[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-wildlife-management-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":40,"limit":41},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},125,"wildlife-management-nl","Wildlife Management","NL","2026-07-08T16:57:28.095Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2022-02-24T00:00:00.000Z","2026-03-26T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1783","ECLI:NL:RBMNE:2026:1474","ecli-nl-rbmne-2026-1474","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F2876\n einduitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen\n\n 1. [eiser 1], en\n\n2. [eiser 2],\n\nbeiden uit [plaats] ,\n\nsamen eisers,\n\n(gemachtigde van eiser 2.: eiser 1.),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S. Aperloo).\n\nAls derde partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V.(vergunninghoudster) (gemachtigde: mr. C. Schipperus).\n\nPartijen worden in deze uitspraak eisers, gedeputeerde staten en vergunninghoudster genoemd.\n\nInleiding\n\n1. Deze zaak gaat over de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (de omgevingsvergunning)die gedeputeerde staten aan vergunninghoudster hebben verleend voor het opzettelijk beschadigen en\u002Fof vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das voor de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2026. Vergunninghoudster heeft deze omgevingsvergunning aangevraagd, omdat zij vijf grondgebonden koopwoningen wil ontwikkelen op een perceel dat is aangemerkt als foerageergebied van de das. Eisers wonen rondom het plangebied en hebben tegen de besluitvorming van gedeputeerde staten bezwaar gemaakt en beroep ingesteld.\n\n2. De rechtbank heeft op 14 oktober 2025 tussenuitspraak gedaan in deze zaak.Voor een uitgebreide beschrijving van het procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank gedeputeerde staten in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit van 1 april 2025 te herstellen.\n\n3. Bij brief van 5 december 2025 hebben gedeputeerde staten de rechtbank verzocht de in de tussenuitspraak gestelde termijn met vier weken te verlengen. Met de tweede tussenuitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank de termijn uit de eerste tussenuitspraak met vier weken verlengd tot 6 januari 2026.\n\n4. Gedeputeerde staten hebben op 5 januari 2026 een herstelbesluit genomen. Eisers hebben op 28 januari 2026 hun zienswijze gegeven op dit herstelbesluit. Op 10 februari 2026 hebben gedeputeerde staten een aanvullende reactie gegeven. Vergunninghoudster heeft geen reactie gegeven.\n\n5. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 11 februari 2026 gesloten.\n\nOverwegingen\n\n6. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.\n\nDe tussenuitspraak\n\n7. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat gedeputeerde staten niet deugdelijk en concreet hebben gemotiveerd dat de noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegen in de lokale behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment in Soest. Gedeputeerde staten hebben daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom het nodig is de omgevingsvergunning te verlenen voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat gedeputeerde staten in hun besluitvorming onvoldoende hebben gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn. Gedeputeerde staten kunnen de geconstateerde gebreken herstellen door:\n\ntoereikend te onderbouwen dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Daarvoor is noodzakelijk dat gedeputeerde staten een specifiek op dit bouwproject toegesneden motivering geven van de kwalitatieve noodzaak van dit project en de effecten daarvan op andere segmenten van de woningmarkt in (de regio) Soest; en\u002Fof\n\nnader te onderbouwen dat het bouwplan noodzakelijk is in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden: en\n\ninzichtelijk te maken welke alternatieven gedeputeerde staten bij hun beoordeling hebben betrokken en waaruit volgt dat deze alternatieven niet of minder geschikt zijn dan het bestaande plan. Dit gebrek is hersteld als inzichtelijk is gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat die minder verstrekkende gevolgen heeft voor het essentieel foerageergebied van de das.\n\nHet herstelbesluit\n\n8. Gedeputeerde staten hebben de noodzaak voor dit bouwproject in het herstelbesluit van 5 januari 2026 nader gemotiveerd. Gedeputeerde staten hebben zich daarvoor gebaseerd op het rapport ‘Onderbouwing Bouwplan 1e Heezerlaantje Soest’ van de Stec-Groep van 22 december 2025 (het Stec-rapport). Uit het Stec-rapport volgt dat de woningmarktregio, gelet op de inkomende verhuisbewegingen, bestaat uit Soest, Amersfoort, Utrecht, Zeist, Baarn en Hilversum. In de woningmarktregio zal het aantal huishoudens tot 2035 groeien met 38.125. Daarmee groeit ook de behoefte aan even zoveel nieuwe woningen, terwijl de bestaande woningbouwplannen daar niet volledig in kunnen voorzien. Er is dus een kwantitatieve behoefte in de woningmarktregio aan woningen. Vervolgens volgt uit het Stec-rapport dat het bouwplan ook voorziet in een kwalitatieve behoefte aan dure grondgebonden koopwoningen. Volgens het Stec-rapport gaat het daarbij om koopwoningen vanaf € 405.000,- . In het Stec-rapport wordt onderkend dat lokaal (in Soest) weliswaar geen behoefte bestaat aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment, maar in de woningmarktregio waar Soest deel van uitmaakt wél. Bovendien kan het aanbod aan grondgebonden koop in Soest niet volledig in de behoefte in de woningmarktregio voorzien, zodat het bouwplan daadwerkelijk voorziet in een behoefte en dus noodzakelijk is. Bovendien volgt uit het Stec-rapport dat het realiseren van nieuwe woningen leidt tot doorstroming op de woningmarkt, waarbij het bouwen van grondgebonden koopwoningen in het hoge segment leidt tot gemiddeld drie verhuisbewegingen. Hiervoor is gebruik gemaakt van het Stec-doorstroommodel. Gelet hierop kan het bouwplan in deze zaak ook bijdragen aan het oplossen van het tekort aan kleinere en betaalbare woningen in de woningmarktregio en biedt het dus kansen voor starters en sociale huurders.