Skip to main content

ECLI:NL:GHARL:2025:7447

Gericht

Arnhem

Datum

25 November 2025

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Civiel recht; Personen- en familierecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Arnhem

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.353.270

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 579910)

beschikking van 25 november 2025

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats1] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. N.J. Hos,

en

[bewindvoerder], handelend onder de naamKeistad Bewind & Mentorschap,

gevestigd te Amersfoort,

verder te noemen: de bewindvoerder,

in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van:

[verweerder],

wonende in [woonplaats1] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. T. de Jong.

1. De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2. De procedure in hoger beroep

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

het beroepschrift met producties, ingekomen op 9 april 2025;

het verweerschrift met producties.

2.2. De mondelinge behandeling heeft op 22 oktober 2025 te Zwolle plaatsgevonden. Aanwezig waren:

  • de vrouw en haar advocaat;

  • de bewindvoerder en haar advocaat.

3. De feiten

3.1. De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van

[minderjarige] , geboren [in] 2017.

3.2. De vrouw is belast met het gezag over [minderjarige] en [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw. De man heeft een contactregeling met [minderjarige] .

3.3. De man en de vrouw hebben na hun uiteengaan in 2021 een ouderschapsplan opgesteld en zijn daarin onder meer overeengekomen dat de man een bedrag van € 148,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw zal betalen (verder ook: kinderalimentatie). Deze bijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd en bedraagt met ingang van 1 januari 2024 € 165,61 en met ingang van 1 januari 2025 € 176,37 per maand.

4. Het geschil

4.1. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank (voor zover in deze zaak bij het hof van belang) op verzoek van de man de kinderalimentatie gewijzigd en met ingang van 5 april 2024 op nihil gesteld. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2. De vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie en komt daarom in hoger beroep.

De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de kinderalimentatie en het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dat verzoek af te wijzen.

4.3. De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt het hof de vrouw niet te ontvangen in haar hoger beroep, althans haar verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de kinderalimentatie.

5. De gronden voor de beslissing

5.1. Wijziging van een door de rechter vastgestelde of tussen partijen overeengekomen alimentatie is mogelijk als zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan (artikel 1:401 lid 1 BW).

Niet ter discussie staat dat de man inmiddels geen inkomen uit arbeid meer heeft, zoals wel het geval was toen partijen de afspraak over de kinderalimentatie hebben gemaakt. De man heeft kort na het vaststellen van het ouderschapsplan in 2021 een herseninfarct gehad. Vanwege zijn hersenletsel woont hij nu in een appartement in een verpleeghuis en ontvangt hij een uitkering. De omgangsregeling is ook gewijzigd. [minderjarige] en de man hebben nu wekelijks twee uur contact in het verpleeghuis of bij de vrouw thuis.

Dit zijn relevante wijzigingen van omstandigheden naar het oordeel van het hof. Beoordeeld moet worden of deze wijzigingen maken dat de man de overeengekomen kinderalimentatie niet meer kan betalen en de bijdrage daarom moet worden gewijzigd.

5.2. Niet ter discussie staat verder ook dat [minderjarige] behoefte heeft aan de eerder overeengekomen kinderalimentatie.

5.3. Het hof stelt vast dat de man bij de rechtbank een draagkrachtberekening heeft overgelegd waarin hij rekent met een jaarinkomen over 2024 van € 29.716,- bruto. Dit leidt volgens hem tot een netto besteedbaar inkomen van € 2.254,- per maand.

In dit hoger beroep heeft de man jaaropgaven 2024 overgelegd en daaruit blijkt dat de WIA-uitkering in 2024 in totaal € 38.880,- bruto bedroeg. Daarnaast heeft hij ook een pensioen ontvangen van € 5.178,- bruto per jaar. Het inkomen van de man in 2024 was dus hoger dan de man aanvankelijk heeft berekend.

5.4. In 2025 is de WIA-uitkering van de man gestegen tot € 3.139,18 bruto per maand. Tezamen met het pensioen leidt dit tot een bruto jaarinkomen van € 45.859,- per jaar. Uit de door de man in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening 2025 volgt dat dit inkomen leidt tot een netto besteedbaar inkomen van € 2.606,- per maand.

5.5. De vrouw stelt dat om de draagkracht van de man te kunnen bepalen, rekening moet worden gehouden met de eigen bijdrage Wlz CAK en de noodzakelijke lasten, zoals de kosten van het bewind en het maximale zak- en kleedgeld van € 361,- per maand. Volgens de vrouw moet rekening worden gehouden met een draagkrachtloos inkomen van € 1.917,- en resteert er een draagkracht bij de man van € 466,- per maand. De draagkracht van de man is volgens de vrouw dan ruim voldoende om de eerder overeengekomen bijdrage te kunnen betalen.

5.6. De bewindvoerder stelt dat de man geen draagkracht heeft. Wanneer rekening wordt gehouden met het forfait noodzakelijke lasten, de bijdrage Wlz CAK, de kosten van het bewind en de kosten voor de advocaat dan kan de man nauwelijks rond komen. De man woont in een appartement en heeft te maken met normale kosten voor een huishouding. Hij heeft bijvoorbeeld zelf een wasmachine en hij heeft eten en drinken in huis voor bezoek. Hij moet vervoer en uitjes zelf betalen en hij heeft dan ook extra begeleiding nodig die door hem zelf moet worden bekostigd. Hij rookt en hij maakt kosten voor cadeautjes.

