[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-zwolle-asylum-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":56,"limit":57},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},57,"Zwolle","nl","zwolle",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},37,"asylum-law-nl","Asylum Law","NL","2026-07-08T16:53:25.948Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2025-03-19T00:00:00.000Z","2026-06-29T00:00:00.000Z",[],[22,33,40,48],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1510","ECLI:NL:RBDHA:2026:17722","ecli-nl-rbdha-2026-17722","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.36466\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] Timoth, V-nummer: [V-nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: drs. [gemachtigde]).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de homoseksuele gerichtheid van eiser en de daardoor ondervonden problemen ongeloofwaardig zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Tanzaniaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E.J. Nyembo als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser kwam er in juli 2020, op negentienjarige leeftijd, achter dat hij van homoseksuele gerichtheid is. Zijn eerste partner, [naam 1] , werd in december 2020 opgepakt. Omdat eiser hoorde dat de politie ook op zoek was naar hem is hij vertrokken naar Dar es Salaam, waar hij twee jaren heeft verbleven. Daar kreeg hij een relatie met [naam 2] . Eiser werd in november\u002Fdecember 2022 aangehouden door de politie, mishandeld en weer vrijgelaten. Hierna is hij in januari 2023 legaal naar Zuid-Afrika gereisd en daarna uiteindelijk naar Nederland. Eiser vreest dat hij bij terugkeer vanwege zijn gerichtheid door de politie zal worden opgepakt en levenslang in de gevangenis moet blijven.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n-de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\n-de seksuele gerichtheid en daaruit voorvloeiende problemen.\n\nDe minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De seksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen vindt de minister echter niet geloofwaardig. Omdat eiser kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, heeft de minister de asielaanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen.\n\nHeeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig is?\n\nWat is het betoog van eiser?\n\n5. Eiser stelt dat hij moeite heeft om te verklaren over zijn gerichtheid. Dat hij niet veel opleiding heeft gehad, heeft gevolgen voor zijn vermogen te kunnen verklaren en te kunnen reflecteren op zijn eigen ontwikkeling en gevoelens. Eiser stelt dat hij wel wat heeft verklaard over zijn gevoelens voor [naam 1] en dat de aantrekking die hij voelde voor hem op een haast natuurlijke, geleidelijke wijze is ontstaan. De minister heeft volgens eiser verder niet onderbouwd waarom het referentiekader\u002Fde achtergrond van eiser maakt dat eiser daarom meer onderzoek had moeten doen naar de situatie van LHBTI’ers in Tanzania. In Nederland voelt eiser zich een stuk rustiger. Hij gaat een keer per maand naar bijeenkomsten van LGBT-Community Center en het doet hem goed met gevoelsgenoten samen te zijn.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?5.1.. De minister heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig is. De minister heeft van belang kunnen vinden dat eiser summiere verklaringen heeft afgelegd over hoe hij tot het besef kwam dat hij homoseksueel was terwijl hij woonde in een land waar het verboden is. De minister heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat het niet geloofwaardig is dat eiser er, voordat hij ging samenwonen met [naam 1], nooit over heeft nagedacht op welk geslacht hij viel. Ook heeft de minister in aanmerking kunnen nemen dat eiser geen concreet antwoord heeft gegeven op de vraag hoe de vriendschapsrelatie met [naam 1] veranderde in een liefdesrelatie. De enkele verklaring dat dit heel natuurlijk en geleidelijk ging omdat ze dichterbij elkaar kwamen doordat ze hun woning deelden is hiervoor onvoldoende. Eiser verklaart daarmee niet hoe het kan dat deze verandering binnen vijf of zes dagen plaatsvond, terwijl hij er eerder nooit over had nagedacht op welk geslacht hij viel. De minister heeft verder van belang kunnen vinden dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over zijn relaties en gevoelens. Daarbij heeft de minister het volgende kunnen betrekken. Eiser heeft summier verklaard over zijn gevoelens voor [naam 1] en over de persoonlijkheid van [naam 1]. De enkele verklaringen van eiser dat hij ‘blij in zijn hoofd’ was, dat [naam 1] een goed persoon is die hem heeft geholpen en dat [naam 1] perfect was en geen mindere kanten had, kon de minister onvoldoende vinden. Ook heeft eiser summier en tegenstrijdig verklaard over de herinneringen die hij heeft en vertelt hij weinig over de relatie met [naam 2], terwijl hij hem elke twee weken zou hebben gezien. Zo weet eiser niet hoe oud [naam 2] is, kan hij weinig over zijn persoonlijkheid vertellen, kan hij niet vertellen hoe lang de relatie heeft geduurd en verklaart hij wisselend over zijn gevoelens. Dat eiser, mede door zijn lage opleiding, moeite zou hebben zijn gevoelens onder woorden te brengen, leidt niet tot een ander oordeel. Blijkens het besluit heeft de minister daar rekening mee gehouden. De hoormedewerker heeft eiser bovendien uitvoerig geholpen door vragen te herhalen, vragen op verschillende manieren te stellen en voorbeelden te geven. De minister heeft er op zitting nog op gewezen dat het niet zo is dat eiser helemaal niet is opgeleid, zodat wel wat van eiser mag worden verlangd. Eiser heeft de basisschool gevolgd en heeft ook gewerkt. Dat eiser zich inmiddels in Nederland rustiger voelt en naar bijeenkomsten van LGBT-Community Center zou gaan, maakt het oordeel ook niet anders. Het is allereerst aan eiser om geloofwaardig verklaringen af te leggen over zijn gerichtheid. De stelling van eiser dat de minister niet heeft onderbouwd waarom het referentiekader\u002Fde achtergrond van eiser maakt dat hij daarom meer onderzoek had moeten doen naar de situatie van LHBTI’ers in Tanzania, slaagt ook niet, aangezien dit niet in het besluit staat. De minister heeft zich juist op het standpunt gesteld dat van eiser, ondankszijn referentiekader, verwacht mag worden dat hij meer onderzoek doet. Eiser heeft in beroep niet aangevoerd waarom hij dat niet zou kunnen. Deze beroepsgronden slagen niet.