ECLI:NL:GHSHE:2026:1694
Zusammenfassung
Strafrecht
Uitspraak
's-Hertogenbosch
Parketnummer : 20-003327-24
Uitspraak : 1 juli 2026
TEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 13 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-268326-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
thans verblijvende in [penitentiaire inrichting] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘doodslag’ (feit 1) en ‘een lijk verbranden en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 14 jaren, met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn beide toegewezen tot een bedrag van € 52.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partijen zijn voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 3] beide integraal toegewezen tot een bedrag van € 17.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de verdachte ten slotte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op de datum van het vonnis begroot op nihil.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde (met uitzondering van de onder feit 1 meer subsidiair impliciet tenlastegelegde mishandeling) en het onder feit 2 tenlastegelegde, meer specifiek ‘het oogmerk de oorzaak van het overlijden te verhelen’. Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de omstandigheid dat enkel een deel van feit 1 meer subsidiair en feit 2 kan worden bewezen, de voorlopige hechtenis van de verdachte dient te worden opgeheven en de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen aan hem dienen te worden teruggegeven. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman ten slotte primair bepleit dat deze niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman de vorderingen, voor zover deze niet door de rechtbank zijn toegewezen, betwist. Indien het hof anders dan de rechtbank beslist en een groter gedeelte van de vorderingen zal toewijzen, heeft de raadsman het hof voorwaardelijk verzocht hem in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) op die vorderingen te reageren.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
In verband met de leesbaarheid van dit arrest, zal het hof hierna het slachtoffer [slachtoffer] ook aanduiden met haar voornaam [slachtoffer] .
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver, gemeente Beesel, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] een of meerdere malen tegen/op de keel en/of het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en/of stompen en/of verstikkend, samendrukkend en/of smorend geweld op en/of tegen de keel en/of hals en/of mond en/of neus van die [slachtoffer] toe te passen en/of met een scherp en/of puntig voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer] te steken, in ieder geval door geweld toe te passen op/tegen/aan het lichaam van die [slachtoffer] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver, gemeente Beesel, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] , zijnde de echtgenote van verdachte, tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging verdachte krachtens de wet of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, door geen adequate en/of tijdige medische hulp/verzorging in te schakelen en/of door lichamelijke verzorging te onthouden, immers,
- is hij, verdachte nadat die [slachtoffer] op de grond terecht is gekomen en/of bloedde uit haar neus/mond en/of schokkende bewegingen maakte met haar armen en/of benen en/of niet meer ademhaalde en/of niet meer bewoog, naar buiten gegaan, althans heeft verdachte de kamer waar die [slachtoffer] op de grond lag, verlaten, terwijl het feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks in de periode van 11 juni tot en met 15 juni te Reuver, gemeente Beesel, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar een of meerdere malen tegen/op de keel en/of het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en/of stompen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;
2. hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver en/of Münster-Sarsheim (Kreis Mainz-Bingen), althans in Nederland en/of Duitsland, het lijk van [slachtoffer] heeft verbrand en/of weggemaakt met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1. hij in de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver, gemeente Beesel, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door geweld toe te passen op/tegen/aan het lichaam van die [slachtoffer] ;
2. hij in de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 in Nederland en Duitsland het lijk van [slachtoffer] heeft verbrand en weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Bewijsoverwegingen
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd om de verdachte, naast het onder feit 2 tenlastegelegde, te weten het verbranden van het lijk met het oogmerk om het feit én de oorzaak van het overlijden te verhelen, ter zake van de onder feit 1 primair tenlastegelegde doodslag te veroordelen. De advocaat-generaal stelt zich voorts op het standpunt dat de aanwijzingen die zich in het dossier bevinden onvoldoende zijn om te komen tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad.
Standpunt verdediging
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken ter zake van het onder feit 1 tenlastegelegde – met uitzondering van de onder feit 1 meer subsidiair impliciet tenlastegelegde mishandeling – alsmede, zo begrijpt het hof, van het onder feit 2 tenlastegelegde, te weten het verbanden van het lijk met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota omschreven – in de kern het volgende aangevoerd. De verdachte heeft vanaf het eerste contact met de politie naar aanleiding van het overlijden van het slachtoffer telkens opnieuw verklaard dat er onenigheid was, hetgeen heeft geresulteerd in een handgemeen waarbij het slachtoffer de verdachte heeft gebeten en hem in het gezicht heeft gekrast. Het slachtoffer had op enig moment een mes in haar handen en er ontstond een korte worsteling, waarna de verdachte het slachtoffer op haar hals/keel/ergens in het aangezicht heeft geslagen. Het slachtoffer belandde op de grond, maar was nog aanspreekbaar. De verdachte heeft het huis verlaten en zich over zijn buiten spelende kinderen bekommerd. Bij terugkomst in de woning heeft hij geconstateerd dat het slachtoffer geen tekenen van leven meer vertoonde. De verdediging stelt zich aldus op het standpunt dat de verdachte het slachtoffer niet heeft gedood laat staan vermoord, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en achtergelaten of heeft mishandeld ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Er was geen enkel motief voor de verdachte om dit te doen en een overlijden veroorzaakt door geweld van de zijde van verdachte kan op grond van het procesdossier niet worden vastgesteld. Alle onderzoeken hebben geen bewijs opgeleverd voor een gewelddadige dood van [slachtoffer] : zo zijn er geen bloedsporen gevonden. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat het slachtoffer spontaan is overleden door een lichamelijk defect dat niet eerder opgespeeld heeft of dat niet eerder is opgemerkt, zoals spontaan hartfalen of ademnood.
