Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2025:21950

Gericht

Rotterdam

Datum

19 November 2025

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Rotterdam

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.42498
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.L. Wischhoff).

Procesverloop

In deze einduitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing

van zijn (opvolgende) asielaanvraag. Eiser heeft op 21 april 2023 een (opvolgende) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Voor het procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak die zij op 11 april 2025 heeft gedaan op het beroep van eiser (de tussenuitspraak).

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

Verweerder heeft een aanvullende reactie ingediend.

Eiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet

Bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

De tussenuitspraak

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder niet ten onrechte het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank heeft echter een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek geconstateerd bij het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief in [plaats] (rechtsoverweging 10). Verweerder is in het bestreden besluit namelijk onvoldoende ingegaan op de voorwaarden die gelden voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief en op de individuele omstandigheden van eiser.

De aanvullende motivering

3. Verweerder heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het gebrek te herstellen. In de aanvullende motivering van 10 juli 2025 heeft verweerder overwogen dat [plaats] als binnenlands beschermingsalternatief kan gelden voor eiser op grond van paragraaf C2/3.4. van de Vreemdelingencirculaire (Vc) omdat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is geacht. In [plaats] is immers geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Volgens verweerder is niet gebleken van belemmeringen voor vestiging in [plaats] . Volgens verweerder is daarbij ten eerste van belang dat eisers asielrelaas (terecht) ongeloofwaardig is geacht. Hij staat dus niet in de negatieve aandacht van de Congolese autoriteiten. Eiser spreekt verder de Franse taal en die taal wordt ook gesproken in [plaats] . Dat eiser geen netwerk heeft in [plaats] klopt, maar verweerder ziet niet in waarom hij geen netwerk zou kunnen opbouwen in [plaats] . Ten slotte is niet gebleken van medische belemmeringen en zijn er geen aanwijzingen dat het terugkeren met een laissez-passer (LP) tot problemen zou leiden bij terugkeer.

Juridisch kader

4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdelingvolgt dat de minister een binnenlands beschermingsalternatief, in de zin van een vlucht- of vestigingsalternatief, mag tegenwerpen als een vreemdeling in een deel van zijn land van herkomst geen gegronde vrees heeft voor vervolging en daar ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verder moet dat deel van het land toegankelijk zijn voor die vreemdeling en moet hij op een veilige en wettige manier daarnaartoe kunnen reizen. Ook moet de minister redelijkerwijs van de vreemdeling mogen verwachten dat hij zich er vestigt (artikel 3.37d, eerste lid, van het VV 2000, en paragraaf C2/3.4 van de Vc 2000).

Reactie eiser op aanvullende motivering

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat het wel degelijk problematisch is dat hij enkel Frans spreekt en geen Lingala. Lingala is namelijk de primaire of volkstaal in [plaats] en wordt gesproken door de Congolezen onderling. Eiser zal omdat hij geen Lingala spreekt gediscrimineerd worden. Hij zal als buitenstaander worden gezien en in combinatie met zijn gebrek aan een netwerk zal dit zijn integratie en leven in [plaats] zeer moeilijk maken.

Verder stelt eiser dat hij, omdat hij reist met een LP, zal worden ondervraagd op de luchthaven. Congolezen die op een opsporingslijst staan lopen groot gevaar om te worden gemarteld. Bovendien is de kans groot dat de Congolese autoriteiten weten dat hij in Nederland asiel heeft aangevraagd. Eiser stelt dat de presentatie bij de Congolese ambassade die stond gepland op 25 juli 2025 bovendien onrechtmatig was omdat nog niet vaststond dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzette tegen zijn uitzetting.

Eiser stelt zich te slotte op het standpunt dat zijn medische situatie zich verzet tegen zijn terugkeer naar Congo. Eiser doet hierbij een beroep op het arrest Paposhvili tegen België.

Overwegingen van de rechtbank

Het binnenlands beschermingsalternatief

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het geconstateerde gebrek in de tussenuitspraak heeft hersteld met de aanvullende motivering van 10 juli 2025. Zij overweegt daartoe als volgt.

6.1.. Uit de tussenuitspraak volgt dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde vrees voor vervolging door de Congolese autoriteiten ongeloofwaardig is geacht. Eiser is het blijkens zijn verklaring in het aanvullende gehoor na de tussenuitspraak niet eens met dit oordeel van de rechtbank. Eiser zal zijn bezwaren tegen dit oordeel echter in een hoger beroepsprocedure aan de orde moeten stellen. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen zeer uitzonderlijke omstandigheden die aanleiding geven op haar in de tussenuitspraak gegeven oordeel terug te komen. Dit betekent dat eiser in [plaats] geen gegronde vrees heeft voor vervolging en daar ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verder heeft eiser niet betwist dat [plaats] feitelijk toegankelijk is voor hem en dat hij [plaats] op een veilige en wettige manier kan bereiken. Het geschil spitst zich daarom toe op de derde voorwaarde voor het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief; verweerder moet redelijkerwijs van eiser mogen verwachten dat hij zich in [plaats] vestigt.

