Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17380

Gericht

Den Haag

Datum

27 May 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Civiel recht; Personen- en familierecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-5483

Zaaknummer: C/09/688775

Datum beschikking: 27 mei 2026

Gezag, omgangsregeling c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, gezagsuitoefeningBeschikking op het op 18 juli 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S. Bhulai in ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. H. Devkinandan in Zoetermeer, voorheen: mr. S. Bouddount in Weesp.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

het verzoekschrift;

het bericht van 23 juli 2025 van de vader;

het bericht van 2 september 2025 van de vader;

het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken;

het bericht van 24 april 2026 met bijlagen van de moeder;

het bericht van 28 april 2026 met bijlage van de vader;

het bericht van 28 april 2026 met bijlagen van de moeder.

Op 29 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

de vader bijgestaan door zijn advocaat;

de moeder bijgestaan door haar advocaat;

[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich uitgelaten over de verzoeken.

Feiten

Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2003 tot [datum 2] 2012.

Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats] ;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] ;

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2017 [geboorteplaats] ;

[minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 3] 2017 [geboorteplaats] .

  • Daarnaast zijn zij de ouders van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige ] , geboren op [geboortedag 4] 2004 in [geboorteplaats] .

Partijen oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit. De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] en [minderjarige 4] belast.

De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Bij beschikking van deze rechtbank van 8 oktober 2025, voor zover hier aan de orde:

is bepaald dat de kinderen gedurende de duur van de procedure bij de vader zullen zijn in de oneven weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, waarbij flexibel met de regeling omgegaan wordt ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , gezien hun leeftijd;

hebben de ouders aangegeven zich te zullen wenden tot Jeugdformaat.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, na wijziging:

de vader mede te belasten met het gezag over [minderjarige 4] en [minderjarige 3] , zodat de ouders het gezamenlijk gezag hebben.

een zorgregeling c.q. omgangsregeling vast te stellen, waarbij de kinderen:

  • primair:

in de even weken van maandag tot en met woensdag bij de moeder verblijven, van woensdag na school tot vrijdag bij de vader verblijven en vervolgens vrijdag na school tot en met maandag bij de moeder verblijven.

in de oneven weken maandag tot en met woensdag bij de vader verblijven, van woensdag na school tot vrijdag bij de moeder verblijven en vervolgens vrijdag na school tot maandag bij de vader verblijven.

  • subsidiair:

door de vader bij de moeder worden opgehaald op zaterdagochtend om 10:00 uur en door hem worden teruggebracht naar de moeder op zondagmiddag om 19:00 uur en de vader de kinderen altijd naar voetbaltraining kan brengen;

gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, waaronder Vaderdag en de verjaardagen van de vader en zijn ouders, bij de vader zijn.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de moeder, bij wijze van zelfstandig verzoek:

te bepalen dat de moeder zal worden belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige kinderen;

te bepalen dat [minderjarige 4] en [minderjarige 3] bij de vader zullen zijn:

primair:wekelijks op zaterdag van 10:00 uur tot 19:00 uur;

subsidiair:wekelijks van zaterdagochtend 10:00 uur tot zondagmiddag 17:00 uur;

meer subsidiair:om de week van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school;

onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per keer of per dag dat de vader deze regeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,-.:

te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader zullen zijn naar hun eigen behoefte. Gelet op hun leeftijd, zullen zij dit in onderling overleg met de vader bespreken;

te bepalen dat de Raad onderzoek zal doen naar onder andere een voor de kinderen, met name [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , passende vakantieregeling;

toestemming aan de moeder te verlenen, welke die van de vader vervangt, om met de minderjarige kinderen naar Turkije te gaan in de zomervakantie van 2026, te weten van 15 juli 2026 tot 25 juli 2026;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Gezag en omgangsregeling c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

De rechtbank beschikt op dit moment over onvoldoende informatie om te kunnen beslissen op de verzoeken ten aanzien van het gezag en de zorgregeling. De rechtbank stelt vast dat bij de moeder grote zorgen leven over de ontwikkeling van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , die gedeeltelijk worden bevestigd in de overgelegde stukken. De rechtbank stelt ook vast dat die zorgen door de vader niet (volledig) gedeeld worden. Zo stelt de moeder dat [minderjarige 4] gediagnosticeerd is met autisme, maar vader is niet bekend met deze diagnose en ziet in het gedrag van [minderjarige 4] geen aanwijzingen voor autisme. Dat de diagnose autisme is gesteld, blijkt niet uit de overgelegde stukken. Wel blijkt uit de overgelegde stukken dat [minderjarige 4] op het speciaal basisonderwijs zit en dat hij veel voorspelbaarheid, structuur en begeleiding nodig heeft. De rechtbank heeft daarnaast weinig zicht op de ontwikkeling van [minderjarige 3] , met name met betrekking tot de oorzaak van haar zindelijkheidsproblematiek. Voor de rechtbank is op dit moment onvoldoende duidelijk wat de aard is van die problematiek, of de problematiek gevolgen heeft voor de wijze waarop de zorg voor de kinderen over de ouders kan worden verdeeld en of in verband met de problematiek voorzienbaar is dat in de toekomst hulpverlening moet worden ingezet, waarvoor toestemming van beide ouders vereist zal zijn. Daarnaast is op de zitting naar voren gekomen dat er veel wantrouwen tussen de ouders bestaat en dat zij op dit moment niet in staat zijn om constructief met elkaar te communiceren. De slechte communicatie heeft er tot op heden niet toe geleid dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem en verloren zijn geraakt tussen de ouders, maar de rechtbank ziet wel enig risico dat dat in de toekomst alsnog kan gebeuren. De rechtbank acht het daarom van belang dat de Raad ook onderzoekt of er mogelijkheden en/of belemmeringen bestaan bij de gezamenlijke uitvoering van het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Op dit moment acht de rechtbank zich nog onvoldoende voorgelicht teneinde een beslissing te nemen ten aanzien van het gezag en de zorgregeling c.q. omgangsregeling. De rechtbank wil de Raad daarom verzoeken om onderzoek te doen en de volgende vragen daarin te betrekken:

