals blijkt uit de door de advocaat overgelegde medische stukken en zijn toelichting ter zitting.\n\nDe verdachte heeft kleincellige longkanker (SCLC - Small Cell Lung Cancer), een van de agressiefste vormen van longkanker. De ziekte bevindt zich in stadium IV, wat het hoogste en ernstigste stadium is: de kanker heeft zich al buiten de longen verspreid naar andere organen, waaronder de lymfeklieren in het mediastinum (het gebied tussen de longen, rondom het hart), de hersenen (hersenmetastasen), de alvleesklier (pancreas) en de wervelkolom. Dit laatste is medisch zeer ernstig, omdat dit druk op het ruggenmerg veroorzaakt en tot ernstige zenuwpijn leidt. De verdachte gebruikt hiervoor zware pijnstillers.\n\nDe verdachte ondergaat behandelingen die gericht zijn op levensverlenging, niet op genezing. Verdachte verklaarde op zitting dat het heel slecht met hem gaat, hij de hele dag pijn heeft en bijna de hele dag in bed doorbrengt. Dat de gezondheid van de verdachte is verslechterd de afgelopen maanden, was ook op de zitting zichtbaar voor de rechtbank.\n\nHet belang van verdachte om in vrijheid zijn proces af te wachten is er in gelegen dat hij in vrijheid zijn behandelingen kan ondergaan en het laatste stuk van zijn leven, met de continue pijn en achteruitgang die daarmee gepaard gaat, in zijn eigen huis en in aanwezigheid van zijn familie kan doorbrengen.\n\nAlles afwegende weegt op dit moment het belang van de verdachte zwaarder dan het strafvorderlijk belang. De rechtbank zal de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis dan ook afwijzen.\n\nWel zal de rechtbank de schorsingsvoorwaarde wijzigen, in die zin dat de verdachte zich niet mag begeven in de wijk [wijk] van Utrecht (i.p.v. gemeente De Meern).\n\nAnders dan de advocaat ziet de rechtbank geen reden om de overige bijzondere voorwaarden te wijzigen. De rechtbank zal de overige bijzondere voorwaarden in stand laten.\n\n7. De in beslag genomen goederen\n\nDe in deze paragraaf vermelde voorwerpen zijn genummerd en omschreven volgens de beslaglijst in het dossier van 2 juni 2026.\n\n7.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de volgende in beslag genomen voorwerpen te onttrekken aan het verkeer:\n\n1) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562050)\n\n2) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562047).\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de volgende in beslag genomen voorwerpen terug te geven aan de rechthebbende, zijnde de verdachte:\n\n3) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL10900-2025244684-3562093, zwart, merk: L2 Sunmi), rechthebbende: de verdachte.\n\n5) 1 STK Computer (Omschrijving: PL10900-2025244684-3562099, zwart, merk: TCL).\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd het volgende in beslag genomen voorwerp terug te geven aan de rechthebbende, zijnde [A] :\n\n4) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562097, blauw, merk: Oppo).\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de rechthebbende is van de telefoon van het merk Oppo met goednummer PL0900-2025244684-3562097, en niet [A] .\n\nDe advocaat heeft verder geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de volgende voorwerpen onttrekken aan het verkeer, omdat met behulp van deze voorwerpen de bewezen verklaarde doodslag is gepleegd, en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang:\n\n1) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562050)\n\n2) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562047).\n\nDe rechtbank zal de volgende voorwerpen teruggeven aan de rechthebbende, te weten de verdachte.\n\n3) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562093, zwart, merk: L2 Sunmi);\n\n4) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562097, blauw, merk: Oppo);\n\n5) 1 STK Computer (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562099, zwart, merk: TCL).\n\nAnders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ook de rechthebbende is van de Oppo-telefoon met goednummer PL0900-2025244684-3562097, die immers in de woning van de verdachte is aangetroffen.\n\n8. De vorderingen door benadeelde partijen\n\n8.1.. De vorderingen\n\n8.1.1.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nNabestaande [benadeelde 1] (partner van het slachtoffer) heeft als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van de verdachte een bedrag van\n\n€ 239.651,50 vordert, als vergoeding voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\nDit gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n- € 189.651,50 € 189.651,50 als vergoeding voor materiële schade, bestaande uit:\n\n € 14.651,50 als vergoeding voor kosten voor lijkbezorging;\n\n € 175.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;\n\n- € 50.000,- € 50.000,- als vergoeding voor immateriële schade, bestaande uit:\n\n € 20.000,- als vergoeding voor affectieschade;\n\n € 30.000,- als vergoeding voor schokschade.\n\n8.1.2.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 5]\n\nNamens de minderjarige nabestaande [benadeelde 5] (dochter van het slachtoffer) is als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin van de verdachte een bedrag van € 40.000,- wordt gevorderd, als vergoeding voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\nDit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade (affectieschade).\n\n8.1.3.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nNamens de minderjarige nabestaande [benadeelde 4] (zoon van het slachtoffer) is als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin van de verdachte een bedrag van € 40.000,- wordt gevorderd, als vergoeding voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\nDit gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade (affectieschade).\n\n8.1.4.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nNabestaande [benadeelde 3] (moeder van het slachtoffer) heeft als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van de verdachte een bedrag van € 17.500,- vordert, als vergoeding voor de immateriële schade (affectieschade) die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\n8.1.5.. \n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partijen vorderen tevens een verhoging van de gevorderde bedragen met de verschuldigde wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n8.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen, met uitzondering van de posten die betrekking hebben op gederfd levensonderhoud, omdat deze niet zijn onderbouwd.\n\n8.3.. Het standpunt van de verdediging\n\n8.3.1.. \n\nTen aanzien van alle vorderingen\n\nDe verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, omdat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde doodslag of dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\nSubsidiair heeft de advocaat verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de posten die betrekking hebben op gederfd levensonderhoud, omdat deze niet zijn onderbouwd.\n\nBij toewijzing van (een deel van) de vorderingen heeft de advocaat verzocht om op grond van artikel 6:101 BW jo. 6:108 lid 5 BW op alle posten een “eigen schuld”-correctie toe te passen tussen de 50% en 75% van het gevorderde bedrag. De gedragingen van het slachtoffer hebben immers in vergaande mate bijgedragen aan het ontstaan van de schadeveroorzakende gebeurtenis, aldus de advocaat.\n\n8.3.2.. \n\nTen aanzien van de vordering door [benadeelde 1]\n\nDe advocaat heeft bepleit de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, voor zover deze betrekking heeft op een vergoeding voor schokschade. De directe confrontatie van deze benadeelde partij met de gevolgen van de ten laste gelegde doodslag was immers niet onverhoeds en onvermijdbaar, waardoor toekenning van een vergoeding voor schokschade niet op zijn plaats is.\n\n8.4.. Het oordeel van de rechtbank\n\n8.4.1.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse schade heeft geleden.\n\nDe materiële schade\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “kosten voor lijkbezorging” toe, omdat de gestelde schade (€ 14.651,50) voldoende is onderbouwd en niet inhoudelijk is betwist.\n\nDe rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.\n\nDe immateriële schade.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) en artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Het gevorderde bedrag van\n\n€ 20.000,- is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “schokschade” gedeeltelijk toe, tot een bedrag van € 15.000,-. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\nVergoeding van schokschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door de directe (visuele) confrontatie met de ernstige gevolgen van een strafbaar feit. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het strafbare feit is gedood.\n\nDe benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlagen daarbij de vordering tot vergoeding van schokschade onderbouwd. Ook is de vordering op dit punt ter terechtzitting nader toegelicht.