\n\nHeeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de problemen van eiser ongeloofwaardig zijn?\n\nWat is het betoog van eiser?\n\n6. Eiser weet niet wat de reden van de arrestatie van [naam 1] was maar het is volgens eiser reëel te veronderstellen dat dit te maken had met het feit dat ze in een homoseksuele relatie samenleefden aangezien dit in Tanzania verboden en levensgevaarlijk is. De minister kan niet van eiser verwachten dat hij navraag had gedaan naar de situatie van [naam 1], want dat zou hun relatie openbaren en eiser aan gevaar blootstellen. Eiser betoogt verder dat de verklaringen over het incident in de club niet tegenstrijdig zijn, maar aanvullend. Eiser weet niet wie hem heeft verraden bij de politie, maar het was duidelijk dat het net zich rond hem begon te sluiten en dat hij niet meer veilig was in Tanzania. Eiser stelt ten slotte dat de minister en nieuwe afweging had moeten maken, aangezien de minister eiser volgt in een aantal reacties op het voornemen waardoor een deel van de onderbouwing van het besluit is komen te vervallen.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?6.1.. \n\nDe minister heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de gestelde problemen van eiser ongeloofwaardig zijn. De minister heeft van belang kunnen vinden dat niet geloofwaardig is dat eiser wordt gezocht vanwege de arrestatie van [naam 1] in 2020. Daarvoor heeft de minister in aanmerking kunnen nemen dat eiser slechts van de buren heeft gehoord dat [naam 1] is gearresteerd en dat het niet geloofwaardig is dat eiser geen navraag heeft gedaan naar wat er met hem is gebeurd. Dat dit niet van eiser verwacht zou kunnen worden omdat eiser dan gevaar zou lopen slaagt niet. Aangezien het hier om zijn gestelde liefdespartner ging, mocht de minister verwachten dat eiser in ieder geval pogingen had ondernomen meer te weten te komen. Eiser had daarbij kunnen verzwijgen dat het om zijn partner ging en had kunnen zeggen dat [naam 1] een gewone huisgenoot was. Dat het volgens eiser reëel is te veronderstellen dat de arrestatie te maken had met hun gestelde homoseksuele relatie slaagt ook niet aangezien eiser hiervoor geen concrete aanwijzingen naar voren heeft gebracht. De minister heeft verder in aanmerking kunnen nemen dat eiser geen inspanning heeft geleverd om aan te tonen dat hijzelf wordt gezocht. Daarbij is van belang dat eiser in beroep niet heeft bestreden dat hij nog jaren zonder problemen in Tanzania heeft gewoond en heeft deelgenomen aan de maatschappij.\n\nDe minister heeft verder van belang kunnen vinden dat eiser wisselend en summier heeft verklaard over (de aanleiding van) het incident in 2022 en de reden van vertrek. Eiser heeft niet bestreden dat de minister het ongeloofwaardig heeft gevonden dat hij in 2022 na zijn arrestatie is vrijgelaten en dat hij legaal het land kon verlaten terwijl hij zou worden gezocht vanwege het gestelde incident in 2020 en homoseksuele gerichtheid verboden is in Tanzania. De minister heeft daarom al voldoende gemotiveerd dat de (aanleiding van) de arrestatie in 2022 ongeloofwaardig is. Dat eiser zou zijn vrijgelaten omdat hij veel bloedde doordat ze hem hadden mishandeld volgt de rechtbank niet, aangezien eiser dat pas op zitting naar voren heeft gebracht. De stelling van eiser dat een deel van het besluit is komen te vervallen omdat de minister eiser op een aantal punten volgt, slaagt niet. De minister heeft eiser inderdaad op twee punten gevolgd, maar dit waren slechts onderdelen van een standpunt van de minister. De betreffende standpunten zelf bleven ongewijzigd. Deze beroepsgronden slagen niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen. De minister heeft de aanvraag ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond, wat eiser overigens ook niet heeft bestreden. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Korporaal-Wisman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000\n\n Zaak NL25.36467","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17722","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:24.705Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1512","ECLI:NL:RBDHA:2026:17677","ecli-nl-rbdha-2026-17677","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.47826\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. Y. Izgi),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. Y.E.C. Thole).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de verklaringen van eiser over de (te verwachten) problemen als gevolg van zijn activisme in Cuba ongeloofwaardig zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt burger te zijn van Congo [woonplaats] en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Nyembo als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft vanaf januari 2016 gestudeerd in Cuba met behulp van een studiebeurs van de Congolese autoriteiten. Omdat zijn studiebeurs een aantal maanden niet werd uitbetaald is eiser rond maart\u002Fapril 2019 gaan staken met andere studenten. Hij was daarbij een van de leiders. Uiteindelijk kwam het tot een gevecht met de Cubaanse politie. Hierna kregen ze hun geld weer uitbetaald. Als gevolg hiervan kwam de naam van eiser op een lijst van leiders van studenten die hebben gestaakt, welke lijst in handen kwam van de Congolese autoriteiten. In juli 2019 is het broertje van eiser in Congo ontvoerd en vermoord. Eiser vermoedt dat dit te maken heeft met zijn activiteiten in Cuba. Omdat eiser ook vreest gedood te worden door de Congolese autoriteiten is hij op 8 februari 2024 naar Nederland vertrokken.