[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-zutphen-civil-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":42,"total":16,"page":25,"limit":77},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},68,"Zutphen","nl","zutphen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},55,"civil-procedure-nl","Civil Procedure","NL","2026-07-08T16:54:05.484Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-03-04T00:00:00.000Z","2026-06-25T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,39],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122131","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 143 lid 3",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122132","art. 209",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122133","art. 223",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122134","art. 133 lid 4",{"provisionId":36,"code":37,"article":38,"count":25},"124353","Burgerlijk Wetboek","art. 7:228 lid 1",{"provisionId":40,"code":37,"article":41,"count":25},"124360","art. 7:206",[43,54,62,70],{"id":44,"ecli":45,"slug":46,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":48,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"1829","ECLI:NL:RBGEL:2026:5156","ecli-nl-rbgel-2026-5156","","RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: 12216454 \\ VV EXPL 26-26\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING TORENSTAD MONUMENTENBEHEER,\n\nte Zutphen,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Torenstad,\n\ngemachtigde: mr. S. Goriya,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding,\n\n- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van Torenstad.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Tussen partijen is een huurovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan Torenstad per 1 februari 2024 de woning aan de [adres] (hierna: het gehuurde) aan [de gedaagde] heeft verhuurd. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar.\n\n2.2.. Bij brief van 7 november 2024 heeft Torenstad aan [de gedaagde] bericht dat de huurovereenkomst eindigt op 31 januari 2025.\n\n2.3.. Op 18 december 2024 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten op grond waarvan [de gedaagde] het gehuurde van Torenstad heeft gekocht onder voorbehoud van financiering. In de koopovereenkomst is de leveringsdatum bepaald op 31 januari 2025.\n\n2.4.. In het voorjaar van 2025 heeft [de gedaagde] Torenstad diverse malen verzocht de leveringsdatum uit te stellen en de termijn voor het financieringsvoorbehoud te verlengen omdat [de gedaagde] op dat moment geen hypothecaire geldlening kon verkrijgen voor de financiering van het gehuurde. Torenstad heeft met deze verzoeken ingestemd.\n\n2.5.. In juli 2025 hebben partijen afgesproken dat Torenstad de verkoop van het gehuurde weer openbaar kon opstarten en dat [de gedaagde] het gehuurde uiterlijk 31 januari 2026 zou opleveren aan Torenstad, alsmede dat [de gedaagde] een vergoeding van € 1.482,85 aan Torenstad zou betalen voor iedere maand dat hij het gehuurde niet zou opleveren.\n\n2.6.. Op 30 januari 2026 heeft [de gedaagde] geen medewerking verleend aan de door Torenstad aangekondigde eindinspectie en oplevering van het gehuurde.\n\n2.7.. Bij brief van 13 maart 2026 heeft de gemachtigde van Torenstad de koopovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk ontbonden.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Torenstad vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1. [de gedaagde] zal veroordelen om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, te ontruimen en ontruimd te houden en te verlaten met al het zijne en de zijnen, onder afgifte van alle sleutels aan Torenstad,\n\n2. [de gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.323,20, vermeerderd met een bedrag van € 1.482,85 per maand, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [de gedaagde] het gehuurde na 1 april 2026 onder zich houdt tot aan de dag van de feitelijke ontruiming en oplevering, vermeerderd met de wettelijke rente,\n\n3. althans een zodanige beslissing zal nemen als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren,\n\nen [de gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [de gedaagde] voert verweer en concludeert tot gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van Torenstad.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Vooropgesteld wordt dat een vordering tot ontruiming in kort geding een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een diepgaand onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n4.2.. Torenstad legt primair aan de vordering tot ontruiming van het gehuurde ten grondslag dat partijen de huurovereenkomst zijn aangegaan voor bepaalde tijd en dat de huurovereenkomst daarom is geëindigd per 1 februari 2025.\n\n4.3.. Op grond van artikel 7:228 lid 1 BW (oud) eindigen huurovereenkomsten die zijn aangegaan vóór 1 juli 2024 en waarin een maximale looptijd van twee jaar is bepaald, wanneer de looptijd is verstreken en het einde van de huurovereenkomst tijdig en correct door de verhuurder is aangezegd.\n\n4.4.. In onderhavig geval hebben partijen een huurovereenkomst gesloten voor de duur van één jaar. Bij brief van 7 november 2024 heeft Torenstad het einde van de huurovereenkomst tijdig en correct aangezegd. Voldoende aannemelijk is dan ook dat de huurovereenkomst door het verstrijken van de looptijd is geëindigd per 1 februari 2025.\n\n4.5.. Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat [de gedaagde] voor het eindigen van de huurovereenkomst het gehuurde van Torenstad heeft gekocht onder voorbehoud van financiering. Partijen zijn in dit kader overeengekomen dat [de gedaagde] in afwachting van de levering het gehuurde mocht blijven gebruiken tot uiterlijk 31 januari 2026 tegen een door [de gedaagde] te betalen vergoeding van € 1.482,85 per maand. Uiteindelijk is de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden omdat [de gedaagde] geen hypothecaire geldlening heeft kunnen verkrijgen voor de financiering van de woning. Naar voorshands oordeel van de kantonrechter heeft [de gedaagde] gelet op deze feiten en omstandigheden vanaf 1 februari 2026 geen recht of titel meer om het gehuurde te gebruiken.