Ten slotte is er geen enkele redenen om aan te nemen dat er een vorm van geweld is geweest waarbij sprake was van voorbedachten rade.
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijs is dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] heeft weggemaakt teneinde de oorzaak van het overlijden te verhelen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).
Het hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af:
Sinds 24 mei 2022 was het slachtoffer, [slachtoffer] , in het bezit van haar Nederlandse paspoort (bewijsmiddel 8); Zodra zij genaturaliseerd zou zijn, wilde zij [verdachte] verlaten (bewijsmiddelen 14 en 15);
De broer van [slachtoffer] , [getuige 1] , heeft op 16 augustus 2022 – toen [slachtoffer] al wel was vermist, maar haar lichaam nog niet als zodanig was geïdentificeerd – verklaard dat [slachtoffer] tegen hem had gezegd dat de verdachte haar zou vermoorden als zij bij hem weg zou gaan en dat hij iets over haar heen zou gooien, zodat niemand haar ooit kon vinden (bewijsmiddel 9);
Op 8 augustus 2023 (bewijsmiddel 11) heeft [getuige 1] verklaard dat [slachtoffer] , de verdachte en de kinderen vanaf 22 april 2022, met de Ramadan, ca. 18 dagen in Tunesië waren. De sfeer was toen erg gespannen omdat de verdachte met niemand wilde praten en steeds schreeuwde. Door de familie is tegen [slachtoffer] gezegd dat zij niet meer terug moest gaan naar Nederland. [getuige 1] heeft tijdens het verhoor van 8 augustus 2023 herhaald hetgeen hij reeds een jaar eerder verklaarde, namelijk dat de verdachte tegen [slachtoffer] zou hebben gezegd dat hij een vloeistof – iets wat brandend is – over haar heen zou gooien;
De verdachte heeft – in de periode dat hij nog op werk kwam en, zo begrijpt het hof, aldus voorafgaand aan het weekend van 11 en 12 juni 2022 – aan een collega, [getuige 2] , verteld dat hij door hem gemaakte opnames van [slachtoffer] had beluisterd en hoorde dat zij had gezegd dat zij hem zou verlaten zodra zij genaturaliseerd zou zijn en dat hij het niet zou toelaten dat zij daarvan zou kunnen genieten. Eveneens heeft de verdachte tegen diezelfde collega verteld dat degene die haar man verraad, de doodstraf krijgt. De verdachte was volgens [getuige 2] de laatste keer toen hij terugkwam van vakantie (het hof begrijpt: na het vieren van de Ramadan in Tunesië vanaf 22 april 2022) heel boos en verdrietig richting [slachtoffer] . Hij liet [getuige 2] weten dat hij ‘een einde ging maken’. [getuige 2] zag aan zijn gezichtsuitdrukking dat hij iets ging doen (bewijsmiddel 14);
Nog voordat het lichaam van [slachtoffer] werd geïdentificeerd en [betrokkene 1] , vriend van de verdachte en buurman van de familie van [slachtoffer] , op de hoogte raakte van wat de verdachte met het lichaam van [slachtoffer] had gedaan, heeft [betrokkene 1] in een telefoongesprek op 14 augustus 2022 tegen de verdachte gezegd: “Je vertelde me, [verdachte] : “Als ze haar papieren krijgt, zal ik iets ongelofelijks doen”” en “Je vertelde: “Als zij de papieren krijgt, dan zul je wel zien wat ik zal doen (bewijsmiddel 15)”. De verdachte had dit tegen [betrokkene 1] gezegd tijdens het verblijf in Tunesië tijdens de Ramadan (bewijsmiddel 11);
De verdachte heeft op 11 juni 2022 voor € 20,00 aan benzine getankt en heeft op 12 juni 2022 om 16:30 uur, toen [slachtoffer] nog in leven was, bij de Lidl in Reuver een aansteker en vuilniszakken van 240 liter gekocht (bewijsmiddelen 17 en 18);
Op 12 juni 2022 na 16:30 uur heeft verdachte geweld jegens [slachtoffer] uitgeoefend (bewijsmiddel 18);
Op 12 juni 2022 heeft de verdachte nadat [slachtoffer] was overleden haar lichaam achter de bank in de woonkamer gelegd. Naderhand heeft hij de op 12 juni 2022 gekochte vuilniszakken gebruikt om [slachtoffer] in te pakken en heeft hij het lichaam vervolgens gewikkeld in het tapijt van de woonkamer en op de achterbank van zijn BMW gelegd (bewijsmiddelen 17 en 18);