\n\n9. In het herstelbesluit hebben gedeputeerde staten verder toegelicht dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn die minder verstrekkende gevolgen hebben voor het essentieel foerageergebied van de das. Gedeputeerde staten hebben zich daarbij gebaseerd op de bijlage bij het Stec-rapport. Daarin zijn 21 alternatieve locaties in Soest beoordeeld op zes gelijke onderdelen, te weten: ligging binnen de rode contour, bandbreedte, ontsluiting, kwalitatieve geschiktheid, beschikbaarheid en bestaande bestemming. Uit dit overzicht volgt dat voor de meeste locaties geldt dat de functie ‘wonen’ op basis van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan. Voor twee locaties geldt dat deze al planologisch zijn vastgesteld voor een ander bouwplan. Op basis hiervan is de conclusie volgens gedeputeerde staten dat er geen redelijke, gelijkwaardige en op korte termijn realiseerbare alternatieve locatie beschikbaar is waarmee de doelstellingen van dit project kunnen worden gehaald. Gedeputeerde staten hebben er ten slotte nog op gewezen dat de negatieve effecten van het bouwplan zoveel mogelijk worden beperkt door alternatief foerageergebied te realiseren op korte afstand van het plangebied. De te treffen compenserende en mitigerende maatregelen zijn beschreven in het mitigatieplan van 25 juni 2024.\n\nDe zienswijze van eisers\n\n10. Eisers stellen zich op het standpunt dat gedeputeerde staten er met het herstelbesluit en het Stec-rapport niet in zijn geslaagd om de kwalitatieve noodzaak van het bouwproject te onderbouwen. Eisers voeren aan dat het Stec-rapport is opgesteld in opdracht van vergunninghoudster, zodat geen sprake is van een onafhankelijk onderzoek door gedeputeerde staten. Tegen het Stec-rapport hebben eisers aangevoerd dat daarin de woningmarktregio zeer ruim wordt vastgesteld, terwijl de verhuisbewegingen daartoe geen aanleiding geven. Uit het rapport volgt dat juist 40 procent van de verhuisbewegingen binnen Soest plaatsvindt en dat er een grote restcategorie is, die niet nader is gedefinieerd. Als uitgegaan zou moeten worden van de brede woningmarktregio dan is volgens eisers de vraag of de bouw van vijf woningen daadwerkelijk een groot openbaar belang is, terwijl daar de aantasting van essentieel foerageergebied van de das tegenover staat. Eisers wijzen er verder op dat het uitgangspunt in het Stec-rapport van een prijs van € 405.000,- voor een dure grondgebonden koopwoning niet bij het bouwplan in deze zaak past. Het voorgenomen bouwplan realiseert woningen die een vraagprijs hebben beginnend bij € 900.000,-, zodat met het rapport onvoldoende is gemotiveerd dat daar binnen de brede woningmarktregio wel vraag naar is. Eisers hebben ten slotte aangevoerd dat onvoldoende inzichtelijk is hoe het Stec-doorstroommodel werkt, zodat de uitkomsten daarvan voor eisers niet verifieerbaar zijn. Ten aanzien van de verhuisbewegingen is volgens eisers onvoldoende inzichtelijk gemaakt tot welke verhuisbewegingen het bouwproject in deze zaak leidt.\n\n11. Over de andere bevredigende oplossingen hebben eisers aangevoerd dat gedeputeerde staten zich ten onrechte hebben beperkt tot een achteraf opgesteld rapport met de beoordeling van alternatieve locaties. De daarbij beoordeelde locaties zijn in sommige gevallen niet-realistisch of onvoldoende onderzocht op de haalbaarheid. Eisers wijzen er verder op dat de mogelijkheid van het realiseren van minder woningen op de huidige voorgenomen locatie niet als alternatief bij de beoordeling is betrokken.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe noodzaak\n\n12. De rechtbank overweegt dat gedeputeerde staten zich voor de totstandkoming van het herstelbesluit hebben gebaseerd op het Stec-rapport. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan zich voor de motivering van een besluit in beginsel mag baseren op de inhoud van het rapport dat door een deskundige is opgesteld. Het bestuursorgaan moet daarvoor wel nagaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat gedeputeerde staten het Stec-rapport aan het herstelbesluit ten grondslag konden leggen. De stelling van eisers dat het Stec-rapport in opdracht van vergunninghoudster is uitgevoerd en door haar is gefinancierd brengt niet met zich dat gedeputeerde staten niet uit mochten gaan van de onafhankelijkheid en zorgvuldigheid van dit onderzoek. Als eisers de inhoudelijke overwegingen van het Stec-rapport willen betwisten dan ligt het op de weg van eisers om daarvoor een tegenrapport te laten opstellen. Dat hebben eisers niet gedaan.\n\n13. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten met het herstelbesluit en het daaraan ten grondslag liggende Stec-rapport voldoende deugdelijk en inzichtelijk hebben gemotiveerd dat het bouwproject voorziet in een kwalitatieve noodzaak en dat het realiseren van dit project een positief effect heeft op de verhuisbewegingen in de woningmarktregio. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.\n\n14. De rechtbank overweegt dat gedeputeerde staten zich voor de noodzaak van het bouwproject baseren op een dwingende reden van groot openbaar belang, gelegen in de behoefte aan woningbouw. Een behoefte aan woningbouw kan onder omstandigheden een dwingende reden van groot openbaar belang opleveren. Het belang moet dan zowel “openbaar” als “groot” zijn, wat impliceert dat dit belang zo groot is dat het kan worden afgewogen tegen de door de Habitatrichtlijnnagestreefde doelstelling van instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Voor deze zaak betekent dit dat de rechtbank moet beoordelen of de aard van de beoogde woningbouw en de door gedeputeerde staten aangevoerde belangen zodanig groot en openbaar zijn dat zij als voldoende zwaarwegend kunnen worden aangemerkt in verhouding tot de belangen die door artikel 8:74l, eerste lid, onder b, onder 3° van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) worden beschermd. De rechtbank sluit hiervoor aan bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarin zij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over dwingende redenen van groot openbaar belang in het kader van gebiedsbescherming bij toepassing van de Habitatrichtlijn, ook van toepassing verklaart in het kader van soortenbescherming.\n\n15. In het herstelbesluit hebben gedeputeerde staten zich, anders dan in het bestreden besluit, op het standpunt gesteld dat er lokaal in Soest geen behoefte is grondgebonden koopwoningen in het hoge segment. Daarentegen is met het Stec-rapport inzichtelijk gemotiveerd dat deze behoefte in de woningmarktregio, waartoe Soest behoort, wel bestaat. Uit het Stec-rapport volgt dat ongeveer 24 procent van de verhuisbewegingen in de woningmarktregio plaatsvindt. Tezamen met de verhuisbewegingen in Soest vormt dit het overgrote deel van het aantal verhuisbewegingen in en naar Soest. De rechtbank kan daarmee volgen dat gedeputeerde staten zich voor hun onderbouwing hebben gebaseerd op de vastgestelde woningmarktregio voor de onderbouwing van de behoefte aan woningen. Dat de woningmarktregio volgens eisers ten onrechte te breed is vastgesteld om daarmee het belang van Soest als vestigingsplaats te benadrukken, volgt de rechtbank niet. Met de in het Stec-rapport weergegeven verhuisbewegingen is inzichtelijk gemaakt dat een relevant aandeel van de verhuisbewegingen plaatsvindt van omliggende gemeenten naar Soest. Dit is onderbouwd met data van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS). Gedeputeerde staten mochten zich in het herstelbesluit op de behoefte in de woningmarktregio baseren. Bij de rechtbank is geen rechtspraak bekend (en ook eisers hebben dat niet aangedragen) waaruit volgt dat een groot openbaar belang bij het realiseren van woningen uitsluitend kan worden onderbouwd door een bestaande lokale behoefte. Ook als het bouwproject in deze zaak uitsluitend in een regionale behoefte voorziet, kan daarmee nog steeds sprake zijn van een groot openbaar belang voor het realiseren van de woningen. Dat het realiseren van woningen in Soest voorziet in een regionale behoefte is met het Stec-rapport en de toelichting in het herstelbesluit voldoende deugdelijk gemotiveerd.\n\n16. De rechtbank overweegt verder dat in het Stec-rapport ook een deugdelijke onderbouwing is gegeven voor de behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment. In het rapport is inzichtelijk gemotiveerd dat in de woningmarktregio behoefte bestaat aan grondgebonden koopwoningen, ook in het hoge segment. Het vergelijken van de behoefte met het aanbod aan dit type woningen maakt inzichtelijk dat er in de woningmarktregio een resterende behoefte bestaat. Het bouwproject in deze zaak kan daarin voorzien. Bovendien is inzichtelijk gemaakt dat het realiseren van dure, grondgebonden koopwoningen gemiddeld drie verhuisbewegingen oplevert. Het realiseren van woningen in het hoge segment draagt daarmee ook bij aan het verlagen van de druk op andere segmenten in de woningmarkt en dient daarmee het openbaar belang. Wat eisers tegen de kwalitatieve behoefte hebben ingebracht is onvoldoende voor een ander oordeel. Eisers hebben in algemene bewoordingen toegelicht waarom zij zich niet kunnen vinden in het Stec-rapport, maar hebben nagelaten om hun beweringen met een tegenrapport te onderbouwen. Dat de werking van het Stec-doorstroommodel onvoldoende is toegelicht volgt de rechtbank niet. In het Stec-rapport is een toelichting gegeven op de methode en de gegevens die door het model worden gebruikt. De rechtbank acht daarmee voldoende inzichtelijk op welke wijze de uitkomsten van het doorstroommodel tot stand zijn gekomen.