Skip to main content

ECLI:NL:RBAMS:2026:6584

Gericht

Amsterdam

Datum

24 June 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Civiel recht; Verbintenissenrecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; VerbintenissenrechtType: uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/783260 / HA ZA 26-120

Vonnis in incident van 24 juni 2026

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. E. de Jong,

tegen

KONINKLIJKE NEDERLANDSE DAMBOND,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

hierna te noemen: KND,

advocaat: mr. M.L. Dingemans.

1. De procedure1.1..

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 28 januari 2026, met producties;

  • de incidentele conclusie van eis tot verwijzing naar team kanton;

  • de conclusie van antwoord in incident bevoegdheid.

1.2.. Ten slotte is vonnis in incident bepaald.

2. De vordering in de hoofdzaak

2.1..

[eiser] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het bestuursbesluit van 14 augustus 2025 (hierna: het besluit) te vernietigen en rechtdoende [eiser] te ontheffen van de aan [eiser] opgelegde schorsing tot 1 januari 2026, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, met een maximum van € 25.000,-;

II. KND te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 6.125,92;

III. KND te veroordelen om binnen twee weken na de betekening van het vonnis een bericht te plaatsen op haar website met een tekst zoals opgenomen in sub 30 van de dagvaarding, alsook dit bericht een maand lang zichtbaar te laten zijn op de website van KND;

IV. KND te veroordelen in de proceskosten.

2.2..
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het besluit in strijd is met het eigen reglement van KND en in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Het besluit moet dan ook vernietigd worden op grond van artikel 2:15 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Door het besluit heeft [eiser] tevens schade geleden in de vorm van gemiste wedstrijden en dus inkomsten.

2.3.. KND heeft in de hoofdzaak nog niet van antwoord gediend.

3. Het geschil in incident

3.1.. KND vordert dat de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team handelszaken de zaak verwijst naar team kanton met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.. KND legt hieraan ten grondslag dat de kantonrechter in deze zaak bevoegd is, omdat de vordering in de hoofdzaak lager is dan € 25.000,-. Krachtens artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) valt de vordering daarmee binnen het takenpakket van de kantonrechter.

3.3..
[eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal hieronder worden ingegaan.

4. De beoordeling in het incident

4.1.. In de hoofdzaak gaat het – kort gezegd – om het volgende. [eiser] is een Nederlandse topsporter binnen de denksport dammen. Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft KND [eiser] geschorst voor de duur van één jaar.

4.2..
[eiser] is het niet eens met het besluit en heeft op 14 augustus 2025 bezwaar aangetekend. Op 15 augustus 2025 heeft KND daarop afwijzend gereageerd.

4.3.. Vervolgens is de zaak voorgelegd aan de Tuchtcommissie. Op 9 september 2025 heeft de Tuchtcommissie de schorsing van [eiser] bekrachtigd. Tot slot is de zaak voorgelegd aan de commissie van beroep, die het beroep heeft afgewezen.

4.4.. In de hoofdzaak vordert [eiser] vernietiging van het besluit genomen door KND. De rechtbank overweegt, in lijn met het standpunt van [eiser] , dat daarmee sprake is van een vordering zoals bedoeld in artikel 2:15 lid 3 BW. Op grond daarvan geschiedt vernietiging van het besluit door een uitspraak van de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon. Dit betekent dat de rechtbank Amsterdam, team handelszaken, bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Artikel 93 Rv staat hier niet aan in de weg. Gelet daarop zal de vordering in incident worden afgewezen.

4.5.. KND zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten (inclusief de nakosten) van dit incident. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 653,- aan salaris gemachtigde plus de nakosten van € 189,- (totaal: € 842,-)

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.. wijst de vordering van KND af,

5.2.. veroordeelt KND in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 842,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als KND niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.4.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 augustus 2026 voor conclusie van antwoord.

5.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wouters, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.

Weitere Entscheidungen