Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:15848

Gericht

Den Haag

Datum

12 May 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Civiel recht; Personen- en familierecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/704279 / JE RK 26-735

Datum uitspraak: 12 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over de afwijzing van een verzoek tot ondertoezichtstelling

in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming,

'sGravenhage,

hierna te noemen: de Raad,

over:

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de (beoogde) gecertificeerde instelling.

1. Het verloop van de procedure

1.1.. De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 april 2026, mee in de beoordeling.

1.2.. De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de vader;

  • de moeder;

  • [naam 1] , namens de Raad;

  • [naam 2] en [naam 3] , namens de (beoogde) gecertificeerde instelling.

1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter, met toestemming van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

2.1.. De ouders zijn met elkaar gehuwd.

2.2.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.3..
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

3. Het verzoek

3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2..

De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De Raad maakt zich zorgen over de ingrijpende gebeurtenissen die de kinderen hebben meegemaakt in het verleden en over de individuele ontwikkeling van de kinderen. In het verleden zijn de kinderen blootgesteld aan de spanningen tussen de ouders, waarbij onder meer middelengebruik, huiselijk geweld, politiecontacten en de toeslagenaffaire een rol hebben gespeeld. De ouders hanteren verschillende opvoedstijlen, waardoor er een gebrek aan structuur en regelmaat is thuis. Beide ouders zijn belast met persoonlijke problematiek. De moeder is oververmoeid en heeft depressieve klachten. De vader komt in aanraking met politie en gebruikt middelen. De ouders zijn hierdoor minder beschikbaar voor de hulpverlening. De kinderen, die nu bij de moeder wonen, ondermijnen het gezag van de moeder en het lukt haar, mede vanwege de disbalans in haar draagkracht, niet om de kinderen hierop aan te spreken. De vader is qua opvoedstijl toegeeflijker dan de moeder. Hierdoor blijven de kinderen hun eigen gang gaan. Ten aanzien van [minderjarige 1] zijn er zorgen over zijn emotie- en agressieregulatie (onder meer richting zijn ex-vriendin die stelt te zijn mishandeld), uitval op school, middelengebruik, veelvuldige politiecontacten (wat heeft geleid de persoonsgerichte aanpak) en het zorgelijke netwerk waar hij zich in bevindt. Door deze problematiek stagneert [minderjarige 1] in zijn ontwikkeling. Ten aanzien van [minderjarige 2] zijn er zorgen over de manier waarop hij discussies aangaat op school, die eerder hebben geleid tot schorsingen, de vriendengroep waar hij mee optrekt die veel overlast in de buurt veroorzaakt en een aantal politiecontacten. De hulpverlening die tot nu toe is ingezet is onvoldoende toereikend gebleken om de zorgen rondom de kinderen af te wenden. De Raad ziet dat de ouders mee willen werken aan de hulpverlening en zich in willen zetten om de zorgen bij de kinderen weg te nemen. Toch is het de ouders niet gelukt zelfstandig het tij te keren. Voor het gezin zou intensieve gezinsbehandeling ingezet kunnen worden opdat de onderlinge communicatie verbeterd kan worden en de opvoedstijlen beter op elkaar afgestemd kunnen worden. De Raad vraagt zich echter af of deze hulpverlening van de grond gaat komen, aangezien het hele gezin hieraan moet meewerken en de moeder wegens overbelasting mogelijk onvoldoende kan meewerken en de medewerking van [minderjarige 1] ontbreekt.

4. De standpunten

4.1.. De moeder vindt dat een ondertoezichtstelling te veel verplichtingen met zich meebrengt en is bang dat zij hierdoor nog meer overbelast raakt dan dat zij nu al is. De moeder zou graag willen dat [minderjarige 1] gemotiveerd raakt om aan zijn toekomst te werken. De moeder is bereid alle hulpverlening die binnen het vrijwillig kader wordt aangeboden te accepteren. De moeder maakt zich geen zorgen om [minderjarige 2] , nu zijn gedrag past bij zijn leeftijd en voortvloeit uit zijn pubertijd.

4.2.. De vader vindt een ondertoezichtstelling voor de kinderen niet nodig. De vader heeft voldoende grip op de kinderen en kan de moeder ondersteunen. De voornaamste zorg die de aanleiding vormde om dit verzoek in te dienen, namelijk de interactie tussen [minderjarige 1] en zijn ex-vriendin, zijn niet meer aanwezig. Deze zorg was uiteindelijk ook de reden dat er een onderzoek werd ingesteld naar [minderjarige 2] . Een ondertoezichtstelling heeft volgens de vader geen meerwaarde.

4.3.. De (beoogde) gecertificeerde instelling ziet dat er grote zorgen bestaan binnen het gezin. De gecertificeerde instelling trekt de haalbaarheid van de maatregel in twijfel. Om de zorgen binnen dit gezin weg te nemen wordt gedacht aan het inzetten van intensieve hulpverlening, waar zowel de ouders als de kinderen aan mee zullen moeten werken. De beoogde gecertificeerde instelling verwacht echter niet dat deze hulp van de grond gaat komen. De grootste zorgen liggen rondom [minderjarige 1] en hij moet vanwege zijn leeftijd toestemming geven voor het aangaan van hulpverlening. De verwachting is dat hij deze toestemming niet zal geven. De motivatie zal vanuit [minderjarige 1] zelf moeten komen en een jeugdbeschermer kan hier weinig in betekenen.