\n\n17. De rechtbank overweegt ten slotte dat zij bij haar beoordeling het belang van woningbouw moet wegen tegenover het belang van de das om ongestoord gebruik te maken van zijn foerageergebied. Daarbij betrekt de rechtbank dat het in deze zaak om een relatief klein bouwproject gaat waarin vijf woningen worden gerealiseerd. De bijdrage die het project levert aan de behoefte op de woningmarkt is daarmee beperkt. Gezien de beperkte omvang van het project is echter de verstoring van het beschermde foerageergebied van de das ook beperkt. De woningen worden gerealiseerd op één perceel in een landelijke omgeving, maar die wel al is omgeven door woningen. Bovendien wordt met de mitigerende maatregelen, in de vorm van vervangend foerageergebied nabij het bestaande foerageergebied, voldoende compensatie geboden voor de aantasting van het foerageergebied van de das.\n\n18. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat gedeputeerde staten erin is geslaagd het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen voor zover dat ziet op de noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit betekent dat het wettelijk belang voor het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegen in een regionale behoefte aan woningen en daarmee voorziet in een dwingende reden van groot openbaar belang. De rechtbank zal daarom niet meer ingaan op het wettelijk belang van de omgevingsvergunning voor zover dat ziet op de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.\n\nAlternatieven\n\n19. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten in het herstelbesluit ook voldoende concreet en inzichtelijk hebben gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat met minder verstrekkende gevolgen. De rechtbank overweegt daarover dat gedeputeerde staten 21 alternatieve locaties op geschiktheid hebben onderzocht. Daarbij hebben gedeputeerde staten in redelijkheid als uitgangspunt genomen dat de alternatieve percelen geschikt moeten zijn voor het doel van het project, te weten het realiseren van nieuwe woningen om daarmee het woningtekort terug te brengen. Het onderzoek naar alternatieve locaties is opgenomen in de bijlage bij het hiervoor besproken Stec-rapport. Daarin is inzichtelijk gemaakt welke alternatieve locaties in Soest bij de beoordeling zijn betrokken, op welke variabelen de alternatieve locaties zijn beoordeeld en wat de uitkomst van deze beoordeling is. Uit de beoordeling volgt dat geen van de onderzochte locaties een redelijk en op korte termijn bruikbaar alternatief biedt. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Eisers hebben nog aangevoerd dat de bestemming van de beoordeelde percelen niet in de weg zou mogen staan aan de geschiktheid van het alternatief. Het huidige plangebied was oorspronkelijk immers ook niet bestemd voor woningbouw. Deze stelling van eisers leidt echter niet tot een ander oordeel. Een bestemmingsplanwijziging kan immers een tijdrovende procedure zijn waardoor een eventuele alternatieve locatie niet op korte termijn beschikbaar is. Bovendien kan de bereidheid van het college om mee te werken aan een bestemmingswijziging in de weg staan aan de bruikbaarheid van een alternatieve locatie. Dit betekent dat gedeputeerde staten de bestaande bestemming van de alternatieve locaties wel degelijk bij het beoordelen van de alternatieve locaties mochten betrekken. De rechtbank overweegt ten slotte dat gedeputeerde staten de mogelijkheid van het realiseren van minder woningen op de voorgenomen locatie in redelijkheid niet bij de beoordeling van de alternatieven hebben hoeven betrekken. Vergunninghoudster heeft al in een eerder stadium toegelicht dat het realiseren van minder woningen voor haar als ontwikkelaar geen optie is, omdat het project ook rendabel moet blijven. Gedeputeerde staten moeten de aanvraag beoordelen zoals deze door vergunninghoudster is ingediend. Dat het realiseren van minder woningen op het voorgenomen plangebied niet bij de beoordeling van de alternatieven is betrokken, leidt daarom niet tot een ander oordeel.\n\n20. Uit het voorgaande volgt dat gedeputeerde staten met het herstelbesluit het geconstateerde gebrek voor zover dat ziet op de beoordeling van alternatieve locaties hebben hersteld.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. Uit de tussenuitspraak volgt dat het beroep van eisers gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Uit deze einduitspraak volgt vervolgens dat gedeputeerde staten de geconstateerde gebreken hebben hersteld en dat de resterende beroepsgronden niet slagen. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit om die reden in stand laten. Dit betekent dat de door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning voor het opzettelijk beschadigen en\u002Fof vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das voor de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2026 in stand blijft. Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning voor het beschadigen of vernielen van essentieel foerageergebied van de das in het kader van het door haar te realiseren woningbouwproject, overeenkomstig de door gedeputeerde staten gestelde voorwaarden en voorschriften.\n\n22. Met deze einduitspraak vervalt de voorlopige voorziening die de rechtbank in de tussenuitspraak heeft getroffen. Dit betekent dat de schorsing van de verleende omgevingsvergunning wordt opgeheven en dat vergunninghoudster gebruik mag maken van de aan haar verleende omgevingsvergunning.\n\n23. Omdat het beroep gegrond is, moeten gedeputeerde staten het door eisers betaalde griffierecht vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 1 april 2025;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;\n\n- draagt gedeputeerde staten op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. P. Mendelts, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:5410.