Op 14 juni 2022 heeft de verdachte zijn kinderen om 17:25 uur bij [getuige 3] ondergebracht en is daarna direct doorgereden naar Duitsland, omdat naar zijn zeggen Duitsland groot is en het makkelijker zou zijn het lichaam daar in het donker te verstoppen. De verdachte had benzine bij zich (bewijsmiddelen 18, 19 en 20);
In de nacht van 14 op 15 juni 2022 heeft de verdachte het lichaam van [slachtoffer] onder een viaduct in Duitsland, ongeveer 240 kilometer verwijderd van zijn woonplaats, na het tapijt om haar lichaam te hebben verwijderd, overgoten met benzine uit een jerrycan en het vervolgens met een aansteker in brand gestoken (bewijsmiddel 18);
Op 15 juni 2022 om 01:43 uur treft de Duitse politie onder een brug van de A61 bij Münster-Sarmsheim een brandend menselijk lichaam aan (bewijsmiddel 1);
Na de dood van [slachtoffer] zet de verdachte een dwaalspoor uit waarbij hij doet voorkomen alsof [slachtoffer] nog in leven is, een slechte moeder en vrouw was, en vrijwillig is vertrokken: zo doet de verdachte op 19 juni 2022 aangifte van vermissing van zijn vrouw [slachtoffer] . In dat kader vertelde de verdachte dat hij het vermoeden had dat zijn vrouw hem voor een andere man had verlaten, zij zou hebben gewacht totdat zij haar Nederlandse paspoort had ontvangen en dat zij al haar zomerkleding, gouden sieraden en 28.300,00 euro aan cashgeld zou hebben meegenomen. Op 19 juni 2022 en 6 juli 2022 neemt de verdachte uit naam van [slachtoffer] contact op met de familie van [slachtoffer] door hen uit eerdere opnames geconstrueerde spraakberichten te sturen om het te laten lijken dat ze nog leeft en hem heeft verlaten. Met datzelfde doel stuurt hij berichten vanuit zijn eigen telefoon naar de Huawei van [slachtoffer] , waarin hij bericht dat hij contact met haar wil, wil praten, van haar houdt en haar mist. Op 25 augustus 2022 doet de verdachte een valse aangifte van diefstal jegens [slachtoffer] . Hij levert die dag ook een USB-stick aan bij de politie waarop te horen zou zijn dat [slachtoffer] haar kinderen zou mishandelen. (bewijsmiddelen 9,17, 21, 22, 23, 24, 25 en 26);
Op 7 oktober 2022 wordt het lichaam van [slachtoffer] geïdentificeerd (bewijsmiddel 1);
Uit de rapportages van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] , het huisartsenjournaal betreffende het slachtoffer, en de getuigenissen van de broer van [slachtoffer] en drie vrouwen die haar hebben gekend volgt dat [slachtoffer] voorafgaande aan haar overlijden een gezonde vrouw was, zonder (noemenswaardige) lichamelijke klachten, een concrete doodsoorzaak niet kon worden vastgesteld, een levensdelict in geen geval kan worden uitgesloten ( [deskundige 1] ), en dat het overlijden van [slachtoffer] waarschijnlijker is als gevolg van een niet-ziekelijke oorzaak dan gegeven een ziekelijke oorzaak en waarschijnlijker is als gevolg van een traumatische oorzaak dan gegeven een niet-traumatische oorzaak ( [deskundige 2] ) (bewijsmiddelen 2, 3, 4, 6, 7 en 10).
Het hof leidt uit vorenstaande feiten en omstandigheden af dat de verdachte rond de vakantie in Tunesië, ergens in eind april/mei 2022, toen de verdachte duidelijk was dat zijn vrouw [slachtoffer] hem na de verkrijging van haar paspoort zou willen verlaten, het plan heeft opgevat om haar na terugkomst in Nederland van het leven te beroven en te zorgen dat haar lichaam niet meer zou worden teruggevonden, en dat hij vervolgens vanaf 11 juni 2022 uitvoering heeft gegeven aan dat plan, inclusief het opzetten van een dwaalspoor om de verdwijning van [slachtoffer] in een hem ontlastend kader te plaatsen.
