Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17210

Gericht

Den Haag

Datum

11 June 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.60520
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K. Yousef),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 14 december 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 9 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Eiser komt uit Damascus ([plaats]). In 2015 heeft hij Syrië verlaten en vervolgens heeft hij tot 2023 in Turkije gewoond. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Syrië gevaar loopt vanwege de onveilige situatie daar.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en

eisers vrees voor de algemene onveilige situatie in Syrië.

4. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Eisers vrees voor de algemene situatie heeft verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Eiser heeft namelijk ongeacht die geloofwaardigheid, volgens verweerder geen gegronde vrees voor vervolgingen loopt hij geen reëel risico op ernstige schadebij terugkeer naar Syrië. Er is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en er gelden voor eiser geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden. Dat eiser heeft gedeserteerd, maakt niet dat hij gevaar loopt omdat de dienstplicht nu niet meer bestaat. Dat eiser op sociale media kritische posts heeft geplaatst, heeft hij niet onderbouwd en er zijn geen indicaties dat hij daarom problemen heeft ervaren of zal ervaren.

Wat vindt eiser in beroep?

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder mocht de geloofwaardigheid van eisers vrees vanwege de algemene situatie in Syrië niet in het midden laten. Als gevolg van die beoordelingswijze heeft verweerder onvoldoende betrokken dat eiser is gedeserteerd, is gediscrimineerd en komt uit een oppositiegebied. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd dat eiser geen gevaar loopt vanwege zijn desertie en heeft miskend dat eisers wens om niet in het leger te dienen aangemerkt moet worden als een gewetensbezwaar en een politieke overtuiging. Eiser loopt extra risico omdat hij zich online heeft geuit tegen de huidige regering. Daar komt bij dat eiser geen documenten heeft en zich daarom wel zal moeten melden bij de autoriteiten bij terugkeer. Ook heeft verweerder het besluit onvoldoende gemotiveerd waar het gaat om de veiligheidssituatie in Syrië. Onder andere in Damascus, waar eiser vandaan komt, vindt nog steeds geweld plaats. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd wat de huidige veiligheidssituatie is en hoe eisers individuele omstandigheden het risico voor hem vergroten. Verweerder mocht aan eiser ook geen terugkeerbesluit opleggen, omdat dat in strijd is met het verbod op refoulement.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

Het in het midden laten van de geloofwaardigheid

7. Wanneer verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden laat, moet het er bij de rechterlijke toetsing voor gehouden worden dat verweerder de geloofwaardigheid van de gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. Zo lang verweerder alle verklaringen van eiser over zijn asielmotieven als uitgangspunt neemt, leidt de pilotwerkwijze in algemene zin niet tot een onzorgvuldige beoordeling van het asielrelaas.De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder heeft kunnen concluderen dat het asielrelaas van eiser onvoldoende zwaarwegend is om een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade aan te nemen.

Activiteiten op sociale media en desertie

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser geen persoonlijke problemen heeft gehad of heeft te verwachten vanwege zijn uitingen op sociale media. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat eiser een bericht heeft geplaatst dat na 24 uur weer is verdwenen, dat eiser zich nu niet online uitlaat en dat niet is gebleken dat de autoriteiten op de hoogte zijn van zijn eerdere activiteiten. Ook dat eiser onder het vorige regime is gedeserteerd, maakt niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft er in dat kader op mogen wijzen dat dit heeft plaatsgevonden onder een regime dat nu niet meer aan de macht is, dat er nu geen dienstplicht meer is en dat er geen indicaties zijn dat groeperingen ervan op de hoogte zijn of er op een negatieve manier belangstelling voor hebben. In hetgeen eiser hierover naar voren heeft gebracht, hoefde verweerder ook geen aanleiding te zien om eiser aan te merken als gewetensbezwaarde of om de desertie aan te merken als politieke overtuiging.

Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld

9. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.

Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers.De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken.Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.

9.1.. Verweerder heeft het voornemen en het besluit van 9 december 2025 gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025, dat op dat moment het meest recente ambtsbericht was. Verweerder heeft daarnaast in de besluitvorming de bijbehorende beslisnota van het Ministerie van Asiel en Migratie en de brief van de Minister van Asiel en Migratie van 10 juni 2025 aan de Tweede Kamer over het landenbeleid Syrië meegenomen. Verder heeft verweerder gewezen op data uit de EUAA Country Focus Syria van juli 2025. Met het verweerschrift van 26 mei 2026 heeft verweerder deze beoordeling op verzoek van de rechtbank geactualiseerd onder verwijzing naar het inmiddels meest recente Algemeen Ambtsbericht van januari 2026. Verweerder heeft hierbij ook data betrokken van de UNHCR, ACLED, EUAA en het UK Home Office.

9.2..

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 kunnen concluderen dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder kunnen concluderen dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten.

Verweerder heeft daarbij kunnen concluderen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in Damascus, het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat Damascus onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 2 (november 2025) en 17 (juli 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in Damascus. Verder waren er in Damascus vier incidenten met ontplofbare oorlogsresten. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in Damascus, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook naar schatting 12.194 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Damascus.

9.3..

Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict.Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is.

Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en Damascus in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden.

9.4.. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Damascus.

9.5.. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder mocht vinden dat eiser geen persoonlijke kenmerken heeft aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Dat eiser is gedeserteerd, geldt niet als zo een omstandigheid. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat de desertie onder het oude regime was, er nu geen sprake meer is van een dienstplicht, en dat er geen indicaties zijn dat er groeperingen van op de hoogte zijn geraakt.

Terugkeerbesluit

10. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.

10.1..

Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmitwee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.

  • In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.

10.2.. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd.Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie.

10.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden. Verweerder heeft voldoende beoordeeld in welke situatie eiser bij terugkeer zal komen. Verweerder heeft er in dit kader op mogen wijzen dat eiser in Damascus familieleden heeft bij wie hij terecht kan. Hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd de lat van het arrest Sufi en Elmi niet gehaald, ongeacht of wordt uitgegaan van de ‘lichtere’ of ‘zwaardere’ toets.

Conclusie en gevolgen

11. Verweerder heeft de aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

11.1.. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333.

Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).

Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).

Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.

Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.

Zie ook de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3.

EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.

Uitspraak van 23 februari 2026, noot 12, r.o. 7.4.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), punt 28.

Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.

Persbericht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 september 2025 in de zaak A.F. tegen Oostenrijk (zaaknummer 24394/25).

Weitere Entscheidungen