[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-zwolle-landlord-tenant-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":35,"total":16,"page":25,"limit":61},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},57,"Zwolle","nl","zwolle",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},88,"landlord-tenant-nl","Landlord and Tenant","NL","2026-07-08T16:55:44.370Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-06-25T00:00:00.000Z",[21,26,29,32],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123048","Burgerlijk Wetboek","art. 7:213",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123049","art. 7:214",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"123050","art. 7:219",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"124104","art. 7:230",[36,46,54],{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":44,"updatedAt":45},"1915","ECLI:NL:RBOVE:2026:3543","ecli-nl-rbove-2026-3543","","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: 12210003 \\ CV EXPL 26-1498\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING OPENBAAR BELANG,\n\nte Zwolle,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Stichting Openbaar Belang,\n\ngemachtigde: mr. M.J. Seijbel,\n\ntegen\n\nZEKER FINANCIËLE ZORGVERLENING B.V., handelend in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van de heer[betrokkene],\n\nte Almere,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: Zeker Financiële Zorgverlening; [betrokkene].\n\ngemachtigde: mr. O. Saaliti.\n\n1. De zaak en het oordeel in het kort\n\n1.1.. \n [betrokkene] huurt een woning van Stichting Openbaar Belang. Omdat [betrokkene] structureel ernstige overlast veroorzaakt en vernielingen heeft aangericht in de woning vordert Stichting Openbaar Belang ontruiming van de woning door [betrokkene]. [betrokkene] is het daar niet mee eens. Hij heeft psychische problemen waardoor hij overlast heeft veroorzaakt en waarvoor hij op dit moment een behandeling krijgt in een zorginstelling. Het is voor hem van groot belang dat hij een woonruimte heeft wanneer hij de zorginstelling mag verlaten. Volgens Zeker Financiële Zorgverlening is geen sprake van een spoedeisend belang en weegt het belang van [betrokkene] bij behoud van de woning zwaarder dan het belang van Stichting Openbaar Belang bij ontruiming daarvan. Volgens Zeker Financiële Zorgverlening moet de vordering dan ook worden afgewezen.\n\n1.2.. De kantonrechter zal de vordering van Stichting Openbaar Belang toewijzen en Zeker Financiële Zorgverlening (en dus [betrokkene]) veroordelen de woning te ontruimen. De kantonrechter zal dat oordeel hierna uitleggen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van Zeker Financiële Zorgverlening.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Stichting Openbaar Belang vordert samengevat - ontruiming van het gehuurde, de woning aan [adres].\n\n3.2.. Stichting Openbaar Belang legt aan de vordering ten grondslag dat [betrokkene] sinds maart 2025 ernstige en structurele (geluids)overlast veroorzaakt. [betrokkene] schreeuwt in de woning, bonkt op de muren en richt vernielingen aan in de woning. Hij veroorzaakt daardoor ook een gevoel van onveiligheid bij zijn buren. [betrokkene] gedraagt zich daarom niet als goed huurder en schiet tekort in de nakoming van zijn verplichtingen onder de huurovereenkomst en moet de woning ontruimen, aldus Stichting Openbaar Belang\n\n3.3.. Zeker Financiële Zorgverlening voert verweer. Zeker Financiële Zorgverlening concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Stichting Openbaar Belang en voert het volgende aan. [betrokkene] heeft ernstige psychische problemen waardoor zijn gedrag werd veroorzaakt en hij verblijft op dit moment met een in een zorginstelling waar hij onder behandeling staat. Omdat het voor [betrokkene] van groot belang is dat hij een woonruimte heeft wanneer hij de zorginstelling mag verlaten, weegt zijn belang zwaarder dan het belang van Stichting Openbaar Belang bij ontruiming van de woning. Ook is er volgens Zeker Financiële Zorgverlening geen spoedeisend belang omdat [betrokkene] niet in de woning verblijft en dus geen overlast veroorzaakt.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVordering tot ontruiming4.1.. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet volgens vaste jurisprudentie grote terughoudendheid worden betracht omdat er in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een diepgaand onderzoek naar bestreden feiten en omdat een ontruiming in kort geding vergaande en vaak onomkeerbare gevolgen heeft.\n\n4.2.. Een dergelijke vordering kan daarom alleen toegewezen worden als in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter, in een eventuele bodemprocedure, de vordering zal toewijzen. Bovendien moet ook sprake zijn van een zodanig ernstige tekortkoming dat de beslissing in de bodemzaak niet kan worden afgewacht.\n\nSpoedeisend belang4.3.. Hoewel [betrokkene] op dit moment in een zorginstelling verblijft en daarom geen overlast veroorzaakt in de woning, heeft Stichting Openbaar Belang voldoende spoedeisend belang bij haar vordering. Zoals Stichting Openbaar Belang tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht – en [betrokkene] heeft bevestigd – verblijft [betrokkene] met een zorgmachtiging in een instelling, maar is het onduidelijk hoe lang hij daar nog zal (moeten) verblijven. Nu onzeker is of [betrokkene] al dan niet op korte termijn terug zal keren naar de woning, is het spoedeisend belang gegeven.\n\nTekortkoming4.4.. \n [betrokkene] erkent dat hij ernstige geluidsoverlast heeft veroorzaakt en dat hij vernielingen in de woning heeft aangericht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [betrokkene] daarover verklaard dat hij psychische problemen heeft en last heeft van PTSS. Die psychische problemen zorgen voor onbeheersbare woede uitbarstingen waardoor hij schreeuwt, op de muren en ramen bonkt en de woning vernielt. Voor deze psychische problemen ontvangt hij nu een behandeling. [betrokkene] heeft nog wel aangevoerd dat de meldingen slechts door een klein aantal buren zijn gedaan, maar dat brengt in de ernst van zijn handelen en de ervaren overlast geen verandering. De tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen onder huurovereenkomst door [betrokkene] staat daarmee vast.\n\n4.5.. De kantonrechter overweegt dat het voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter in een eventuele bodemprocedure tot het oordeel komt dat deze tekortkomingen ook de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen.\n\nBelangenafweging4.6.. Zeker Financiële Zorgverlening voert aan dat ondanks de tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen onder de huurovereenkomst, een belangenafweging in het voordeel van [betrokkene] moet uitvallen en de vordering moet worden afgewezen. Zij voert daartoe aan dat [betrokkene] met een zorgmachtiging in de zorginstelling de Woenselse Poort verblijft en dat [betrokkene], zoals hij zelf ook heeft toegelicht tijdens de mondelinge behandeling, groot belang heeft bij een woning wanneer hij de zorginstelling mag verlaten. Omdat hij geen vrienden of familie heeft waar hij kan verblijven zal hij zonder zijn woning waarschijnlijk dakloos worden, waardoor zijn psychische problemen zullen verergeren.\n\n4.7.. Stichting Openbaar Belang vindt dat de belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen. [betrokkene] veroorzaakt sinds maart 2025 ernstige overlast voor de omwonenden waardoor een gevoel van onveiligheid en grote onrust is ontstaan in de wijk. Zoals Stichting Openbaar Belang tijdens de mondelinge behandeling onbetwist heeft aangevoerd, heeft [betrokkene] voor een bedrag van bijna € 40.000,- aan schade aangericht in de woning en is de woning door de aangerichte vernielingen ook niet veilig voor bewoning. Tot slot voert zij aan dat zij in 2025 al een kort geding tot ontruiming is gestart, maar dat zij die procedure heeft ingetrokken omdat [betrokkene] kort voor de mondelinge behandeling was opgenomen voor een behandeling bij Tactus. Omdat [betrokkene] kort na zijn terugkeer in de woning opnieuw overlast veroorzaakte, heeft zij er geen vertrouwen in dat het na zijn terugkeer uit de Woenselse Poort wel goed zal gaan.