\n\n4.6.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een gevorderde ontruiming van het gehuurde in een bodemprocedure met grote mate van waarschijnlijkheid zal worden toegewezen omdat [de gedaagde] geen recht of titel meer heeft om het gehuurde te gebruiken. De in dit kort geding gevorderde ontruiming van het gehuurde zal daarom worden toegewezen. De ontruimingstermijn zal worden bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis.\n\n4.7.. Torenstad vordert voorts betaling van een bedrag van € 10.323,20. Torenstad stelt daartoe dat [de gedaagde] de maandelijkse vergoeding van € 1.482,85 over de periode van oktober 2025 tot en met april 2026 niet (volledig) heeft betaald. [de gedaagde] heeft deze stelling en de hoogte van de gestelde betalingsachterstand niet betwist.\n\n4.8.. De kantonrechter overweegt dat [de gedaagde] over de maanden oktober tot en met januari 2026 een maandelijkse vergoeding van € 1.482,85 is verschuldigd op grond van de afspraken die partijen in juli 2025 met elkaar hebben gemaakt (zie hiervoor 2.5.). Vanaf 1 februari 2026 gebruikt [de gedaagde] het gehuurde zonder recht of titel. [de gedaagde] moet ook voor het gebruik vanaf deze datum een vergoeding aan Torenstad betalen omdat hij anders ongerechtvaardigd zou worden verrijkt. Deze vergoeding is gelijk aan de daarvoor door [de gedaagde] verschuldigde maandelijkse vergoeding van € 1.482,85. De vorderingen die strekken tot betaling van het bedrag van € 10.323,20 en de maandelijkse vergoeding van € 1.482,85 vanaf 1 mei 2026 tot aan de datum van de ontruiming zullen dan ook worden toegewezen. De niet betwiste wettelijke rente over het bedrag van € 10.323,20 is als op de wet gegrond eveneens toewijsbaar op de wijze zoals hierna in de beslissing is vermeld.\n\n4.9.. \n [de gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Torenstad worden vastgesteld en begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n153,02\n\n- griffierecht\n\n€\n\n559,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.721,02\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [de gedaagde] om het gehuurde aan de [adres] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden en te verlaten met al het zijne en de zijnen, onder afgifte van alle sleutels aan Torenstad,\n\n5.2.. veroordeelt [de gedaagde] om aan Torenstad te betalen een bedrag van € 10.323,20, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van de verschuldigde vergoedingen tot aan de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [de gedaagde] om aan Torenstad te betalen € 1.482,85 voor iedere maand vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag der algehele ontruiming,\n\n5.4.. veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.721,02, te vermeerderen met de kosten van betekening en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\nlt","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5156","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:40.840Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":61},"1834","ECLI:NL:RBGEL:2026:5160","ecli-nl-rbgel-2026-5160","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: 12018926 \\ CV EXPL 25-3465\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. K. Colakoglu,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. M.H. Hogeman.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 4 maart 2026,\n\n- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door mr. Hogeman overgelegde aanvullende productie,\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de gedaagde] is eigenaar van een bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] . [de gedaagde] heeft in het verleden een winkel in deze bedrijfsruimte geëxploiteerd.\n\n2.2.. Partijen hebben een huurovereenkomst met elkaar gesloten op grond waarvan [de gedaagde] met ingang van 1 januari 2024 voormelde bedrijfsruimte (hierna: het gehuurde) casco verhuurt aan [de eiser] voor een periode van tien jaar voor een huurprijs van € 15.000,00 per jaar.\n\n2.3.. \n\nOp de huurovereenkomst zijn de ALGEMENE BEPALINGEN HUUROVEREENKOMST WINKELRUIMTE en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing. Artikel 13.3 van de algemene bepalingen luidt als volgt:\n\n“Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van een gebrek en huurder kan in geval van een gebrek geen aanspraak maken op huurprijsvermindering en verrekening, behoudens de bevoegdheid tot verrekening als bedoeld in artikel 7:206 lid 3 Burgerlijk Wetboek.”\n\n2.4.. Het gehuurde heeft een kelder onder de gehele begane grond. De kelder bestaat uit twee ruimtes, een grote ruimte waar de trap op uitkomt en een kleine ruimte. In de kleine ruimte staat een compressor voor de waterafvalscheiding en is een professionele afzuiginstallatie aanwezig.\n\n2.5.. Op 2 of 3 januari 2024 is de kelder onder water komen te staan. Kort hierna heeft [vochtweringsbedrijf] Vochtbestrijding B.V. (hierna: [vochtweringsbedrijf] ) in opdracht van [de gedaagde] de kelder met een waterstofzuiger en bouwdrogers droog gemaakt.\n\n2.6.. Begin 2024 heeft [de gedaagde] het gehuurde met toestemming van [de eiser] verbouwd tot een tandartspraktijk.\n\n2.7.. In maart 2024 heeft [vochtweringsbedrijf] de kelder gesaneerd. Daarbij heeft zij een bekuiping, vochtwerende mortel, aquastuc op de wanden en een vloeistofdichte vloer in de kelder aangebracht.\n\n2.8.. In april en mei 2024 is tussen partijen discussie ontstaan over de uitvoering van de verdere herstelwerkzaamheden in de kelder, bestaande uit het sauzen, het aanleggen van extra ventilatie en het aanbrengen van twee radiatoren in de kelder. [de eiser] heeft aangegeven eerst de kelder te willen laten beoordelen door een deskundige voordat in deze ruimte verdere werkzaamheden worden verricht.