\n\nDe rechtbank stelt op grond van deze onderbouwing vast dat de bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de directe visuele confrontatie met de directe gevolgen van de doodslag op haar partner, toen zij de televisiebeelden bekeek die voor het televisieprogramma Bureau Utrecht zijn gemaakt. Deze televisiebeelden bekeek zij, omdat zij wilde voorkomen dat het dode lichaam van haar partner herkenbaar op televisie te zien zou zijn. De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van de benadeelde partij kon worden gevergd eventuele schokschade te voorkomen, door niet naar deze beelden te kijken.\n\nUit de onderbouwing blijkt verder dat de benadeelde partij inmiddels geestelijke klachten heeft die passen bij een posttraumatische stressstoornis.\n\nDe rechtbank realiseert zich dat niet vastgesteld kan worden in hoeverre dit geestelijk letsel bij de benadeelde partij is veroorzaakt door de doodslag zelf en de daardoor veroorzaakte leed, verdriet en angst (affectieschade), en in hoeverre dit geestelijk letsel is veroorzaakt door het bekijken van de televisiebeelden (schokschade). Dit staat er echter niet aan in de weg dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden schokschade schattenderwijs kan vaststellen.De rechtbank stelt, alles overwegende, de door de benadeelde partij geleden schokschade vast op € 15.000,- en zal deze post van haar vordering tot dit bedrag toewijzen.\n\nDe benadeelde partij zal ten aanzien van deze post voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit gedeelte van de vordering kan zij bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nTotaal\n\nDe rechtbank waardeert de totale te vergoeden materiële en immateriële schade op\n\n€ 49.651,50 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.\n\n8.4.2.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 5] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse schade heeft geleden.\n\nDe materiële schade\n\nDe rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.\n\nDe immateriële schade.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\n8.4.3.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 4] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nDe materiële schade\n\nDe rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.\n\nDe immateriële schade.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\n8.4.4.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 3] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-.\n\n8.4.5.. \n\nGeen eigen schuld\n\nDe rechtbank zal op de toe te wijzen schadevergoedingen geen eigen schuld-correctie toepassen, omdat niet is gebleken van een gedraging door het slachtoffer die heeft bijgedragen aan het ontstaan van de door de benadeelde partijen geleden schade.\n\n8.4.6.. \n\nDe wettelijke rente\n\nDe hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden, worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, te weten 19 juli 2025 voor de affectieschade en schokschade en 28 september 2025 voor de kosten voor lijkbezorging.\n\n8.4.7.. \n\nDe schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar de Staat dit voor hen doet.\n\nDe verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.\n\n8.4.8.. \n\nGijzeling\n\nAls de verdachte de schadevergoedingen niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast.\n\nHet toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van de verplichting tot betaling van de schadevergoedingen, maar dient slechts als prikkel tot nakoming van die verplichting. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoedingen te betalen.\n\nIn totaal mag niet meer dan één jaar (365 dagen) gijzeling worden opgelegd. Gelet op het totale bedrag waarvoor de schadevergoedingsmaatregelen in de onderhavige zaak worden opgelegd, zou het aantal dagen gijzeling, opgeteld per maatregel, het maximum van één jaar overschrijden. De rechtbank zal daarom het aantal dagen gijzeling per schadevergoedingsmaatregel naar evenredigheid vaststellen, uitgaande van een totaalmaximum van 365 dagen.\n\n8.4.9.. \n\nDe proceskosten\n\nVerdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.\n\n9. De toegepaste wetsartikelen\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36f, 60a en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;\n\n- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.3.5. is vermeld;\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\noplegging straf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 (dertien) jaren;\n\n- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbeslag\n\n- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:\n\n1) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562050);\n\n2) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562047);\n\n- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:\n\n3) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562093, zwart, merk: L2 Sunmi);\n\n4) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562097, blauw, merk: Oppo);\n\n5) 1 STK Computer (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562099, zwart, merk: TCL;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 1]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 49.651,50, bestaande uit een vergoeding van € 14.651,50 voor materiële schade en een vergoeding van € 35.000,- voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van € 14.651,50 vanaf 25 september 2025 en over het bedrag van € 35.000,- vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 49.651,50 te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] , vermeerderd met de wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van € 14.651,50 vanaf 25 september 2025 en over het bedrag van € 35.000,- vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet-betaling aan te vullen met 169 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;\n\nverklaart [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 5]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.000,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 5] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 20.000,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 68 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;\n\nverklaart [benadeelde 5] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 4]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.000,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 20.000,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 68 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;\n\nverklaart [benadeelde 4] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 3]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] toe tot een bedrag van € 17.500,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 17.500,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 60 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nwijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis;\n\nwijzigt de bij bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van 15 januari 2026 opgelegde\n\nvoorwaarden in die zin dat de voorwaarden komen te luiden:\n\n1. de verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen;\n\n2. indien de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zal de verdachte zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan;\n\n3. de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel l van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;\n\n4. de verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken;\n\n5. de verdachte zal verschijnen op iedere oproep van politie en justitie;\n\n6. de verdachte zal bij wijziging van zijn adres het nieuwe adres schriftelijk doorgeven aan de officier van justitie;\n\n7. de verdachte heeft alle op zijn naam staande paspoorten en identiteitsbewijzen ingeleverd bij het Openbaar Ministerie;\n\n8. de verdachte zal Nederland niet verlaten;\n\n9. de verdachte zal op geen enkele wijze, direct of indirect, contact opnemen, zoeken of hebben met de volgende personen:\n\n- [benadeelde 1] , geboortedatum [1989] ;\n\n- [benadeelde 5] , geboortedatum [2016] ;\n\n- [benadeelde 4] , geboortedatum [2018] .\n\nDe politie ziet toe op handhaving van dit verbod;\n\n10. de verdachte zal zich niet begeven in de wijk [wijk] van de gemeente Utrecht. De politie ziet toe op handhaving van dit verbod.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mr. J.E.S. Dolmans en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van A. van der Zwan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juni 2026.\n\nBijlage I: de tenlastelegging\n\nAan verdachte wordt ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 19 juli 2025 te Utrecht, [slachtoffer] (geboren [1985] ), opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen, althans eenmaal, met kracht met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de nek en\u002Fof de bovenarm, althans in\n\nhet lichaam, van die [slachtoffer] te snijden\u002Fte steken.