5. De beoordeling

5.1.. De kinderrechter moet beoordelen of aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling, zoals genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW), wordt voldaan. De kinderrechter overweegt daarover het volgende.

5.2.. De kinderrechter constateert gelet op hetgeen uit het dossier en op de zitting naar voren is gekomen dat er ten aanzien van [minderjarige 1] sprake is van een ernstige bedreigde ontwikkeling. Deze ontwikkelingsbedreiging ligt in zorgen over de gestagneerde schoolgang, het middelengebruik, de veelvuldige politie- en justitie contacten en de emotie- en agressieregulatie problematiek. De kinderrechter ziet evenwel geen aanleiding om de verzochte ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] toe te wijzen en overweegt daartoe als volgt. De beoogde gecertificeerde instelling heeft – in lijn met het advies van de Raad – ter zitting aangegeven ter afwending van de zorgen binnen dit gezin intensieve hulpverlening (Multi-Dimensionele FamilieTherapie; MDFT) in te willen zetten. Om dergelijke hulpverlening te laten slagen moeten zowel de ouders als [minderjarige 1] – mede gelet op zijn leeftijd – hun toestemming danwel medewerking daaraan verlenen. Omdat [minderjarige 1] hiervoor nu niet openstaat en de moeder zich vanwege overbelasting op dit moment niet kan committeren aan dergelijke intensieve gezinsbehandeling, is de kinderrechter, net als de beoogde gecertificeerde instelling en de Raad stellen, van oordeel dat dergelijke hulpverlening op dit moment moeilijk is te realiseren. Daarbij geldt dat andere hulpverlening (zoals de inzet van een coach) niet alleen al eerder vrijwillig is ingezet en thans onvoldoende wordt geacht, maar dat [minderjarige 1] – gelet op zijn leeftijd – ook hieraan zijn medewerking moet verlenen. Verder is uit het dossier en hetgeen op de zitting is besproken gebleken dat de ouders zeer betrokken zijn bij de kinderen en zich actief inspannen om de kinderen te begeleiden en stimuleren naar een positieve (maatschappelijke) ontwikkeling. Zo zijn de ouders in gesprek met de school van [minderjarige 1] om ervoor te zorgen dat zijn schoolgang weer op gang komt en hij zijn diploma haalt, helpen zij hem mee bij het vinden van een passende stage, zorgen zij dat hij op tijd uit bed komt, dat hij ’s avonds niet op straat hangt en gaat hij mee met het werk van de vader (stratenmaker) voor dagbesteding zolang er geen stage en dagelijkse schoolgang is. Omdat [minderjarige 1] op dit moment beter naar de vader luistert dan naar de moeder, heeft de vader toegezegd een grotere rol op zich te willen nemen in de begeleiding van [minderjarige 1] . Daarbij weegt de kinderrechter mee dat op de zitting is gebleken dat de verstandhouding tussen de ouders al geruime tijd goed is en dat de ouders in de zorg voor de kinderen eensgezind willen optrekken. De kinderrechter is onder deze omstandigheden van oordeel dat de ouders voldoende bereid en in staat moeten worden geacht, ondanks de grote zorgen die er zijn, om de ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] weg te nemen. De kinderrechter realiseert zich dat zij hiermee een grote verantwoordelijkheid bij de ouders neerlegt, maar wil de ouders nog een laatste kans geven om samen met elkaar de zorgen rondom [minderjarige 1] aan te pakken. Het hanteren van dezelfde regels en structuur door de beide ouders richting [minderjarige 1] is hierbij van belang. Het is uiteindelijk aan [minderjarige 1] zelf, met de nodige ondersteuning vanuit de ouders en de hulpverlening binnen het vrijwillig kader, om de intrinsieke motivatie te vinden om zich te richten op zijn toekomst.

5.3.. De kinderrechter ziet ten aanzien van [minderjarige 2] daarentegen geen ernstige ontwikkelingsbedreiging, die een vergaand middel van een ondertoezichtstelling rechtvaardigt. Dit neemt niet weg dat de kinderrechter zich zorgen maakt over de ontwikkeling van [minderjarige 2] . Deze zorgen zien voornamelijk op de manier waarop [minderjarige 2] discussies aangaat op school en de overlastgevende groep waar [minderjarige 2] mee optrekt. Op dit moment is er binnen het vrijwillig kader een coach van [hulpverlener] nauw betrokken bij [minderjarige 2] . [minderjarige 2] ervaart steunt van zijn coach en zet voorzichtig positieve stappen. Dit coachings-traject kan binnen het vrijwillig kader voortgezet worden, mede ook omdat de ouders en [minderjarige 2] hier zelf voor openstaan. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat binnen het vrijwillig kader de huidige zorgen over [minderjarige 2] aangepakt kunnen worden, mede door ondersteuning vanuit zijn coach en de ouders, en hiermee afgewend kunnen worden.

5.4.. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afwijzen.

6. De beslissing

De kinderrechter:

6.1.. wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door mr.drs. W.G. de Boer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.E. van Reisen als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Weitere Entscheidungen