\n\n2.9.. \n\nOp 1 oktober 2024 heeft Bureau voor Bouwpathologie in opdracht van [de eiser] de kelder van het gehuurde onderzocht. In de daarvan opgestelde rapportage van 27 november 2024 is onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\nWAARNEMINGEN\n\n(…)\n\nKleine kelderruimte\n\n6. De vloer is zichtbaar verkleurd door vocht (…)\n\n7. De wanden hebben vochtschade (…)\n\n8. De wanden zijn over verschillende plekken aan de onderzijde nat gemeten (…)\n\n9. De vloer is nat gemeten (…)\n\n10. Aan de bovenzijde is zichtbaar dat de aangebrachte stuclaag stopt (…)\n\n11. De aangebrachte stuclaag is ook niet aangebracht bij de riolerings- en verwarmingsbuizen (…)\n\n12. De wand waar geen laag stucwerk is aangebracht meet nat tot zeer nat (…)\n\n(…)\n\n14. De relatieve luchtvochtigheid in de kleine ruimte is 84,8 % gemeten (…)\n\n(…)\n\nGrote kelderruimte\n\n18. De wanden hebben vochtschade (…)\n\n19. De vloer heeft zoutuitslag (…)\n\n(…)\n\n21. De wanden zijn over verschillende plekken aan de onderzijde vochtig tot nat gemeten en verder naar boven droog tot vochtig (…)\n\n22. Het kalkzandsteen buitenspouwblad is nat (…)\n\n24. Er zijn voldoende ventilatieopeningen in de gevel (…)\n\n25. Aan de bovenzijde is zichtbaar dat de aangebrachte stuclaag stopt (…)\n\n26. De relatieve luchtvochtigheid in de grote ruimte is 84,0% gemeten (…)\n\nBuitenzijde\n\n27. Aan de buitenzijde zijn de ventilatieopeningen van de kelder zichtbaar afgedekt met een rooster (…)\n\nVRAAGBEANTWOORDING\n\n(…)\n\nVraag 1:\n\nWaardoor is de waterschade ontstaan, waardoor er lekkages zijn en er zich ook vocht en schimmel vorm?\n\nAntwoord:\n\nUit de bouwaanvraag d.d. 13 april 1987 blijkt dat er oorspronkelijk geen kelder onder de winkelruimte was bedoelt. Er zijn geen gegevens over de kelder op de bouwaanvraagtekeningen bekent. In Advies konstructie van [naam] d.d. 2 maart 1987 staat een doorsnede en berekening van de kelder (bijlage 2). Tijdens het onderzoek was zichtbaar dat de kelderwand opgebouwd is uit twee kalkzandsteenwanden met een ps isolatie strak ertussen. Uit de doorsnede is op te maken dat de kelder gebouwd is op een betonnen plaat met massief gemetselde wanden tot een bepaalde hoogte, wat overgaat in een spouwmuurconstructie. Op het binnenspouwblad ligt de begane grond vloer. Het grondwater zit op 1,6 meter onder maaiveld. De kelderwanden zijn aan de binnenzijde waterdicht gemaakt met cementstuc.\n\nEr zijn op twee plekken lekkages te herleiden in de kelder:\n\nOp maaiveldhoogte zijn er aan de buitenzijde gevelopeningen welke uitkomen in de spouw en bij openingen in het binnenspouwblad welke zorgen voor de ventilatie in de kelder. Op de ontvangen foto’s is de toestand te zien voor de werkzaamheden. Hierop is duidelijk een lijn te zien met natte wanden onder de lijn en droge wanden boven de lijn. De lijn is de overgang van de massief gemetselde wand op de spouwconstructie. Het hemelwater kan via de ventilatieopeningen de spouwconstructie in, maar ook door vochtdoorslag. Het hemelwater kan niet de spouw uit en hoopt zich aan de onderzijde op in de spouw. Het hemelwater trekt in en door het massief gemetselde wanden als een spons. De cementstuc moet voor de waterdichting zorgen. Dit functioneert niet naar behoren, waardoor de kelderwanden vochtig zijn en er schimmel kan ontstaan. Tijdens de herstelwerkzaamheden is AquaStuc gipspleister op de cementstuc aangebracht. AquaStuc pleister is speciaal voor natte ruimtes en is waterafstotend, maar zorgt niet voor de waterdichting.\n\nDe kim is niet waterdicht, waardoor het grondwater tussen de kelderplaat en de massief gemetselde wand door kan. Dit zorgt voor de natte kelderplaat tegen en rondom de wanden en de zoutafzetting op de kelderplaat.\n\nVraag 2:\n\nWat zijn de kosten voor herstel en\u002F of eventueel hersteladvies is?\n\nAntwoord:\n\nDoor de aanwezige PS isolatie in de spouw kan er geen waterdichte kering en spouwlood op maaiveldhoogte gemaakt worden. Een vlakafdichting aan de buitenzijde is niet mogelijk, omdat de kelder niet volledig vrij gegraven kan worden. Daarom is de mogelijke hersteloptie alleen een gietafdichting aan de binnenzijde. Deze methode wordt gekozen bij kalkzandsteen. Kalkzandsteen is niet of nauwelijks geschikt om een afdichtingslaag op aan te brengen. Deze steen accepteert geen primers. Er wordt bij deze methode een muur aan de binnenzijde tegen de wand gemetseld. De ruimte tussen de twee muren wordt gevuld met waterdichte gietmortel. De kelderruimte wordt hierdoor welk kleiner. De nieuwe kelderwanden moeten na de werkzaamheden worden gestuct en gesausd.\n\nDe kosten voor bovenstaande werkzaamheden worden geraamd op€ 73.500,- excl. B.T.W..\n\n2.10.. \n\nIn maart 2025 hebben [vochtweringsbedrijf] en [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) een onderzoek uitgevoerd naar de door [de eiser] gestelde vochtproblemen in de kelder. Bij brief van 10 april 2025 heeft [vochtweringsbedrijf] daarover aan [de gedaagde] bericht:\n\n“(…)\n\n1. Algemeen\n\n(…) De kelder is in mei 2024 opgeleverd zonder vochtproblemen. Tijdens dit onderzoek zijn uitgebreide vochtmetingen en thermografische inspecties verricht. De toegestane vochtwaarde van 12,8% is alleen overschreden in de kleine ruimte waar tandarts apparatuur staat die veel vocht uitstoot.\n\n2. Bevindingen\n\n Kimnaden zijn visueel onderzocht en met thermovisuele apparatuur. Er is géén lekkage waargenomen. De kimnaden zijn droog.\n\n De muren zijn blok voor blok gemeten met een vochtmeter en gescand met thermovisuele apparatuur. Ook hier is géén vocht vastgesteld. De muren zijn droog en daarmee is de conclusie dat de schimmelvorming het gevolg zou zijn van optrekkend vocht niet houdbaar.\n\n Vloer is eveneens over een langere periode middels een datalog stabiel gemeten, zonder signalen van optrekkend vocht.