Ziet de Raad mogelijkheden en/of belemmeringen bij de gezamenlijke uitvoering van het gezag door de ouders? Wat is er nodig om eventuele belemmeringen op te heffen?

Is er sprake van kindeigen problematiek bij [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en zo ja, welke problematiek, welke hulpverlening is daar (waarschijnlijk) voor nodig en heeft de problematiek invloed op de wijze waarop de zorg voor hen kan worden verdeeld door de ouders?

Welke zorg c.q. omgangsregeling is in het belang van de kinderen?

Is (nadere) hulpverlening voor de kinderen en/of de ouders noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?

Zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak?

In afwachting van het raadsrapport zal de rechtbank de beslissing met betrekking tot het gezag en de definitieve zorgregeling pro forma aanhouden tot na te melden datum. De aanhouding betekent in beginsel dat de bij voorlopige voorzieningen vastgelegde zorgregeling doorloopt. De rechtbank ziet echter aanleiding om de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] te wijzigen. Uit het gesprek van [minderjarige 2] met de rechtbank is naar voren gekomen dat [minderjarige 2] het bij beide ouders fijn vindt en dat hij bij beide ouders evenveel tijd wil doorbrengen. Hoewel de moeder op de zitting heeft aangegeven dat zij het [minderjarige 2] gunt om bij de vader te zijn, heeft de rechtbank ook kunnen vaststellen dat er veel wantrouwen leeft bij de moeder en zij niet gelooft dat deze wens vanuit [minderjarige 2] zelf komt. De in de voorlopige voorzieningenprocedure vastgestelde regeling waarbij [minderjarige 2] zelf moet aangeven dat hij naar de vader wil en geconfronteerd wordt met het wantrouwen van de moeder, acht de rechtbank niet in zijn belang. De rechtbank zal de voorlopige regeling zoals vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 8 oktober 2025 ten aanzien van [minderjarige 2] dan ook wijzigen.

Dwangsom

De moeder heeft op de zitting haar verzoek tot oplegging van een dwangsom ingetrokken. De rechtbank hoeft daarom niet meer op dit verzoek te beslissen.

Vervangende toestemming vakantie Turkije

Wettelijk kader

Artikel 1:253a, eerste lid BW bepaalt dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt hierom een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.

Inhoudelijke beoordeling

De moeder heeft verzocht om vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen van 15 juli 2026 tot 25 juli 2026 naar Turkije te gaan. De vader heeft ter zitting verklaard dat hij geen bezwaar heeft als de moeder naar Turkije gaat met de kinderen. De vader heeft echter nagelaten de benodigde toestemmingsformulieren te ondertekenen. Gelet op de zeer gespannen verhouding tussen partijen, zoals ter zitting afdoende gebleken, en het wantrouwen over en weer zal de rechtbank – ondanks dat de vader zijn toestemming heeft toegezegd – zekerheidshalve in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vervangende toestemming verlenen aan de moeder voor de reis naar Turkije. Nu de moeder van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige 4] en [minderjarige 3] uitoefent, heeft zij geen (vervangende) toestemming nodig om met hen naar het buitenland te reizen. De rechtbank zal het verzoek in zoverre dan ook afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

verleent de moeder toestemming, welke die van de vader vervangt, om met de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats] ;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] ;

van 15 juli 2026 tot 25 juli 2026 naar Turkije te gaan en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek om vervangende toestemming voor het overige af;

bepaalt – met wijziging in zoverre van de bij beschikking van 8 oktober 2025 vastgestelde voorlopige zorgregeling ten aanzien van de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] – dat [minderjarige 2] voorlopigbij de vader zal zijn:

in de even weken van woensdag na school tot vrijdag naar school;

in de oneven weken van maandag tot en met woensdag en van vrijdag na school tot maandag naar school;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;

houdt de behandeling aan tot 1 november 2026 pro forma, uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;

bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregelingaan.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Weitere Entscheidungen