ECLI:NL:GHARL:2026:4078
Zusammenfassung
Strafrecht
Uitspraak
Leeuwarden
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.362.575/01
CJIB-nummer
: 259413423
Uitspraak d.d.
: 19 juni 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank OostBrabant van 13 oktober 2025, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 165,-.
Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 440,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 juni 2023 om 9:26 uur op de Sint-Elisabethstraat in Vught met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft de sanctie gematigd tot een bedrag van € 165,- om twee redenen. De kantonrechter heeft het sanctiebedrag met 50 procent gematigd omdat de hoogte van de opgelegde sanctie voor de onderhavige gedraging onevenredig hoog is. Vervolgens heeft de kantonrechter het sanctiebedrag verder gematigd met 25 procent in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.
3. De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de kantonrechter buiten de omvang van het geschil is getreden. De gronden van de betrokkene zijn niet beoordeeld conform het daarvoor toepasselijke kader, zijnde artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv. Het door de kantonrechter in acht genomen evenredigheidsbeginsel is niet ambtshalve aan de orde.
Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de aard van het Besluit van 26 januari 2023 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven (hierna: Besluit 2023)zich, gelet op de samenhang met de Wahv, verzet tegen de toepassing van afdeling 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), of in ieder geval tegen toepassing van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb opgenomen evenredigheidsbeginsel. Dat brengt met zich dat de kantonrechter zich niet uit had mogen laten over de algemene evenredigheid van het sanctietarief voor de onderhavige gedraging. Het Besluit 2023 behoort bij artikel 2, vijfde lid, van de Wahv en dient bij te dragen aan de doelstellingen van de Wahv, namelijk een efficiënte, snellere en effectievere afdoening van veelvoorkomende lichte verkeersovertredingen. Daarnaast is in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv expliciet een bepaling opgenomen waaruit volgt dat bij het sanctietarief in de Wahv rekening gehouden moet worden met zowel de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden als de omstandigheden waarin een betrokkene verkeert. Hiermee is het evenredigheidsbeginsel al in de wet zelf verankerd. Dat afdeling 3.2 van de Awb, dan wel artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, niet uitdrukkelijk is uitgesloten van de Wahv doet hieraan niet af. Daarbij merkt de officier van justitie op dat in artikel 2a van de Wahv de toepassing van onder meer titel 5.4 van de Awb, met daarin een specifiekere bepaling over de hoogte van bestuurlijke boetes, wel nadrukkelijk is uitgesloten. Nu de Wahv al een specifiekere bepaling bevat en de wetgever hiermee zowel de officier van justitie als de rechter een volledige toetsingsbevoegdheid heeft gegeven is een bredere toets op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb niet wenselijk. Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming is dit ook niet nodig. De doelstellingen van de Wahv verzetten zich tegen een bredere toets, want dit leidt tot verzwaring van de werklast van het openbaar ministerie en de rechtspraak. Opgemerkt wordt nog dat de Wahv als regeling sui generis moet worden gezien.
Meer subsidiair neemt de officier van justitie het standpunt in dat de kantonrechter het Besluit 2023 niet ten volle had mogen toetsen aan het evenredigheidsbeginsel en uit had moeten gaan van het door de regelgever vastgestelde sanctietarief. De officier van justitie dient daarvan ook uit te gaan. De kantonrechter is het rechterlijke beoordelingskader te buiten gegaan. Het tarievenhuis, dat het beoordelingskader vormt voor alle tarieven van feiten die zijn opgenomen in de bijlage bij de Wahv en bijlage I bij het Besluit OM-afdoening, laat geen ruimte voor een individuele straftoemeting. Het is in beginsel aan de regelgever voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen bij de vaststelling van het sanctietarief en de rechter moet het resultaat daarvan in beginsel respecteren. In individuele zaken kan de rechter het Besluit 2023 exceptief toetsen aan geschreven of ongeschreven recht, zoals het evenredigheidsbeginsel. In 2012 heeft de regelgever ervoor gekozen om het sanctietarief voor onder meer de onderhavige feitcode te verhogen van € 180,- naar € 360,- omdat de onderhavige gedraging door de regelgever is gekwalificeerd als ‘hufterigheid’ in het verkeer. Deze verhoging had mede tot gevolg dat het sanctietarief voor deze gedraging ten opzichte van het sanctietarief voor een reguliere parkeerboete werd verviervoudigd. In de jaren daarna zijn de sanctietarieven meegegroeid met de inflatiecorrectie. De kantonrechter heeft het bij het Besluit vastgestelde sanctietarief in volle omvang getoetst. De kantonrechter heeft hiermee miskend dat de regelgever een ruime beslissingsruimte heeft ten aanzien van het vaststellen van de hoogte van de sanctietarieven en dat de sanctiebedragen in Wahv-zaken in het algemeen niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in het leven van betrokkenen. Voor zover de kantonrechter de sanctietarieven heeft vergeleken met boetebedragen voor eenvoudige misdrijven zoals mishandeling of winkeldiefstal is het aan de wet- en regelgever voorbehouden om hierover te beslissen. De officier van justitie merkt tot slot op dat indien iedere rechter afzonderlijk zijn oordeel gaat vormen over de hoogte van het sanctietarief in de zaak die aan hem is voorgelegd dit kan leiden tot een veelvoud aan verschillende sanctietarieven voor eenzelfde gedraging. Dit terwijl het doel van de Wahv is om deze lichte verkeersovertredingen efficiënt, uniform en effectief af te doen. Het komt zowel de rechtszekerheid als de rechtseenheid niet ten goede als iedere rechter afzonderlijk gaat oordelen over de algemene hoogte van sanctietarieven. De officier van justitie concludeert daarom tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter.