\n\n Ventilatie en verwarming zijn cruciale factoren: meetapparatuur (…) registreerde tussen 3 en 17 maart een gemiddelde temperatuur van 14,8 °C en een relatieve luchtvochtigheid van ca. 65%. Dit zijn suboptimale waarden voor een kelderruimte. Volgens de richtlijnen dient de temperatuur minimaal 18°C à 19°C te bedragen, ook is de luchtvochtigheid te hoog, deze zou rond de 50 tot max 55% mogen liggen.\n\n De vloerverwarming is aanwezig, maar wordt niet gebruikt door de huurder.\n\n De professionele ventilatie is uitgeschakeld door huurder. Hierdoor kan vochtige lucht niet worden afgevoerd, wat schimmelgroei in de hand werkt.\n\n In de ruimte met de tandartsmachine stijgt de luchtvochtigheid bij gebruik zelfs naar 74% (…) – wederom zonder afvoermechanisme vanwege de niet-functionerende ventilatie.\n\n3. Toelichting op de conclusies in het rapporthet rapport van Bureau voor Bouwpathologie, toevoeging kantonrechter]\n\nHet rapport stelt dat de kelderwand vocht doorlaat vanwege een gebrekkige binnenafdichting. Echter:\n\n Er is geen sprake van lekkage of optrekkend vocht zoals het rapport beweert.\n\n De schade die zichtbaar is, is veroorzaakt door interne factoren zoals onvoldoende ventilatie en verwarming.\n\n De aangebracht stuclaag en kitnaden zijn correct uitgevoerd en functioneren naar behoren. Er is geen visuele of meetbare schade aan deze afdichting.\n\n Het loslatende schilderwerk wordt veroorzaakt door schimmelvorming. Deze is mogelijk door de lage temperatuur, gebrekkige ventilatie en hoge luchtvochtigheid.\n\n4. Verantwoording en hersteladvies\n\nDe huidige situatie is het gevolg van het gedrag van de huurder:\n\n Het uitzetten van de ventilatie\n\n Het niet activeren van de vloerverwarming\n\n Het structureel niet openen van de trapdeur, waardoor luchtcirculatie wordt belemmerd\n\nOnder de huidige omstandigheden is sprake van gebruiksschade en achterstallig onderhoud door de huurder. Er is geen sprake van constructieve gebreken of gebrekkige waterafdichting.\n\n(…)”\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [de eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1. [de gedaagde] zal veroordelen om de gebreken aan\u002Fin het gehuurde zoals omschreven in het rapport van Bureau voor Bouwpathologie d.d. 27 november 2024 volledig en duurzaam te herstellen, uiterlijk binnen een termijn van één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis,\n\n2. de huurprijs van het gehuurde met ingang van 1 januari 2024, of een nader door de kantonrechter te bepalen datum, te verminderen met 25% of een nader door de kantonrechter vast te stellen percentage, tot en met het daadwerkelijk herstel van de genoemde gebreken,\n\n3. [de gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.524,62, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf de respectievelijke vervaldata, 4. [de gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [de gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [de eiser] stelt zich op het standpunt dat het gehuurde diverse gebreken heeft en vordert in deze procedure herstel van die gebreken (artikel 7:206 BW), een vermindering van de huurprijs tot het moment dat de gestelde gebreken door [de gedaagde] zijn verholpen (artikel 7:207 BW) en vergoeding van de schade die [de eiser] stelt te hebben geleden (7:208 BW).\n\n4.2.. Allereerst moet worden beoordeeld of sprake is van één of meerdere gebreken aan het gehuurde als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW. In dit artikel is een gebrek omschreven als een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft. De vraag of sprake is van een gebrek moet aan de hand van objectieve verifieerbare feitelijke gegevens worden vastgesteld.\n\n4.3.. \n [de eiser] stelt dat de kelder van het gehuurde ernstige gebreken heeft, namelijk vochtproblemen, lekkages en schimmelvorming. [de gedaagde] betwist dit en voert daartoe aan dat de muren van de kelder droog zijn en dat de hoge luchtvochtigheid in de kelder wordt veroorzaakt omdat [de eiser] het gehuurde onvoldoende verwarmt en ventileert.\n\n4.4.. De stelplicht en bewijslast van de stelling dat sprake is van lekkages en optrekkend vocht in de kelder, rusten op [de eiser] omdat zij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept. [de eiser] heeft ter onderbouwing van de gestelde gebreken de rapportage van 27 november 2024 van Bureau voor Bouwpathologie (zie hiervoor 2.9.) overgelegd. Daarin is, kort gezegd, vermeld dat tijdens het onderzoek ter plaatse op 1 oktober 2024 de wanden en vloer in de kelder vochtig tot nat zijn gemeten en dat waterschade in de kelder is ontstaan omdat enerzijds hemelwater via de ventilatieopeningen in de spouwconstructie van de kelder terechtkomt en anderzijds hemelwater door de buitenmuren naar binnen trekt (optrekkend vocht).\n\n4.5.. \n [de gedaagde] betwist de juistheid van de bevindingen van Bureau voor Bouwpathologie. Ter onderbouwing van die betwisting verwijst zij naar de brief van 10 april 2025 van [vochtweringsbedrijf] (zie hiervoor 2.10.). In deze brief is, kort gezegd, vermeld dat [vochtweringsbedrijf] en [bedrijf] tijdens een verrichte contra-expertise in maart 2025 geen lekkages en vocht in de wanden of vloer hebben waargenomen en dat de zichtbare waterschade in de kelder wordt veroorzaakt door onvoldoende ventilatie en verwarming door [de eiser] .\n\n4.6.. De kantonrechter is van oordeel dat [de gedaagde] de juistheid van de bevindingen van Bureau voor Bouwpathologie voldoende gemotiveerd heeft weersproken door het laten uitvoeren van een contra-expertise door [vochtweringsbedrijf] en [bedrijf] . Het bewijs van de stelling dat in de kelder van het gehuurde sprake is van lekkages en optrekkend vocht, is daarom niet reeds op voorhand geleverd op grond van de door [de eiser] overgelegde rapportage van Bureau voor Bouwpathologie. Omdat evenmin uit de overige door [de eiser] overgelegde stukken voldoende bewijs is te putten, zal zij conform het door haar gedane aanbod tot bewijslevering worden toegelaten van haar stelling dat sprake is van lekkages en optrekkend vocht in de kelder.