Bij de weging en waardering van de omstandigheden, ter beantwoording van de vraag of er sprake is van voorbedachte raad in onderhavige zaak, stuit het hof enkel op aanwijzingen en bewijsmiddelen die buiten redelijke twijfel de conclusie onontkoombaar maken dat de verdachte het plan heeft opgevat [slachtoffer] van het leven te beroven en daaraan uitvoering heeft gegeven, terwijl aanwijzingen van enig gewicht dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling volledig ontbreken. Dat maakt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord, het aan hem onder feit 1 primair tenlastegelegde.
Bespreking verweren verdediging
Anders dan de raadsman betoogt, is er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat het gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 1] op 14 augustus 2022 erop was gericht verdenkingen van de familie te onderbouwen, en – zo begrijpt het hof – dit gesprek als ongeloofwaardig te betitelen. Dit gelet op de context die de broer van [slachtoffer] (in bewijsmiddel 11) schetst van dit gesprek en het feit dat een collega van de verdachte omstreeks diezelfde tijd voor de vermissing van [slachtoffer] soortgelijke uitspraken uit de mond van de verdachte heeft opgevangen (bewijsmiddel 14).
Dat de verdachte de vuilniszakken, aansteker en benzine had gekocht voor het reguliere huishouden, zoals de verdediging stelt, acht het hof ongeloofwaardig, gelet op het feit dat de verdachte deze middelen kort voor de levensberoving aanschaft en daarvan bijna onmiddellijk daarna gebruik maakt. Het aanschaffen van benzine, een aansteker en zeer grote vuilniszakken op 11 en 12 juni 2022, op momenten dat [slachtoffer] nog in leven is, en het aanwenden hiervan in de daarop volgende gebeurtenissen kunnen niet anders dan ter uitvoering van het eerder opgevatte plan worden geduid.
De verdediging stelt zich verder op het standpunt dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] spontaan is overleden door een lichamelijk defect dat niet eerder opgespeeld heeft of dat niet eerder is opgemerkt, zoals spontaan hartfalen of, zoals verdachte heeft verklaard, ademnood. De verdachte heeft – samengevat – immers verklaard dat hij en [slachtoffer] op 12 juni 2022 in een worsteling zijn geraakt, waarbij hij haar op enig moment tegen haar neus/mond/hals/keel heeft geslagen. [slachtoffer] zou daarna, omdat zij last had van ademhalingsproblemen, tegen de bank aan in elkaar zijn gezakt, waar zij schokkende bewegingen maakte met haar armen en benen. Zij bood vervolgens haar excuses aan en zei dat ze naar de verdachte zou luisteren. De verdachte is hierna met zijn kinderen een ijsje gaan halen. Toen hij terugkwam, was [slachtoffer] dood. De verdachte stelt dat [slachtoffer] is overleden aan ademhalingsproblemen, astma dan wel hyperventilatieproblemen. De verdachte heeft geen geweld gebruikt jegens zijn vrouw dat de dood ten gevolge heeft gehad. Alle forensische onderzoeken hebben hiervoor geen bewijs opgeleverd, aldus de raadsman. Zo zijn geen bloedsporen gevonden.
Hoe (met welk geweld) de verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, is niet komen vast te staan. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer] enkel tegen haar neus/mond/keel heeft geslagen en dat zij zou zijn overleden aan ademhalingsproblemen, astma dan wel hyperventilatieproblemen, evenwel volstrekt ongeloofwaardig. Niet alleen volgt uit de bewijsmiddelen dat zij niet bekend was met dergelijke problemen. Bovendien geldt dat eventuele hyperventilatieproblemen volgens de deskundigen niet tot de dood hebben kunnen leiden. Ook het standpunt van de verdediging hieromtrent volgt het hof niet. Hoewel een concrete doodsoorzaak, door de verbranding van het stoffelijk overschot, niet kon worden vastgesteld, volgt uit de deskundigenrapportages wel dat er op grond van de bevindingen van de autopsie, waarbij de belangrijke organen nog voldoende intact waren om te onderzoeken, geen ziekelijke oorzaak kan worden aangetoond die van belang zou kunnen zijn geweest voor het overlijden. Een dergelijke ziekelijke oorzaak kan eveneens niet op grond van het medische dossier van [slachtoffer] worden geconcludeerd. Daar komt bij dat [slachtoffer] ten tijde van haar overlijden slechts 35 jaar oud was. Een dergelijk door de verdediging gesteld spontaan overlijden betreft derhalve een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Het hof is aldus van oordeel dat, gelet op de rapportages van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] alsmede de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, het niet anders kan zijn dan dat de verdachte [slachtoffer] in hun woning opzettelijk (vol opzet) om het leven heeft gebracht door geweld toe te passen op/tegen/aan haar lichaam, teneinde aan zijn plan om haar te doden, uitvoering te geven.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang volgt tevens genoegzaam dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] heeft verbrand en weggemaakt, niet alleen met het oogmerk om het feit van het overlijden, maar tevens om de oorzaak daarvan te verhelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Het hof verwerpt mitsdien de door de verdediging gevoerde verweren in al hun onderdelen. Al hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