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n- identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n- activisme in Cuba vanwege het krijgen van de studiebeurs;\n\n- problemen vanwege activisme op Cuba.\n\nDe minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De minister gelooft ook het activisme van eiser in Cuba. De minister vindt het echter niet geloofwaardig dat eiser daardoor problemen heeft ondervonden of zal ondervinden. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.\n\nHeeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de problemen vanwege het activisme van eiser op Cuba ongeloofwaardig zijn?\n\nWat is het betoog van eiser?\n\n5. Eiser stelt dat hij er alles aan heeft gedaan om aan het Congolese krantenartikel te komen waar de namen van de leiders van de staking en dus ook zijn naam, in staan vermeld. De minister zou hem daarom het voordeel van de twijfel moeten geven. Verder is de minister eraan voorbij gegaan dat wereldwijd op nieuwskanalen is te zien dat de stakingen hebben plaatsgevonden in Cuba. Het is volgens eiser logisch dat de moord op zijn broertje in Congo het gevolg is van de rol van eiser bij de stakingen in Cuba, aangezien dit plaatsvond vlak na de stakingen en eiser op de eerdergenoemde lijst stond. Als onderbouwing legt eiser een overlijdensakte over. Eiser vertrok pas in 2024 uit Cuba omdat hij eerst zijn studie wilde afronden en hij in Cuba weinig te vrezen had van de Congolese autoriteiten. In Congo heeft hij wel te vrezen voor de autoriteiten. Eiser legt ter onderbouwing uitnodigingen over, van 24 februari 2024 en 5 juni 2024, die hij en zijn neef hebben ontvangen van de Congolese autoriteiten en waarin staat dat ze op het politiebureau moeten verschijnen. Ook legt eiser vertalingen over van het in de besluitvormingsprocedure overgelegde arrestatiebevel uit 2019 en de brief die zijn neef op 9 juni 2025 aan de politie heeft gestuurd. Omdat de Congolese autoriteiten er daardoor van op de hoogte zijn dat ze zijn neef per ongeluk hebben aangezien voor eiser, is het gevaar voor eiser bij terugkeer groter geworden. De minister heeft volgens eiser ten onrechte niet alles in onderlinge samenhang beoordeeld.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?5.1.. \n\nDe minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het ongeloofwaardig is dat er problemen zijn ontstaan door het activisme van eiser in Cuba of dat daar problemen door zullen ontstaan.\n\nDaarvoor heeft de minister van belang kunnen vinden dat eiser het krantenartikel, waar zijn naam in zou staan, niet heeft overgelegd en daar geen verschoonbare verklaring voor heeft gegeven. Verwacht had mogen worden dat eiser meer pogingen had ondernomen om dit op te vragen bij familie, vrienden of medestudenten, vooral aangezien het voor eiser een heel belangrijk stuk is en zijn verklaringen had kunnen onderbouwen. De stelling van eiser dat niemand dit artikel (meer) heeft en dat niemand het kan vinden hoefde de minister niet te volgen.\n\nHet betoog van eiser dat de minister eraan voorbij is gegaan dat de stakingen zijn opgepikt door nieuwskanalen slaagt ook niet. Blijkens het bestreden besluit heeft de minister zich daarover, voldoende gemotiveerd, op het standpunt gesteld dat uit het beeldmateriaal slechts blijkt dat stakingen hebben plaatsgevonden en niet dat eiser daardoor problemen heeft ondervonden. Eiser heeft ook niet aangevoerd dat dit er wel uit blijkt. Dat de stakingen hebben plaatsgevonden heeft de minister niet bestreden.\n\nDe minister heeft verder van belang kunnen vinden dat het op vermoedens is gebaseerd dat het broertje van eiser is vermoord vanwege de rol van eiser bij de stakingen. Dat dit logisch zou zijn omdat het plaats zou hebben gevonden vlak na de stakingen is geen concrete aanwijzing daarvoor. Daarbij betrekt de rechtbank de toevoeging van de minister op zitting dat het vreemd is dat de autoriteiten zijn broertje zouden vermoorden, maar dat eiser door mocht studeren en een studiebeurs bleef ontvangen. De door eiser overgelegde overlijdensakte maakt het oordeel niet anders, alleen al omdat de reden voor de gestelde moord hier niet uit blijkt. Bovendien had verwacht mogen worden dat eiser deze akte eerder had overgelegd, aangezien deze al in 2020 zou zijn opgemaakt. De enkele stelling op zitting dat dit niet lukte is een onvoldoende verklaring daarvoor.\n\nDe minister heeft er ook bij kunnen betrekken dat eiser pas in 2024 Cuba heeft verlaten, zodat het vermoeden bestaat dat zijn vertrek niet is gemotiveerd door asielgerelateerde problemen. Het betoog van eiser dat hij zijn studie af wilde maken en hij in Cuba niet veel te vrezen had voor de Congolese autoriteiten volgt de rechtbank niet. Aangezien de Congolese autoriteiten ervan op de hoogte waren waar eiser zich bevond en eiser bovendien het vermoeden had dat zijn broertje vanwege zijn activistische activiteiten is vermoord is het ongeloofwaardig dat hij niet meteen is gevlucht.\n\nVoor wat betreft de door eiser overgelegde foto van het arrestatiebevel, dat zijn neef zou hebben ontvangen, heeft de minister van belang kunnen vinden dat de authenticiteit hiervan niet kan worden gecontroleerd, omdat het een foto is. Verder heeft de minister het opmerkelijk kunnen vinden dat dit bevel dateert uit 2019 en dat zijn neef pas in 2025 kenbaar zou hebben gemaakt dat het om een persoonsverwisseling ging en dat ze niet hem, maar eiser moeten hebben. Dat de reden voor de late melding zou zijn dat zijn neef zich schuilhield volgt de rechtbank niet. Het is niet geloofwaardig dat zijn neef niet meteen naar de autoriteiten zou gaan om de gestelde persoonsverwisseling recht te zetten. Ook heeft de minister het vreemd kunnen vinden dat eiser tijdens de gehoren niets heeft gezegd over dit bevel.