4. Het hof dient eerst te beoordelen wat als de omvang van het geschil in beroep bij de kantonrechter moet worden aangemerkt. De omvang van het geschil wordt in bestuursrechtelijke procedures bepaald door de gronden die de indiener van het beroepschrift aanvoert in relatie tot het bestreden besluit.
5. Door de betrokkene is in beroep bij de kantonrechter het volgende aangevoerd. De betrokkene is medewerkster van het nabijgelegen verzorgingshuis en was een mindervalide bewoner uit de auto aan het begeleiden. De bebording was niet duidelijk zichtbaar en hiervoor is er abusievelijk op een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats geparkeerd. De bebording stond na de parkeerplaats en is kort na de gedraging verplaatst. Het voertuig van de betrokkene stond niet langer dan een uur ter plaatse. De betrokkene heeft de kantonrechter verzocht de sanctie te vernietigen.
6. Naar het oordeel van het hof is de kantonrechter, door te toetsen of de hoogte van het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie niet onevenredig is, niet buiten de omvang van het geschil getreden. In de door de betrokkene aangevoerde gronden ligt besloten, zo heeft de officier van justitie in het hoger beroepschrift ook gesteld, dat, als oplegging van de sanctie niet achterwege kan blijven, het bedrag van de sanctie moet worden gematigd. Dit brengt mee dat de kantonrechter, die tot het oordeel was gekomen dat er geen grond was om de sanctie achterwege te laten, de hoogte van de opgelegde sanctie diende te beoordelen. Daarbij dient de kantonrechter ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen (vgl. artikel 8:69, tweede lid, van de Awb).
7. Bij de beoordeling van de hoogte van de opgelegde sanctie is van belang dat de rechter de door de regelgever voor de verrichte gedraging bepaalde hoogte van de sanctie exceptief kan toetsen aan geschreven of ongeschreven hoger recht.Tot het hoger recht waaraan kan worden getoetst behoort onder andere het evenredigheidsbeginsel. Het evenredigheidsbeginsel is opgenomen in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en houdt in dat de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. In artikel 3:1 van de Awb is bepaald dat op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften, afdeling 3.2 slechts van toepassing is, voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet. Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb valt onder deze afdeling.
8. De aard van het Besluit 2023 verzet zich niet tegen toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Dat het Besluit 2023 dient bij te dragen aan de doelstellingen van de Wahv ontslaat de regelgever niet van de verplichting om bij de bepaling van de hoogte van het sanctietarief voor een gedraging het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen. Dit beginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en ernst van de gedraging waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt. Indien de regelgever deze verplichting in acht neemt, is van verzwaring van de werklast van openbaar ministerie en rechterlijke macht geen sprake en kunnen de officier van justitie en de rechter uitgaan van de door de regelgever vastgestelde tarieven.
9. Voor zover de officier van justitie van opvatting is dat de rechter de hoogte van de sanctie slechts mag toetsen aan artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv en daarbij dient uit te gaan van het door de regelgever bepaalde sanctietarief, vindt deze opvatting derhalve geen steun in het recht. De rechter kan, ook bij de toetsing aan deze bepaling, beoordelen of de door de regelgever bepaalde hoogte van de sanctie evenredig is.