\n\n4.8.. Vooropgesteld onderkent de kantonrechter dat [betrokkene] groot belang heeft bij behoud van zijn woning zodat hij een woonruimte heeft om naar terug te keren wanneer zijn behandeling is afgerond. Ook is voor de kantonrechter duidelijk dat, zoals [betrokkene] heeft toegelicht tijdens de mondelinge behandeling, zijn gedrag was ingegeven door psychische problemen en dat hij daarvoor nu de juiste zorg ontvangt. Naar het oordeel van de kantonrechter weegt zijn belang echter niet zwaarder dan het belang van Stichting Openbaar Belang. Zoals Stichting Openbaar Belang heeft aangevoerd moet zij ook aan de buren van [betrokkene] huurgenot verschaffen en moet zij ook hun belangen behartigen. Zij heeft daarom na de lange periode van overlast en de intrekking van het eerste kort geding door de opname van [betrokkene] bij Tactus, behoefte aan duidelijkheid. Die duidelijkheid krijgt zij alleen wanneer [betrokkene] de woning ontruimt. Bij afwijzing van de vordering blijft het immers onduidelijk wanneer [betrokkene] de zorginstelling zal mogen verlaten en terug zal keren naar zijn woning. Het is ook onduidelijk of de overlast dan zal stoppen. Daarbij komt dat er door de ernst en de duur van de overlast veel onrust is ontstaan in de buurt en dat de enkele terugkeer van [betrokkene] die onrust waarschijnlijk weer zal doen oplaaien. Daarnaast wil Stichting Openbaar Belang de woning restaureren maar kan zij dat niet doen zolang [betrokkene] de woning niet verlaten heeft. Ook heeft Stichting Openbaar Belang onbetwist aangevoerd dat zij de benedenwoning onder die van [betrokkene] niet kan verhuren omdat de aanblik van de bovenwoning en de verhalen van de omwonenden over het gedrag van [betrokkene], ervoor zorgen dat potentiële huurders afzien van de woning. Het belang van Stichting Openbaar Belang bij ontruiming van de woning weegt daarom zwaarder dan het belang van [betrokkene].\n\n4.9.. Gelet op het voorgaande zal de vordering van Stichting Openbaar Belang worden toegewezen en zal Zeker Financiële Zorgverlening in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [betrokkene], worden veroordeeld tot ontruiming van de woning.\n\nOntruimingstermijn4.10.. Zeker Financiële Zorgverlening voert verweer tegen de gevorderde ontruimingstermijn van 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis. Omdat [betrokkene] is opgenomen in een zorginstelling die hij niet mag verlaten en hij geen familie of vrienden heeft die de woning voor hem zouden kunnen ontruimen, is het voor hem onmogelijk om binnen de gestelde termijn de woning te ontruimen.\n\n4.11.. De kantonrechter acht de termijn van 48 uur gelet op het voorgaande te kort en zal een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis hanteren zodat [betrokkene] tijd heeft om persoonlijke spullen uit de woning te (laten) halen. Verder heeft Stichting Openbaar Belang tijdens de mondelinge behandeling toegezegd om, in overleg met de deurwaarder, bij ontruiming van de woning de spullen van [betrokkene] op te laten slaan.\n\nProceskosten4.12.. Zeker Financiële Zorgverlening is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Openbaar Belang worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n151,94\n\n- griffierecht\n\n€\n\n139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n43,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n911,44\n\n4.13.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Zeker Financiële Zorgverlening in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van de heer [betrokkene], om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stichting Openbaar Belang zijn, en de sleutels af te geven aan Stichting Openbaar Belang,\n\n5.2.. veroordeelt Zeker Financiële Zorgverlening in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van de heer [betrokkene] in de proceskosten van € 911,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt Zeker Financiële Zorgverlening in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van de heer [betrokkene] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op\n\n25 juni 2026.(mb)","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3543","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:45.279Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":50,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":44,"updatedAt":53},"1660","ECLI:NL:RBOVE:2026:3800","ecli-nl-rbove-2026-3800","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: 11781627 \\ CV EXPL 25-2062\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde stichting\n\nWONINGSTICHTING RENTREE,\n\nuit Deventer,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Rentree,\n\ngemachtigde: mr. M.P.H. van Wezel,\n\ntegen\n\n [bewindvoerder],handelend onder de naam [bedrijf],\n\nin zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde],\n\nuit [vestigingsplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de Bewindvoerder,\n\ngemachtigde: mr. A. aan het Rot.