ECLI:NL:HR:1993:ZC9346
Zusammenfassung
Strafrecht
Uitspraak
Den Haag
27 april 1993
Strafkamer
nr. 94.300
AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 juni 1992 in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1933, wonende te[woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 8 mei 1990 - de inleidende dagvaarding nietig verklaard ten aanzien van het onder II telastegelegde voor zover dit betreft de zinsnede: "5. diverse derden (circa 14.890)" en de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder I en IV telastegelegde en hem voorts ter zake van II. "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" en III. "valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.
2. Het cassatieberoep
Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de hiervoor onder 1 vermelde nietigverklaring van de dagvaarding en tegen de gegeven vrijspraken, is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. A.C. Dekker, advocaat te Hoorn, de volgende middelen van cassatie voorgesteld:
I Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordien het Hof met voorbijgaan van artikel 6 van het Verdrag van Rome geen acht geslagen heeft op het feit dat tussen de berechting in eerste instantie voor de Rechtbank Alkmaar en berechting bij het Gerechtshof een onwenselijk lange periode is verstreken. Met name heeft het Gerechtshof hiermede bij het bepalen van de strafmaat kennelijk geen rekening gehouden.
Toelichting.
Het vonnis van de Rechtbank Alkmaar is gewezen op 8 mei 1990. Aanvankelijk zou de berechting volgende op het zowel door de verdachte als door de Officier ingestelde hoger beroep plaatsvinden op vrijdag 20 maart 1992. Gelet op het feit dat er geen instructie in de zaak meer diende plaats te vinden, kan hier volgens vaste rechtspraak gesproken worden. over een onwenselijk lange periode, die meegewogen moet worden bij het bepalen van de strafmaat. Het Hof heeft dit kennelijk verzuimd.
II Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, in het bijzonder artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering, doordien het Hof in zijn Arrest de ten laste gelegde feiten II en III bewezen heeft verklaard zonder dat enig bewijsmiddel voor handen was waaruit blijkt dat de delicten begaan zijn op de plaatsen als bewezen verklaard, meer speciaal dat het Hof bewezen verklaard heeft dat de delicten begaan zouden zijn te Alkmaar en te Amsterdam, terwijl zulks niet het geval kan zijn.
Toelichting.
Weliswaar zijn diverse formulieren toegestuurd naar adressen te Alkmaar en te Amsterdam, maar de delicten kunnen uitsluitend begaan zijn op de adressen waar de administratie gevoerd werd, in dit geval te [woonplaats]. Met name kan het gebruik maken van enig valselijk opgemaakt geschrift nimmer geschied zijn te Amsterdam.
III Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordien het Hof kennelijk acht geslagen heeft op stukken die zich in het dossier van het Gerechtshof bevonden, terwijl die stukken niet op voorhand waren toegestuurd aan de verdachte, zodat de verdachte zich op deze stukken, die mede bepalend hebben kunnen zijn voor de strafmaat niet heeft kunnen verweren.
Toelichting
Tijdens de inzagedagen bij het Gerechtshof te Amsterdam ontdekte de raadsman van verdachte, dat zich bij de dossierstukken bevonden, copieën van een artikel uit een vakblad waarin op uiterst negatieve wijze gesproken wordt over het bedrijf van verdachte. In deze artikelen wordt een zekere [betrokkene] sprekend ingevoerd. Deze [betrokkene] is een notoire onruststoker die bij voortduring van alles aan de hand heeft. Ter adstructie daarvan wordt hierbij copie bijgesloten van de laatste nieuwtjes rond [betrokkene].