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:7504.\n\nRichtlijn 92\u002F43\u002FEEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.\n\n De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2588 (Circuit Zandvoort), overweging 6.4 en het daarin aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2012, ECLI:EU:C:2012:82 (Solvay), punten 73-77.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1474","2026-04-13T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:38.622Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"557","ECLI:NL:RBMNE:2022:666","ecli-nl-rbmne-2022-666","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 21\u002F2200\n uitspraak van de meervoudige kamer van 24 februari 2022 in de zaak tussen\n Stichting Animal Rights, te Den Haag, en,\n\nStichting Fauna4life, te Amstelveen,\n\nsamen eisers,\n\n(gemachtigde: mr. M. van Duijn)\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder\n\n(gemachtigden mr. M.C. de Smidt en mr. V.A.C. de Gier)\n\nAls derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Faunabeheereenheid Utrecht, gevestigd te Renswoude (gemachtigde: J. Nuissl).\n\nInleiding\n\nIn de provincie Utrecht ontstaat regelmatig schade aan landbouwgewassen, die wordt toegeschreven aan de begrazing door knobbelzwanen. Het doden van knobbelzwanen is verboden op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). De faunabeheereenheid heeft een faunabeheerplan vastgesteld voor de periode 2019-2025. In lijn met de daarin voor de provincie beschreven maatregelen voor faunabeheer, heeft de faunabeheereenheid bij verweerder een ontheffing gevraagd om knobbelzwanen in de provincie te mogen verjagen en doden met het geweer, en voor het onklaar maken van de eieren van knobbelzwanen (legselreductiemaatregelen).\n\nMet het besluit van 13 augustus 2020 heeft verweerder deze ontheffing aan de faunabeheereenheid verleend. Met het besluit van 31 augustus 2020 heeft verweerder dit besluit ingetrokken en de ontheffing opnieuw verleend, met gewijzigde en aanvullende voorschriften.\n\nEisers hebben tegen de verleende ontheffing bezwaar gemaakt bij verweerder en daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft geleid tot de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 30 november 2020. De voorzieningenrechter heeft het besluit van 31 augustus 2020 geschorst.\n\n Met de beslissing op bezwaar van 30 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard en de verleende ontheffing op onderdelen aangepast. De gewijzigde ontheffing is verleend op 30 maart 2021 en maakt deel uit van het bestreden besluit. De gewijzigde ontheffing voor het doden van knobbelzwanen geldt voor de periode van 1 december tot en met 1 juni, voor de duur van het faunabeheerplan. De ontheffing geldt voor de hele provincie, met uitzondering van de wildbeheereenheden Lage Vuursche, De Schaffelaar en Vijfheerenlanden. Verweerder legt aan het verlenen van de ontheffing het wettelijk criterium ten grondslag dat het doden van knobbelzwanen nodig is om belangrijke schade aan gewassen te voorkomen.\n\nEisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, met als doel het afschieten van knobbelzwanen per 1 december 2021 te voorkomen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen met de uitspraak van 8 december 2021.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep, samen met het beroep in zaaknummer 21\u002F2238, op 27 januari 2022 op zitting behandeld. Namens de Stichting Fauna4life is [A] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Stichting Animal Rights heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en mr. [B] . Namens de faunabeheereenheid zijn J. Nuissl en [C] verschenen.\n\nOverwegingen\n\n1. Deze zaak draait om de vraag of verweerder de ontheffing heeft mogen verlenen voor verjaging met ondersteunend afschot van de knobbelzwaan en voor het uitvoeren van legselreductiemaatregelen.\n\nStandpunten van partijen\n\n2. Verweerder is van mening dat aan de wettelijke voorwaarden voor het verlenen van de ontheffing is voldaan. Volgens verweerder is afschot nodig ter voorkoming van belangrijke schade aan graslanden en zijn er geen andere bevredigende oplossingen. Eisers betwisten dit. Zij kunnen zich niet verenigen met het door verweerder gehanteerde criterium voor de beoordeling van belangrijke schade. Ook stellen zij dat knobbelzwanen in de wintermaanden niet of nauwelijks schade aan graslanden kunnen veroorzaken. Eisers menen dat er andere bevredigende oplossingen zijn, zoals verjaging zonder afschot. Verder vinden eisers dat verweerder onvoldoende naar de gevolgen van het afschieten voor de kleine zwaan en de wilde zwaan heeft gekeken. Partijen verschillen tot slot van mening over de vraag of legselreductiemaatregelen kunnen bijdragen aan het voorkomen van belangrijke schade.\n\nAanvullend beroepschrift wordt bij de beoordeling betrokken\n\n3. Het aanvullend beroepschrift dateert van net voor de termijn van tien dagen uit artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht, maar is bij de rechtbank binnengekomen net na het begin van deze termijn. De rechtbank vindt dat de goede procesorde zich er niet tegen verzet dat het aanvullende beroepschrift bij de beoordeling wordt betrokken. Verweerder en de faunabeheereenheid hebben op de zitting adequaat kunnen reageren en ook geen punt gemaakt van de te late indiening.