De verdediging heeft ten slotte nog een voorwaardelijk verzoek gedaan: indien het hof van oordeel is dat de rapportages van [deskundige 2] een andere conclusie rechtvaardigen dan die van [deskundige 1] , wenst de verdediging laatstgenoemde te horen over het verschil. Het hof wijst dit verzoek af. Beide deskundigen komen tot de conclusie dat inwerking van mechanisch geweld/wurgen/smoren als doodsoorzaak en daarmee een levensdelict niet kan worden uitgesloten terwijl postmortale computertomografie / forensische obductie / uitgebreid macroscopisch en lichtmicroscopisch onderzoek van de organen geen ziekelijke doodsoorzaak hebben aangetoond en [deskundige 2] is wat explicieter, door te overwegen dat de belangrijke organen nog goed genoeg te onderzoeken waren; dat op grond van het haar ter beschikking gestelde medische dossier er geen ziekelijke afwijking was die van belang kon zijn voor het overlijden, en dat ook uit het verrichte toxicologische onderzoek geen toxicologische oorzaak van/bijdrage aan het overlijden is gebleken. Aldus komt zij tot de door haar gedane weging van de twee hypothesen die alleen aan haar zijn voorgelegd. Voor zover de verdediging de deskundigheid van [deskundige 2] in twijfel trekt: het hof heeft geen enkele aanleiding hieraan te twijfelen gelet op haar registratie en lange staat van dienst. Ook overigens ziet het hof voor de beantwoording van de vragen van 348 en 350 Wetboek van Strafvordering geen noodzaak om [deskundige 1] nader te horen, mede in het licht van de overige bewijsmiddelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
moord.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
een lijk verbranden en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Het hof heeft kennisgenomen van het de verdachte betreffende psychiatrisch en psychologisch onderzoek Pro Justitia van respectievelijk 20 april 2023 en 18 april 2023. Daaruit komt samengevat als conclusie naar voren dat bij de verdachte geen sprake is van een psychische stoornis, verstandelijke handicap en/of psychogeriatrische aandoening en dat de tenlastegelegde feiten hem volledig kunnen worden toegerekend.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis van de rechtbank te bevestigen en derhalve aan de verdachte ter zake van de onder feit 1 tenlastegelegde doodslag en het onder feit 2 tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren op te leggen.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat enkel het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, de verdachte de maximumstraf voor dat feit reeds heeft uitgezeten en de voorlopige hechtenis derhalve dient te worden opgeheven. Voor het overige heeft de raadsman geen straftoemetingsverweer gevoerd.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op zijn partner [slachtoffer] . De verdachte heeft [slachtoffer] ergens in de periode van 11 juni 2022 tot 15 juni 2022 met voorbedachten rade om het leven gebracht. Met deze daad heeft de verdachte [slachtoffer] het meest kostbare dat een mens bezit, namelijk het recht op leven, ontnomen.
Nadat dat de verdachte [slachtoffer] om het leven had gebracht, heeft hij haar lichaam achter het bankstel in de woonkamer van hun woning, waar op dat moment ook hun zoontjes van 4 en 6 woonachtig waren, verborgen gehouden. Enkele dagen na het overlijden begon het lichaam van [slachtoffer] te ontbinden, waarna de verdachte het lichaam heeft ingepakt in vuilniszakken, vervolgens in een tapijt heeft gerold en op de achterbank van zijn auto heeft gelegd. Met zijn twee zoontjes op de bijrijdersstoel rijdt hij het lichaam onder andere van en naar school. Uiteindelijk rijdt de verdachte ongeveer 240 kilometer met het lichaam van [slachtoffer] en dumpt haar lichaam midden in de nacht onder een viaduct in Duitsland, waarna hij benzine over het lichaam gooit, het vervolgens in brand steekt en vertrekt. Haar lichaam wordt diezelfde nacht nog gevonden, maar pas maanden later, in oktober 2022, geïdentificeerd.
In de maanden na het verbranden van haar lichaam doet de verdachte alsof [slachtoffer] vrijwillig is vertrokken en geeft haar als vermist op bij de politie. Hij schetst tegenover de politie een beeld van een vrouw die haar kinderen mishandelde, haar gezin zou hebben verlaten voor een andere man en daarbij een groot geldbedrag en goud zou hebben meegenomen. De verdachte doet daarvan zelfs valse aangifte bij de politie en levert de politie meerdere geluidsbestanden aan om zijn leugens kracht bij te zetten. Tegenover de familie van [slachtoffer] doet de verdachte, door het sturen van spraakberichten van [slachtoffer] , het voorkomen dat [slachtoffer] zelf is weggegaan en nog in leven is. Aan de kinderen vertelde de verdachte dat mama zou zijn vertrokken naar Tunesië. Het hof acht dit handelen van de verdachte bijzonder kwalijk: niet alleen ontnam hij [slachtoffer] het leven, maar daarna bezoedelde hij ook nog haar reputatie om zelf vrijuit te kunnen gaan.
