ECLI:NL:RBAMS:2026:6683
Zusammenfassung
Strafrecht; Europees strafrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-270124-25
Datum beslissing: 16 juni 2026
BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 20 maart 2026, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door het Amtsgericht Duisburgop 27 februari 2026 en betreft:
[overgeleverde persoon]
geboren op [geboortedag] 2007 te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland),
thans gedetineerd in [detentieadres],
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.
1. Beoordeling
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de voorhanden zijnde stukken niet toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen.
In een e-mail van 31 maart 2026 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) aan de Duitse autoriteiten gevraagd of de overgeleverde persoon de gelegenheid heeft gekregen om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot toestemming kenbaar te maken. In een e-mail van 8 juni 2026 heeft de Staatsanwältinvan hetStaatsanwaltschaft Duisburggeantwoord dat de overgeleverde persoon bij brief van 18 mei 2026 in de gelegenheid is gesteld om opmerkingen te maken ten aanzien van het verzoek en dat daar nog geen antwoord op was ontvangen.
Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee niet voldaan aan het hoorrecht van de overgeleverde persoon. Wanneer de overgeleverde persoon niet door de rechterlijke autoriteit in de uitvoerende lidstaat wordt gehoord, is het aan de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende lidstaat om ervoor te zorgen dat dit hoorrecht naar behoren en daadwerkelijk kan worden uitgeoefend.Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake in het geval de gelegenheid daartoe wordt geboden in een enkel aan de overgeleverde persoon toegezonden brief zonder kennisgeving daarvan aan zijn advocaat.
De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.
2. Beslissing
De rechtbank:
WIJST AFhet verzoek tot toestemming op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, en derde lid, OLW voor uitbreiding van de vervolging van[overgeleverde persoon]voor de feiten zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 16 juni 2026 door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van E. Mulder griffier.
Hof van Justitie van de Europese Unie 26 oktober 2021, C428/21 PPU en C429/21 PPU, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.