ECLI:NL:GHARL:2026:4060
Zusammenfassung
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Arnhem
beslissing
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Wrakingskamer
Locatie Arnhem
Wrakingsnummer W200.369.459/01
Datum beslissing: 16 juni 2026
Beslissing van de wrakingskamer
op het verzoek tot wraking, gedaan door
[verzoeker]te [woonplaats](hierna: verzoeker)
1. De procedure
1.1. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld in de zaken die bij de belastingkamer van het Hof zijn ingeschreven onder de nummers BK-ARN 25/367 en 25/368.
1.2. Bij bericht van 30 april 2026 heeft de griffier van het Hof aan verzoeker medegedeeld dat de tweede meervoudige belastingkamer het hoger beroep zal behandelen op 9 juni 2026.
1.3. Bij bericht van 26 mei 2026 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend.
1.4. Vervolgens is besloten het hoger beroep van verzoeker niet te behandelen op 9 juni 2026, maar deze behandeling uit te stellen.2. Ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek
2.1.. Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2.. Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat op “systemisch constitutionele gronden” getwijfeld kan worden aan de structurele onafhankelijkheid van de Nederlandse rechter in fiscale geschillen. Verzoeker betoogt in dat verband – kort gezegd – dat iedere rechter is benoemd bij koninklijk besluit, en de Kroon tegelijkertijd de constitutionele heffende autoriteit is waarvan de rechtsgeldigheid van de aanslag afhankelijk is. Volgens verzoeker geldt de constitutionele structuur die het voorwerp van toetsing vormt voor elke rechter die over deze zaak zou kunnen oordelen, aangezien alle rechters in Nederland, van de rechter in eerste aanleg tot de leden van de Hoge Raad, zijn benoemd bij koninklijk besluit.
2.3.. De wrakingskamer overweegt als volgt. Uit artikel 8:15 van de Awb blijkt dat een wrakingsverzoek slechts de rechters kan betreffen die de zaak van de betrokken partij behandelen. De wet biedt niet de mogelijkheid van wraking van een rechtscollege in zijn geheel (ECLI:NL:HR:2006:AX2303). Aangezien het wrakingsverzoek zowel uitdrukkelijk als naar zijn strekking is gericht tegen de rechterlijke macht als zodanig, en dus niet tegen (één van) de rechters die de zaak van verzoeker behandelen, is het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk.
2.4.. Bovendien is, om dezelfde reden, sprake van een kénnelijk niet-ontvankelijk wrakingsverzoek. De wrakingskamer laat daarom op grond van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder e, van het Wrakingsprotocol van het Hof een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege.
3. De beslissing
De wrakingskamer verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan te Arnhem door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. A. van Maanen en mr. J.U.M. van der Werff, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (R.F.C. Spek)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (Artikel 8:18, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht).