ECLI:NL:GHARL:2025:6664
Zusammenfassung
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Arnhem
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.368
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 563217)
beschikking van 28 oktober 2025
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr.drs. A.M. Slootweg,
en
[verweerder],
verblijvende in een bij het hof bekend Penitentiair Psychiatrisch Centrum,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. N. Schreurs.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikking(en) van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 januari 2024 en 11 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 11 februari 2025 zal verder ook worden genoemd: de bestreden beschikking.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 9 mei 2025;
het verweerschrift.
2.2. De mondelinge behandeling heeft op 29 september 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren de man en de vrouw, beiden bijgestaan door hun advocaat.
3. De feiten
3.1. Partijen zijn [in] 2009 gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden.
3.2. De vrouw heeft op 6 juli 2023 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking (onder meer) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
Het huwelijk van partijen is op 19 mei 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
3.3. De peildatum voor de omvang en samenstelling van het te verrekenen vermogen is 6 juli 2023 (datum indiening verzoek tot echtscheiding door de vrouw bij de rechtbank).
3.4. In hun huwelijkse voorwaarden zijn partijen in artikel 13 overeengekomen:
“…..
Ingeval het huwelijk eindigt door echtscheiding of tussen de echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, heeft ieder van de echtgenoten het recht om te vorderen dat er een verrekening van hun vermogens plaatsvindt, zo, dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest, indien de wettelijke gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten had bestaan.
Van deze verrekening wordt uitgezonderd:
…...
f. alle goederen en schulden behorende tot het bedrijfs- of beroepsvermogen van een echtgenoot, alsmede de schulden die zijn aangegaan ter verkrijging van het bedrijfs- of beroepsvermogen;
…..”
4. De omvang van het geschil
4.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover in deze procedure van belang, de vrouw veroordeeld om de helft van de saldi op de bankrekeningen bij de Bigbank (Estland) met de nummers [rekeningnummer1] , [rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] aan de man te betalen.
4.2. De vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de bankrekeningen bij de Bigbank en komt daarom in hoger beroep.
De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – het verzoek van de man om te bepalen dat zij de helft van de saldi van de bankrekeningen met nummers [rekeningnummer1] , [rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] per peildatum aan hem moet betalen alsnog af te wijzen en voor recht te verklaren:
primairdat de saldi op die bankrekeningen tot het bedrijfsvermogen van de vrouw behoren en buiten de verrekening dienen te blijven en
subsidiairte bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft jegens de man ter hoogte van de helft van de saldi op die bankrekeningen
en de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen.
4.3. De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw in hoger beroep en vraagt het hof om dit af te wijzen.
5. De motivering van de beslissing
Standpunt van de vrouw5.1.
De vrouw is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de saldi per peildatum op de Bigbank-bankrekeningen tot het te verrekenen vermogen (aan de zijde van de vrouw) behoren.
De gelden zijn vanuit haar onderneming op de rekeningen bij de Bigbank gestort en de saldi op de Bigbank-rekeningen behoren nog steeds tot haar bedrijfsvermogen.
De vader van de man, tevens haar boekhouder, heeft haar destijds geadviseerd om haar bedrijfsvermogen onder te brengen bij de bank in Estland. Zij heeft hieraan uitvoering gegeven en daarbij bleek dat zij alleen rekeningen bij de Bigbank in Estland kon openen op haar eigen naam, en niet op naam van haar onderneming. Dit vormde geen beletsel, omdat het wettelijk is toegestaan bij een onderneming een privérekening zakelijk te gebruiken. Het gaat om deposito’s met een hogere renteopbrengst. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is de tenaamstelling van de rekening niet van doorslaggevend belang. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het niet gaat om de tenaamstelling van een rekening maar om de aard van het saldo. De saldi op de Bigbank-rekeningen zijn niet gebruikt, niet in privé en niet voor zakelijke doeleinden.
In de jaarstukken 2022 worden de saldi op de rekeningen bij de Bigbank (hof: € 25.808 en € 5.400) op de balans vermeld onder het kopje ‘financiële activa’ en het subkopje ‘vastgelegde liquide middelen’. In de belastingaangifte 2022 van de man en de vrouw zijn de Bigbankrekeningen ook opgenoemd en aangemerkt als zakelijke rekeningen. Daarom worden de saldi op de Bigbank-rekeningen niet meegenomen en belast in box 3 (sparen en beleggen) door de belastingdienst.
Op 6 februari 2023 heeft zij nog een extra bedrag van € 18.564 ingelegd op de Bigbankrekeningen. Het saldo op de Bigbank-rekeningen komt dan overeen met de bedragen die op bladzijde 13 van haar belastingaangifte 2023 worden vermeld; de financiële activa bedroegen aan het eind van 2023 € 49.772 (hof: € 25.808 + € 5.400 + € 18.564).
Verder stelt de vrouw dat zij de overwegingen van de rechtbank over het vermogen dat is aangemerkt als fiscale oudedagsreserve (FOR) niet kan volgen. Uit de fiscale balans van de belastingaangifte blijkt dat het om een van bedrag € 32.047 gaat. Dit bedrag is niet vrij opneembaar en te zijner tijd moet hierover belasting worden betaald. De stelling van de man dat zij in totaal € 79.000 uit haar onderneming heeft gehaald is daarom niet juist.
Ook brengt de vrouw nog naar voren dat uit artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden blijkt dat het de bedoeling was dat hetgeen zij met haar onderneming aan winst realiseerde voor haar zou blijven. Alleen de bedragen die zij daadwerkelijk opnam als inkomen hoefden bij de verdeling van de kosten van de huishouding tussen partijen in aanmerking te worden genomen.
