Skip to main content

ECLI:NL:CBB:2026:305

Gericht

Den Haag

Datum

15 June 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Bestuursrecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: BestuursrechtType: uitspraak

proces-verbaal uitspraakCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/238

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026
Voorzitter: mr. A. van Gijzen

Griffier: R. Hosseinollahi

Partijen

[naam 1] , te [woonplaats]

en

de minister van Klimaat en Groene Groei, vertegenwoordigd door mr. M.J. Schulte

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Een van de voorwaarden voor het verkrijgen en behouden van de investeringssubsidie voor een warmtepomp is dat de installatie moet worden gedaan door een bouwinstallatiebedrijf.Niet in geschil is dat [naam 2] geen bouwinstallatiebedrijf is als bedoeld in de subsidieregeling. [naam 1] heeft een bon van € 85,- overgelegd van [naam 3] – wel een bouwinstallatiebedrijf – voor controle van de installatie, maar dat wil niet zeggen dat de installatie is gedaan door [naam 3] . Het achteraf controleren van de installatie van de warmtepompen omvat namelijk niet de hele installatie. Dit betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarde van installatie door een bouwinstallatiebedrijf. De minister was daarom bevoegd om de subsidie vast te stellen op nihil.

2 De minister mocht ook van die bevoegdheid gebruik maken. De vaststelling op nihil is een geschikt en noodzakelijk middel om een ten onrechte verleende subsidie terug te krijgen. [naam 1] heeft aangevoerd dat na de controle is gebleken dat de warmtepompen veilig zijn geïnstalleerd, maar dat leidt niet tot een andere conclusie. De voorwaarde van installatie door een bouwinstallatiebedrijf is gesteld zodat uitsluitend deskundige en vakbekwame bedrijven de installatie uitvoeren. Op die manier wordt ook beoogd dat de warmtepompen al vanaf het moment van de installatie veilig zijn. Dat [naam 1] nadeel heeft van de vaststelling op nihil maakt het besluit niet onevenwichtig.

3 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. A. van Gijzen w.g. R. Hosseinollahi

Artikel 4.5.2, tweede lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.

Weitere Entscheidungen