\n\nGehanteerde uitgangspunt bij beoordeling van belangrijke schade is ontoereikend\n\n4. Uit artikel 3.3, vierde lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Wnb volgt dat een ontheffing uitsluitend wordt verleend indien zij nodig is ter voorkoming van belangrijke schade.\n\n5. Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht wat onder belangrijke schade moet worden verstaan. Het gaat daarbij om een schade van meer dan € 250,- per geval, per bedrijf, per jaar. Dit uitgangspunt volgt ook uit het beleid van verweerder, zoals neergelegd in het Beleidskader Wet Natuurbescherming provincie Utrecht. Voor de invulling van het begrip ‘belangrijke schade’ heeft verweerder aansluiting gezocht bij het eigen risico dat door het Faunafonds wordt toegepast voor tegemoetkomingen voor faunaschade. Aan de hand van de schadehistorie, waarbij gekeken is naar de afgelopen twee faunabeheerplanperioden, heeft verweerder in het bestreden besluit en het verweerschrift inzicht gegeven in de schadegevallen en de getaxeerde schadebedragen in de verschillende wildbeheereenheden.\n\n6. Eisers betogen dat knobbelzwanen geen belangrijke schade aanrichten. Door er van uit te gaan dat sprake is van belangrijke schade bij een schadebedrag van € 250,- per geval, per bedrijf, per jaar wordt door verweerder en in de rechtspraak veel te snel belangrijke schade aangenomen. Dat strookt volgens eisers niet met de Vogelrichtlijn, die in de Wnb is geïmplementeerd. Het hanteren van een absoluut bedrag vinden zij bovendien in strijd met het relatieve karakter van het begrip ‘belangrijke schade’. Eisers wijzen er in dit verband op dat in de landbouwsector in de provincie Utrecht miljarden omgaan.\n\n7. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat aan het gestelde vereiste van belangrijke schade in de zin van de Wnb is voldaan, als is gebleken van een concrete dreiging van belangrijke schade.Bij de invulling van het begrip ‘belangrijke schade’ en bij het bepalen of sprake is van een concrete dreiging daarvan, heeft verweerder een zekere beoordelingsruimte. Op grond van deze rechtspraak is niet vereist dat belangrijke schade zich al heeft voorgedaan. Een besluit waarbij een ontheffing van het verbod op afschot is verleend, moet wel strikt noodzakelijk zijn en op een nauwkeurige en treffende motivering berusten. De ontheffing moet zich beperken tot die specifieke situaties waarvoor op grond van de schadehistorie aannemelijk is gemaakt dat ten aanzien daarvan belangrijke schade is aangericht of dreigt te worden aangericht.\n\n8. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, is het hanteren van een drempelbedrag van € 250,- als invulling en uitgangspunt voor het beoordelen van belangrijke schade in de rechtspraak al vaak geaccepteerd.De rechtbank overweegt dat zij zich met het oog op de rechtsvorming vrij moet voelen om van een vaste lijn in de rechtspraak af te wijken als de zaak daarom vraagt. In dit geval ziet de rechtbank daartoe aanleiding. In de navolgende overwegingen zal zij dit uitleggen.\n\n9. Het gaat hier om de uitleg van het begrip ‘belangrijke schade’ uit artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb. Dit begrip is ontleend aan artikel 9 van de Vogelrichtlijn. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, over de in de Vogelrichtlijn opgenomen bepalingen om af te wijken van de verboden met betrekking tot beschermde soorten, volgt dat het gaat om een uitzonderingsregeling, die strikt moet worden uitgelegd.\n\n10. In het door de Europese Commissie opgestelde “Gidsdocument voor de jacht in het kader van Richtlijn 79\u002F409\u002FEEG van de Raad inzake het behoud van de vogelstand” (Gidsdocument) is ingegaan op de in de richtlijn vermelde redenen die het toestaan om afwijkingen van de richtlijn kunnen rechtvaardigen. Over de afwijking Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en waterenstaat onder 3.5.7 dat deze afwijking, die bedoeld is om ‘schadeveroorzakende vogels’ te reguleren, een aantal dimensies heeft. Ten eerste heeft ze duidelijk een verband met een economisch belang. Ten tweede is ze bedoeld om schade te voorkomen; daarom is het geen reactie op reeds aangetoonde schade, maar op de grote waarschijnlijkheid dat schade veroorzaakt zal worden als er geen actie wordt ondernomen. Ten derde moet er een basis zijn om te concluderen dat de schade belangrijk zal zijn als er geen actie wordt ondernomen.\n\n11. Het Gidsdocument vermeldt verder bij 3.5.11 dat de schade belangrijk moet zijn en dat het Europese Hofer in dit opzicht op heeft gewezen dat “deze bepaling van de richtlijn niet ertoe strekt dreigende schade van geringe omvang te voorkomen”. Twee aspecten kunnen worden opgemerkt: de waarschijnlijkheid en de omvang van de schade. De kans dat schade zich voordoet, is niet genoeg. Als schade nog niet duidelijk is, behoort voorbije ervaring een grote waarschijnlijkheid aan te tonen dat het zich zal voordoen. Verder moet het volgens het Gidsdocument belangrijke schade betreffen aan een economisch belang, hetgeen aangeeft dat het meer is dan gewoon ongemak en normaal bedrijfsrisico.