De vrouw biedt aan haar stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, zoals bijvoorbeeld een verklaring van haar accountant of boekhouder, of andere bewijsstukken en/of getuigen, waaronder de accountant en/of de boekhouder.
Standpunt van de man5.2.
De man betwist de stellingen van de vrouw. Uitgegaan moet worden van wat partijen met elkaar zijn overeengekomen in hun huwelijkse voorwaarden en wat daarmee hun bedoeling was.
De vrouw heeft door gelden van de zakelijke rekeningen over te maken naar de privérekeningen bij de Bigbank in Estland gelden uit het bedrijfsvermogen gehaald. Het klopt dat de vrouw niet wettelijk verplicht is om haar zakelijke en privévermogen gescheiden te houden, maar dat wordt wel ten zeerste aanbevolen. Gelet op de uitleg van de huwelijkse voorwaarden en op grond van wat partijen van elkaar mogen verwachten zijn de gelden die de vrouw heeft overgemaakt naar de Bigbank-rekeningen geen ondernemingsvermogen meer. De bedragen zijn duurzaam gaan toebehoren aan de vrouw in privé. Partijen zijn een finaal verrekenbeding overeengekomen en moeten daarom ook over deze bedragen afrekenen als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd.
De jurisprudentie van de Hoge Raad die de vrouw heeft aangehaald ziet op situaties die niet vergelijkbaar zijn met de situatie van partijen.
Het is de advocaat van de man niet bekend dat de vader van de man de vrouw geadviseerd heeft om het geld op rekeningen in Estland te plaatsen om meer rente te ontvangen over het vermogen en bovendien is de vrouw hiervoor zelf verantwoordelijk. Met de toekomstige belastingschuld van de vrouw over de FOR hoeft geen rekening te worden gehouden, omdat dit een keuze is die voor rekening van de vrouw komt.
De vrouw heeft volgens de man niet aangetoond dat de saldi op de Bigbank-rekeningen enkel zijn gebruikt voor zakelijke doeleinden en dat maakt bovendien ook geen verschil. De bedragen op de Bigbank-rekeningen zijn op bepaalde momenten vrij opneembaar geweest en zijn dat begin 2026 ook weer.
De stelling van de vrouw over artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden moet volgens de man worden gepasseerd, omdat dit artikel alleen betrekking heeft op de wijze waarop de kosten van de huishouding tijdens het huwelijk door partijen moeten worden voldaan en niets zegt over het vermogen uit de onderneming dat is gaan toebehoren aan de vrouw in privé.
Oordeel van het hof5.3.
Het hof is van oordeel dat de saldi op de drie Bigbank-rekeningen in Estland als bedrijfs- of beroepsvermogen (hierna ook ‘ondernemingsvermogen’) van de vrouw in de zin van artikel 13 van de huwelijkse voorwaarden van partijen moeten worden beschouwd en niet tot het aan de zijde van de vrouw te verrekenen vermogen behoren.
De vrouw heeft toegelicht dat zij gelden uit haar onderneming op de Bigbankrekeningen heeft gestort om daarover meer rente te ontvangen. Daardoor zijn die gelden (anders dan de man stelt) nog niet onttrokken aan haar ondernemingsvermogen.
Dat deze saldi nog steeds tot haar ondernemingsvermogen behoren blijkt voldoende uit de verwerking van deze saldi in de jaarrekeningen van de onderneming van de vrouw en haar belastingaangiften. Ook zijn de Bigbankrekeningen door partijen samen, dus ook door de man, in hun belastingaangifte 2022 uitdrukkelijk opgegeven als zakelijke rekeningen. De saldi zijn ook niet belast in box 3. Dat volgt uit de aanslag IB 2022: de belastingdienst heeft daarin de aangifte van partijen geaccepteerd.
De advocaat van de man heeft ter zitting geen (tegen)bewijs op dit punt aangeboden, omdat de man niet beschikt over documenten waaruit zou kunnen blijken dat deze conclusie niet juist is.
Dit maakt dat het hoger beroep van de vrouw slaagt. Het hof is van oordeel dat de saldi op de drie rekeningen bij de Bigbank moeten worden geschaard onder de uitzondering onder artikel 13 onderdeel f. van de huwelijkse voorwaarden en uitgezonderd zijn van de verrekening van de vermogens van partijen.
5.4. Het hof zal daarom punt 4.6. in de bestreden beschikking, inhoudende dat de vrouw de helft van de saldi per peildatum op de Bigbank-rekeningen aan de man moet betalen, vernietigen. Het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat de saldi op deze bankrekeningen tot het bedrijfsvermogen van de vrouw behoren (en dus buiten de verrekening van de vermogens van partijen blijven) zal het hof toewijzen.
5.5. Het voorgaande maakt dat het hof niet meer toekomt aan een bespreking van de overige stellingen van partijen en de vraag of er sprake is van een vergoedingsrecht van de vrouw op de man voor de helft van de saldi op de Bigbank-rekeningen.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
6.1. vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 februari 2025, voor zover het gaat om het oordeel van de rechtbank over de saldi op de bankrekeningen bij de Bigbank in Estland met de nummers [rekeningnummer1] ,
[rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] en de beslissing onder 4.6., en in zoverre opnieuw beschikkende:
6.2. verklaart voor recht dat de saldi op bankrekeningen bij de Bigbank in Estland met de nummers [rekeningnummer1] , [rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] tot het bedrijfs- en beroepsvermogen van de vrouw behoren en niet in de verrekening van de vermogens van partijen zijn betrokken;
6.3. wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en S. Kuijpers, bijgestaan door de griffier, en is op 28 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.