ECLI:NL:RBDHA:2026:17381
Zusammenfassung
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Den Haag
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5736
Zaaknummer: C/09/689278
Datum beschikking: 27 mei 2026Gezag
Beschikking op het op 25 juli 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.J. van Kuijk in ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.F. Mandos in Rijswijk.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het bericht van 23 september 2025 met bijlage van de moeder;
het bericht van 16 april 2026 met bijlagen van de moeder.
Op 29 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de moeder bijgestaan door haar advocaat;
de vader bijgestaan door zijn advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De minderjarige [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van de volgende kinderen:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] .
Daarnaast zijn zij de ouders van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedag 2] 2005 in [geboorteplaats 2] .
De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast, ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 20 juni 2017.
[minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
Verzoek en verweer
Het verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt haar met het eenhoofdig gezag te belasten over [minderjarige] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Eenhoofdig gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid Burgerlijk Wetboek (BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, BW, hierop ook van toepassing. Het gezamenlijk
gezag kan daarom worden beëindigd als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Standpunten
De moeder stelt dat is voldaan aan de wettelijke criteria om het gezamenlijk gezag te beëindigen. De vader is jarenlang niet betrokken geweest bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . De vader heeft herhaaldelijk gedetineerd gezeten en de afwezigheid van de vader heeft een behoorlijke impact gehad op [minderjarige] . Inmiddels verblijft [minderjarige] weer regelmatig bij haar vader, maar dan houdt de vader zich niet aan de regels en structuur die de ouders voor [minderjarige] hebben afgesproken. De moeder is van mening dat de vader daarmee niet in het belang van [minderjarige] handelt.
De vader stelt dat er geen overleg plaatsvindt tussen de ouders en dat dit aan de moeder te wijten is, die de regels bepaalt en vader dan alleen maar de optie geeft om daarmee in te stemmen. De vader erkent dat hij de regels met betrekking tot het internetgebruik van [minderjarige] in het verleden niet altijd strak heeft gehandhaafd, maar stelt dat hij dat nu wel doet. De vader betwist dat er een risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren raakt en stelt dat het ook niet noodzakelijk is dat het gezag wordt gewijzigd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt, op basis van de stukken en de nadere toelichting op de zitting, vast dat de communicatie tussen de ouders niet op constructieve wijze verloopt. Dit heeft er echter tot op heden niet toe geleid dat de ouders niet in staat waren om gezamenlijk beslissingen over [minderjarige] te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen reëel risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken.
De rechtbank overweegt voorts dat de problematiek die de moeder het meeste zorgen baart, namelijk dat de vader zich niet altijd heeft gehouden aan de eerder gemaakte afspraken, niet wordt opgelost door beëindiging van het gezag van de vader. Daarom acht de rechtbank wijziging van het gezag ook niet anderszins noodzakelijk. De rechtbank merkt in dit kader het volgende op. De oplossing voor deze problematiek is gelegen in het gezamenlijk overleg tussen de ouders over wat [minderjarige] nodig heeft en wat passend is voor haar leeftijd en ontwikkeling. Op de zitting is gebleken dat beide ouders inzien dat [minderjarige] een beïnvloedbaar meisje is en dat het daarom van belang is dat op een aantal leefgebieden – in ieder geval bij het gebruik van social media – strenge regels gelden en dat die regels consequent gehandhaafd worden. Het ligt op de weg van de moeder, als hoofdverzorger, om goed uit te leggen waarom zij bepaalde regels van belang vindt. Als de vader het niet (langer) eens is met regels die de ouders voor [minderjarige] zijn overeengekomen, ligt het op zijn weg om daarover met moeder in overleg te treden en tot er nieuwe afspraken zijn gemaakt, de oude regels te handhaven tegenover [minderjarige] .
Dit alles leidt tot de conclusie dat de rechtbank het verzoek van de moeder zal afwijzen.
BeslissingDe rechtbank:
wijst het verzoek van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.
De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.