Verdachte acht het ongepast dat, zonder de verdachte daar op voorhand in te kennen, artikelen in het strafdossier worden opgenomen. Pas op het allerlaatste moment heeft verdachte er kennis van kunnen nemen dat deze artikelen, die op zichzelf met de bewijsmiddelen niets van doen hebben, in het dossier zijn opgenomen. Kennelijk als smaakmaker. Verdachte acht dit in strijd met een behoorlijke procesgang. Hoewel het Gerechtshof er bij de motivering van de straf met geen woord over rept, heeft verdachte de indruk dat het bijgesloten "smaakmakende" artikel, dat inhoudelijk kant noch wal raakt, toch een rol gespeeld heeft bij de bepaling van de strafmaat. Zulks ten onrechte.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard, dat:
Ten aanzien van het onder II ten laste gelegde:
[A] BV op of omstreeks 11 maart 1987, 10 april 1987, 10 april 1987, 11 juni 1987, 10 juli 1987, 13 juli 1987, 8 september 1987, 12 oktober 1987, 11 november 1987, 10 december 1987, 13 januari 1988 en 10 februari 1988 te Alkmaar opzettelijk telkens een aangifte omzetbelasting - zijnde telkens een aangifte voorzien bij de Algemene wet inzake rijksbelastingen - onjuist en onvolledig heeft gedaan door toen en daar opzettelijk onjuist en onvolledig in de aan haar door of vanwege de inspecteur der omzetbelasting te Alkmaar uitgereikte en door of vanwege haar wederom bij die inspecteur ingeleverde en door of vanwege haar ondertekende aangiftebiljetten omzetbelasting te verzwijgen genoten omzetten uit geleverde diensten aan:
1. [B] te [plaats] (circa f 181.000);
2. [C] te [plaats] (circa f 23.300) ;
3. [D] te [plaats] (circa f 17.256) en
4. [E] te [plaats] (een beduidend lager omzetbedrag dan de in werkelijkheid genoten omzet) ,
terwijl van bovenomschreven opzettelijk onjuist en onvolledig gedane aangiften het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, en hij, verdachte, aan de vorenomschreven verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven;
Ten aanzien van het onder III ten laste gelegde:
[A] BV in de periode van 1985 tot en met 1988 te Amsterdam telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse verzamelloonstaten - zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift telkens echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik telkens enig nadeel kon ontstaan, hebbende zij toen en daar telkens opzettelijk die valse verzamelloonstaten toegezonden aan het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam. De valsheid bestond hierin
dat in de verzamelloonstaat over het jaar 1985 als brutoloon werd verantwoord f 563.426, 52, terwijl dat f 201.895 hoger diende te zijn;
dat in de verzamelloonstaat over het jaar 1986 als brutoloon werd verantwoord f 564.300, 90, terwijl dat
f 329.268 hoger diende te zijn en
dat in de verzamelloonstaat over het jaar 1987 als brutoloon werd verantwoord f 556.184, 30, terwijl dat f 304.783,30 hoger diende te zijn.
Door vooromschreven handelwijze werd door de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer te weinig premies Werkloosheidswet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Ziektewet en Ziekenfondswet geheven, te weten
in 1985 tot een totaal van f 59.442, 69;
in 1986 tot een totaal van f 89.307,70 en
in 1987 tot een totaal van f 73.660,76.
Verdachte heeft aan de vooromschreven verboden gedragingen feitelijk leiding gegeven.
4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van het onder II ten laste gelegde:
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben enig eigenaar en directeur van [A] BV.
De aan de BV door de inspecteur der omzetbelasting te Alkmaar uitgereikte aangiftebiljetten omzetbelasting zijn namens de BV door mij of mijn zoon ondertekend en vervolgens vanwege de BV weer bij de inspecteur ingeleverd. Door de BV zijn de aangiften omzetbelasting over de maanden januari 1987 tot en met december 1987 opzettelijk onjuist en onvolledig gedaan. In die aangiften zijn namelijk in die maanden ontvangen dan wel in rekening gebrachte bedragen ter zake van geleverde diensten verzwegen. Dit betrof ontvangsten van [B] te [plaats] voor een bedrag van ongeveer f 181.000, van [C] te [plaats] voor een bedrag van ongeveer f 23.300 en van [D] te [plaats] voor een bedrag van ongeveer f 17.256. Ook met betrekking tot diensten voor [E] te Stein zijn veel lagere bedragen opgegeven dan de in werkelijkheid genoten omzet. Ik gaf feitelijk leiding aan voornoemde gedragingen. Ik begreep dat op grond van de door de BV gedane aangiften mogelijk te weinig omzetbelasting zou worden geheven.
2. De verklaring, opgemaakt op ambtsbelofte op 12 mei 1989 door mr. T.G. Perié, adjunct-inspecteur van 's Rijksbelastingen te Alkmaar, als bijlage MM 30 deel uitmakende van het verzamelproces-verbaal genummerd BD 53/89 van Rijkspolitie te [plaats], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Aan [A] BV zijn uitgereikt de navolgende aangiftebiljetten voor de omzetbelasting, welke ter inspectie te Alkmaar ingevuld en ondertekend zijn terugontvangen op of omstreeks de hierna vermelde data:
Aangifte over:
Datum terugontvangst:
januari 1987
11 maart 1987
februari 1987
10 april 1987
maart 1987
10 april 1987
april 1987
11 juni 1987
mei 1987
10 juli 1987
juni 1987
13 juli 1987
juli 1987
8 september 1987
augustus 1987
12 oktober 1987
september 1987
11 november 1987
oktober 1987
10 december 1987
november 1987
13 januari 1988
december 1987
10 februari 1988
3. Het proces-verbaal genummerd E 1, opgemaakt op ambtseed en gesloten op 18 april 1989 door [verbalisant 1], hoofdcommies van 's Rijksbelastingen te Alkmaar, als bijlage E 1 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelproces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaasvan verbalisant:
Uit de door [A] BV bijgehouden dagindelingen en de administratie van [B] te [plaats] blijkt dat er in 1987 39 autobussen door [A] aan [B] werden verhuurd voor een totale huursom van f 181.000, =. De verhuur van bussen aan [B] in 1987 werd door [A] BV niet in haar administratie verantwoord.