\n\nVerder blijkt uit de door eiser overgelegde uitnodigingen niet waarom eiser op het politiebureau moest verschijnen en waarom dit pas in 2024 werd gevraagd, aangezien de stakingen al in 2019 plaatsvonden. De stelling van eiser op zitting dat dit te maken had met het einde van zijn studie volgt de rechtbank niet, aangezien eiser die stelling niet verder heeft geconcretiseerd. Daarbij komt dat het niet geloofwaardig is dat de Congolese autoriteiten zowel eiser als zijn neef zouden uitnodigen aangezien zijn neef pas in 2025, als reactie op deze uitnodigingen, de autoriteiten zou hebben geïnformeerd dat ze niet hem maar eiser moesten hebben. Verder heeft de minister op zitting nog toegevoegd dat de uitnodigingen niet origineel zijn, maar in kopie zijn overgelegd.\n\nEr is ten slotte geen grond voor het oordeel dat de minister niet alles voldoende in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Eiser heeft ook niet nader geconcretiseerd waarom daar geen sprake van zou zijn. Daarbij is ook van belang dat eiser niet heeft bestreden dat de minister zijn verklaringen over zijn paspoort en de hulp van de ambassademedewerker ongeloofwaardig heeft bevonden. De beroepsgronden van eiser slagen niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. A. Korporaal-Wisman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000\n\n Zaak NL25.47827","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17677","2026-07-13T00:29:24.813Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":31,"updatedAt":47},"1868","ECLI:NL:RBDHA:2026:17595","ecli-nl-rbdha-2026-17595","2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.41452\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. S. Yousef).\n\nProcesverloop\n\n1. Eiseres heeft op 17 oktober 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet.\n\n2. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n2.1.. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister zijn verschenen.\n\n2.3.. Op 22 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de minister verzocht te reageren op de omstandigheid dat de Eerste Kamer de Wet invoering Tweestatusstelsel op 21 april 2026 heeft aangenomen. Op 4 juni 2026 heeft de minister hierop gereageerd. Namens eiseres is op 23 juni 2026 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?\n\n3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1988 en heeft de Somalische nationaliteit. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat de verklaringen over de identiteit, nationaliteit geloofwaardig zijn. Ook vindt de minister de verklaringen van eiseres over de problemen vanwege haar gedwongen huwelijk geloofwaardig. De asielaanvraag van eiseres is ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiseres krijgt geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.\n\nOok wijst de minister op het landenbeleid, waaruit blijkt dat de minister voor Zuid- en Centraal-Somalië alleenstaande vrouwen als risicoprofiel aanmerkt (Vc C2\u002F30.3.2). Aan een alleenstaande vrouw uit Somalië verleent de minister in de regel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Dat eiseres bescherming nodig heeft vanwege haar alleenstaande status, wordt echter niet gevolgd. Uit de verklaringen van eiseres blijkt niet dat eiseres is aan te merken is als een alleenstaande vrouw, omdat uit haar verklaringen blijkt dat zij familie heeft in Somalië. Eiseres krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\nHeeft eiseres procesbelang bij haar beroep?\n\n4. De minister stelt zich in het verweerschrift en op zitting op het standpunt dat eiseres geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep en dat het beroep om die reden niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de vreemdeling, indien hij reeds over een verblijfsvergunning asiel beschikt, tegen dat oordeel van de minister dat geen vergunning wordt verleend als verdragsvluchteling op de a-grond, kan opkomen bij het besluit tot intrekking of de weigering tot verlenging van de aan hem verleende verblijfsvergunning. De Afdeling heeft op 25 maart 2022bevestigd dat een wijziging van de verleningsgrond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet leidt\n\ntot een gunstigere positie. Ook kan het procesbelang niet worden ontleend aan een toekomstige onzekere gebeurtenis, zoals de uitkomst van een wetgevings-\n\nprocedure. De minister verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 21 november 2025. Daarom kan het procesbelang niet worden ontleend aan het aanhangige wetsvoorstel Tweestatusstelsel.\n\nIn de brief van 4 juni 2026 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiseres vanaf 12 juni 2026 procesbelang zal hebben bij de beoordeling van de vraag of terecht de vluchtelingstatus is onthouden.\n\n5. De rechtbank ziet zich daarom eerst voor de vraag of eiseres procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep. Een belanghebbende kan bij de daartoe bevoegde rechter tegen een besluit opkomen, indien hij of zij daarbij een belang heeft. Daarvan is sprake wanneer het instellen van het rechtsmiddel ertoe kan leiden dat de belanghebbende in een gunstigere positie zou kunnen komen.\n\n5.1.. \n\nDe rechtbank stelt allereerst vast dat de Eerste Kamer de Wet invoering Tweestatusstelsel op 21 april 2026 heeft aangenomen en de wet op 12 juni 2026 in werking is getreden. De uitkomst van de wetgevingsprocedure is dan ook geen onzekere toekomstige gebeurtenis meer.\n\nDe rechtbank stelt vervolgens vast dat de consequentie van de Wet invoering Tweestatusstelsel is, dat er andere rechten en voorwaarden kunnen worden toegekend aan subsidiair beschermden dan aan personen met de vluchtelingenstatus.Met een wijziging van de verleningsgrond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan eiseres dus in een gunstigere positie komen. Eiseres heeft, gelet op het voorgaande, procesbelang en de rechtbank behandelt het beroep daarom inhoudelijk.\n\nHeeft de minister voldoende gemotiveerd of eiseres wordt aangemerkt als verdragsvluchteling?