ECLI:NL:GHSHE:2026:1441
Zusammenfassung
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
's-Hertogenbosch
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 24/292
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 januari 2024, nummer BRE 23/3398 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen op Zoom,
hierna: de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3..
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen belanghebbende. Voor de zitting heeft de heffingsambtenaar laten weten dat hij niet zal verschijnen.
1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
2.1.. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd, omdat diens auto met kenteken [kenteken] op 11 april 2023 omstreeks 16.37 uur stil stond aan [adres] te [woonplaats] . Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.2.. Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 69,25 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,20 en € 68,05 aan kosten van de naheffingsaanslag.
3. Geschil en conclusies van partijen
3.1.. Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de vraag of toepassing van de menselijke maat het opleggen van de naheffingsaanslag parkeerbelasting in het onderhavige geval verhindert.
3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.. Belanghebbende voert aan dat hij slechts voor een zeer korte periode heeft geparkeerd, omdat zijn kleindochter de hockeytas was vergeten en dat zij tot doel hadden tijdig bij de hockeytraining aanwezig te zijn. Belanghebbende is van mening dat, onder deze omstandigheden, toepassing van de menselijke maat noopt tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat er geen ruimte is geweest om de omstandigheden van zijn geval toe te kunnen lichten aan de heffingsambtenaar. Het hof begrijpt het betoog van belanghebbende als een beroep op het evenredigheidsbeginsel.
4.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende heeft geparkeerd op een locatie waar betaald parkeren geldt en dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan.
4.3.. Over de toepassing van evenredigheidsbeginsel bij het heffen van parkeerbelasting is door een rechtbank een vraag aan de Hoge Raad gesteld. De rechtbank wilde van de Hoge Raad weten of het bedrag van de kosten door de rechter mag worden verminderd, als de rechter tot het oordeel komt dat dit bedrag te hoog is in verhouding tot het verwijt dat iemand in een bepaald geval kan worden gemaakt door geen parkeerbelasting te betalen. De Hoge Raad heeft bij prejudiciële beslissing van 25 oktober 2024 als volgt geantwoord:
“5.6.1. Voor zover de Rechtbank met de vierde vraag wenst te vernemen in hoeverre de in die vraag bedoelde beoordeling van besluiten tot het naheffen van parkeerbelasting met kostenopslag in een individueel geval kan plaatsvinden door toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, overweegt de Hoge Raad als volgt.
5.6.2.. Zowel het besluit tot naheffing van verschuldigde parkeerbelasting die niet is voldaan, als het besluit om daarbij de aan het opleggen van de naheffingsaanslag verbonden kosten tot het wettelijke maximumbedrag in rekening te brengen, berust op een gebonden bevoegdheid die haar grondslag vindt in een wet in formele zin. Dergelijke besluiten kunnen slechts worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur voor zover zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Daarbij gaat het onder meer om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.
5.6.3.. Met het invoeren van de mogelijkheid voor gemeenten om bij de naheffing van parkeerbelasting tevens een vast, wettelijk gemaximeerd bedrag in rekening te brengen tot verhaal van de met die naheffing gemoeide kosten, heeft de wetgever beoogd de gemeenten in staat te stellen op een efficiënte en financieel verantwoorde wijze hun parkeerbeleid te realiseren.
5.6.4.. Zoals de Advocaat-Generaal uiteen heeft gezet in de onderdelen 13.55 en 13.57 van zijn conclusie, heeft de wetgever daarbij onder ogen gezien dat een besluit tot naheffing van parkeerbelasting met een kostenopslag en de omvang van het in rekening te brengen bedrag aan kosten niet afhankelijk zijn van de mate van verwijtbaarheid van de aan de naheffing ten grondslag liggende gedraging of van de overige omstandigheden van het geval. Buiten [bepaalde] situaties, waarin naheffing met kostenopslag niet is toegestaan, kan daarom niet worden gezegd dat in gevallen van ontbrekende of geringe verwijtbaarheid en in gevallen waarin het bedrag van de kostenopslag naar het oordeel van de rechter niet passend en geboden zou zijn, sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Het evenredigheidsbeginsel kan daarom in die gevallen niet tot gevolg hebben dat de heffingsambtenaar bij zijn besluitvorming de wettelijke regeling geheel of ten dele buiten toepassing moet laten.
5.6.5. […]. Voor zover vraag 4 tevens betrekking heeft op de toetsing van de naheffingsaanslag in de parkeerbelasting met de daaraan verbonden kosten aan het evenredigheidsbeginsel, moet vraag 4 aldus worden beantwoord dat deze toetsing […] niet aan de orde is in gevallen van ontbrekende of geringe verwijtbaarheid en evenmin in gevallen waarin het bedrag van de kostenopslag naar het oordeel van de rechter niet passend en geboden zou zijn.”
4.4.. Kort samengevat volgt uit het antwoord van de Hoge Raad dat de heffingsambtenaar noch de belastingrechter in het geval van belanghebbende kunnen toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.
4.5.. Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 3.6 van haar uitspraak juist heeft geoordeeld is niet van belang dat belanghebbende voor slechts korte duur heeft geparkeerd. Ook het gegeven dat belanghebbende - vanwege de haast om tijdig bij de training van zijn kleindochter te kunnen zijn - over het hoofd heeft gezien dat op de desbetreffende plek betaald parkeren geldt, kan hem niet baten. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de wet onder ogen gezien dat dit soort gevallen van geringe verwijtbaarheid er kunnen zijn, maar heeft gekozen om de gemeenten ook dan de mogelijkheid te geven tot het in rekening brengen van een vast (wettelijk gemaximeerd) bedrag. Het hof heeft dan geen ruimte om op grond van het evenredigheidsbeginsel de kosten, en daarmee de naheffingsaanslag, te verlagen.
4.6.. Het hof verenigt zich dan ook met de beslissing van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissing berust (rechtsoverwegingen 3.6 t/m 3.8) tot de zijne. Het hoger beroep is ongegrond.
Tussenconclusie
4.7.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.8.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.9.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 junim 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De raadsheer,
R.J.M. de Fouw J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
ECLI:NL:HR:2024:1535.