10. Gelet hierop treffen de primair en subsidiair aangevoerde gronden van de officier van justitie geen doel.
11. Met betrekking tot de meer subsidiair aangevoerde grond overweegt het hof dat de rechter bij de toetsing of de regelgever bij de bepaling van de hoogte van het sanctietarief voor een verrichte gedraging voldoende in acht heeft genomen, terughoudend dient te zijn.
12. Het hof heeft in dit verband bij zijn arrest van 31 juli 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:4719 het volgende overwogen:"9. Het hof stelt voorop dat de rechter bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan algemene rechtsbeginselen niet tot taak heeft om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De intensiteit van de rechterlijke beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. De beoordeling kan materieel terughoudend zijn bij feitelijke of technische complexiteit van de materie of als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van belangen betreft, geldt dat de beoordeling intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindende voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.10. In de onderhavige zaak beschikt de regelgever, gelet op de in overweging 5. genoemde artikelen van de Wahv, over een ruime beslissingsruimte. Er geldt een maximum voor de hoogte van het vast te stellen sanctiebedrag, maar voor het overige zijn in de tekst van de wet geen beperkingen vastgelegd.11. Bij de vaststelling van de hoogte van het sanctiebedrag kunnen, zoals hier ook daadwerkelijk het geval is geweest, politiek-bestuurlijke afwegingen een rol spelen. Het gaat voorts om sanctiebedragen die in het algemeen niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in het leven van de betrokkenen. Dit brengt mee dat de intensiteit waarmee het hof dient te toetsen gering is."
13. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit 2023 blijkt dat de sanctietarieven zijn verhoogd met 8,6 procent en dat dit percentage is gebaseerd op de ontwikkeling van de consumentenprijsindex. Zoals in de Nota van Toelichting bij dit besluit wordt opgemerkt, bewerkstelligt indexering dat de strafmaat in relatieve zin ongewijzigd blijft. Ook de voorgaande jaren (2013 tot 2022) zijn de sanctietarieven slechts geïndexeerd. Bij Besluit van 15 december 2011 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften alsmede de bijlage bij het Besluit OM-afdoening onderscheidenlijk het Transactiebesluit 1994 in verband met onder meer een verhoging van de tarieven (hierna: Besluit 2012)is het sanctietarief voor de onderhavige gedraging verhoogd van
€ 180,- naar € 340,-. De onderhavige gedraging wordt genoemd in bijlage A bij dit besluit. Deze bijlage bevat een lijst met - volgens de regelgever - asociale en gevaarlijke gedragingen waarvoor de tarieven aanzienlijk zijn verhoogd. Over deze verhoging is in de Nota van Toelichting bij het Besluit 2012 het volgende opgemerkt:
“Alle tarieven zijn met vijftien procent verhoogd. In de behandeling van de begroting van het jaar 2011 was aangekondigd dat de verkeersboetes per 2012 met twintig procent zouden worden verhoogd (Kamerstukken II 2010/11 32 500 VI, nr. 2, blz. 9). Dit percentage is gematigd tot vijftien procent vanwege de hierna beschreven uitvoering die wordt gegeven aan de motie Van der Staaij c.s.