\n\nHet betoog van eiseres\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd wordt waarom zij niet kan worden aangemerkt als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Eiseres heeft in haar asielrelaas uitgebreid verklaard over haar etnische afkomst en dat zij tot een minderheidsclan behoort. Haar problemen houden daar direct verband mee. Eiseres stelt ook dat zij ten onrechte niet is aangemerkt als alleenstaande vrouw. Haar vader is namelijk gedood en eiseres heeft niemand waar zij voor opvang en bescherming op kan terugvallen.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n7. De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit weliswaar concludeert dat eiseres geen verblijfsvergunning krijgt op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag en zij niet tot een risicoprofiel behoort. De minister heeft echter nagelaten om in het bestreden besluit te motiveren waarom eiseres niet kan worden aangemerkt als Vluchteling in de zin van het vluchtelingverdrag. De minister heeft namelijk niet inzichtelijk gemaakt waarom de door eiseres gestelde feiten en omstandigheden niet leiden tot verlening van de vluchtelingenstatus. Ook heeft de minister niet gemotiveerd waaruit blijkt dat eiseres op haar familie kan terugvallen voor opvang en bescherming. De minister stelt immers dat eiseres niet behoort tot het risicoprofiel van alleenstaande vrouw omdat zij familie heeft in Somalië. Dit levert een motiveringsgebrek op. Tegen die achtergrond dient de minister te onderzoeken of eiseres als gevolg van haar problemen kan worden aangemerkt als verdragsvluchteling en\u002Fof behoort tot het risicoprofiel van alleenstaande vrouw. Wanneer de minister van mening is dat de vluchtelingenstatus niet wordt verleend, zal de minister in een (voornemen en) nieuw besluit deugdelijk moeten motiveren waarom deze afgewezen wordt. Temeer nu de beide statussen in de Wet invoering Tweestatusstelsel geen gelijke rechten kennen. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep zal gegrond worden verklaard omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.8.1. De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.Alvorens de minister een nieuw besluit neemt dient de minister een voornemen van dit besluit aan eiseres kenbaar te maken en eiseres de gelegenheid te bieden hierover een zienswijze in te dienen.\n\n8.2.. \n\nOmdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.\n\n De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 12 augustus 2025;\n\n- draagt de minister op een voornemen en nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000\n\n ECLI:NL:RVS:2022:906.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5592.\n\n Kamerstukken II 2024–2025, 36 703, nr. 3, p 4 (MvT).\n\n Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.\n\n met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17595","2026-07-13T00:29:42.871Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":52,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":31,"updatedAt":55},"1407","ECLI:NL:RBDHA:2025:4694","ecli-nl-rbdha-2025-4694","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.40030\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres] , V-nummer: [nummer] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. H.M.A. Breuls),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie\n\n(gemachtigde: mr. K. Nuninga).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [vader]'.\n\n1.1.. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 8 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 september 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2. De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Verder waren aanwezig Tesfahiwet Berhane en Rota Misgna en L. Yemane als tolk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt de ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres gericht tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n4. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInleiding\n\n5. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Eritrese nationaliteit. Haar gestelde vader, [vader] (hierna: referent), verblijft al geruime tijd in Nederland. Hij is op 8 maart 2016 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en heeft sinds 23 september 2021, middels naturalisatie, de Nederlandse nationaliteit.\n\nDe gestelde moeder van eiseres, [moeder] , heeft op 22 december 2022 in Nederland asiel aangevraagd en deze aanvraag is bij besluit van 16 december 2024 ingewilligd. Referent en de gestelde moeder van eiseres hebben geen relatie (meer) met elkaar.\n\n6. Referent heeft voor het eerst in 2016 een aanvraag om verlening van een mvv voor nareis voor eiseres ingediend. Tegelijkertijd heeft referent ook een mvv aangevraagd voor zijn echtgenote, [stiefmoeder] (hierna: stiefmoeder), en hun gezamenlijke zoon [halfbroertje] (hierna: halfbroertje). Deze aanvragen zijn afgewezen en dit staat in rechte vast.\n\n7. In 2018 hebben eiseres, haar stiefmoeder en halfbroertje geprobeerd om uit te reizen naar Ethiopië om deel te kunnen nemen aan een DNA-onderzoek. In Eritrea is geen Nederlandse ambassade aanwezig, dus het is niet mogelijk dit DNA-onderzoek in Eritrea te laten uitvoeren. Eiseres is bij de grens tegengehouden en heeft hierdoor niet kunnen deelnemen aan het DNA-onderzoek. Haar stiefmoeder en halfbroertje is het wel gelukt om de grens over te steken en aan het DNA-onderzoek deel te nemen. Referent heeft vervolgens op 25 augustus 2021 nieuwe mvv-aanvragen ingediend. De aanvragen ten aanzien van de stiefmoeder en het halfbroertje van eiseres zijn ingewilligd. De aanvraag ten aanzien van eiseres is afgewezen, omdat haar identiteit en de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk zijn gemaakt en eiseres ook niet beschikbaar is voor nader onderzoek. Ook is de familierechtelijke relatie tussen eiseres en de achterblijvende ouder, haar gestelde moeder [moeder] , volgens de minister niet aannemelijk gemaakt.