\n\n1. Samenvatting\n\n1.1. \n [gedaagde] huurt een woning van Rentree. Volgens Rentree onderhoudt [gedaagde] de woning niet. Daarom vraagt Rentree de kantonrechter om de huurovereenkomst te beëindigen (ontbinden).Rentree en de bewindvoerder hebben op de mondelinge behandeling afgesproken dat de zaak wordt aangehouden zodat Rentree de woning kan bezichtigen en er eventueel afspraken kunnen worden gemaakt met [gedaagde]. Mr. Aan het Rot heeft de kantonrechter vervolgens verzocht vonnis te wijzen. Of een huisbezoek heeft plaatsgevonden, zo nee, waarom niet en zo ja, wat de staat van de woning is, is de kantonrechter niet meegedeeld. Daarom wijst de kantonrechter een tussenvonnis waarin hij partijen verzoekt zich daarover uit te laten. Ook overweegt de kantonrechter alvast dat het verweer van de bewindvoerder dat Rentree niet-ontvankelijk is, niet slaagt.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding met producties van 2 juli 2025;\n\nde conclusie van antwoord met producties;\n\nproducties 5A tot en met 7E van de bewindvoerder;\n\nde mondelinge behandeling van 23 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2. \n\nNa de mondelinge behandeling is de zaak enige tijd aangehouden zodat\n\ner een afspraak kan worden gemaakt voor een huisbezoek door Rentree bij [gedaagde] en om\n\neventueel (onderhouds)afspraken te maken.\n\n2.3. \n\nPer e-mail van 22 mei 2026 heeft mr. Aan het Rot de griffie met kopie aan mr. Van\n\nWezel de kantonrechter verzocht om vonnis te wijzen. De griffie heeft van mr. Van Wezel\n\ngeen afzonderlijk bericht ontvangen.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Sinds 25 november 2010 huurt [gedaagde] van Rentree de woning inclusief tuin aan de [adres] (hierna: het gehuurde).\n\n3.2. Bij verstekvonnis van 6 juli 2021 is de huurovereenkomst ontbonden en de ontruiming van het gehuurde toegewezen door de rechtbank Overijssel vanwege een huurachterstand die [gedaagde] had laten ontstaan.\n\n3.3. Rentree heeft de ontruiming niet doorgezet. [gedaagde] is in het gehuurde blijven wonen.\n\n3.4. Op 25 augustus 2021 zijn alle goederen die (zullen) toebehoren aan [gedaagde], wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden door de rechtbank Overijssel onder bewind gesteld en is de bewindvoerder benoemd.\n\n3.5. Op 1 februari 2024 hebben Rentree en [gedaagde] in verband met de staat van de woning en de tuin een ‘allonge huurovereenkomst in het kader van gedragsaanwijzing’ (hierna: de gedragsaanwijzing) gesloten. In de gedragsaanwijzing staat – kort gezegd – hoe [gedaagde] het gehuurde moet onderhouden.\n\n3.6. Op 12 februari 2024 bericht de hulpverlener aan Rentree dat [gedaagde] hulp afhoudt. Hierna vindt er meermaals een multidisciplinaire overleg (hierna: MDO) plaats met verschillende hulpverleningsorganisaties en -instanties.\n\n3.7. Op 21 november 2024 ontvangt Rentree het bericht dat de hulpverlener van [gedaagde] de begeleiding per direct stopt in verband met de onveilige situatie die de honden van [gedaagde] veroorzaken en het gebrek aan eerlijkheid, samenwerking en vertrouwen. Hierna worden geplande huisbezoeken meerdere keren door [gedaagde] afgezegd.\n\n3.8. Op 15 mei 2025 vindt de laatste MDO plaats. In het verslag concluderen de ketenpartners dat de situatie onhoudbaar is en de grens is bereikt.\n\n3.9. Op 28 mei 2025 stuurt Rentree [gedaagde] een brief. In de brief wijst Rentree erop dat [gedaagde] zich al langere tijd niet aan de gedragsaanwijzing. Daarom kondigt Rentree aan dat zij naar de rechter gaat om de huurovereenkomst te laten ontbinden met het gevolg dat [gedaagde] het gehuurde zal moeten verlaten.\n\n4. Het geschil\n\nWat vordert Rentree en waarom?\n\n4.1. \n\nRentree vordert – samengevat en onder uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring – primair ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.