\n\nBijlage II: De bewijsmiddelen\n\nDe politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:\n\nOp zaterdag 19 juli 2025 omstreeks 20:10 uur, reed ik samen met collega [verbalisant] op de [straat] te [woonplaats] ter hoogte van huisnummer [huisnummer] . Ik zag dat er een man vanaf links, de weg op liep. Ik zag dat de man midden op de weg ging staan. Ik zag dat de man zijn linkerhand op zijn op de linkerkant van zijn keel gedrukt had. Ik zag dat er uit de linkerkant van de nek van de man extreem veel bloed spoot. Ik zag aan zijn blik dat de man duidelijk in paniek was. Ik zag dat de man naar de bijrijdersdeur van ons dienstvoertuig liep.\n\nIk zag dat er een bloedspoor op de grond lag vóór ons dienstvoertuig. Ik zag dat dit bloedspoor richting de woning van de [adres] ging. Ik zag dat er bloed op de muur naast de voordeur van de [adres] zat. Ik zag dat er een mannelijk persoon uit de deur kwam lopen. Hierna zal ik deze persoon noemen als zijnde verdachte. Ik hoorde dat de verdachte zei: “Ik ben hierbij betrokken” of woorden van gelijke strekking.Ik hoorde de verdachte het volgende zeggen of woorden van gelijke strekking: - ik heb hem neergestoken; - het mes waarmee ik hem heb neergestoken, ligt achter de voordeur. Verdachte: [verdachte] , geboortedatum [1982] te [geboorteplaats] . Ik zag dat de man die eerder bloedend over straat liep, aan de overkant van de straat op de grond lag.\n\nIk ben vervolgens aan de rugzijde van de man gaan zitten en plaatste mijn linkerhand op zijn buik en mijn rechterhand op zijn rug om de ademhaling in de gaten te houden. Na ongeveer een minuut voelde ik dat de man niet meer ademde. Samen met collega’s heb ik de man op zijn rug gedraaid en ben ik de traumatische reanimatie van de man gestart. Omstreeks 20.20 uur was de ambulance ter plaatse en hebben de reanimatie overgenomen en omstreeks 20.35 uur, zag ik dat het Mobiel Medisch Team ter plaatse kwam en ondersteunde bij de reanimatie. Om 20.46 uur hoorde ik de arts van het Mobiel Medisch Team zeggen dat de man was overleden.\n\nDe overledene bleek later te zijn genaamd: [slachtoffer] , geboren op [1985] te [geboorteplaats] .\n\nOp zondag 20 juli 2025 om 12:30 uur kwam ik voor forensisch onderzoek aan op de locatie [straat] ter hoogte van nummer [huisnummer] .\n\nBegane grond (hal):\n\nBij het openen van de deur kwam ik terecht in een hal. Aan het einde van de hal zag ik een wit geverfde, steile trap naar boven.\n\nTegen de linker muur, op de vloer tegen het stootbord van de eerste traptrede, zag ik een vuilniszak liggen. Ik zag achter de vuilniszak, tegen de muur aan twee handvaten uitsteken, van messen. Ik heb eerst het voorste mes (het mes wat het meest tegen de vuilniszak aanlag) veiliggesteld. Ik zag dat het om een mes ging met een zwart heft en een wit lemmet. Ik zag dat het lemmet circa 18 cm lang was. Over het gehele lemmet zag ik bloedsporen.\n\nAchter dit mes, tegen de muur aan, zag ik een tweede mes. Ik zag dat het om een mes ging met een zwart heft en zwart lemmet. Ik zag dat het lemmet circa 18 cm lang was. Op het lemmet zag ik bloedsporen.\n\nGetuige [getuige] heeft het volgende verklaard:\n\nVandaag op zaterdag 19 juli 2025 ging ik een stukje wandelen door de buurt samen met mijn moeder. Ik liep op de [straat] in de richting van de stad. Ik zag dat er een busje geparkeerd stond recht voor de deur van de [adres] .Ik zag dat er een grote man rondom het busje liep. Ik hoorde hem hard schreeuwen. Ik zag dat de man richting de deur van de [adres] liep. Ik zag dat de deur werd geopend door een kleine man. Ik zag dat er een worsteling ontstond tussen de grote man en de kleine man. Ik zag dat de kleine man een mes in zijn rechterhand vasthield.\n\nIk zag dat de kleine man het mes meerdere malen in de nek van de lange man stak. Ik zag dat er meerdere keren kort achter elkaar in de nek van de lange man werd gestoken.\n\nIk zag dat de grote man naar buiten kwam lopen. Ik zag dat er extreem veel bloed uit de nek kwam van de grote man.\n\nIn een deskundigenrapport van het NFI staat het volgende:\n\nOverledene: [slachtoffer] , geboortedatum [1985] .\n\nResultaten uit- en inwendige schouwing:\n\nAan de hals links, op circa 170 cm van de voetzolen en circa 7 cm van het midden, was een lijnvormige scherprandige huidperforatie van circa 4,2 cm. Hierbij was een naar rechts, onderwaarts en voorwaarts gericht steekkanaal met een diepte van circa 9 cm. Bij het steekletsel was er onder meer perforatie van de linker oppervlakkige halsader, een aftakking van de linker diepe halsader, een vertakking van de linker halsslagader en het strottenhoofd. Aan de hals links, op circa 165,5 cm van de voetzolen en circa 6 cm van het midden, was een lijnvormige scherprandige huidperforatie van circa 2,0 cm. Hierbij was een naar rechts, onderwaarts en voorwaarts gericht steekkanaal met een diepte van circa 5 cm. Bij het steekletsel was er onder meer perforatie van de linker oppervlakkige halsader en diepere weke delen.Deze steekletsels hebben geleid tot ernstig bloedverlies. Ook zijn hierbij functiestoornissen te verwachten van de ademhaling en de longen (door inademing van bloed bij de perforatie van het strottenhoofd), alsook van het hart (mede door aanzuiging van lucht via de geperforeerde halsaders). Op basis hiervan wordt het overlijden zonder meer verklaard.\n\nDe verdachte heeft verklaard, zakelijk weergegeven:\n\nIk had koksmessen vast.\n\nToen ik de deur open deed zag ik [slachtoffer] voor de deur staan.\n\nIk heb hem gestoken.\n\n HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1633.\n\n Zie ECLI:NL:HR:2022:1416.\n\nHR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987.\n\n Zie ECLI:NL:HR:2023:1495.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-202544684, doorgenummerd pagina 1 tot en met 601, met als bijlage een Forensisch dossier, apart doorgenummerd pagina 1 tot en met 286. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pag. 12.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pag. 13.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pag. 15.\n\n Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [woonplaats] ), Forensisch dossier pag. 127.\n\n Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [woonplaats] ), Forensisch dossier pag. 129.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 52.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 53.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 54.\n\n Een deskundigenrapport Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden, d.d. 11 augustus 2025, Forensisch dossier pag. 100.\n\n Een deskundigenrapport Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden d.d. 11 augustus 2025, Forensisch dossier pag. 101.\n\n Een deskundigenrapport Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden d.d. 11 augustus 2025, Forensisch dossier pag. 103.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 142.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 596.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3784","2026-07-13T00:29:35.582Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":73,"fullText":74,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":76,"parsedAt":30,"updatedAt":77},"1583","ECLI:NL:RBMNE:2026:3992","ecli-nl-rbmne-2026-3992","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F225832-25\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 29 juni 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] (Marokko),\n\nverblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats]\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 15 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. A. Bakker;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. R.J. Jager (hierna: de advocaat);\n\nde benadeelde partij: [aangever] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partij: mr. R.E.H. Jager.2. Beoordeling door de rechter\n\nHet strafbare feit (of feiten) waarvan een verdachte door de officier van justitie wordt beschuldigd staan in de ‘tenlastelegging’. Bij het beoordelen van die beschuldiging moet de rechter op grond van de wet een aantal vragen beantwoorden. De rechter doet dat op basis van die tenlastelegging (hierna: de beschuldiging) en naar aanleiding van het onderzoek op de zitting.\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte er, na wijziging van de beschuldiging, van dat zij, samengevat:\n\nop 19 augustus 2025 in Utrecht heeft geprobeerd opzettelijk [aangever] van het leven te beroven;\n\nen voor het geval die beschuldiging niet tot een veroordeling zou leiden (subsidiair):\n\nopzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;\n\nen voor het geval ook die beschuldiging niet tot een veroordeling zou leiden (meer subsidiair): heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.\n\nDe vragen die de rechter moet beantwoorden zijn de volgende. De rechter moet eerst beoordelen of bewezen is dat de tenlastegelegde feiten door de verdachte zijn begaan (zie paragraaf 3 ‘Bewijs’) en, zo ja, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens de wet oplevert (zie paragraaf 4 ‘Strafbaarheid en kwalificatie van het feit’). Als wordt aangenomen dat de feiten bewezen en strafbaar zijn, dan moet de rechter oordelen over de strafbaarheid van de verdachte (zie paragraaf 5 ‘Strafbaarheid van de verdachte’) en over de oplegging van een straf of maatregel. Tenslotte moet de rechter oordelen over goederen die onder de verdachte in beslag zijn genomen (zie paragraaf 6, ‘In beslag genomen voorwerpen’).3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd [aangever] van het leven te beroven.