Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17388

Gericht

Den Haag

Datum

27 May 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Civiel recht; Personen- en familierecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 26-2407

Zaaknummer: C/09/701129

Datum beschikking: 27 mei 2026Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 10 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. D.M. Siemerink-Looten in ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

het verzoekschrift;

het bericht van 18 maart 2026 met bijlagen van de moeder.

Op 29 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

de moeder bijgestaan door haar advocaat;

[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Feiten

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:

  • [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] .

Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Verzoek en verweer

De moeder heeft verzocht om voor recht te verklaren dat zij gerechtigd is om [minderjarige] te laten inenten volgens het Rijksvaccinatieprogramma, althans om te bepalen dat de moeder [minderjarige] de reguliere inentingen mag laten toedienen door een arts, verbonden aan een consultatiebureau in Den Haag, waarbij het tempo van de vaccinaties wordt bepaald door deze of een andere daartoe bevoegde arts, althans de moeder toestemming te geven voor het laten toedienen van de reguliere vaccinaties bij [minderjarige] , als door de rechtbank in goede justitie te bepalen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De vader heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Vervangende toestemming vaccinaties

Wettelijk kader

Artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

De moeder stelt dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij wordt gevaccineerd volgens het vaccinatieprogramma van de Rijksoverheid, om (kinder)ziektes te voorkomen. Er is op dit moment geen contact tussen de ouders, mede door het lopende contactverbod. De advocaat van de moeder heeft de advocaat van de vader aangeschreven over de vaccinaties, maar ook via deze weg geen toestemming gekregen.

De vader heeft kort voor de zitting telefonisch aan de griffie laten weten dat hij al toestemming heeft gegeven voor de vaccinaties.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader niet op schrift heeft gezet dat hij toestemming geeft voor de vaccinatie van [minderjarige] , terwijl het consultatiebureau wel een schriftelijke verklaring wil zien waaruit de toestemming voor de inentingen blijkt. De moeder heeft daarom nog belang bij een beslissing op haar verzoek.

De rechtbank is van oordeel dat het in het belang en ter bescherming van kinderen noodzakelijk is dat zij volgens het van overheidswege opgestelde rijksvaccinatieprogramma worden gevaccineerd. Uit artikel 3 eerste lid van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), volgt dit ook, nu daarin is bepaald dat voor de rechtbank bij alle maatregelen betreffende kinderen het belang van het kind een eerste overweging vormt en in de regel de doorslag behoort te geven, Daarbij behoort ook het hanteren van het voorzorgsbeginsel, namelijk het meewegen van mogelijke risico’s bij het nemen van beslissingen over kinderen en deze risico’s zo mogelijk te verkleinen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder toewijzen en toestemming verlenen om [minderjarige] te laten inenten volgens het rijksvaccinatieprogramma.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

geeft de moeder toestemming, welke die van de vader vervangt, om de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] , te laten inenten volgens het rijksvaccinatieprogramma;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Weitere Entscheidungen