\n\n4.7.. Het ligt in de rede dat, gelet op de aard van het door [de eiser] te leveren bewijs, een deskundigenbericht wordt ingewonnen. Een onafhankelijke deskundige kan beoordelen of en in hoeverre sprake is van lekkages en optrekkend vocht in de kelder en zo ja, op welke wijze en tegen welke kosten deze gebreken hersteld kunnen worden. Alvorens tot benoeming van een deskundige wordt overgegaan, zal de kantonrechter de zaak naar de hierna te melden rol verwijzen opdat partijen zich kunnen uitlaten over de wenselijkheid van het deskundigenonderzoek, de persoon\u002Fpersonen van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon\u002Fpersonen van de te benoemen deskundige(n), wordt van partijen verwacht dat zij daarover met elkaar zullen overleggen en dat zij zoveel mogelijk een met elkaar overeenstemmend voorstel zullen voorleggen.\n\n4.8.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 22 juli 2026voor het nemen van een akte door beide partijen als bedoeld in r.o. 4.7.,\n\n5.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\nlt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5160","2026-07-13T00:29:41.097Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":66,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":52,"updatedAt":69},"400","ECLI:NL:RBGEL:2026:5275","ecli-nl-rbgel-2026-5275","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F460385 \u002F HZ ZA 25-357\n\nVonnis in incident van 4 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. CONTAMINATION CONTROL TECHNOLOGIES EUROPE B.V.,\n\nte Helmond, 2. JESFAM B.V.,\n\nte Helmond, 3. [eiser sub. 3] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] , 4. MATCH VENLO HOLDING B.V.,\n\nte Venlo, 5. [eiser sub. 5] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] , 6. GEBRA INFRA B.V.,\n\nte Arnhem, 7. RAMATEGE B.V.,\n\nte Arnhem, 8. [eiser sub. 8] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] , 9. [eiser sub. 9] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] , 10. [eiser sub. 10] .,\n\nte [vestigingsplaats] , 11. [eiser sub. 11] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] , 12. JOOSTEN KUNSTSTOFFEN B.V.,\n\nte Bemmel, 13. TAPANUI HOLDING B.V.,\n\nte Bemmel, 14. BEDEGE HOLDING B.V.,\n\nte Bemmel, 15. MATAURA HOLDING B.V.,\n\nte Bemmel, 16. WAITAHUNA HOLDING B.V.,\n\nte Bemmel, 17. SUBASTA HOLDING B.V.,\n\nte Bemmel, 18. JOOSTEN KUNSTSTOFFEN DELFT B.V.,\n\nte Bemmel, 19. JOOSTEN KUNSTSTOFFEN BEVERWIJK B.V.,\n\nte Bemmel, 20. JOOSTEN KUNSTSTOFFEN ZEELAND B.V.,\n\nte Bemmel, 21. JOOSTEN KUNSTSTOFFEN PRODUCTIE EN LASTECHNIEK B.V.,\n\nte Bemmel, 22. JOOSTEN ECODAK B.V.,\n\nte Bemmel, 23. JOOSTEN REFOAM B.V.,\n\nte Bemmel, 24. JOOSTEN RIOTECH B.V.,\n\nte Bemmel, 25. JOOSTEN VAN KAAM B.V.,\n\nte Bemmel,\n\n26. KOZIJN GARANT B.V.,\n\nte Cuijk,\n\n27. ST. ANTHONIS METAAL B.V.,\n\nte Cuijk,\n\n28. BEHEERMAATSCHAPPIJ ST. ANTONIS B.V.,\n\nte Cuijk,\n\n29. STANSTECHNIEK GAANDEREN BEHEER B.V.,\n\nte Gaanderen,\n\n30. STANSTECHNIEK GAANDEREN B.V.,\n\nte Gaanderen,\n\n31. [eiser sub. 31] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] ,\n\n32. [eiser sub. 32] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] ,\n\n33. DESUT INVEST B.V.,\n\nte Haps,\n\neisende partijen in de hoofdzaak,\n\neisende partijen in het incident,\n\nhierna samen te noemen: eisers,\n\nadvocaat: mr. A.H.H.M. Roelofs,\n\ntegen\n\n1. FINANCIEEL DIENSTENCENTRUM VOOR ONDERNEMERS B.V.,\n\nte Zelhem,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: Fidon, 2. [naam gedaagde sub. 2],\n\nte [woonplaats] ,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: [de gedaagde sub. 2] ,\n\ngedaagde partijen in de hoofdzaak,\n\nverwerende partijen in het incident,\n\nhierna samen te noemen: gedaagden,\n\nadvocaat: mr. M.J.M. Groen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding inclusief incidentele vordering\n\n- de conclusie van antwoord in het incident.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil in het incident\n\n2.1.. \n\nEisers vorderen in dit incident, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. Fidon en\u002Fof [de gedaagde sub. 2] te veroordelen tot volledige medewerking aan afgifte van (dan wel inzage in) alle informatie en\u002Fof bescheiden, die eisers redelijkerwijs nodig hebben om hun vordering(en) op Fidon en\u002Fof [de gedaagde sub. 2] nader te kunnen onderbouwen, motiveren en\u002Fof concretiseren, waaronder doch niet uitsluitend de informatie en stukken zoals genoemd in de brief van eisers d.d. 8 november 2024 (productie 6);\n\nII. Bij toewijzing van het hiervoor onder I. gevorderde, en als Fidon en\u002Fof [de gedaagde sub. 2] daarin niet binnen 14 dagen na de datum van het vonnis in incident vrijwillig heeft voldaan, dat Fidon en\u002Fof [de gedaagde sub. 2] alsdan een dwangsom verbeurt aan eisers van\n\n€ 1.000,00 per dag of dagdeel dat daaraan niet wordt voldaan, zulks met een maximum van € 50.000,00, althans een dwangsom vanaf een datum en maximum zoals door Uw Rechtbank in goede justitie te bepalen;\n\nIII. Fidon en\u002Fof [de gedaagde sub. 2] te veroordelen in de kosten van dit (incidentele) geding, waaronder mede begrepen het salaris van de advocaat van eisers, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis.\n\n2.2.. \n\nGedaagden voeren verweer. Gedaagden concluderen primair tot afwijzing van de incidentele vorderingen. Subsidiair concluderen gedaagden, bij toewijzing van de vorderingen, te bepalen dat eisers een voorschot aan Fidon dienen te voldoen van\n\n€ 6.000,00, te vermeerderen met de BTW, met veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure.\n\n2.