\n\nSubsidiair vordert Rentree ontbinding van de huurovereenkomst onder de opschortende voorwaarde dat [gedaagde] zich niet houdt aan de verplichtingen ervoor te zorgen dat:\n\nhet gehuurde in goede staat wordt onderhouden, schoon en opgeruimd is en blijft,\n\nde tuin in goede staat wordt onderhouden, schoon en opgeruimd is waarbij de tuin een nette en verzorgde indruk moet maken,\n\nzij zich als een goed huurder zal gedragen, en\n\nzij op afspraak medewerkers van Rentree ten minste twee keer per jaar tot de woning toelaat om het gehuurde te inspecteren.\n\nIn het geval dat de huurovereenkomst is ontbonden vanwege een van de opschortende voorwaarden, vordert Rentree ontruiming. Tot slot vordert Rentree veroordeling van de bewindvoerder tot betaling van de proceskosten.\n\n4.2. Aan haar vorderingen legt Rentree ten grondslag dat [gedaagde] tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst waardoor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is.\n\nWat vindt de bewindvoerder daarvan?\n\n4.3. De bewindvoerder voert verweer. Volgens hem moet de vorderingen tot (voorwaardelijke) ontbinding niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de huurovereenkomst al is ontbonden. Daardoor kan Rentree volgens de bewindvoerder ook geen rechten aan de gedragsaanwijzing, die verbonden is aan de huurovereenkomst, ontlenen. Verder voert de bewindvoerder aan dat [gedaagde] de gedragsaanwijzing heeft getekend zonder te kunnen overzien wat de gevolgen daarvan waren. Dat maakt de gedragsaanwijzing een nietige rechtshandeling dan wel een rechtshandeling die vernietigd moet worden, want volgens de bewindvoerder heeft Rentree misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden. [gedaagde] weerspreekt dat zij overlast (heeft) veroorzaakt en de bewindvoerder voert aan dat de tekortkomingen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming niet rechtvaardigen. Voor het geval de kantonrechter tot het oordeel zou komen dat ontbinding wel gerechtvaardigd is, verzoekt de bewindvoerder een termijn van maximaal één maand voor de ontruiming. Tot slot vraagt de bewindvoerder de kantonrechter om Rentree te veroordelen in de proceskosten. Mocht de bewindvoerder ongelijk krijgt, dan vraagt hij de kantonrechter om de proceskosten in verband het beschermingsbewind te compenseren.\n\n4.4. De kantonrechter gaat hierna, voor zover dat nodig is voor zijn beslissing, verder in op de stellingen van beide partijen.\n\n5. De beoordeling\n\nNiet-ontvankelijkheid\n\n5.1. Het meest verstrekkende verweer van de bewindvoerder is de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen van Rentree omdat de huurovereenkomst op 6 juli 2021 al is ontbonden, daardoor niet meer bestaat en dus niet nogmaals kan worden ontbonden.\n\n5.2. Dit verweer slaag niet. De kantonrechter stelt namelijk vast dat er geen uitvoering is gegeven aan het vonnis van 6 juli 2021. In plaats daarvan is bewind ingesteld en is de gedragsaanwijzing gesloten. Het gehuurde is ook niet ontruimd. [gedaagde] woont er met goedvinden van Rentree nog steeds en blijft ook (dezelfde) huur betalen. Dat brengt met zich dat de huurovereenkomst gelet op artikel 7:230 BW voor onbepaalde tijd is verlengd. Dat partijen een andere bedoeling hadden, is niet gesteld en de kantonrechter ook niet gebleken.\n\nIs er sprake van een tekortkoming door [gedaagde]?\n\n5.3. Volgens de wet kan een huurovereenkomst worden ontbonden als een van de partijen niet goed nakomt (tekortschiet), tenzij dat tekortschieten op grond van de bijzondere aard of geringe betekenis ontbinding van de overeenkomst niet rechtvaardigt (artikel 6:265 lid 1 en 7:231 van het Burgerlijk Wetboek). Bij de beoordeling of ontbinding mogelijk is, moet rekening worden gehouden met alle aangevoerde omstandigheden van het geval. In een huursituatie valt daaronder het woonbelang van de huurder en het belang van de verhuurder. Die belangen moet de kantonrechter tegen elkaar afwegen.\n\n5.4. De eerste vraag die de kantonrechter moet beantwoorden, is of [gedaagde] tekortgeschoten is. Volgens Rentree is dat het geval, omdat [gedaagde] het gehuurde slecht onderhoudt en haar honden geluids- en stankoverlast veroorzaken. Ter onderbouwing van haar standpunt over de staat van het gehuurde, heeft Rentree onder andere gewezen op een MDO verslag uit mei 2025 waarin de hulpverlener van [gedaagde] meedeelt dat het gehuurde er ‘verschillelijk uitziet’. Hierna zijn volgens Rentree geen berichten meer ontvangen over de staat van het gehuurde. Op de mondelinge behandeling heeft mevrouw [naam] (woonconsulent bij Rentree) toegelicht dat zij vijf maanden geleden voor het laatst in het gehuurde is geweest en over de staat van nu niets kan zeggen. Daartegenover staat dat de bewindvoerder foto’s heeft overgelegd van de woning en [gedaagde] op de mondelinge behandeling heeft uitgelegd dat het er nu netjes uitziet.