De verdachte heeft het leven van een jonge vrouw beëindigd en daarmee onherstelbaar leed en onomkeerbaar verlies toegebracht aan de twee zoontjes en familie van het slachtoffer. Dit blijkt ook uit de door de broer en zus van het slachtoffer ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen. De verdachte heeft de nabestaanden van [slachtoffer] bovendien – door de wijze waarop hij met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is omgegaan – de mogelijkheid ontnomen om op een waardige wijze afscheid van [slachtoffer] te nemen.
De verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] ontkend, waardoor tot op heden onduidelijk is gebleven wat zich tussen de verdachte en [slachtoffer] heeft afgespeeld en wat heeft geleid tot haar dood. Dit heeft de verwerking van het verlies van [slachtoffer] en van de feiten die jegens haar zijn gepleegd voor de nabestaanden extra bemoeilijkt, temeer nu [slachtoffer] in de periode voor haar overlijden regelmatig aan haar familie liet weten bang te zijn voor de verdachte en te vrezen voor haar leven. De nabestaanden zullen in onzekerheid achterblijven met vragen over wat [slachtoffer] precies is overkomen en wat zij in de laatste momenten van haar leven heeft doorgemaakt. De verdachte heeft hiermee onnodig extra leed bij de nabestaanden veroorzaakt. De verdachte heeft geen enkel berouw getoond. Het hof realiseert zich dat geen straf ooit recht zal kunnen doen aan het persoonlijk leed van de nabestaanden.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste delicten die het Nederlandse Wetboek van Strafrecht kent. Het opzettelijk en met voorbedachte raad benemen van iemands leven is immers de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven. Dit blijkt ook uit de strafbedreiging die op het delict moord is gesteld, te weten een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren. Reeds hierom kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van zeer lange duur met zich brengt. Nu het hof anders dan de advocaat-generaal van oordeel is dat moord in plaats van doodslag bewezen dient te worden verklaard, doet de door advocaat-generaal gevorderde straf naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde zoals hiervoor uiteengezet.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof evenwel het navolgende.
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Het hof gaat in dit geval uit van een termijn van 16 maanden per instantie, nu de verdachte het gehele proces in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof stelt in de onderhavige zaak vast dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden (in eerste aanleg met bijna 10 maanden en in hoger beroep met ongeveer 2,5 maand), terwijl geen bijzondere omstandigheden aanwezig worden geacht die deze overschrijdingen rechtvaardigen. Er is dan ook in twee instanties sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het hof is van oordeel dat dit dient te worden verdisconteerd in de strafoplegging.
Zonder schending van de redelijke termijn zou, zoals hiervoor door het hof is overwogen, een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren, met aftrek van voorarrest, passend zijn geweest. Nu evenwel de redelijke termijn in twee instanties is geschonden, zal worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Met betrekking tot de op de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen 6 tot en met 20, in het dictum nader omschreven, is het hof van oordeel dat deze dienen te worden teruggegeven aan de verdachte, nu is gebleken dat die voorwerpen aan de verdachte toebehoren en het belang van strafvordering zich tegen teruggave hiervan niet verzet.
Het hof is voorts van oordeel dat van de op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen voorwerpen 22 tot en met 35, in het dictum nader omschreven, niet genoegzaam is komen vast te staan wie in juridische zin als rechthebbende(n) kan/kunnen worden aangemerkt. Het hof zal derhalve ten aanzien van deze voorwerpen de bewaring daarvan ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] (zoon van [slachtoffer] ) heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 206.155,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende posten:
€ 50.000,00 aan materiële schade (shockschade);
€ 76.538,00 (primair) aan gederfd levensonderhoud in natura, € 40.580,00 (subsidiair);
€ 2.117,50 (primair) aan kosten Laumen expertise, € 1.058,75 (subsidiair);
€ 25.000,00 aan immateriële schade (shockschade);
€ 32.500,00 aan immateriële schade (aantasting in persoon);
€ 20.000,00 aan affectieschade
Bij vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 52.500,00 (posten v. en vi.) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.
De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Namens de benadeelde partij is verzocht op dit moment een bedrag van € 131.155,50 (posten ii., iii. (primair), v. en vi.) toe te wijzen en het overige deel van de vordering vooralsnog niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien dat deel van de vordering op dit moment niet is onderbouwd.
De raadsman van de verdachte heeft het hof, indien het hof anders dan de rechtbank beslist en een groter gedeelte van de vordering zal toewijzen, verzocht hem in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) op de vordering te reageren.