Voor een aantal asociale en gevaarlijke gedragingen zijn de tarieven verhoogd naar € 340,- per feit, een verhoging na indexering met ongeveer 55 procent. (…)
Met deze wijzigingen van de tarieven in de nieuwe bijlage bij de Wahv wordt uitvoering gegeven aan de motie Van der Staaij c.s., waarin de regering is verzocht om binnen het beschikbare budget niet te kiezen voor een algehele procentuele verhoging voor alle verkeersboetes, maar voor gerichte boeteverhogingen voor in het bijzonder grote verkeersovertredingen, waaronder snelheidsovertredingen in woonwijken, hufterigheid in het verkeer en recidive. Dit betekent dat de opgave onder andere was het zoeken naar een gerichte verhoging van de in de motie genoemde overtredingen, die leidt tot een opbrengst die overeenkomt met het in de begroting voor 2012 opgenomen bedrag voor de aanvankelijk voorgenomen tariefsverhoging met 20 procent. Een bijkomende voorwaarde was dat de gerichte verhoging voor de asociale gedragingen niet tot gevolg heeft dat de boetes voor deze gedragingen niet meer in verhouding staat tot de overige overtredingen. Dit voerde tot de conclusie dat naast forse, gerichte verhogingen voor specifieke gedragingen ook een algehele verhoging met 15 procent noodzakelijk is om binnen hetzelfde budgettaire kader te blijven. (…)
De wenselijkheid van de tariefsverhoging wordt ingegeven door de verwachting dat de verkeersdeelnemers zich hierdoor beter aan de regels zullen houden. Overtreders worden door zwaardere sanctionering immers geconfronteerd met hogere boetes, terwijl men deze kosten ook kan vermijden door de wet niet te overtreden. Het effect op de naleving wordt versterkt doordat het bij de Wahv gaat om overtredingen waarvoor de (gepercipieerde) pakkans relatief hoog is. Met deze verhoging wordt beoogd het niveau van de naleving van verkeersvoorschriften over de gehele linie te verbeteren. De verhoging van de tarieven in dit besluit wordt daarnaast ingegeven door het feit dat de financiële opbrengsten substantieel achterblijven bij de daarover opgestelde ramingen, terwijl het aantal verkeersovertredingen hoog blijft. Kennelijk zijn die sancties niet hoog genoeg om voldoende afschrikwekkend te zijn. Naast het nastreven van een strikte handhaving is dit een bijkomende reden om de sancties op te hogen. (…)
Bij deze verhoging van de Wahv-boetes wordt – net als bij de voorgaande verhogingen – rekening gehouden met het zogenoemde tarievenhuis. Het tarievenhuis vormt een uniform beoordelingskader voor de tarieven bij gedragingen uit de bijlage bij de Wahv en de tarieven die zijn vastgelegd in de beleidsregels van het openbaar ministerie, waaronder de tarieven voor de feiten in de bijlage bij het Besluit OM-afdoening en het Transactiebesluit 1994. Dit beoordelingskader zorgt ervoor dat er vaste verhoudingen bestaat tussen de sancties voor de verschillende strafbare gedragingen. Op basis van het afgewogen systeem van het tarievenhuis worden daarom per 1 januari 2012 alle tarieven gelijkelijk verhoogd. Naast de Wahv-boetes gaat dit om de tarieven die in de beleidsregels van het openbaar ministerie zijn vastgelegd voor de strafrechtelijke handhaving. Met de verhogingen in voorgaande jaren en deze verhoging wordt over de volle breedte van de rechtshandhaving strikter gehandhaafd. Zolang er nog sprake is van een aanzienlijk tekort wat betreft de naleving van de verkeersvoorschriften, mag verondersteld worden dat de hoogte van de boetes, ook na deze verhoging, in een redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de overtredingen.”
14. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt, zoals de belangen genoemd in artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994.
15. Uit de toelichting bij het Besluit 2012 blijkt dat de regelgever heeft beoordeeld of het nieuw vastgestelde sanctiebedrag nog evenredig is. Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat het door de regelgever vastgestelde sanctietarief, gelet op de in die toelichting genoemde redenen om dit (fors) te verhogen, niet in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging. De gerechtigde op de parkeerplaats moet erop kunnen vertrouwen dat hij ter plaatse kan parkeren. Het door de regelgever voor de onderhavige gedraging vastgestelde tarief mag daarom door de ambtenaar worden toegepast.
16. Beoordeeld dient vervolgens te worden of er aanleiding bestaat om in de onderhavige situatie, op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv, over te gaan tot matiging van het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie. Daarbij gaat het om de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht en de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert.
17. De betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat zij medewerkster is van het nabijgelegen verzorgingshuis en dat zij op dat moment bezig was een mindervalide bewoner uit de auto te begeleiden. Ook acht het hof aannemelijk dat het voertuig van de betrokkene daar niet langer dan een uur geparkeerd heeft gestaan. Onder deze omstandigheden kan de gedraging die door de betrokkene is verricht niet op één lijn worden gesteld met het hufterig gedrag waarop de regelgever het oog heeft gehad bij het vaststellen van het tarief voor deze gedraging. Het hof ziet in deze door de betrokkene aangevoerde redenen aanleiding het sanctiebedrag te matigen tot € 330,-.
18. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. Het hof zal, net als de kantonrechter, het gematigde sanctiebedrag vervolgens matigen met 25 procent in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 247,50.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Wijma en Orriëns-Schipper in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Staatsblad 2023, 53
ov. 6 van het arrest van het hof van 31 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4719.
Staatsblad 2011, 630.