5.7. Het hof oordeelt als volgt over de draagkracht van de man.

Rekening moet worden gehouden met de eigen bijdrage Wlz CAK. Deze bedraagt inmiddels € 1.276,29 per maand en wordt ingehouden op de WIA-uitkering die de man ontvangt. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de zak- en kleedgeldgrens voor een alleenstaande die het CAK hanteert van € 426,03 per maand (eerste half jaar 2025).

In de eigen bijdrage Wlz CAK en de zak- en kleedgeldgrens is een groot deel van de kosten verwerkt die gewoonlijk moeten worden voldaan vanuit het forfait noodzakelijke lasten. Van het forfait noodzakelijke lasten van € 1.310,- moeten in een situatie waarin personen een zelfstandige huishouding voeren onder meer de kosten van gas, water en licht, eten, kleding en verzekeringen en de overige uitgaven voor levensonderhoud (dus ook sport, cadeaus, uitjes en vakanties en dergelijke) worden betaald. De man hoeft een aanzienlijk deel van deze gebruikelijke kosten niet te maken. Hij hoeft bijvoorbeeld geen maaltijden te bekostigen omdat hij deze krijgt in het verpleeghuis. De man heeft ook geen woonlasten en geen kosten voor gas, water en licht. Dit maakt dat geen rekening moet worden gehouden met het forfait noodzakelijke lasten, want dat leidt tot dubbeltellingen in de lasten van de man.

5.8. Het hof is van oordeel dat naast de eigen bijdrage Wlz CAK en de zak- en kleedgeldgrens uitsluitend rekening kan worden gehouden met noodzakelijke specifieke lasten (zoals bijvoorbeeld zorgkosten voor zover die het bedrag van de component in de bijstandsnorm overstijgen).

Niet betwist is dat de man de kosten voor de bewindvoering van € 254,50 per maand moet voldoen. Hiermee kan dus rekening worden gehouden.

5.9. Het hof stelt vast dat de bewindvoerder van de man geen totaaloverzicht heeft opgesteld van de kosten waarmee de man maandelijks daadwerkelijk te maken heeft naast de eigen bijdrage Wlz CAK. Voor zover de bewindvoerder al extra kosten heeft opgevoerd zijn deze grotendeels niet nader geconcretiseerd en onderbouwd.

De kosten voor uitjes, eten en drinken en roken die de bewindvoerder noemt zijn in voornoemde zak- en kleedgeldgrens begrepen en vormen geen extra last. Aan de kinderalimentatie wordt door de wet een hoge prioriteit toegekend. Voor zover de kosten hoger zijn dan de zak- en kleedgeldgrens, dienen ze daarom geen voorrang te krijgen boven de kinderalimentatieverplichting.

De bewindvoerder heeft de gestelde kosten van extra begeleiding voor de man niet nader onderbouwd. De vrouw betwist deze kosten. Volgens de vrouw heeft de man niet veel uitjes en gaat hij met zijn scootmobiel, waarmee hij ver kan komen, altijd zelfstandig op pad.

De gestelde advocaatkosten zijn eveneens niet inzichtelijk gemaakt door de bewindvoerder en daarom kan het hof hiermee geen rekening houden.

5.10. Het vorenstaande tezamen in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat de bewindvoerder onvoldoende specifieke gegevens over de uitgaven van de man in het geding heeft gebracht om te kunnen vaststellen dat de man geen draagkracht meer heeft om van zijn inkomsten (in 2025 volgens de man € 2.606,- netto per maand) naast de bijdrage Wlz CAK van € 1.276,29 per maand, zijn zak- en kleedgeld ( € 426,03) en de kosten van de bewindvoerder (€ 254,50 per maand) de eerder overeengekomen kinderalimentatie, die thans € 176,37 per maand bedraagt, te kunnen voldoen.

Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat de man ter zake de kinderalimentatie tot 1 januari 2025 steeds een bedrag van € 150,- per maand heeft voldaan. De bewindvoerder heeft verklaard dat daardoor geen achterstand in de betaling van de vaste lasten van de man is ontstaan.

5.11. Het hof is daarom van oordeel dat het hoger beroep van de vrouw slaagt. Er is weliswaar sprake van wijzigingen van omstandigheden maar deze leiden er op basis van de informatie die het hof heeft ontvangen van de situatie van de man niet toe dat de eerder overeengekomen kinderalimentatie moet worden verlaagd of op nihil moet worden gesteld. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek van de man tot nihilstelling van de kinderalimentatie alsnog afwijzen.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 10 januari 2025, en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de man om de onderling gemaakt afspraken over de kinderalimentatie te wijzigen en de door hem verschuldigde bijdrage in de kosten voor verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 5 april 2024 op nihil te stellen, alsnog af;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck,

R. Prakke-Nieuwenhuizen en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door de griffier, en is op 25 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Zie ook paragraaf 4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm van het Rapport Alimentatienormen januari 2025 Rapport alimentatienormen 2025 (https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-alimentatienormen-versie-januari-2025.pdf)

Weitere Entscheidungen