Het hof overweegt als volgt.
Posten i. en iv.
In overeenstemming met hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd, zal het hof de vordering voor zover deze ziet op de posten i. en iv. niet-ontvankelijk verklaren.
Post ii en iii.
Ten aanzien van post ii. kan het hof op grond van de namens de benadeelde partij overgelegde stukken niet vaststellen of er door de benadeelde partij gederfd levensonderhoud in natura, zoals bedoeld in artikel 6:108, eerste lid, onder d, BW, is of zal worden geleden. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren en zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Het hof stelt vast dat voor de berekening van het gederfde levensonderhoud (post ii.) een rekenkundig bureau is ingeschakeld (post iii.). Hoewel het hof van oordeel is dat onderzoek naar post ii. een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, betekent daarmee niet dat de kosten onder post iii. ten onrechte zijn gemaakt in het kader van de vaststelling van de geleden schade. Het hof zal die post derhalve voor het subsidiaire bedrag, te weten
€ 1.058,75, toewijzen, zodat aan ieder van de kinderen de helft van het bedrag van de totale factuur van € 2.117,50 wordt toegekend. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024.
Het verzoek van de raadsman om hem in de gelegenheid te stellen op deze toewijzing schriftelijk te reageren, wijst het hof af. De raadsman heeft terzake van deze vordering ter zitting in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt hierover te bepalen.
Post v.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.
Het hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof overweegt dat de benadeelde partij door toedoen van de verdachte, zijn vader, op een gruwelijke wijze zijn moeder heeft verloren. Het handelen van de verdachte heeft onomkeerbare gevolgen voor de benadeelde partij. Hiermee is de benadeelde partij niet alleen zijn moeder kwijtgeraakt, maar is ook zijn relatie met zijn vader ingrijpend veranderd. De benadeelde partij is samen met zijn broertje sinds de aanhouding van de verdachte meermalen verhuisd en van school gewisseld. Tevens zijn de benadeelde partij en zijn broertje door de verdachte in onwetendheid gelaten over het lot van hun moeder en hebben zij geen afscheid van haar kunnen nemen. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. Het hof acht het billijk deze immateriële schade te begroten op het gevorderde bedrag van € 32.500,00.
Post vi.
Artikel 6:108 BW geeft een regeling voor schadevergoeding die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.
Op 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.
De kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg/stief)ouders en -kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Voor de toekenning van affectieschade gelden de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij, een kind van het overleden slachtoffer, tot de kring van gerechtigden behoort. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof derhalve worden toegewezen.
De totaal toe te wijzen immateriële schade (posten v. en vi.), te weten € 52.500,00, zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.
Proceskosten
De verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 217.451,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende posten:
€ 50.000,00 aan materiële schade (shockschade);
€ 87.834,00 (primair) aan gederfd levensonderhoud in natura, € 46.569,00 (subsidiair);
€ 2.117,50 (primair) aan kosten Laumen expertise, € 1.058,75 (subsidiair);
€ 25.000,00 aan immateriële schade (shockschade);
€ 32.500,00 aan immateriële schade (aantasting in persoon);
€ 20.000,00 aan affectieschade
Bij vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 52.500,00 aan immateriële schade (posten v. en vi.), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.
De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Namens de benadeelde partij is verzocht op dit moment een bedrag van € 142.451,50 (posten ii., iii. (primair), v. en vi.) toe te wijzen en het overige deel van de vordering vooralsnog niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien dat deel van de vordering op dit moment niet is onderbouwd.
De raadsman van de verdachte heeft het hof, indien het hof anders dan de rechtbank beslist en een groter gedeelte van de vordering zal toewijzen, verzocht hem in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) op de vordering te reageren.
Het hof overweegt als volgt.
Posten i. en iv.
In overeenstemming met hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd, zal het hof de vordering voor zover deze ziet op de posten i. en iv. niet-ontvankelijk verklaren.
Post ii en iii.
Ten aanzien van post ii. kan het hof op grond van de namens de benadeelde partij overgelegde stukken niet vaststellen of er door de benadeelde partij gederfd levensonderhoud in natura, zoals bedoeld in artikel 6:108, eerste lid, onder d, BW, is of zal worden geleden. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren en zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Het hof stelt vast dat voor de berekening van het gederfde levensonderhoud (post ii.) een rekenkundig bureau is ingeschakeld (post iii.). Hoewel het hof van oordeel is dat onderzoek naar post ii. een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, betekent daarmee niet dat de kosten onder post iii. ten onrechte zijn gemaakt in het kader van de vaststelling van de geleden schade. Het hof zal die post derhalve voor het subsidiaire bedrag, te weten € 1.058,75, toewijzen, zodat aan ieder van de kinderen de helft van het bedrag van de totale factuur van € 2.117,50 wordt toegekend. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024.