\n\n8. In april 2024 heeft eiseres nogmaals geprobeerd om naar Eritrea te reizen voor\n\nDNA-onderzoek, maar ook ditmaal is zij aan de grens tegengehouden. Eiseres is daarbij gedetineerd geraakt en heeft 2,5 maand in de gevangenis gezeten. Ze verblijft op dit moment bij een tante in Eritrea.\n\nHet bestreden besluit\n\n9. In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag ongegrond verklaard. De minister blijft er bij dat de identiteit van eiseres en haar familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk zijn gemaakt, en dat een DNA-onderzoek noodzakelijk is. Hoewel eiseres indirecte bewijsmiddelen heeft ingebracht, hebben deze volgens de minister geen zodanige onderbouwende waarde dat op basis daarvan kan worden afgezien van een DNA-onderzoek. De overgelegde doopakte van eiseres heeft volgens de minister namelijk geen toereikende bewijswaarde en de overgelegde kopie van het paspoort van [moeder] zegt volgens de minister niets over de identiteit van eiseres of over de familierechtelijke relatie tussen haar en referent. De verklaringen van referent maken ook niet dat de identiteit van eiseres en haar familierechtelijke relatie met referent aannemelijk zijn gemaakt, omdat dit enkel mondelinge verklaringen zijn die niet met enig objectiveerbaar bewijsmiddel zijn te controleren.\n\n9.1.. Verder vindt de minister dat zij niet gehouden is om te onderzoeken of het in samenwerking met één van de lidstaten van de Europese Unie wel mogelijk zou zijn om eiseres een DNA-onderzoek in Eritrea zelf aan te bieden. De minister verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 augustus 2023. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister met betrekking tot het uitvoeren van DNA-onderzoek alleen om medewerking van een andere lidstaat kan vragen, maar deze hulp niet kan bewerkstelligen of afdwingen. Ook volgt volgens de minister uit deze uitspraak dat zij alleen in uitzonderlijke gevallen gehouden is om onderzoek te verrichten naar de mogelijkheid om DNA-onderzoek te faciliteren (en vervolgens te laten uitvoeren) door samenwerking met een andere lidstaat. Volgens de minister is bij de aanvraag van eiseres geen sprake van zo een uitzonderlijk geval.\n\n9.2.. Tot slot heeft de minister in het bestreden besluit nog opgemerkt dat referent ondertussen de Nederlandse nationaliteit heeft, en daardoor niet meer voldoet aan de algemene voorwaarden voor afgifte van de gevraagde mvv.\n\nWaarom is eiseres het hier niet mee eens?\n\n10. Eiseres vindt dat de minister ten onrechte terughoudend is omgegaan met de indirecte bewijsmiddelen die aanwezig zijn. Eiseres kan namelijk vanwege haar leeftijd niet beschikken over een identiteitsdocument, wat de minister ook erkent. Ook kan van eiseres niet verlangd worden dat zij (opnieuw) probeert Eritrea illegaal uit te reizen om deel te nemen aan een DNA-onderzoek. Er is een originele doopakte waarin de ouders van eiseres staan vermeld, en van de moeder van eiseres is een afschrift van haar paspoort ingebracht. Eiseres vindt dat de combinatie van deze documenten, samen met de verklaringen van referent, wel degelijk haar identiteit en de familierechtelijke relatie met referent onderbouwen.\n\n10.1.. Verder meent eiseres dat de minister heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. In de eerste mvv-procedure heeft de minister namelijk in de beslissing op bezwaargesteld dat de familierechtelijke relatie met referent niet is onderbouwd met enige vorm van documenten. In de huidige procedure is er wel een indicatief document, namelijk de doopakte, maar dat is nu voor de minister toch onvoldoende.\n\n10.2.. Daarnaast wijst eiseres in beroep op de samenwerkingsplicht. Zij vindt dat de minister een reële mogelijkheid had moeten bieden om haar deel te laten nemen aan een DNA-onderzoek, of dat er gekeken had moeten worden naar alternatieve manieren om de familierechtelijke relatie aannemelijk te maken. Dat de minister enkel DNA-onderzoek in een buurland heeft aangeboden volstaat niet, nu is gebleken dat eiseres daar niet legaal kan komen en het illegaal ook niet is gelukt.\n\n10.3.. Ook vindt eiseres dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat tijdens de hoorzitting van 6 september 2024 aan referent is aangegeven dat een gehoor met de gestelde moeder van eiseres een mogelijkheid was, maar de minister daar in het bestreden besluit toch van af ziet.\n\n10.4.. Daarnaast meent eiseres dat de minister uitgaat van een onjuiste lezing van de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2023. De minister heeft volgens eiseres op onjuiste gronden geoordeeld dat er sprake moet zijn van een uitzonderlijk geval alvorens hij DNA-onderzoek moet faciliteren door samenwerking met een andere EU-lidstaat, of deze mogelijkheid moet onderzoeken. Bovendien zijn de omstandigheden van eiseres ook uitzonderlijk en schrijnend.10.5.. Tot slot is eiseres het oneens met het standpunt van de minister dat referent, doordat hij inmiddels de Nederlandse nationaliteit heeft, niet meer voldoet aan de algemene voorwaarden voor afgifte van een mvv.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nNaturalisatie van referent\n\n11. Tussen partijen is niet in geschil dat referent op 23 september 2021 is genaturaliseerd en dus niet meer in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel. Volgens de minister voldoet referent daardoor niet meer aan de algemene voorwaarden voor afgifte van de gevraagde mvv, omdat hij niet meer onder het bereik van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) valt. Ter zitting is door de gemachtigde van de minister aangegeven dat, hoewel dit in deze zaak vrij laat is onderkend, dit in principe een zelfstandige afwijzingsgrond vormt.