\n\n12. Gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de stikte uitleg van de uitzonderingsbepalingen en wat daarover in het Gidsdocument staat beschreven, vindt de rechtbank het uitgangspunt van verweerder om in alle gevallen een bedrag van € 250,- per geval per bedrijf per jaar te hanteren ter invulling van het begrip belangrijke schade ontoereikend. Dit uitgangspunt is onvoldoende om aan te nemen dat bij schadegevallen van meer dan € 250,- per jaar per geval bij de betreffende bedrijven daadwerkelijk sprake is geweest van belangrijke schade. Om van belangrijke schade te kunnen spreken is vereist dat de schade een zekere omvang heeft die het economisch belang van een bedrijf raakt. Het uitgangspunt van verweerder, waarbij geen koppeling wordt gemaakt met de gevolgen van de geleden schade voor de bedrijven, geeft geen duidelijkheid of de geleden schade meer is dan ongemak en het normale bedrijfsrisico overtreft. De gegevens in het dossier over het aantal schadegevallen per wildbeheereenheid in de jaren 2016 tot en met 2019 en de bedragen van getaxeerde schadetegemoetkomingen per wildbeheereenheid in de jaren 2012 tot en met 2017 maken dit evenmin duidelijk. Als deze gegevens van de schadegevallen en getaxeerde schadebedragen worden gecombineerd dan waren er bijvoorbeeld in 2016 in de wildbeheereenheid Vecht en Veenstreek drie schadegevallen (drie bedrijven) met een totaal getaxeerde schade van € 2.202,-. In 2017 ging het in de wildbeheereenheid Noorderpark om één schadegeval met een getaxeerde schade van € 2.501,- en in de wildbeheereenheid Lopikerwaard om 2 schadegevallen met een totaal getaxeerde schade van € 1.411,-. Dit laat zien dat het per schadegeval niet om aanzienlijke bedragen gaat. Deze bedragen zeggen op zichzelf ook niets over de impact die de schade heeft gehad op de betreffende bedrijven, omdat financiële gegevens over deze bedrijven ontbreken. De rechtbank concludeert dat in het bestreden besluit onvoldoende is onderbouwd dat de ontheffing nodig is om belangrijke schade aan grasland te voorkomen. Het bestreden besluit berust niet op een nauwkeurige en treffende motivering zoals is vereist. Op dit punt is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid.\n\n13. Eisers hebben gesteld dat zij het toe zouden juichen als de rechtbank prejudiciële vragen zou stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de wijze waarop belangrijke schade beoordeeld moet worden, maar de rechtbank ziet daartoe geen aanleiding. Van belang hierbij is dat de Afdeling zich nog niet expliciet heeft uitgelaten hoe het hanteren van een drempelbedrag van € 250,- ter invulling van de beoordeling van belangrijke schade zich verhoudt tot het economisch belang van een bedrijf, en dat het om meer moet gaan dan gewoon ongemak en normaal bedrijfsrisico zoals het Gidsdocument beschrijft. Vanuit oogpunt van proceseconomie wil de rechtbank partijen eerst de kans geven dit punt in hoger beroep aan de Afdeling voor te leggen.\n\n14. Het oordeel van de rechtbank brengt met zich mee dat op dit moment onzeker is of de ontheffing strikt noodzakelijk is om belangrijke schade te voorkomen. De rechtbank zal daarom niet ingaan op de andere beroepsgronden die zien op de ontheffing voor verjaging met ondersteunend afschot van de knobbelzwaan of daarmee samenhangen.\n\nLegselreductie is geen maatregel ter voorkoming van belangrijke schade\n\n15. Eisers zijn het niet eens met de ontheffing voor het uitvoeren van legselreductiemaatregelen, omdat er geen verband is tussen het onklaar maken van eieren en schade aan graslanden. Dat verband moet er wel zijn, want de ontheffing is verleend voor schadebestrijding. Eisers betwisten het standpunt van verweerder dat nestbehandeling effectief is. Volgens hen is dit juist contraproductief en leidt het tot een toename van de kans op schade.\n\n16. Op grond van artikel 3.1, tweede lid, van de Wnb is het verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het verboden is eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.\n\n17. Van deze verboden heeft verweerder ontheffing verleend om het uitvoeren van legselreductiemaatregelen toe te staan in de periode van 1 maart tot en met 31 mei. Het gaat om het rapen, schudden, prikken of dompelen in maisolie van eieren van de knobbelzwaan. Verweerder heeft de ontheffing verleend op grond van artikel 3.3 van de Wnb. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat het doel van de ontheffing inderdaad het voorkomen van belangrijke schade aan graslanden is. De ontheffing is dus niet gebaseerd op artikel 3.17 van de Wnb op grond waarvan onder voorwaarden planmatig populatiebeheer is toegestaan.\n\n18. De rechtbank oordeelt dat de ontheffing voor het uitvoeren van legselreductiemaatregelen een zelfstandig besluitonderdeel is. Hiervoor geldt dat, net als bij de ontheffing voor afschot, aan alle voorwaarden uit artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb moet worden getoetst. In het bestreden besluit is ten onrechte niet beoordeeld of er een andere bevredigende oplossing is. De ontheffing voor legselreductie is dus gebrekkig gemotiveerd. Maar de rechtbank vindt ook dat legselreductie geen maatregel is die kan worden toegepast om belangrijke schade aan grasland te voorkomen en dat het dus überhaupt niet mogelijk is om een ontheffing voor legselreductie te verlenen met als doel het voorkomen van belangrijke schade. Zij legt hierna uit waarom zij dat vindt.