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling in het incident en in de hoofdzaak\n\n3.1.. Eisers stellen in de hoofdzaak – samengevat – dat gedaagden, in hun hoedanigheid van assurantietussenpersoon, meer provisie hebben ingehouden dan de daarover gemaakte afspraken. Hierdoor hebben eisers schade geleden in de vorm van te veel betaalde premie. Ter onderbouwing van hun schade, vorderen eisers inzage in informatie op grond van artikel 195 jo. 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in stukken waaruit volgt welke provisie gedaagden ten aanzien van eisers hebben ontvangen en welke provisie zij bij eisers in rekening hebben gebracht.\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om de zaken te splitsen\n\n3.2.. Alvorens over te gaan tot de inhoudelijke beoordeling van het incident, overweegt de rechtbank dat zij een aanhangig gemaakt geding (ambtshalve) kan splitsen op grond dat tussen de vorderingen van eisers geen zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen (ECLI:NL:HR:1978:AC6384). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak gesplitst dient te worden in individuele zaken per eiser en daartoe is het volgende redengevend.\n\n3.3.. De vorderingen van eisers zijn weliswaar gelijkluidend – in die zin dat in de hoofdzaak één bedrag aan schade wordt gevorderd ten behoeve van alle eisers, maar uit het door eisers overgelegde overzicht van de (voor een aantal van hen) tot nu toe begrote schade volgt dat eisers afzonderlijk schade hebben geleden. De begrote bedragen lopen namelijk sterk uiteen. Daar komt bij dat ook de met, of ten behoeve van, eisers gemaakte provisieafspraken, welke ten grondslag liggen aan de gevorderde schadevergoeding, per individuele eiser zijn gemaakt. Blijkens de stellingen van eisers en de bijgevoegde provisieafspraken, zou bij een deel van de eisers de gehele provisie van de af te sluiten polis worden uitgesloten, bij een deel van de eisers vijftig procent en bij een deel van de eisers zou de provisie niet van de af te sluiten polis worden uitgesloten. Zodoende is sprake van individuele overeenkomsten met of ten behoeve van eisers. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een dusdanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen. Per eiser zal dus moeten worden beoordeeld wat de concrete situatie is en welke schade is geleden.\n\n3.4.. Bovendien zal per eiser moeten worden beoordeeld of de rechtbank of de kantonrechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Op grond van artikel 93 aanhef en onder a Rv worden zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00 door de kantonrechter beslist. De rechtbank ziet in het door eisers overgelegde rapport aanleiding om voorlopig te oordelen dat niet iedere individuele eiser vorderingen heeft met een beloop van meer dan € 25.000,00, zodat de rechtbank het voornemen heeft om de zaken na splitsing te verwijzen naar de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Zutphen, voor zover de vorderingen van de betreffende eiser minder dan een bedrag van € 25.000,00 bedragen.\n\n3.5.. De splitsing van de zaak heeft ten gevolge dat per eiser een procesdossier dient te worden aangeleverd en griffierecht dient te worden betaald. De rechtbank zal de zaak naar de rol van 18 maart 2026 verwijzen voor het nemen van een akte. In deze akte dienen eisers zich per eiser uit te laten over of de eiser verder wenst te procederen en over het voornemen om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter.\n\n3.6.. Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak en in het incident zal worden aangehouden.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident en de hoofdzaak\n\n4.1.. verwijst de zaak de rol van 18 maart 2026 voor het nemen van een akte door eisers over hetgeen is overwogen onder 3.5,\n\n4.2.. houdt iedere verdere beslissing aan,\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op\n\n4 maart 2026.\n\nJV\u002FPB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5275","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.896Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":74,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":52,"updatedAt":76},"515","ECLI:NL:RBGEL:2026:5273","ecli-nl-rbgel-2026-5273","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F460393 \u002F HZ ZA 25-358\n\nVonnis in incident van 4 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eisend vennootschap] ,\n\nte [vestigingsplaats] , 2. [naam eiser in hoofdzaak sub. 2],\n\nte [woonplaats] , 3. [naam eiser in hoofdzaak sub. 3],\n\nte [woonplaats] ( [land] ),\n\neisende partijen in de hoofdzaak,\n\nverwerende partijen in het incident,\n\nhierna samen te noemen: [de eiser in de hoofdzaak] ,\n\nadvocaat: mr. E. Baldan,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde in de hoofdzaak],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde in de hoofdzaak] ,\n\nadvocaat: mr. E.F.E. van Essen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de verzetdagvaarding - de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid in het ingestelde verzet\n\n- de conclusie van antwoord in het incident\n\n2. Het geschil in de incidenten\n\n2.1.. \n [de eiser in de hoofdzaak] heeft bij verzetdagvaarding een incident opgeworpen teneinde de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 10 september 2025 te schorsen tot in de hoofdzaak wordt beslist, met veroordeling van [de gedaagde in de hoofdzaak] in de kosten van het incident.\n\n2.2.. \n [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft het recht om te reageren op de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 10 september 2025 voorbehouden. [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft als reactie op het incident van [de eiser in de hoofdzaak] een incident ingesteld, inhoudende dat [de eiser in de hoofdzaak] niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde verzet, met veroordeling van [de eiser in de hoofdzaak] in de kosten van dit incident.\n\n2.3.. \n [de eiser in de hoofdzaak] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [de gedaagde in de hoofdzaak] in het incident, althans zijn vordering af te wijzen, met veroordeling van [de gedaagde in de hoofdzaak] in de kosten van het incident.