\n\n11.1.. De rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling of eiseres voldoet aan de algemene voorwaarden voor afgifte van een mvv moet kijken naar de situatie op het peilmoment. Aangezien het hier gaat om een herhaalde aanvraag op basis van nieuwe feiten en omstandigheden, is de peildatum de datum van de oorspronkelijke aanvraag, zijnde 14 april 2016. Op die datum was referent nog niet genaturaliseerd en voldeed hij aan artikel 29 van de Vw, in die zin dat referent op dat moment nog een vreemdeling als bedoeld in die bepaling was. De rechtbank is van oordeel dat het de minister niet vrijstaat om een nadien verworven naturalisatie of Nederlanderschap aan referent tegen te werpen. Hiervoor is naar het oordeel van de rechtbank geen steun te vinden in het recht. Dat referent is genaturaliseerd maakt daarom niet dat de mvv-aanvraag ten behoeve van eiseres zou kunnen worden afgewezen.\n\nSamenwerkingsverplichting\n\n12. Eiseres stelt zich in beroep op het standpunt dat de minister in het kader van de samenwerkingsverplichting aan haar een reële mogelijkheid had moeten bieden om haar deel te laten nemen aan een DNA-onderzoek. Het enkel aanbieden van DNA-onderzoek in het buitenland (Ethiopië) volstaat volgens eiseres niet, nu is gebleken dat zij daar niet legaal kan komen en het illegaal ook niet is gelukt.\n\nVolgens de minister is de situatie van eiseres echter niet dusdanig uitzonderlijk dat zij zou moeten onderzoeken of het DNA-onderzoek met medewerking van een andere lidstaat in Eritrea zou kunnen plaatsvinden. De problemen met betrekking tot het uitreizen gelden immers voor alle Eritrese burgers.\n\n12.1.. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijngeven de lidstaten, als aan de in de richtlijn gestelde voorwaarden is voldaan, toegang en verblijf aan minderjarige kinderen van een gezinshereniger. In artikel 29, tweede lid, van de Vw is bepaald dat een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend aan het minderjarige kind van de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning asiel is verleend. Daaronder vallen dus ook de kinderen van een ouder met een subsidiaire beschermingsstatus. Aangezien artikel 29, tweede lid, van de Vw mede strekt ter implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn, dient deze bepaling in overeenstemming met de Gezinsherenigingsrichtlijn te worden uitgelegd en dient dus de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) over die richtlijn in acht te worden genomen.12.2.. Ter zitting is door eiseres gewezen op het arrest van het Hof van 13 maart 2019, waaruit volgens haar volgt dat de minister in het kader van de samenwerkingsverplichting in het geval van eiseres meer zou moeten doen dan het enkel aanbieden van DNA-onderzoek in Ethiopië.\n\n12.3.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat uit het door eiseres genoemde arrest van het Hof volgt dat de eisen die de minister mag stellen aan het bewijs dat door een vreemdeling moet worden geleverd, afhangen van de situatie waarin de betrokken vreemdeling zich bevindt.\n\nDe rechtbank wijst in dit kader met name op rechtsoverweging 65 tot en met 69:\n\n“65\n\n Ten tweede moeten de nationale autoriteiten ook rekening houden met de persoon van de gezinshereniger of van zijn bij het verzoek om gezinshereniging betrokken gezinslid, met de concrete situatie waarin zij zich bevinden en de bijzondere problemen waarmee zij worden geconfronteerd, zodat de eisen die kunnen worden gesteld aan de bewijskracht of de plausibiliteit van de elementen die de gezinshereniger of het gezinslid verstrekt, met name om aan te tonen dat het niet mogelijk is om officiële bewijsstukken van de gezinsband over te leggen, evenredig moeten zijn en moeten afhangen van de aard en het niveau van de problemen waaraan zij blootstaan.\n\n66\n\n Volgens overweging 8 van richtlijn 2003\u002F86 vraagt de situatie van vluchtelingen en personen die een subsidiaire bescherming genieten, immers bijzondere aandacht wegens de redenen die hen ertoe hebben gedwongen hun land te ontvluchten en die hun beletten aldaar een normaal gezinsleven te leiden. Zo wordt in punt 6.1.2 van de richtsnoeren eveneens gepreciseerd dat de bijzondere situatie van vluchtelingen betekent dat het voor hen vaak onmogelijk of gevaarlijk is om officiële documenten in te dienen of contact op te nemen met de diplomatieke of consulaire instanties van hun land van herkomst.\n\n67\n\n Bovendien volgt uit de voorgaande overwegingen dat die nationale autoriteiten, indien de gezinshereniger de op hem rustende samenwerkingsplicht overduidelijk niet nakomt of indien op basis van objectieve elementen waarover de bevoegde nationale autoriteiten beschikken, duidelijk blijkt dat het om een frauduleus verzoek om gezinshereniging gaat, zijn verzoek mogen afwijzen.\n\n68\n\n Is echter geen sprake van dergelijke omstandigheden, dan moet het ontbreken van officiële bewijsstukken waaruit de gezinsband blijkt en het eventuele gebrek aan plausibiliteit van de daarover gegeven uitleg, eenvoudigweg worden aangemerkt als elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de individuele beoordeling van alle relevante elementen van het geval en zijn de bevoegde nationale autoriteiten niet vrijgesteld van de in artikel 11, lid 2, van richtlijn 2003\u002F86 opgenomen verplichting om rekening te houden met andere bewijzen.\n\n69\n\n Zoals eveneens in herinnering gebracht in punt 6.1.2 van de richtsnoeren, bepaalt artikel 11, lid 2, van die richtlijn immers expliciet, zonder dat daarbij sprake is van een beoordelingsmarge, dat het ontbreken van bewijsstukken niet de enige reden mag zijn voor de afwijzing van een verzoek en dat de lidstaten in dergelijke gevallen verplicht zijn om rekening te houden met andere bewijzen van het bestaan van een gezinsband.”\n\n13. De rechtbank stelt vast dat de minister niet betwist dat eiseres tot twee keer toe heeft geprobeerd om de landsgrens over te steken naar Ethiopië, zodat zij daar zou kunnen deelnemen aan een DNA-onderzoek. Ook wordt niet betwist dat dit beide keren niet is gelukt en dat eiseres bij de laatste poging zelfs gedetineerd is geraakt. Eiseres heeft daarmee zeer grote belemmeringen ervaren in het kunnen voldoen aan het DNA-onderzoek zoals dat door de minister noodzakelijk wordt geacht. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet langer van eiseres kan worden verlangd dat zij afreist naar Ethiopië.\n\n13.1.. \n\nGelet op de rechtsoverwegingen uit het arrest van het Hof die hiervoor zijn aangehaald, en met name rechtsoverwegingen 65 en 69, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank dat de minister met deze omstandigheden rekening moet houden en tegen die achtergrond zou moeten kijken naar alternatieve bewijsmethodes voor eiseres.\n\nConcreet betekent dit dat nu is gebleken dat het voor eiseres (nagenoeg) onmogelijk is om in Ethiopië DNA-bewijs af te staan, de minister verplicht is om te onderzoeken of zou kunnen worden samengewerkt met één van de andere lidstaten die wél een ambassade of diplomatieke vertegenwoordiging in Eritrea hebben, zodat het op die manier voor eiseres mogelijk zou worden om het DNA-onderzoek in haar eigen land te ondergaan.\n\n14. Wanneer zou blijken dat zo’n samenwerking niet mogelijk is, rust op de minister de verplichting om op zoek te gaan naar andere mogelijkheden voor bewijslevering door eiseres. De minister mag alsdan, gelet op de hiervoor aangehaalde rechtspraak van het Hof, niet langer vasthouden aan het ontbreken van DNA-bewijs als reden voor de afwijzing van de aanvraag en zal dan minder vergaande eisen aan het bewijs moeten stellen. Mocht die situatie zich voordoen, dan kan voor de bewijslevering onder andere gedacht worden aan het laten plaatsvinden van gehoren. De rechtbank wijst in dit verband op de conclusie van advocaat-generaal N. Wahl van 29 november 2018 dat voorafging aan voornoemd arrest van het Hof. Daaruit kan worden afgeleid dat ook aan het horen van – bijvoorbeeld – de betrokken ouders bewijswaarde kan worden toegekend.Tegen die achtergrond kan de weigering van de minister om de moeder van eiseres te horen evenmin stand houden. Zonder een dergelijk gehoor, kan immers ook onmogelijk worden gesteld dat dit gehoor, in samenhang bezien met de overige bewijsstukken (waaronder de doopakte en verklaring van referent) onvoldoende bewijswaarde zou hebben. Dit klemt temeer als moet worden vastgesteld dat DNA-onderzoek ook in Eritrea (nagenoeg) onmogelijk is en de minister bijgevolg de eisen die aan het bewijs mogen worden gesteld naar beneden zal moeten bijstellen.\n\n15. Dat de minister zich tot slot nog op het standpunt stelt dat eiseres ook in geval van afgifte van een mvv nog het land moet uitreizen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. De minister kan eiseres niet het recht op gezinshereniging ontzeggen om de enkele reden dat zij volgens de minister bij uitreis naar Nederland dezelfde problemen zal ondervinden als bij haar pogingen naar Ethiopië te reizen. De afweging of eiseres, wanneer de gezinsband is vastgesteld en daarmee het recht op gezinshereniging vaststaat, gebruik wil maken van haar recht om (te pogen) naar Nederland af te reizen om het recht op gezinshereniging te effectueren, is voorbehouden aan eiseres en eiseres alleen. De minister heeft daar geen zeggenschap over.\n\n16. De rechtbank ziet ook niet in dat de minister van eiseres, omdat zij sowieso het land zal moeten uitreizen om gezinshereniging te effectueren, onverkort DNA-onderzoek in Ethiopië kan verlangen. De minister miskent daarmee dat zij op die manier extra reisbewegingen van eiseres verlangt en daarmee van haar verwacht (nog) meer risico te nemen, hetgeen, zeker gelet op de eerdere ervaringen van eiseres bij eerdere pogingen om Ethiopië te bereiken, een onbegrijpelijke en inhumane eis zou zijn.\n\nConclusie en gevolgen\n\n17. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.\n\n17.1.. \n\nDe rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de minister binnen zo kort mogelijke termijn onderzoek verricht naar de mogelijkheden van samenwerking met één van de andere lidstaten, of alternatieve bewijsmethodes. De rechtbank betrekt daarbij dat eiseres en referent al een lange periode in onzekerheid verkeren. Indien komt vast te staan dat eiseres daadwerkelijk de dochter is van referent, dan is eveneens sprake van een (zeer) schrijnende situatie, nu inmiddels zowel vader (referent) als moeder in Nederland verblijven.\n\nTegelijkertijd moet rekening worden gehouden met een redelijke termijn die de minister in staat stelt de samenwerking te zoeken met andere lidstaten. De rechtbank meent dat de minister in staat zou moeten zijn om binnen een periode van vijf maanden die samenwerking te bewerkstelligen, of andere bewijsmethoden (zoals het horen van de moeder) toe te passen, zodat binnen een periode van zes maanden na heden een nieuw besluit zou moeten kunnen worden genomen. De rechtbank stelt aldus de termijn voor het nemen van een nieuw besluit op zes maanden (180 dagen) na heden.\n\n17.2.. \n\nOmdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.\n\nDe minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 16 september 2024;\n\n- draagt de minister op binnen 180 dagen na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings - Rassa, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. R.M. Timmerman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:3108.\n\n Van 12 december 2018.\n\n Richtlijn 2003\u002F86\u002FEG.\n\n Vgl. in dit verband: HvJ EU 13 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:192, r.o. 34 t\u002Fm 37.\n\n HvJ EU 13 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:192.\n\n In vergelijkbare zin: Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam 3 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6399\n\n Conclusie van Advocaat-Generaal N.Wahl bij het HvJ EU van 29 november 2018, ECLI:EU:C:2018:973, i.h.b. overweging 58.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:4694","2025-03-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:19.896Z",1,20]