ECLI:NL:GHARL:2026:1385
Zusammenfassung
Civiel recht
Uitspraak
Leeuwarden
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
wrakingskamer
zaaknummer gerechtshof 200.350.840/02
beslissing van 6 maart 2026
op het (schriftelijke) verzoek van:
[verzoeker 1]en[verzoeker 2] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
verzoekers in het wrakingsincident,
hierna: verzoekers,
zonder advocaat,
dat strekt tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:
mr. M.M.A. Wind,
raadsheer in dit hof, locatie Leeuwarden.
1. Het verloop van de procedure1.1. Bij de afdeling civiel recht van het hof is onder zaaknummer 200.350.840/01 een procedure aanhangig tussen verzoekers en de publiekrechtelijke rechtspersoon [naam 1] (advocaat mr. J. Hagelaars).1.2. Verzoekers hebben per e-mail een verzoekschrift van 22 januari 2026 ingediend bij de griffie van dit hof, dat op 22 januari 2026 is ontvangen. Zij hebben daarbij een schriftelijk verzoek gedaan dat strekt tot wraking van de rolraadsheer die de afwijzende beslissingen van 15, 16 en 21 januari 2026 heeft gegeven, zijnde de hiervoor genoemde raadsheer.
1.3. Mr. Hagelaars heeft bij e-mail van 3 februari 2026 verzocht het wrakingsverzoek zonder zitting af te doen, zodat de voor 4 februari 2026 geplande behandeling van de hoofdzaak zou kunnen doorgaan. De wrakingskamer heeft dit verzoek afgewezen om verzoekers in de gelegenheid te stellen hun verzoek tijdens de zitting nader toe te lichten.
1.4. De gewraakte raadsheer heeft niet in de wraking berust en heeft per e-mail een toelichting gegeven die op 10 februari 2026 bij het hof is binnengekomen.
1.5. De wrakingskamer heeft besloten het wrakingsverzoek op de zitting van 20 februari 2026 te behandelen. Verzoekers zijn bij deze behandeling verschenen. De gewraakte raadsheer is niet verschenen.
Verzoekers hebben het verzoek mondeling, mede aan de hand van hun spreekaantekeningen, toegelicht.
2. De beoordeling van het verzoek De ontvankelijkheid van het verzoek2.1. De wrakingskamer stelt vast dat de zaak waarin het wrakingsverzoek is gedaan een civielrechtelijke zaak betreft waarvoor verplichte procesvertegenwoordiging geldt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat in zaken waarin verplichte procesvertegenwoordiging geldt, bij een schriftelijk verzoek ondertekening door een advocaat verplicht is. Een verzoeker kan zijn stukken - in dit geval zijn schriftelijke wrakingsverzoek - aldus alleen met bijstand van een advocaat indienen. De verzoeker die zonder bijstand van een verplichte advocaat een verzoek indient, wordt hierop gewezen. Hij krijgt de gelegenheid zijn verzuim te herstellen.
2.2. Het onderhavige verzoek van verzoekers is niet ingediend door een advocaat. Bij brief van 26 januari 2026 zijn verzoekers erop gewezen dat een wrakingsverzoek uitsluitend door tussenkomst van een advocaat kan worden ingediend. Zij zijn daarbij in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen. Verzoekers hebben daarop niet binnen de door de wrakingskamer gestelde termijn, noch daarbuiten met bijstand van een advocaat een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend. Verzoekers hebben ter zitting toegelicht, welke handelingen ze inmiddels verricht hebben om rechtsbijstand te verkrijgen en tegen welke problemen ze daarbij oplopen. Ook hebben ze toegelicht dat zij inmiddels recht hebben op gesubsidieerde rechtsbijstand. Vast staat echter dat zij ook ter zitting van de wrakingskamer nog geen advocaat hebben.
2.3. Omdat het wrakingsverzoek niet door een advocaat is ingediend, kan de wrakingskamer verzoekers niet ontvangen in hun verzoek tot wraking. Daarom kan de wrakingskamer het wrakingsverzoek niet inhoudelijk beoordelen. De beslissing
Het gerechtshof (wrakingskamer):
verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mrs. L.J. Hofstra, R.F.C. Spek en C. Coster, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.L.K. Bijma, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.