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte van alle beschuldigingen vrij te spreken.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nInleiding\n\nDe rechtbank moet dus eerst beoordelen of bewezen is dat de verdachte op 19 augustus 2025 in Utrecht heeft geprobeerd opzettelijk [aangever] (hierna: [aangever] ) van het leven te beroven, dat zij hem zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht of dat laatste heeft geprobeerd. De verdediging heeft ook nog aangevoerd dat er sprake was van noodweer; dat de verdachte zich moest verdedigen tegen een aanval van [aangever] . Dat standpunt van de verdediging zal later in dit vonnis worden besproken, namelijk bij de vraag of de verdachte strafbaar is (zie paragraaf 5 ‘Strafbaarheid van de verdachte’).\n\n3.3.2.. \n\nWat is er gebeurd?\n\n [aangever] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 19 augustus 2025 door de verdachte in haar auto werd afgesneden, dat de verdachte is uitgestapt, naar hem toe kwam lopen, zei dat zij hem dood ging maken, een vloeistof in zijn gezicht heeft gespoten en in zijn nek heeft gestoken. De verdachte had daarbij twee messen in de hand. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring van [aangever] over (de volgorde van) de gebeurtenissen niet kan kloppen. De getuige [getuige] heeft namelijk gezien dat de man (de rechtbank begrijpt: [aangever] ) bij de auto stond en rustig in gesprek was. Iets later zag hij dat de vrouw op de bestuurdersstoel van de auto zat en wilde uitstappen. De getuige zag een snelle armbeweging vanuit de man in de richting van de vrouw. De rechtbank ziet geen reden om aan de verklaring van getuige [getuige] te twijfelen. Dit betekent dat niet vast staat dat de verdachte eerst is uitgestapt, naar [aangever] toe is komen lopen en daarna heeft gestoken. Dit betekent ook dat de rechtbank de aangifte van [aangever] niet goed kan gebruiken voor de vaststelling hoe de verdachte heeft gestoken en in welke situatie dat gebeurde.\n\nHieronder is het bewijs weergegeven dat de rechtbank wel gebruikt. De rechtbank stelt op grond van dat bewijs het volgende vast. Op 19 augustus 2025 heeft de verdachte aangever getroffen vlakbij zijn woning. Tussen hen is een worsteling ontstaan. Op enig moment tijdens deze worsteling heeft de verdachte een of meer stanleymessen in haar handen gehad. Aangever heeft hierdoor ernstig letsel aan zijn hals en aan zijn rechterhand en letsel aan zijn buik en arm opgelopen. Ook heeft de verdachte aangever met pepperspray in zijn gezicht gespoten.\n\n3.3.3.. Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte aangever opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:\n\nDe verdachte heeft – zakelijk weergegeven – op de zitting van 15 juni 2026 verklaard:\n\nOp 19 augustus 2025 zat ik in Utrecht in mijn auto. Ik heb toen met een of meer stanleymessen gezwaaid waardoor [aangever] letsel heeft opgelopen.\n\nEen proces-verbaal van aangifte van [aangever] , voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:\n\nOp 19 augustus 2025 was ik op mijn kamer op de [straat] te Utrecht.Toen ik buiten kwam, zag ik het voertuig van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte [verdachte] ) rijden. Ik zag dat de bestuurdersportier werd geopend. Ik zag dat [verdachte] in het voertuig zat. Ik zag dat zij een vloeistof in mijn gezicht spoot. Ik voelde dat de vloeistof prikte in mijn gezicht. Ik zag dat [verdachte] twee messen in haar hand hield. Ik zag direct veel bloed en voelde direct veel pijn.\n\nEen geschrift, te weten een brief van chirurg dr. K.J.P. van Wessem van 20 augustus 2025, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven:\n\n [aangever] bezocht op 19-8-2025 de afdeling Spoedeisende hulp voor het specialisme Traumachirurgie.\n\nConclusie\n\nTrauma steekverwonding met als gevolg:\n\nMultiple laceraties: linker hals, volaire zijde linker onderarm, tussen dig I en II waarbij deel aan volaire zijde van de spierbuik van de m. interosseus dorsalis 1 deels door (functie oogt intact), laceratie mediale zijde dig Il en excoriatie over bovenzijde abdomen.\n\nHals: Laceratie linkerzijde hals tot in subcutis,\n\nExtremiteiten: Diepe laceratie tussen dig I en dig 11, waarbij deel van de spierbuik m. interosseus aan de volaire zijde door, kan duim opponeren, buigen en strekken antalgisch beperkt.\n\nEen geschrift, te weten een brief van internist n.p. en arts bedrijfsgeneeskunde, medisch adviseur H.M. Melief, overgelegd bij de vordering van de benadeelde partij [aangever] van 27 maart 2026 voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:\n\nrechterhand\n\nHier lopen spieren, pezen en zenuwen die essentieel zijn voor de beweging en het gevoel van de vingers en hand. Een gedeelte van de spier van die de beweging van de wijsvinger aanstuurt en ondersteunt bij buigen en strekken van de vingers, is hierbij doorgesneden.\n\nConcluderend zijn er dus ernstige en blijvende klachten aan de hand met zowel verminderd gevoel aan een deel van de duim, als juist invaliderende neuropathische pijnklachten, die optreden bij gebruik van de hand bij dagelijkse handelingen.\n\nMet betrekking tot de hand kan nog geen eindsituatie worden geduid.\n\nhals\n\nCliënt heeft een wond opgelopen in de hals van ongeveer 20 cm. Bij cliënt was er gelukkig sprake van een relatief oppervlakkige wond waarbij geen belangrijke structuren geraakt zijn. Echter, er is een groot en ontsierend litteken in de hals. Het litteken oogt als dik en verheven op de foto’s waarbij er geen sprake is van cosmetisch fraaie wondgenezing. De ontwikkeling van een deﬁnitief litteken kan tot 2 jaar duren. Complicaties omvatten verharding van het litteken, een bewegingsbeperking door samentrekken van het litteken, beïnvloeding van de spierfunctie van de nek en gevoelsstoornissen. Een eindsituatie is nog niet te duiden.\n\nDe eigen waarneming van de rechtbank op de zitting van 15 juni 2026:\n\nDe rechtbank neemt waar dat aangever [aangever] een ontsierend litteken aan de linkerkant van zijn nek\u002Fhals heeft.\n\nEen proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:\n\nOp 19 augustus 2025 was ik op de [straat] te Utrecht. Ik zag dat een man aan de bestuurderszijde van de eerder genoemde auto stond.\n\nIk zag dat er een vrouw op de bestuurdersstoel zat en zij wilde uit de auto stappen. Ik zag een snelle armbeweging vanuit de eerdergenoemde man in de richting van de vrouw. Ik zag vervolgens dat de man en vrouw snelle armbewegingen naar elkaar maakte.\n\nIk zag dat de vrouw in haar linkerhand een mes vasthield.\n\n3.3.4.. Welk strafbaar feit?\n\nDoodslag\n\nDe beschuldiging houdt allereerst in dat de verdachte heeft geprobeerd [aangever] van het leven te beroven, een poging tot doodslag. De rechtbank oordeelt dat de beschuldiging van poging tot doodslag niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.\n\nVoor het bewijs van doodslag is nodig dat de verdachte opzet had op de dood van aangever. Dat sprake is geweest van ‘vol’ opzet op de dood van aangever kan op basis van het dossier niet wettig en overtuigend worden bewezen. Bewijs daarvoor ontbreekt.\n\nOpzet kan ook worden bewezen als de verdachte ‘voorwaardelijk’ opzet had. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van aangever – is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood zal intreden. De beantwoording van de vraag of het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.\n\nUit het dossier volgt niet dat de verdachte aangever gericht met de stanleymesjes heeft gestoken. De rechtbank gaat uit van de situatie dat de verdachte met de stanleymesjes (ongecontroleerd) heeft gezwaaid en daardoor aangever heeft gesneden in onder meer zijn hals, hand, buik en arm. De rechtbank kan uit de dossierstukken niet afleiden met welke kracht de verdachte met de stanleymesjes zwaaide en met welke kracht zij aangever heeft geraakt. Wel verklaren de artsen dat de wond in de hals van aangever oppervlakkig was. Tot slot is de aard van het voorwerp – tamelijk kleine voorwerpen waarvan het snijdende deel zogenaamde afbreekmesjes vormen – niet zodanig dat alleen het zwaaien daarmee naar een persoon al gevaar voor het leven met zich brengt. Daarbij speelt dat de rechtbank op basis van het dossier ook niet heeft kunnen vaststellen hoe ver de mesjes waren uitgeschoven. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangever zou komen te overlijden. Er is dus geen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever.\n\nDe rechtbank vindt daarom dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte heeft geprobeerd opzettelijk [aangever] van het leven te beroven spreekt de verdachte daarom vrij van de (primair ten laste gelegde) poging tot doodslag.