\n\n2.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling in de incidenten\n\nInternationaal karakter\n\n3.1.. \n [naam eiser in hoofdzaak sub. 3] , eiser sub 3, is woonachtig in [land] en [de gedaagde in de hoofdzaak] , gedaagde, is woonachtig in Nederland. Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van dit incident, zal zij vanwege het internationale karakter van het geschil eerst toetsen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het geschil van toepassing is.\n\n3.2.. \n [de gedaagde in de hoofdzaak] is woonachtig in Nederland, een lidstaat van de Europese Unie, en de vordering betreft een burgerlijke of handelszaak die is ingesteld na 10 januari 2015. Dit betekent dat de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, beantwoord wordt aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I-bis). Volgens de in artikel 4 Brussel I-bis vastgelegde hoofdregel zijn internationaal bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de gedaagde partij woonplaats heeft. Nu [de gedaagde in de hoofdzaak] woonachtig is in Nederland, is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het geschil.\n\nToepasselijk recht\n\n3.3.. \n\nTussen partijen is discussie over hoe de in het geschil zijnde overeenkomst gekwalificeerd dient te worden. [de gedaagde in de hoofdzaak] stelt dat sprake is van een samenwerkingsovereenkomst, bestaande uit onder meer – zo begrijpt de rechtbank – dienstverlening, aanneming en verhuur. [de eiser in de hoofdzaak] voert aan dat sprake is van een turnkey aannemingsovereenkomst. De kwalificatie van de overeenkomst kan voor de beoordeling van het toepasselijk recht in het midden blijven, nu vaststaat dat sprake is van een verbintenis uit overeenkomst in een burgerlijke of handelszaak. Het toepasselijke recht wordt in dat geval vastgesteld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593\u002F2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I). Op grond van artikel 4 lid 2 Rome I wordt indien de overeenkomst niet onder lid 1 valt (zoals ingeval van aanneming) of de bestanddelen van de overeenkomst onder meer dan een van de punten a tot en met h van lid 1 vallen (zoals ingeval van dienstverlening en huur), de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. Nu alle prestaties die op grond van de overeenkomst verricht dienden te worden zijn verricht door [de gedaagde in de hoofdzaak] en [naam eisend vennootschap] en beide partijen hun verblijfplaats hebben in Nederland, is Nederlands recht van toepassing op dit geschil.\n\nHet incident tot niet-ontvankelijkheid\n\n3.4.. \n\n [de gedaagde in de hoofdzaak] stelt in het incident tot niet-ontvankelijkheid in het verzet dat de wettelijke verzettermijn van vier weken op grond van artikel 143 lid 3 jo. 144 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is aangevangen op 30 september 2025, zodat de door\n\n [de eiser in de hoofdzaak] op 26 november 2025 betekende verzetdagvaarding te laat is ingediend en [de eiser in de hoofdzaak] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzet.\n\n3.5.. Op grond van artikel 143 lid 3 Rv vangt de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan aan op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd. Op grond van artikel 144 aanhef en onder b Rv wordt in geval van derdenbeslag op een vordering, het vonnis geacht ten uitvoer te zijn gelegd na de uitbetaling aan de beslaglegger. Betreft het een derdenbeslag op een vordering tot periodieke betalingen, dan wordt het vonnis geacht ten uitvoer te zijn gelegd na de eerste uitbetaling (ECLI:NL:HR:2004:AM2341). In deze zaak is executoriaal derdenbeslag gelegd onder mevrouw [huurster] (hierna: “ [huurster] ”), voormalig huurster van [de eiser in de hoofdzaak] [de gedaagde in de hoofdzaak] stelt dat [huurster] op 30 september 2025 een bedrag van € 2.000,00 als deelbetaling heeft betaald aan [de gedaagde in de hoofdzaak] . [de eiser in de hoofdzaak] betwist dat [huurster] de betaling heeft verricht.\n\n3.6.. \n\n [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft een door [huurster] ingevulde verklaring derdenbeslag overgelegd, waaruit volgt dat [huurster] verklaart dat zij op 30 september 2025 een huurachterstand had van € 7.000,00 en dat zij een bedrag van € 2.000,00 in mindering op de schuld heeft betaald. Daarnaast heeft [de gedaagde in de hoofdzaak] een kwitantie overgelegd waaruit volgt dat [huurster] op 30 september 2025 een bedrag van € 2.000,00 heeft betaald. [de eiser in de hoofdzaak] heeft daartegen een mail van de deurwaarder van 24 november 2025 overgelegd waarin de deurwaarder een specificatie van de schuld van [de eiser in de hoofdzaak] op grond van het verstekvonnis heeft opgesteld per 24 november 2025. In de specificatie is de betaling van [huurster] niet opgenomen en is de schuld sinds het verstekvonnis ook niet met € 2.000,00 verminderd, zodat de betaling niet op 30 september 2025 is verricht, aldus\n\n [de eiser in de hoofdzaak] Daar komt bij dat enerzijds [de gedaagde in de hoofdzaak] een Whatsappbericht van [huurster] heeft overgelegd waarin zij verklaart dat zij aan hem de eerste betaling heeft gedaan op 30 september 2025 en anderzijds [de eiser in de hoofdzaak] een geluidsopname met transcripties heeft overgelegd waarin [huurster] verklaart dat zij de betaling van\n\n€ 2.000,00 in maart 2025 heeft verricht en geen verdere betalingen heeft gedaan. De rechtbank is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat zonder nadere bewijslevering – waarvoor dit incident zich niet leent – niet kan worden vastgesteld of [huurster] de betaling van € 2.000,00 op 30 september 2025 heeft verricht. Nu dit bepalend is voor de vraag of [de eiser in de hoofdzaak] binnen de verzettermijn in verzet is gegaan, en dus of zij ontvankelijk is in de hoofdzaak, ziet de rechtbank aanleiding om nadere inlichtingen te verzoeken op de mondelinge behandeling en de ontvankelijkheid van [de eiser in de hoofdzaak] in het verzet tegelijk met de hoofdzaak te behandelen.