6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser de Franse taal machtig is en zich dus verstaanbaar kan maken in [plaats] . Eiser heeft zelf ook erkend dat er Frans wordt gesproken en verweerder heeft terecht gesteld dat Frans de officiële taal is in [plaats] . Eiser heeft zijn stelling dat hij gediscrimineerd zal worden omdat hij geen Lingala spreekt niet onderbouwd met landeninformatie, laat staan dat hij heeft onderbouwd dat dit in zijn geval tot daadwerkelijke problemen zal leiden. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eiser weliswaar op dit moment geen netwerk heeft in [plaats] , maar dat dit niet zonder meer betekent dat niet van eiser mag worden verwacht dat hij zich daar vestigt. Hierbij is van belang dat eiser de eerste 30 jaar van zijn leven in Congo heeft gewoond, de Congolese nationaliteit heeft en hoogopgeleid is. Daarmee is de situatie van eiser niet vergelijkbaar met die van de van de vreemdelinge (een alleenstaande vrouw) in de recente uitspraak van de Afdeling over het tegenwerpen van [plaats] als binnenlands beschermingsalternatief.Niet valt in te zien waarom eiser niet naar lokale maatstaven een normaal leven zou kunnen leiden in [plaats] . Eiser heeft in zijn zienswijze op de aanvullende motivering nog gesteld dat hij door zijn slechte gezondheid geen handenarbeid zal kunnen verrichten en dat hij, omdat hij gedwongen kan worden uitgezet, alles zal moeten achterlaten en niet zal kunnen bewijzen dat hij is afgestudeerd, zodat hij zonder financiële middelen zal moeten overleven. Verweerder heeft in reactie hierop niet ten onrechte opgemerkt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij om gezondheidsredenen geen handenarbeid kan verrichten en dat niet valt in te zien waarom eiser bij uitzetting zijn persoonlijke bezittingen niet kan meenemen of deze eventueel kan laten nasturen. Verder heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiser bij zijn integratie in Nederland financieel is ondersteund door vrienden en dat niet is gebleken dat dit niet opnieuw zou kunnen gebeuren.

6.3.. Wat eiser aanvoert ten aanzien van de mogelijke problemen bij aankomst op de luchthaven, treft geen doel. Hiertoe is ten eerste van belang dat uit de tussenuitspraak volgt dat verweerder het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Dit betekent dat verweerder ook ongeloofwaardig heeft kunnen achten dat eiser op een opsporingslijst staat of anderszins in de negatieve aandacht staat van de Congolese autoriteiten. Uit de landeninformatie waar eiser naar verwijst blijkt niet dat alle terugkerende Congolezen die met een LP reizen bij terugkeer problemen ervaren. Verweerder heeft bovendien gewezen op landeninformatie waaruit volgt dat personen die (gedwongen) terugkeren geen problemen ondervinden. Eiser heeft ook niet onderbouwd waarom de Congolese autoriteiten op de hoogte zouden zijn van zijn asielaanvraag in Nederland, terwijl verweerder heeft aangegeven deze informatie nooit te delen met de autoriteiten in Congo.

Presentatie bij de ambassade op 25 juli 2025

7. De rechtbank is van oordeel dat in een geval als dat van eiser, waar de rechtbank zich al heeft uitgelaten over het geloofwaardigheidsoordeel van verweerder ten aanzien van de gestelde vrees voor vervolging door de autoriteiten, niet valt in te zien waarom verweerder eiser niet mag presenteren bij de Congolese ambassade. In beginsel staat immers met de tussenuitspraak vast dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser vreest voor vervolging door die autoriteiten. De presentatie bij die autoriteiten zou daarom niet tot negatieve gevolgen voor eiser moeten leiden. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Medische situatie

8. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van medische bezwaren tegen de terugkeer van eiser naar [plaats] . Eiser heeft geen verklaring van een arts overgelegd waaruit dit blijkt. Eiser stelt weliswaar dat hij medische problemen heeft en dat sprake zou zijn van een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand, met als gevolg intens lijden of een aanzienlijke vermindering van zijn levensverwachting als hij zou worden uitgezet, maar heeft dit dus onvoldoende onderbouwd. Verweerder stelt bovendien terecht dat hij niet gehouden is ambtshalve aan artikel 64 van de Vw te toetsen, nu het een opvolgende asielaanvraag betreft.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het verschijnen op ter zitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 907,-, bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.267,50.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 29 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1328, 24 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3805 en 23 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5038.

Uitspraak van 23 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5038.

Weitere Entscheidungen