\n\n5.5. Naar aanleiding van het debat dat partijen hebben gevoerd, hebben zij op de mondelinge behandeling afgesproken dat Rentree op huisbezoek zal komen zodat zij de actuele staat van het gehuurde kan beoordelen en er eventueel (onderhouds)afspraken kunnen worden gemaakt met [gedaagde]. Vervolgens heeft mr. Aan het Rot de kantonrechter verzocht vonnis te wijzen. Over de staat van de woning heeft geen van partijen iets meegedeeld, terwijl de kantonrechter die informatie nodig heeft om te kunnen beoordelen of er op dit moment sprake is van een zodanige tekortkoming die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt en waardoor ontruiming op zijn plaats is.\n\n5.6. De kantonrechter wil dan ook geïnformeerd worden over de huidige staat van het gehuurde. Hij zal partijen in de gelegenheid stellen zich daarover uiterlijk 21 juli 2026uit te laten. Indien er geen huisbezoek door Rentree heeft plaatsgevonden, dienen partijen zich uit te laten over de reden waarom dat niet is gebeurd. Als er wel een huisbezoek heeft plaatsgevonden, dienen zij zich gemotiveerd uit te laten over de huidige staat van het gehuurde.\n\n5.7. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 21 juli 2026voor het nemen van een akte door beide partijen over wat is vermeld onder overweging 5.6., waarna het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel is geëindigd;\n\n6.2. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3800","2026-07-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.127Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":58,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":44,"updatedAt":60},"1063","ECLI:NL:RBOVE:2026:3795","ecli-nl-rbove-2026-3795","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: 11983032 \\ CV EXPL 25-3765\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde stichting STICHTING WOONBEDRIJF IEDER1,\n\ngevestigd in Deventer,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Ieder1,\n\ngemachtigde: mr. J.J. Pullen en mr. R.F.A. Rorink\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende in [woonplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\ngemachtigde: mr. E.J. Bijl.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1. \n [gedaagde] huurt een woning van Ieder1. Ieder1 vordert in deze procedure ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, omdat volgens Ieder1 [gedaagde] zijn woning ter beschikking heeft gesteld aan vrouwen die zichzelf hebben geprostitueerd vanuit de woning. [gedaagde] heeft verklaard geen wetenschap te hebben van de prostitutieactiviteiten.\n\n1.2. De kantonrechter wijst de vordering van Ieder1 toe. Kort gezegd is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] rekening had te houden met prostitutieactiviteiten vanuit zijn woning en dat Aldi heeft nagelaten maatregelen te treffen die van hem als huurder verlangd hadden mogen worden.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, uitgebracht op 11 november 2025, - de conclusie van antwoord, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,\n\n- spreekaantekeningen van beide partijen.2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Ieder1 verhuurt met ingang van 16 januari 2025 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning). De huur bedraagt € 650,43 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd.\n\n3.2. Meerdere omwonenden, als ook een huismeester en een installateur die werkte in opdracht van Ieder1, hebben in mei en juni 2025 verklaringen aan Ieder1 afgelegd die er – kort samengevat – neerkomen dat bij hen het vermoeden bestaat dat er illegale prostitutie plaatsvindt vanuit de woning.\n\n3.3. Op 18 juni 2025 zijn twee medewerkers van Ieder1 en de wijkagent op huisbezoek geweest bij de woning. Diezelfde dag heeft Ieder1 aan [gedaagde] een brief gestuurd waarin zij [gedaagde] heeft gevraagd de huur vrijwillig op te zeggen en heeft aangegeven dat zij anders een procedure tegen [gedaagde] zou starten. [gedaagde] heeft de huur niet opgezegd.