\n\n3.7.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\nHet incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis\n\n3.8.. \n [de eiser in de hoofdzaak] heeft bij verzetdagvaarding een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 10 september 2025 ingesteld. [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft geen conclusie van antwoord in dit incident genomen. De rechtbank is van oordeel dat [de gedaagde in de hoofdzaak] hiermee zijn recht op het nemen van een conclusie van antwoord in dit incident heeft verspeeld. De door [de gedaagde in de hoofdzaak] ingestelde incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid is niet in de wet geregeld, zodat evenmin wettelijk is voorgeschreven dat op deze vordering eerst en vooraf moet worden beslist, in die zin dat eerst op de incidentele vordering wordt beslist voordat de hoofdzaak (of het eerder opgeworpen incident) wordt behandeld. In een dergelijk geval geldt de maatstaf van artikel 209 Rv, inhoudende dat op de incidentele vordering eerst en vooraf wordt beslist indien de zaak dat medebrengt. Door [de gedaagde in de hoofdzaak] zijn geen omstandigheden aangedragen op grond waarvan de zaak meebrengt dat eerst op zijn incident tot niet-ontvankelijkheid dient te worden beslist voordat op het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstek kan worden beslist. Daar komt bij dat de incidentele vordering van [de eiser in de hoofdzaak] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis is gebaseerd op artikel 223 Rv. Voor een provisionele vordering in de zin van artikel 223 Rv is vereist dat degene die zich op het artikel beroept belang heeft bij de vordering, in die zin dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. Het ligt daarom voor de hand om op een dergelijk incident voorafgaand aan de hoofdzaak te beslissen. Met het oordeel dat de ingestelde incidentele vordering van [de gedaagde in de hoofdzaak] niet noodzaakt tot een voorafgaande behandeling aan de ingestelde incidentele vordering van [de eiser in de hoofdzaak] , staat achteraf bezien vast dat [de gedaagde in de hoofdzaak] de proceshandeling waarvoor de zaak eigenlijk stond, de conclusie van antwoord in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, ten onrechte niet heeft verricht. De rechtbank is daarom van oordeel dat zijn recht om deze proceshandeling te verrichten is vervallen op grond van artikel 133 lid 4 Rv.\n\n3.9.. Het voorgaande brengt mee dat [de gedaagde in de hoofdzaak] de stellingen van [de eiser in de hoofdzaak] in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis niet heeft betwist. Voor een provisionele vordering als bedoeld in artikel 223 Rv is – naast samenhang met de vordering in de hoofdzaak – vereist dat de eisende partij voldoende belang bij de vordering heeft. Daarnaast moet de rechter de wederzijdse belangen afwegen. Nu [de eiser in de hoofdzaak] in de hoofdzaak vordert dat zij zal worden ontheven van de tegen haar bij verstekvonnis van 10 september 2025 uitgesproken veroordelingen, is met de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van dit verstekvonnis sprake van samenhang met de vordering in de hoofdzaak. Verder stelt [de eiser in de hoofdzaak] dat [naam eiser in hoofdzaak sub. 2] , eiser sub 2, en zijn vrouw dakloos zullen raken door de executoriale verkoop van hun woning en dat de verkoop tegen een lagere prijs tot onomkeerbare schade zal leiden. Daarnaast stelt [de eiser in de hoofdzaak] dat sprake is van een groot restitutierisico. Nu deze stellingen niet door [de gedaagde in de hoofdzaak] zijn betwist, is de rechtbank van oordeel dat [de eiser in de hoofdzaak] voldoende belang heeft bij haar incidentele vordering en dat de belangenafweging in haar voordeel uitvalt. De rechtbank zal de incidentele vordering tot het schorsen van het verstekvonnis van 10 september 2025 daarom toewijzen. Of [de gedaagde in de hoofdzaak] misbruik maakt van recht – zoals door [de eiser in de hoofdzaak] is gesteld – kan in het midden blijven.\n\nProceskosten\n\n3.10.. De incidentele vordering van [de eiser in de hoofdzaak] wordt toegewezen, zodat [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. [de gedaagde in de hoofdzaak] zal daarom in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten van [de eiser in de hoofdzaak] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt, tarief II) + € 189,00 aan nakosten) plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beoordeling in de hoofzaak\n\n4.1.. \n [de eiser in de hoofdzaak] heeft bij haar verzetdagvaarding reconventionele vorderingen ingesteld. Door [de gedaagde in de hoofdzaak] is nog niet geconcludeerd voor antwoord in reconventie in de hoofdzaak, zodat de rechtbank de zaak op de rol zal plaatsen van 15 april 2026 voor conclusie van antwoord in reconventie in de hoofdzaak door [de gedaagde in de hoofdzaak] .\n\n4.2.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident tot niet-ontvankelijkheid\n\n5.1.. houdt iedere beslissing aan,\n\nin het incident tot schorsing van het verstekvonnis\n\n5.2.. schorst de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 10 september 2025 tot in de hoofdzaak wordt beslist,\n\n5.3.. \n\nveroordeelt [de gedaagde in de hoofdzaak] in de kosten van het incident, aan de zijde van\n\n [de eiser in de hoofdzaak] tot op tot op heden begroot op € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser in de hoofdzaak] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.4.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 april 2026 voor conclusie van antwoord in reconventie in de hoofdzaak door [de gedaagde in de hoofdzaak] ,\n\n5.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op\n\n4 maart 2026.\n\nJV\u002FPB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5273","2026-07-13T00:28:34.252Z",20]