\n\nZwaar lichamelijk letsel\n\nIn de tweede plaats – als poging tot doodslag niet bewezen zou kunnen worden – houdt de beschuldiging in dat de verdachte [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Het Wetboek van Strafrecht (Sr) bevat geen definitie of omschrijving van zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 Sr beschrijft echter wel wat in ieder geval onder zwaar lichamelijk letsel wordt begrepen. Artikel 82 Sr laat de rechter de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen als dat letsel voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. De Hoge Raad heeft algemene gezichtspunten geformuleerd die relevant zijn voor de beoordeling of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Als algemene gezichtspunten kunnen in ieder geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Daarbij geldt dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, maar ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Daarnaast kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en\u002Fof fysieke beperkingen. In voorkomende gevallen kan in de beoordeling verder worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meer littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.\n\nUit het letselonderzoek en uit het medisch advies volgt dat een spier die de beweging van de wijsvinger aanstuurt en ondersteunt bij buigen en strekken van de vingers is doorgesneden. Deze verwonding brengt een hoog risico op bewegingsproblemen van de vingers mee. Ook heeft aangever een snijwond aan de binnenzijde van de wijsvinger. Dit heeft als gevolg dat hij een gevoelsstoornis aan de binnenzijde van zijn duim heeft. Of dit (volledig) zal herstellen is volgens de medisch adviseur niet te voorspellen. De handtherapeut heeft geconstateerd dat aangever veel klachten ondervindt bij een groot deel van de dagelijkse handelingen waardoor hij beperkt is in het gebruik van zijn dominante hand. Samenvattend concludeert de adviseur dat de eindsituatie van de hand onduidelijk blijft.\n\nDaarnaast heeft aangever aan het snijletsel in zijn hals een groot en ontsierend litteken overgehouden, zo blijkt uit het rapport van de medisch adviseur. Dit heeft de rechtbank tijdens de zitting, zo’n 10 maanden na het ontstaan van het litteken, ook geconstateerd. Van cosmetisch fraaie wondgenezing is geen sprake. Aangever heeft in het litteken ook pijnsteken en het litteken is verhard. De adviseur verwacht dat op termijn een littekencorrectie noodzakelijk zal zijn. Ook ten aanzien van het ontsierende litteken is een eindsituatie moeilijk te duiden. Verder heeft aangever nog oppervlakkige wonden aan zijn buik en arm.\n\nGezien de combinatie van de letsels bij aangever en het lange, onzekere en wellicht uitblijvende (volledige) herstel van het litteken in de hals en de functie van de hand, vindt de rechtbank dat het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.\n\n(Voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel\n\nVoor het bewijs van zware mishandeling moet ook komen vast te staan dat de verdachte opzet heeft gehad om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.\n\nUit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte de bedoeling had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (vol opzet). De vraag is vervolgens of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.\n\nDe verdachte heeft (ongecontroleerd) zwaaiende bewegingen gemaakt met scherpe stanleymesjes. Op dat moment was sprake van een dynamische situatie, een worsteling, waarbij aangever in de directe nabijheid van de verdachte was. De verdachte heeft aangever met een stanleymesje in zijn nek\u002Fhals geraakt. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. In de hals lopen belangrijke structuren zoals de bloedvaten naar de hersenen, de luchtpijp en het strottenhoofd. Ook bevinden zich in de hals belangrijke zenuwen voor de ademhaling en de stem en de schildklier. Het is daarom een feit van algemene bekendheid dat schade aan de hals ernstig lichamelijk letsel met zich kan brengen. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat littekens lang zichtbaar blijven. De kans dat deze wonden niet herstellen is groot.\n\nDoor zo te handelen kan het niet anders zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. De verdachte heeft dan ook voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nsubsidiair\n\nop 19 augustus 2025 te Utrecht aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en meermalen met een of meer stanleymes(sen) in de nek\u002Fhals en de buikstreek en in de arm en de hand, van die [aangever] te snijden.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Strafbaarheid van het feit en kwalificatie\n\nKwalificatie\n\nHet (subsidiair) bewezen feit is in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld als:\n\nzware mishandeling.\n\nHet feit is strafbaar.\n\n5. Strafbaarheid van de verdachte\n\n5.1. \n\nBeroep op rechtvaardigingsgrond\n\nDe advocaat van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen, omdat de verdachte zich mocht verdedigen. Er was sprake van noodweer(exces). Daartoe is – samengevat – aangevoerd dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding doordat aangever de verdachte uit de auto trok en haar bij de nek pakte. De verdachte moest zich op dat ogenblik verweren. De verdachte mocht zich verweren op de wijze waarop zij heeft gedaan en er was geen veilig alternatief voorhanden.\n\n5.2. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt dat geen sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het verhaal dat de verdachte door aangever is aangevallen, is ongeloofwaardig. Bovendien had zij de mogelijkheid om de situatie te beëindigen door weg te rijden met de auto en heeft zij met haar handelingen ook de eisen van proportionaliteit overschreden.\n\n5.3. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer is – in dit geval – vereist dat het snijden met een of meer stanleymesjes door de verdachte, geboden was voor de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van haar lichaam. Daarin is ook de subsidiariteits- en proportionaliteitseis voor noodweer tot uitdrukking gebracht.\n\nDe rechtbank zal allereerst beoordelen of de feitelijke toedracht, zoals de verdediging bij haar verweer heeft aangevoerd, voldoende aannemelijk is geworden. Die feitelijke toedracht gaat dus niet over het snijden met een of meer stanleymesjes door de verdachte, waarover hiervoor al is geoordeeld, maar met name wat er kort daarvoor is gebeurd. De rechter kan tot het oordeel komen dat de feitelijke toedracht aannemelijk geworden, ondanks dat er enige onzekerheid bestaat over wat er precies is gebeurd.\n\nFeitelijke toedracht\n\nUit de dossierstukken en het onderzoek op de zitting heeft de rechtbank afgeleid dat de verdachte in de avond van 19 augustus 2025 met haar auto op zoek was naar aangever om met hem te praten. Over wat er daarna is gebeurd, lopen de verklaringen van de verdachte en aangever uiteen. De verdachte heeft verklaard dat zij in de auto zat, aangever naar haar toe kwam, de autodeur opentrok en haar bij de nek pakte. Hierop heeft zij met haar rechterhand uit de middenconsole een of meer stanleymesjes gepakt en aangever in zijn lichaam gesneden. Vervolgens heeft zij pepperspray in zijn gezicht gespoten. Daartegenover staat de verklaring van aangever dat de verdachte naar hem toe kwam lopen, dat de verdachte met pepperspray spoot en hem vervolgens met twee mesjes meermaals in zijn lichaam stak.\n\nHiervoor is al uitgelegd dat de verklaring van de verdachte op grote lijnen bevestigd wordt door getuige [getuige] . Zo verklaart hij dat er een vrouw op de bestuurdersstoel zat en dat een man aan de bestuurderszijde van de auto stond. Vervolgens heeft de getuige een snelle armbeweging gezien vanuit aangever in de richting van de vrouw. Daarna volgden snelle armbewegingen naar elkaar.\n\nIn dit licht vindt de rechtbank de door de verdachte geschetste feitelijke toedracht aannemelijk, namelijk dat aangever de eerste geweldshandeling verrichtte. Hieraan staat niet in de weg dat er enige onzekerheid bestaat over de precieze feitelijke toedracht.\n\nDe aannemelijkheid van het door de verdachte geschetste scenario wordt bovendien versterkt door het feit dat zij, vanaf het moment dat ze voor het eerst met de politie sprak tot het moment dat ze bij de rechter-commissaris werd gehoord, consistent over de gebeurtenissen heeft verklaard.\n\nOgenblikkelijke wederrechtelijke aanranding\n\nGelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door aangever. Aangever heeft namelijk de deur van de auto van de verdachte opengetrokken, stond in de deuropening en heeft toen als eerste een geweldshandeling tegen de verdachte verricht.\n\nSubsidiariteit en proportionaliteit\n\nDe verdediging moet ook ‘geboden’ zijn. De noodzaak tot verdediging ontbreekt indien de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Onttrekking aan de aanranding moet van de verdachte kunnen worden verlangd. Dit hoeft bijvoorbeeld niet als de situatie zo bedreigend is, dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.