4. Het proces-verbaal genummerd F 1, opgemaakt op ambtseed en gesloten op 16 maart 1989 door [verbalisant 1] voornoemd, als bijlage F 1 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelproces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaasvan verbalisant:
Mede aan de hand van de bij [C] in beslag genomen facturen, reisbladen en quitanties, de door [verdachte] bijgehouden dagindelingen en de door mij aangetroffen aantekeningen van chauffeurs werden door mij de door [A] BV aan [C] te [plaats] berekende huren van bussen vastgesteld op f 23.300, = over het jaar 1987. Dit bedrag werd niet in de administratie van [A] BV verantwoord.
5. Het proces-verbaal genummerd G 2, opgemaakt op ambtseed en gesloten op 13 april 1989 door [verbalisant 2], onbezoldigd ambtenaar van Rijkspolitie, en [verbalisant 3], beiden referendaris van 's Rijksbelastingen te [geboorteplaats], als bijlage G 2 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelproces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaasvan verbalisanten:
De bij [D] in beslag genomen bescheiden werden door ons vergeleken met de administratie van [A] BV. Mede aan de hand van genoemde bescheiden en van de bij de verdachte in beslag genomen agenda's, dagindelingen, gele kaarten en overige bescheiden werden door ons de door [A] BV berekende bedragen ter zake van het ter beschikking stellen van bussen aan [D] over het jaar 1987 tot en met juli vastgesteld op f 83.070, =. In de boekhouding van [A] is slechts f 65.814,= aan ontvangsten ter zake van [D] over het jaar 1987 tot en met juli geboekt.
6. Het proces-verbaal genummerd H 2, opgemaakt op ambtseed en gesloten op 2 april 1989 door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] voornoemd, als bijlage H 2 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelproces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaasvan verbalisanten:
Gezien de bij de firma [E] te [plaats] aangetroffen dagberichten werd vermoedelijk over het jaar 1987 een bedrag van f 165.350,= contant door [E] afgerekend met chauffeurs van [A] BV.
Wij zagen dat in de administratie van [A] BV over 1987 f 44.900,= als ontvangsten van [E] werd verantwoord.
Ten aanzien van het onder III ten laste gelegde:
7. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben enig eigenaar en directeur van [A] BV.
In de periode van 1985 tot en met 1988 heeft [A] BV telkens opzettelijk aan het Gemeenschappelijk Administratiekantoor in Amsterdam valse verzamelloonstaten toegezonden als waren die geschriften echt en onvervalst. In de verzamelloonstaat over het jaar 1985 werd als brutoloon verantwoord f 563.426, 52, terwijl dat in werkelijkheid f 201.895,= hoger diende te zijn. In de verzamelloonstaat over het jaar 1986 werd als brutoloon verantwoord f 564.300, 90, terwijl dat in werkelijkheid f 329.268, = hoger diende te zijn. In de verzamelloonstaat over het jaar 1987 werd als brutoloon verantwoord f 556.184, 30, terwijl dat in werkelijkheid f 304.783,30 hoger diende te zijn. Ik gaf feitelijk leiding aan voornoemde gedragingen. Ik wist dat door deze handelwijze door de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer te weinig premies Werkloosheidswet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Ziektewet en Ziekenfondswet zouden worden geheven.
8. Het proces-verbaal genummerd L 2, opgemaakt op ambtsbelofte en gesloten op 9 mei 1989 door R. Verhulst en J. Hovestad, beiden onbezoldigd ambtenaar van Rijkspolitie en in dienst van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam, als bijlage L 2 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelprocesverbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaasvan verbalisanten:
De Bedrijfsvereniging voor het Vervoer heeft de administratie van haar taak tot uitvoering van de sociale verzekering opgedragen aan het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam.
Een verzamelloonstaat is een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, namelijk ter vaststelling van het premieplichtig loon en de verschuldigde premies ingevolge de sociale verzekeringswetten.
[A] BV dan wel enig eigenaar/ directeur [verdachte] diende over het jaar 1985 een verzamelloonstaat in waarop een totaal brutoloon werd verantwoord van f 563.426, 52. Uit het onderzoek is gebleken dat het totaal brutoloon over het jaar 1985 f 201.895, = hoger diende te zijn, waardoor voor een bedrag van f 59.442, 69 te weinig aan premies Werkloosheidswet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Ziektewet en Ziekenfondswet is geheven. Over het jaar 1986 werd door [A]/[verdachte] een verzamelloonstaat ingediend, waarop een totaal brutoloon werd verantwoord van f 564.300, =. Uit het onderzoek is gebleken dat het totaal brutoloon f 329.268, = hoger diende te zijn, waardoor voor f 89.307,70 te weinig is afgedragen aan premies sociale verzekeringen. Op de bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam ingediende verzamelloonstaat over het jaar 1987 werd een totaal brutoloon van f 556.184,30 vermeld. Uit het onderzoek is gebleken dat het brutoloon f 304.783,30 meer bedroeg dan was aangegeven op de verzamelloonstaat over het jaar 1987. Hierdoor is voor een bedrag van f 73.660,75 te weinig aan premies sociale verzekeringen afgedragen.
9. Het geschrift, zijnde een verzamelloonstaat over het jaar 1985 ten name van [A] BV de dato 15 maart 1986, als bijlage LL 2 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelproces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Totaal brutoloon: f 563.426,52.
10. Het geschrift, zijnde een verzamelloonstaat over het jaar 1986 ten name van [A] BV de dato 13 februari 1987, als bijlage LL 3 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelproces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Totaal brutoloon: f 564.300,90.
11. Het geschrift, zijnde een verzamelloonstaat over het jaar 1987 ten name van [A] BV de dato 7 april 1988, als bijlage LL 7 deel uitmakende van het onder 2 genoemde verzamelproces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Totaal brutoloon: f 556.184, 30.
5. Beoordeling van het eerste middel
5.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte bij het bepalen van de strafmaat geen rekening heeft gehouden met de onwenselijk lange periode die is verstreken tussen de berechting in eerste aanleg en die in hoger beroep.
5.2. Het middel faalt omdat, in aanmerking genomen dat niet blijkt dat te dier zake in feitelijke aanleg verweer is gevoerd, het Hof er niet uitdrukkelijk rekenschap van behoefde te geven bij de bepaling van de straf met die periode rekening te hebben gehouden.
6. Beoordeling van het tweede middel
6.1. Het Hof heeft het onder II bewezenverklaarde, onderscheidenlijk het onder III bewezenverklaarde, uit de daartoe telkens gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden, met name dat de bewezenverklaarde gedragingen waaraan de verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven zijn gepleegd te Alkmaar, onderscheidenlijk te Amsterdam. Het middel, zulks bestrijdend, miskent dat als plaats waar die misdrijven zijn begaan mede is aan te merken de plaats waar de ingevulde en ondertekende aangiftebiljetten zijn ingeleverd, onderscheidenlijk de plaats waarnaar de ingevulde verzamelloonstaten zijn toegezonden.
6.2. Het middel faalt derhalve.
7. Beoordeling van het derde middel
Het middel kan reeds daarom niet tot cassatie leiden, omdat voor het daarin gestelde in het bestreden arrest en in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep geen grondslag kan worden gevonden, zodat daarop in cassatie dan ook niet met vrucht een beroep kan worden gedaan.
8. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
Het Hof heeft het als feit III bewezenverklaarde, gekwalificeerd zoals hiervoren onder 1 is weergegeven.
Gelet op art. 225 Sr dient de kwalificatie evenwel te luiden:
"opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in art. 225, eerste lid, Sv als ware het echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij de feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd".
9. Slotsom
9.1. Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven voor wat de aan feit III gegeven kwalificatie betreft. De Hoge Raad kan deze zelf verbeteren.
9.2. De Hoge Raad oordeelt geen grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak in enig ander opzicht ambtshalve zou behoren te worden vernietigd.
9.3. Derhalve moet worden beslist als volgt.
10. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de aan het onder III bewezenverklaarde feit gegeven kwalificatie;
Kwalificeert dit feit zoals hiervoren onder 8 vermeld;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Beekhuis en Keijzer in bijzijn van de waarnemend-griffier Mos-Verstraten, en uitgesproken op 27 april 1993.