\n\n3.4. Ieder1 is op 29 juli 2025 een kort geding tegen [gedaagde] begonnen, met als doel ontruiming van de woning. Bij vonnis van 26 augustus 2025 heeft de kantonrechter de vordering van Ieder1 afgewezen, kort gezegd omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] op de hoogte was van illegale prostitutie in de woning of daarmee rekening moest houden.\n\n4. Het geschil\n\n4.1. Ieder1 vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.\n\n4.2. \n [gedaagde] voert verweer.\n\n4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1. De kern van het geschil is de vraag of sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] die ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Uit artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat iedere tekortkoming van een partij en de nakoming van één van haar verplichtingen kan leiden tot gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Daarnaast is een huurder op grond van artikel 7:213 BW gehouden zich ten aanzien van het gebruik van het gehuurde als goed huurder te gedragen en op grond van artikel 7:214 BW verplicht het gehuurde overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Op grond van artikel 7:219 BW kan de huurder ook aansprakelijk worden gesteld voor gedragingen van hen die met goedvinden van de huurder het gehuurde gebruiken of zich met zijn goedvinden daarin bevinden.5.2. Gelet op wat er in het gehuurde is geconstateerd tijdens het huisbezoek van 18 juni 2025, de verklaringen van omwonenden en een installateur werkzaam in opdracht van Ieder1, en de advertenties van Kinky.nl ziet de kantonrechter geen reden om eraan te twijfelen dat de tijdens het huisbezoek in het gehuurde aangetroffen personen in de woning aanwezig waren met als doel het verrichten van prostitutieactiviteiten. Overigens is dit door [gedaagde] ook niet met zoveel woorden t weersproken.\n\n5.3. Deze zaak spitst zich toe op de vraag of [gedaagde] weet had van de prostitutieactiviteiten, of dat hij dit redelijkerwijs had moeten weten. [gedaagde] stelt dat dit niet zo is, en dat er daarom geen sprake is van een tekortkoming.\n\n5.4. \n\nDe kantonrechter overweegt dat een huurder op grond van artikel 7:219 BW met betrekking tot gedragingen van derden, die zich met zijn instemming in het gehuurde bevinden, ook zelf is tekortgeschoten, bijvoorbeeld door niet in te grijpen of onvoldoende toezicht te houden. Bij de beantwoording van de vraag of hiervan sprake is, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de vraag of er voldoende verband bestaat tussen die gedragingen en het gebruik van het gehuurde. Daarvan is in elk geval sprake indien de huurder van (het voornemen tot) die gedragingen op de hoogte was of daarmee ernstig rekening had te houden, maar heeft nagelaten de in verband daarmee redelijkerwijs van hem te verlangen maatregelen te treffen (ECLI:NL:HR:2007:\n\nAZ8743).\n\n5.5. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend op de wijze waarop zijn (inmiddels) ex-vriendin gebruik maakte van de woning. Voor dit oordeel is van belang dat [gedaagde] zijn ex-vriendin, die hij eind mei 2025 in het centrum van Deventer op straat heeft leren kennen, vrijwel meteen een sleutel van de woning heeft gegeven en haar heeft toegestaan zijn woning te gebruiken op momenten dat hij zelf niet thuis was. Dit terwijl [gedaagde] naar eigen zeggen overdag vaak weg van huis was, bijvoorbeeld naar vrienden in Rotterdam, en dus geen zicht had op wat er in die woning gebeurde op die momenten. Verder is van belang dat [gedaagde] heeft verklaard dat zijn ex-vriendin op dat moment geen werk had, en dus niet om die reden zijn woning zou verlaten. De kantonrechter is van oordeel dat als je de sleutel van je woning onder deze omstandigheden aan iemand geeft die je nauwelijks kent, dit een bepaald risico met zich brengt. Hiermee heeft [gedaagde] zich niet als een goed huurder gedragen en is hij tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst\n\n5.6. Daar komt bij dat de kantonrechter het niet aannemelijk acht dat [gedaagde] helemaal geen weet had van wat er in zijn woning gebeurde. Hoewel [gedaagde] – zoals hij zelf stelt – overdag vaak van huis was, sliep hij naar eigen zeggen wel iedere nacht in de woning. Dit terwijl uit een van de verklaringen van omwonenden blijkt dat de prostitutieactiviteiten tot laat in de avond doorgingen. Dit maakt dat de kantonrechter het onwaarschijnlijk acht dat [gedaagde] niets gemerkt heeft van wat er zich in zijn woning heeft afgespeeld. Verder is van belang dat [gedaagde] op de zitting heeft verklaard dat de spullen die tijdens het huisbezoek zijn aangetroffen, onder andere condooms, vrouwelijke cosmeticaproducten en lingerie, eerder ook al steeds in zijn woning aanwezig waren. Dit had naar het oordeel van de kantonrechter bij [gedaagde] de nodige argwaan moeten wekken.