\n\nGelet op de omstandigheden waaronder het geweld door aangever plaatsvond, kon van de verdachte niet worden verlangd dat zij zich daaraan onttrok. De verdachte zat op de bestuurdersstoel van haar auto, terwijl aangever in de deuropening over haar heen gebogen stond. Zij bevond zich in een benarde situatie waarin zij geen kant op kon. Daarbij komt dat de verdachte fysiek in vergelijking tot aangever in het nadeel was; aangevers is een (forse) man van 1.87m. Onder deze omstandigheden bestond er geen reële mogelijkheid meer voor de verdachte om zich aan het geweld gepleegd door aangever te onttrekken.\n\nDe rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de wijze van verdediging door de verdachte proportioneel was. De maatstaf daarvoor luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De rechter beoordeelt dat dus terughoudend. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.\n\nDe verdachte heeft (ongecontroleerd) gezwaaid met stanleymesjes richting het lichaam van aangever. Van de wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd kan niet worden gezegd dat het in onredelijke verhouding staat tot het mogelijk slaan of het pakken bij de nek van de verdachte. Daarbij is ook van belang dat de verdachte zich in een auto bevond en niet is gebleken dat er reële alternatieven waren. Ook heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte eerder door [aangever] is mishandeld. Omdat de verdachte zich mocht verweren tegen het tegen haar gepleegde geweld is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet heeft gehandeld in strijd met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.\n\nConclusie\n\nDe verdachte is niet strafbaar omdat haar een beroep op noodweer toekomt. De verdachte zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het belangrijkste gevolg daarvan is dat aan de verdachte geen straf zal worden opgelegd. Daar komt de rechtbank niet aan toe.6. In beslag genomen voorwerpen\n\n6.1. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen messen en het busje pepperspray onttrekken dienen te worden aan het verkeer.\n\n6.2. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat heeft ten aanzien van het beslag geen verweer gevoerd.\n\n6.3. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten het busje pepperspray en de messen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met behulp van deze voorwerpen is het bewezen verklaarde feit begaan.\n\n7. Vordering benadeelde partij\n\n7.1. Vordering van de benadeelde partij [aangever]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 198.684.64, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 25.684,64 voor vergoeding van materiële schade en\n\n€ 173.000,- voor vergoeding van immateriële schade. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n7.2. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert toewijzing van de materiële schade tot een bedrag van\n\n€ 684,64. Met betrekking tot de immateriële schade vordert de officier van justitie toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 51.500,-. Voor het overige moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Beide toe te wijzen schadebedragen moeten vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2025 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n7.3. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nPrimair verzoekt de advocaat de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoekt de advocaat de rechtbank gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.\n\n7.4. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging en legt geen straf op aan de verdachte of maatregel die een beoordeling van de vordering van de benadeelde partij mogelijk maakt. Volgens de wet kan de strafrechter in dat geval geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkis in de vordering.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\nverklaart het primair tenlastegelegde feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor onder 4 is vermeld;\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nverklaart de verdachte nietstrafbaar enontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;\n\nbeslag\n\nverklaart het busje pepperspray(goednummer 3575894) ende messen(goednummers 3575892 en 3575893)onttrokken aan het verkeer;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever]\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;\n\nbepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen;\n\nvoorlopige hechtenis\n\nheft op het (al eerder geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mrs. J.P. Verboom en G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. van Loon als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:\n\nzij, op of omstreeks 19 augustus 2025, te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever] van het leven te beroven, door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en\u002Fof (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een of meer (stanley)mes(sen), althans met (een) scherp en\u002Fof puntig voorwerp(en), in de nek\u002Fhals en\u002Fof de buik(streek) en\u002Fof in de arm en\u002Fof de hand, althans het lichaam van die [aangever] te steken en\u002Fof te snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nzij op of omstreeks 19 augustus 2025 te Utrecht aan een ander, te weten [aangever]\n\nopzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en\u002Fof (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een of meer (stanley)mes(sen), althans met (een) scherp en\u002Fof puntig voorwerp(en), in de nek\u002Fhals en\u002Fof de buik(streek) en\u002Fof in de arm en\u002Fof de hand, althans het lichaam van die [aangever] te steken en\u002Fof te snijden;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nzij, op of omstreeks 19 augustus 2025, te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en\u002Fof (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een of meer (stanley)mes(sen), althans met (een) scherp en\u002Fof puntig voorwerp(en), in de nek\u002Fhals en\u002Fof de buik(streek) en\u002Fof in de arm en\u002Fof de hand, althans het lichaam van die [aangever] te steken en\u002Fof te snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025282821. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\nPV VGL pagina 9.\n\n PV VGL, pagina 10.\n\n PV RDK, pagina 12.\n\n PV RDK, pagina 13.\n\n PV RDK, pagina 22.\n\n PV VGL, pagina 23.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3992","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:28.388Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":82,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":76,"parsedAt":30,"updatedAt":84},"992","ECLI:NL:RBMNE:2023:7824","ecli-nl-rbmne-2023-7824","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F172283-22 (P)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 26 januari 2023\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren in 1990 [datum onbekend] te [geboorteplaats] , Somalië,\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats,\n\nhierna: verdachte.1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING\n\nDit vonnis op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting op 20 oktober 2022 en 12 januari 2023. Op die laatste datum is de zaak inhoudelijk behandeld.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie mr. E. Wiersma en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. P.M.A.C. van de Wouw, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen benadeelde partij de heer [slachtoffer] heeft gezegd.2. TENLASTELEGGING\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte op 9 juli 2022 te Amersfoort [slachtoffer] in het gezicht en\u002Fof arm heeft gestoken met een mes of ander scherp en puntig voorwerp.\n\nDeze gedraging is in meerdere varianten ten laste gelegd: primair als een poging doodslag, subsidiair als zware mishandeling, meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling en ten slotte meest subsidiair als (eenvoudige) mishandeling.3. VOORVRAGEN\n\nDe dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat er geen formele belemmeringen zijn om de zaak inhoudelijk te beoordelen.4. WAARDERING VAN HET BEWIJS4.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het meer subsidiaire ten laste gelegde feit – de poging zware mishandeling – wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\n4.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primaire, subsidiaire en meer subsidiaire ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft betoogd dat de gedragingen van verdachte mishandeling (meest subsidiaire) opleveren. Verdachte heeft ontkend een mes of schaar te hebben gehad en daarmee te hebben gestoken. Het lijkt er sterk op dat verdachte aangever met (de gesp \u002F pin) van zijn riem heeft geslagen of geprikt. Omdat uit het dossier niet blijkt van enig zwaar lichamelijk letsel en een riem ongeschikt is om iemand zwaar letsel toe te brengen, kan alleen het meest subsidiaire (mishandeling) worden bewezen.\n\n4.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nBewijsmiddelen – zakelijk weergegeven\n\nDe verklaring van verdachte ter terechtzitting\n\nOp 9 juli 2022 heb ik met [slachtoffer] gevochten voor het gemeentehuis in Amersfoort. Ik heb hem bij zijn wenkbrauw geraakt.