Het verzoek van de raadsman om hem in de gelegenheid te stellen op deze toewijzing schriftelijk te reageren, wijst het hof af. De raadsman heeft terzake van deze vordering ter zitting in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt hierover te bepalen.
Post v.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en onder b BW heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.
Het hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof overweegt dat de benadeelde partij door toedoen van de verdachte, zijn vader, op gruwelijke wijze zijn moeder heeft verloren. Het handelen van de verdachte heeft onomkeerbare gevolgen voor de benadeelde partij. Hiermee is de benadeelde partij niet alleen zijn moeder kwijtgeraakt, maar is ook zijn relatie met zijn vader ingrijpend veranderd. De benadeelde partij is samen met zijn broertje sinds de aanhouding van de verdachte meermalen verhuisd en van school gewisseld. Tevens zijn de benadeelde partij en zijn broertje door de verdachte in onwetendheid gelaten over het lot van hun moeder en hebben zij geen afscheid van haar kunnen nemen. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Het hof acht het billijk deze immateriële schade te begroten op het gevorderde bedrag van € 32.500,00.
Post vi.
Artikel 6:108 BW geeft een regeling voor schadevergoeding die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.
Op 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.
De kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg/stief)ouders en -kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Voor de toekenning van affectieschade gelden de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij, een kind van het overleden slachtoffer, tot de kring van gerechtigden behoort. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof derhalve worden toegewezen.
De totaal toe te wijzen immateriële schade (posten v. en vi.),te weten € 52.500,00, zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.
Proceskosten
De verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.
Vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3]
De benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3] hebben in eerste aanleg ieder een aparte vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vorderingen zijn bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 6:108 BW geeft een regeling voor schade die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.
Op 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.
De kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg/stief)ouders en -kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Voor de toekenning van affectieschade gelden de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade.
Met de rechtbank stelt het hof vast dat de benadeelde partijen, de vader ( [benadeelde 4] ) en moeder ( [benadeelde 3] ) van het overleden slachtoffer, tot de kring van gerechtigden behoren. Het door hen gevorderde bedrag van € 17.500,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Het hof zal dit bedrag derhalve aan ieder van de benadeelde partijen toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.
Proceskosten
De verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.
Algemene overwegingen schadevergoedingsmaatregel en gijzeling
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] , nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat gijzeling zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft. Het hof heeft acht geslagen op de artikelen 36f, vijfde lid, en 60a van het Wetboek van Strafrecht. Daaruit volgt dat de totale duur van de gijzeling maximaal een jaar betreft. Het hof zal dit maximale aantal dagen gijzeling, te weten 365 dagen, op de navolgende wijze evenredig verdelen over de maatregelen van de toegewezen vorderingen, nu het totale aantal dagen gijzeling zonder toepassing van dit maximum boven 365 dagen zou uitstijgen:
Ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] : 137 dagen gijzeling
Ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] : 137 dagen gijzeling
Ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] : 46 dagen gijzeling
Ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] : 45 dagen gijzeling
De schadevergoedingsmaatregel en het aantal dagen gijzeling zullen nader worden genoemd in het dictum.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 60a, 151 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van21 (eenentwintig) jaren en 6 (zes) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
6. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549166, rood, merk: hoody met opschrift);
7. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549167, blauw);
8. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549169, zwart);
9. 2 STK Schoenen (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549170, wit, merk: onbekend sport);
10. 2 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549172, bruin);
11. 1 STK GSM (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549183, blauw, merk: Samsung);
12. 1 STK Sleutelbos (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549194);
13. 1 STK Schoenen (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562584, wit);
14. 1 STK Schoenen (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562587, wit);
15. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562599);
16. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562600, zwart);
17. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562601, rood);
18. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562603, blauw);
19. 1 STK Kleiding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562604, blauw, merk: Springfield);
20. 2 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562608, zwart);
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
22. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758357, goud);
23. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758360, goud);
24. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758361, goud);
25. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758358, goud);
26. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758347, goud);
27. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758346, goud);
28. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758340, goud);
29. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758342, goud);
30. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758349, goud);
31. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758351, goud);
32. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758354, goud);
33. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758362, goud);
34. ,1 EUR (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_741378, ibn 19-10-22);
35. 7,75 EUR (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_741443, ibn 19-10-22);
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de vordering tot schadevergoeding voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt, voor zover de vordering ziet op het gederfde levensonderhoud in natura, dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 137 (honderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
20 augustus 2024 en van de immateriële schade op 15 juni 2022;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt, voor zover de vordering ziet op het gederfde levensonderhoud in natura, dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 137 (honderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
20 augustus 2024 en van de immateriële schade op 15 juni 2022;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 46 (zesenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 juni 2022;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 45 (vijfenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 juni 2022.
Aldus gewezen door:
mr. C.M. Hilverda, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,
en op 1 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.