\n\n5.7. Een tekortkoming rechtvaardigt in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, tenzij de bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op de uitzondering van artikel 6:265 lid 1 BW.\n\n5.8. De kantonrechter is van oordeel dat het laten plaatsvinden van illegale prostitutie in een sociale huurwoning geen tekortkoming van geringe betekenis is. Het is een feit van algemene bekendheid dat prostitutie kan leiden tot overlast voor de leefomgeving in een wijk. Daar komt bij dat Ieder1 een zwaarwegend belang heeft om hiertegen op te treden, en dat zij wat dit betreft een zero tolerance beleid hanteert. Verder heeft Ieder1 een zwaarwegend belang dat haar woningen worden gebruikt als woonruimte en niet voor andere doeleinden, mede gelet op haar taak om schaarse sociale huurwoningen te verdelen. De kantonrechter begrijpt dat ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning voor [gedaagde] ingrijpend zal zijn, gelet op zijn uitkeringsrecht, de samenhang van die uitkering met zijn taalcursus en het belang daarvan voor de integratie van [gedaagde], die waarschijnlijk komt stil te staan wanneer hij de woning moet verlaten. Maar dit belang weegt gelet op het voorgaande niet op tegen het belang van Ieder1.\n\n5.9. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen.\n\nLangere ontruimingstermijn\n\n5.10. \n [gedaagde] heeft gevraagd om een langere ontruimingstermijn, namelijk van drie maanden. Hiertoe heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij geen familie of vrienden heeft naar wie hij kan toegaan voor tijdelijk onderdak. De kantonrechter acht een termijn van een drie maanden te lang, maar ontruiming binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, zoals door Ieder1 gevraagd is, te kort voor [gedaagde] om onderdak te regelen. Een ontruimingstermijn van een maand na betekening van dit vonnis acht de kantonrechter in deze omstandigheden redelijk.\n\nDe proceskosten\n\n5.11. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ieder1 worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n145,45\n\n- griffierecht\n\n€\n\n135,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n434,00\n\n(2 punten × € 217,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n108,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n822,95\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.12. Ieder1 heeft gevraagd om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, terwijl [gedaagde] heeft gevraagd om die af te wijzen. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat Ieder1 het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als [gedaagde] niet aan het vonnis (waaronder de veroordeling tot ontruiming) voldoet. [gedaagde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als hij hoger beroep heeft ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist. Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van [gedaagde] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van Ieder1 om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. De belangen die hierbij worden meegewogen, zijn onder meer genoemd onder 5.8. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de belangen van Ieder1 zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde]. Daarom zal het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres],\n\n6.2. veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Ieder1 zijn, en de sleutels af te geven aan Ieder1,\n\n6.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 822,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.5. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026. (wv)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3795","2026-07-13T00:29:02.190Z",20]