\n\n19. Eieren zelf kunnen geen schade veroorzaken aan grasland. In het bestreden besluit is uiteengezet dat op basis van recente gegevens over de populatieontwikkeling van de knobbelzwaan en de ontwikkeling van schadecijfers een direct verband te zien is tussen de populatie en de schade De aanwas van de populatie wordt door legselreductie ingeperkt, waardoor legselreductie volgens verweerder bijdraagt aan het voorkomen van schade aan graslanden. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Zoals verweerder het uitlegt kan de maatregel alleen maar op een indirecte manier bijdragen aan het voorkomen van schade aan grasland, namelijk doordat de legselreductie er voor zorgt dat de populatie knobbelzwanen beperkter toeneemt en er dus uiteindelijk minder knobbelzwanen zijn die schade kunnen veroorzaken. Voor zover dat al klopt – de rechtbank laat dat in het midden – is er sprake van een te ver verwijderd verband tussen de maatregel (legselreductie) en het beoogde resultaat (voorkomen van belangrijke schade aan grasland).\n\n20. Gelet op het oordeel van de rechtbank is het niet mogelijk om een ontheffing voor legselreductie te verlenen met als doel het voorkomen van schade aan grasland. De ontheffing voor het uitvoeren van legselreductiemaatregelen kan dus niet in stand blijven, ook niet met een aanvullende motivering. Aan de beroepsgrond van eisers dat legselreductie geen bevredigende oplossing is komt de rechtbank daarom niet toe.\n\nConclusie en verdere afdoening\n\n21. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.3 van de Wnb.\n\n22. De rechtbank ziet geen aanleiding om een tussenuitspraak te doen waarbij verweerder de gelegenheid krijgt om het gebrek te herstellen, omdat verweerder op de zitting duidelijk heeft gemaakt dat hij vasthoudt aan het uitgangspunt dat er sprake is van belangrijke schade bij € 250,- per geval, per bedrijf, per jaar. Om die reden vindt de rechtbank het niet opportuun om verweerder eerst in de gelegenheid te stellen de geconstateerde gebreken te herstellen.\n\n23. Het gevolg van de vernietiging van het bestreden besluit door de rechtbank betekent dat verweerder opnieuw moet beslissen op het bezwaar van eisers. Daarvoor geldt de reguliere beslistermijn. Het is aan verweerder om met inachtneming van deze uitspraak een andere invulling te geven aan de beoordelingsruimte bij het criterium ‘belangrijke schade’ en beter te motiveren dat hiervan sprake is. De schadegegevens uit de vorige faunabeheerplanperiode kunnen daarbij wel als uitgangspunt blijven dienen, maar daarnaast zal inzichtelijk gemaakt moeten worden hoe de verschillende schadegevallen zich verhouden tot de economische belangen van de desbetreffende bedrijven en dat sprake is van een economisch belang dat verder gaat dan ongemak en het normale bedrijfsrisico overstijgt.\n\n24. De met het primaire besluit verleende ontheffing blijft door de vernietiging in beginsel gelden in afwachting van de nieuwe beslissing op bezwaar van verweerder. Uit deze uitspraak volgt echter dat de ontheffing voor het afschot van knobbelzwanen en het onklaar maken van hun eieren gebrekkig is. Het is onzeker of verweerder het gebrek in de ontheffing voor het afschieten van knobbelzwanen kan herstellen. Het gebrek in de ontheffing voor het onklaar maken van de eieren kan niet hersteld worden. In het licht daarvan weegt de rechtbank het belang van eisers bij het voorkomen van afschot van knobbelzwanen als beschermde diersoort en het onklaar maken van de eieren van deze soort zwaarder dan het belang van verweerder en de faunabeheereenheid bij het voorkomen van schade aan graslanden. De rechtbank ziet daarin aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, waarbij de ontheffing (het primaire besluit) wordt geschorst tot zes weken na de te nemen nieuwe beslissing op het bezwaarschrift. Dat betekent dat er tot die tijd geen gebruik mag worden gemaakt van de ontheffing.\n\nVergoeding van griffierecht en proceskosten\n\n25. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.\n\n26. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting) met een waarde per punt van € 759,-, bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.518,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nschorst het primaire besluit van 31 augustus 2020 tot zes weken na de te nemen nieuwe beslissing op het bezwaarschrift;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eisers te vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.518,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzitter, en mr. V.E.H.G. Visser en mr. A.R. Klijn, leden, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De beslissing is uitgesproken op 24 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl\n\nde griffier is verhinderd deze\n\nuitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\nECLI:NL:RBMNE:2020:5183.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2021:5985.\n\nZie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2234.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2007, ECLI:NL:RVS:BA1175 of de uitspraak van 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3209.\n\n Arrest van 8 juli 1987, Commissie\u002FBelgië, zaak 247\u002F85, Jurispr. 1987, blz. 3029, punt 56.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:666","2026-07-13T00:28:36.608Z",1,20]