\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 9 juli 2022\n\nOp 9 juli 2022 was ik bij het gemeentehuis in Amersfoort. (…) Toen ik nogmaals kenbaar maakte dat ik mijn powerbank terug wilde hebben, haalde de jongen een mes uit zijn tasje.(…) Ik zag en voelde vervolgens dat de jongen mij stak met het mes. Ik voelde dat de jongen mij stak bij mijn linkeroog ter hoogte van mijn wenkbrauw.(…) In het ziekenhuis is de steekwond bij mijn linkeroog gehecht. Ik bleek ook een snijwond aan mijn rechter onderarm te hebben (…).\n\nHet proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 9 juli 2022\n\nTijdens dit incident heb ik twee mannen met elkaar in gevecht gezien. (…) Ik zag dat man 1 voorop rende en dat man 2, achter man 1 aan rende. (…) De man die erachteraan rende, had een sleutelbos vast in zijn hand.\n\nIk zag dat man 1 en 2 bij dit muurtje weer bij elkaar kwamen. Ik zal dat man 2 zwaaiende bewegingen maakte met de sleutelbos hangend aan het keykoord (…). Ik zag dat man 1, zeker 3 keer tegen zijn hoofd werd geraakt door de sleutelbos.\n\nIk zag vervolgens dat man 1 het mes weer pakte wat hij eerder ook had vastgehouden. (…) Ik zag dat man 1 met het mes harde stekende bewegingen in de richting van het hoofd van man 2 maakte. Ik zag dat man 2 net boven zijn oog werd geraakt door het mes van man 1. (…) Vervolgens zag ik nog dat man 2 in zijn rechter arm door het mes werd geraakt toen hij zich probeerde af te weren.\n\nEen ander geschrift: het niet door de getuige ondertekende proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] van 9 juli 2022\n\nIk zag dat de man met het rode shirt met een sleutelbos liep te zwaaien. (…) Ik zag dat de man met het grijze vest een omtrekkende beweging maakte en weer richting het plein voor het gemeentehuis rende. Ik zag dat hij iets van een voorwerp in zijn hand had, wat leek op een lemmet of een schaar. (…) Ik zag dat beide mannen elkaar tegen kwamen bij een stenen trapje voor het gemeentehuis. Ik zag dat ze met elkaar begonnen te vechten. Ik zag dat de man met het grijze shirt de andere man in zijn oog stak met het voorwerp dat hij in zijn handen had.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2023\n\nIk, verbalisant [verbalisant] , zag dat [slachtoffer] een gapende wond boven zijn linkeroog had. Ik zag dat op zijn rechterarm ook een rond wondje zat welke open was.(…)\n\nBewijsmotivering\n\nOp grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in het gezicht, vlak boven het linkeroog, alsmede in de rechter onderarm heeft gestoken. De getuigen en aangever verklaren immers allemaal over een mes, dan wel een schaar. Ook verklaren zij allemaal over een steekbeweging, en niet over een slaande beweging, zoals verdachte ter terechtzitting verklaarde. Door met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in de richting van de ogen te steken ontstaat een reële, niet onwaarschijnlijke, kans op ernstig en onherstelbaar oogletsel. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en zal voor dit (meer subsidiaire ten laste gelegde) feit worden veroordeeld.5. BEWEZENVERKLARING\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:\n\nop 9 juli 2022 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer] meermalen met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in het gezicht en de onderarm gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.6. STRAFBAARHEID VAN HET FEIT\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:\n\n(meer subsidiair)\n\npoging tot zware mishandeling.7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE\n\n7.1. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer, dan wel uit noodweerexces. Daartoe heeft de raadsvrouw de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. Aangever is de agressor geweest. Verdachte werd door aangever achterna gezeten, terwijl aangever daarbij met een riem zwaaide. Toen die achtervolging stopte, is verdachte terug naar het muurtje gelopen waar zijn telefoon nog lag. Vervolgens is het opnieuw aangever die naar verdachte is toegelopen en verdachte in ieder geval één keer met een riem heeft geslagen. Toen pas heeft verdachte geweld toegepast. Hij kon zich op dat moment niet langer onttrekken aan het handelen van aangever en heeft aldus gehandeld om zijn lijf en goederen (telefoon) te redden. Voor zover verdachte daarbij de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden, heeft hij uit noodweerexces gehandeld. Verdachte dient daarom ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.\n\n7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover al sprake zou zijn geweest van een noodweersituatie, niet is voldaan aan de voor noodweer geldende vereiste van proportionaliteit. Het steken met een mes of ander scherp voorwerp stond niet in een redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.\n\n7.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van de aangever worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich had mogen verdedigen. In eerste instantie werd verdachte achterna gezeten door aangever terwijl die met een riem (vermoedelijk door getuigen aangezien voor sleutelbos met keycord) zwaaide. Vervolgens, teruggekomen bij ‘het muurtje’, heeft aangever verdachte met een riem tegen zijn hoofd geslagen. Hierop heeft verdachte gereageerd door met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in het gezicht van aangever te steken. Een andere steekbeweging heeft aangever afgeweerd, maar heeft hem wel in de onderarm getroffen. Het door verdachte aangewende verdedigingsmiddel staat naar het oordeel van de rechtbank niet in verhouding tot de ernst van de aanranding. Verdachte heeft naar een te zwaar verdedigingsmiddel gegrepen. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.\n\nOp grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank evenmin aannemelijk geworden dat bij de verdachte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft dit standpunt niet verder onderbouwd. Uit de verklaring van verdachte op zitting kan evenmin worden afgeleid dat hij handelde vanuit een hevige gemoedsbeweging. Op zitting verklaarde hij immers dat hij één keer werd geraakt door de riem van aangever en dat dat geen pijn deed. Verdachte komt aldus geen beroep op noodweer of noodweerexces toe.\n\nEr is geen andere omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.8. OPLEGGING VAN STRAF\n\n8.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\n8.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat ten gunste van verdachte rekening moet worden gehouden met eigen schuld aan de zijde van aangever. Aangever is het gevecht gestart en heeft verdachte ook nog in zijn oor gebeten, als gevolg waarvan dit is gehecht. Tot slot heeft de raadsvrouw erop gewezen dat verdachte getekend is door traumatische jeugdervaringen in zijn land van herkomst en hij – net als aangever – als dak- en thuisloze in feite buiten de maatschappij staat. Van hem kan niet verwacht worden dat hij op een bedreigende situatie als deze reageert zoals een gemiddelde andere deelnemer aan de Nederlandse maatschappij zou reageren.\n\n8.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.\n\nErnst van de feiten en de omstandigheden waaronder het feit is begaan\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door aangever met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in het gezicht te steken. Daarbij heeft hij aangever net boven zijn linkeroog geraakt. Dat had heel goed anders kunnen aflopen, met blijvend ernstig oogletsel of permanente blindheid aan dat oog als gevolg. Verdachte heeft daarmee een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Maar ook nadat hij aangever boven het oog en in de onderarm had gestoken, is verdachte doorgegaan met het gebruiken van geweld. Verdachte heeft aangever gestoken in zijn arm en uit de verschillende getuigenverklaringen blijkt dat verdachte aangever daarna nog meerdere malen met een riem heeft geslagen. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Gelet hierop kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nUit het reclasseringsadvies van 31 oktober 2022, uitgebracht door Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering en de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie en ter terechtzitting, maakt de rechtbank op dat verdachte al jarenlang een dak- en thuisloos is en er niet in slaagt om meer van zijn leven te maken. Hij verblijft het grootste gedeelte van zijn tijd bij [locatie] aan het [straat] in Amersfoort. Verdachte gebruikt al lange tijd drugs en kampt met angsten als gevolg van traumatische ervaringen in zijn jeugd in zijn geboorteland Somalië.\n\nUit een reclasseringsadvies ontstaat een niet eenduidig beeld van verdachte.In een eerste gesprek uit verdachte zelf een hulpvraag in de vorm van het benoemen van de 'problemen' in zijn hoofd, zijn angsten en de wens hieraan geholpen te worden. Na een tweede gesprek, waarin de reclassering met verdachte onder andere de noodzaak tot verdiepingsdiagnostiek wilde bespreken, ontstaat een volledig ander beeld. Verdachte ontkent in dat tweede gesprek namelijk de besproken problemen in zijn hoofd en zegt zich niet te kunnen herinneren dat hij in het eerdere gesprek gesproken heeft over trauma's uit het verleden. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.\n\nGelet op de wisselende bereidheid van verdachte om hulp te aanvaarden en het gegeven dat verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, ziet de rechtbank reclasseringstoezicht niet goed van de grond komen. Verdachte heeft op de zitting te kennen gegeven vooral hulp te willen bij praktische zaken. De rechtbank ziet net als de reclassering onvoldoende aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.\n\nUit het uittreksel justitiële documentatie (strafblad) van verdachte van 15 december 2022 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf. De rechtbank weegt het strafblad van verdachte daarom niet in strafverzwarende en ook niet in strafmatigende wijze mee.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank heeft voor de strafoplegging aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen. Die gaan uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden. Omdat verdachte wordt veroordeeld voor een poging is echter een lagere straf op zijn plaats. Ook zal de rechtbank de straf enigszins matigen omdat aangever de ruzie is gestart en hij als eerste geweld heeft toegepast.\n\nAlles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden passend en geboden is. Omdat verdachte ten tijde van de zitting al langer vastzat is de voorlopige hechtenis al bij afzonderlijk bevel met ingang van 13 januari 2023 opgeheven.9. BESLAG9.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft verzocht te bepalen dat de volgende inbeslaggenomen goederen worden teruggegeven aan verdachte, die steeds de beslagene is:\n\nzwarte riem (G3016485);\n\nbruine riem (G3016482);\n\ngrijze kabel (G3016495);\n\nwitte kabel (G3016487);\n\ngrijze jas (G3016494).\n\nDe schaar (G3016480) en sigarettendoos (G3016481) dienen volgens de officier van justitie ten behoeve van de rechthebbende bewaard te worden.\n\n9.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over het beslag.\n\n9.2. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van de zwarte riem en bruine riem de beslissing nemen dat deze kunnen worden teruggegeven aan ‘de rechthebbende’, nu uit het dossier niet duidelijk volgt wie als eigenaar van welke riem moet worden aangemerkt.\n\nTen aanzien van de schaar heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat dit het voorwerp is geweest waarmee het ten laste gelegde feit is begaan. Dat betekent dat de schaar strikt genomen terug moet naar de rechthebbende. De schaar is echter aangetroffen in een prullenbak op straat en behoort – in vermogensrechtelijke zin – dus niemand meer toe. Daarom zal de rechtbank over dit goed geen beslissing nemen.\n\nDe sigarettendoos kan terug naar de rechthebbende.\n\nDe grijze kabel, witte kabel en grijze jas kunnen worden teruggegeven aan verdachte.10. BENADEELDE PARTIJ\n\nDe heer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Hij heeft mondeling schadevergoeding gevorderd voor de immateriële schade die hij heeft opgelopen ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Daarbij heeft benadeelde partij geen geldbedrag genoemd, maar de rechtbank verzocht dat bedrag vast te stellen.\n\n10.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft verzocht de immateriële schade op een bedrag van € 1.000,- vast te stellen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n10.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit dat bij de vaststelling van het schadebedrag rekening moet worden gehouden met eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij.\n\n10.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVerdachte heeft benadeelde partij met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in het gezicht, net boven de linkeroog, gestoken. Hoewel dat geen zwaar lichamelijk letsel of blijvend letsel heeft opgeleverd, heeft benadeelde partij, zo vertelde hij op zitting, drie dagen in het ziekenhuis moeten verblijven en ondervindt hij zo nu en dan nog pijn. De rechtbank heeft gekeken naar vergelijkbare zaken en acht een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade – zoals verzocht door de officier van justitie – in beginsel toewijsbaar. Omdat benadeelde partij degene was die de ruzie is begonnen en als eerste geweld heeft toegepast (door te slaan met een riem), is echter sprake van eigen schuld. Daarom zal een lager bedrag worden toegewezen. De rechtbank stelt de immateriële schade van benadeelde partij geschat vast op een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke vanaf 9 juli 2022 tot en met de dag van algehele betaling.\n\nVerdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 500,- tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 10 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.11. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 36f, 45, 63, 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.12. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;\n\n- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nOplegging straf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden;\n\n- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nBeslag\n\n- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:\n\ngrijze kabel (PL0900-2022199352-G3016495);\n\nwitte kabel (PL0900-2022199352-G3016487);\n\ngrijze jas (PL0900-2022199352-G3016494);\n\n- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de volgende voorwerpen:\n\nzwarte riem (PL0900-2022199352-G3016485);\n\nbruine riem (PL0900-2022199352-G3016482);\n\n- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van het volgende voorwerp:\n\n sigarettendoos (PL0900-2022199352-G3016481);\n\nBenadeelde partij A.U. Wasunge\n\nwijst de vordering van [slachtoffer] toe en stelt de (immateriële) schade vast op een bedrag van € 500,-;\n\nveroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2022 tot en met de dag van algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij, € 500,- te betalen, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen gijzeling. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij niet op;\n\nbepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.A. Spee, voorzitter, mr. L.M.M. Heppe en mr. J.P. Verboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 januari 2023.\n\nBijlage: de tenlastelegging\n\nAan verdachte wordt ten laste gelegd dat:\n\nhij, op of omstreeks 9 juli 2022, te Amersfoort, althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]\n\nopzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer]\n\nmeermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig\n\nvoorwerp, in het gezicht, en\u002Fof de (onder)arm, althans het lichaam van die [slachtoffer]\n\n heeft gestoken en\u002Fof gesneden,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\nhij, op of omstreeks 9 juli 2022, te Amersfoort, althans in Nederland,\n\naan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of\n\nmeerdere steek- en\u002Fof snijwond(en) in het gezicht en\u002Fof de (onder)arm, althans het\n\nlichaam, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen, althans\n\neenmaal, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in het gezicht,\n\nen\u002Fof de (onder)arm, althans het lichaam te steken en\u002Fof te snijden;\n\n( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of\n\nzou kunnen leiden:\n\nhij, op of omstreeks 9 juli 2022, te Amersfoort, althans in Nederland, ter uitvoering\n\nvan het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]\n\nopzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft hij, verdachte,\n\nvoornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes,\n\nalthans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in het gezicht, en\u002Fof de (onder)arm,\n\nalthans het lichaam gestoken en\u002Fof gesneden,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nmeest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht\n\nof zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 9 juli 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen,\n\nalthans eenmaal, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in het\n\ngezicht, en\u002Fof de (onder)arm, althans het lichaam te steken en\u002Fof te snijden,\n\nterwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere steek- en\u002Fof\n\nsnijwond(en) in het gezicht en\u002Fof de (onder)arm ten gevolge heeft gehad;\n\n( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht )\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 11 juli 2022, 18 juli 2022 en 6 oktober 2022, genummerd 20220711.0900.09015, 20220718.0900.09015 en 20221006.0900.09015, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 103. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 januari 2023.\n\n Pagina 7.\n\n Pagina 8.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 43.\n\n Pagina 18, 20-22.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:7824","2026-07-13T00:28:57.923Z",1,20]