ECLI:NL:RBDHA:2026:17453
Zusammenfassung
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Den Haag
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9531
Zaaknummer: C/09/696236
Datum beschikking: 28 mei 2026Vervangende toestemming erkenning en gezag
Beschikking op het op 10 december 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.D. Radenovska te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende ten aanzien van het verzoek aangaande de vervangende toestemming tot erkenning wordt aangemerkt:
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ,
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. E.G.S.N. Asselbergs,
advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Als belanghebbende ten aanzien van het verzoek aangaande het gezag wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
de voorlopige voogdes,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
het verzoekschrift, ingekomen op 10 december 2025;
het verslag van de bijzondere curator, ingekomen op 4 maart 2026;
het bericht van 11 maart 2026 van de zijde van de man;
het bericht van 12 maart 2026 van de zijde van de bijzondere curator;
het bericht van 12 maart 2026 van de zijde van de man.
Feiten
-Uit de affectieve relatie tussen de man en [de moeder] (hierna: de moeder) is [de minderjarige] op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] geboren.
-[de minderjarige] is niet erkend.
-De moeder is op [datum] 2025 overleden.
-De moeder was van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast.
-[de minderjarige] verblijft sinds het overlijden van de moeder bij de man en diens moeder.
-Bij beschikking van deze rechtbank van 28 oktober 2025 is de gecertificeerde instelling belast met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] tot 20 januari 2026. De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 18 december 2025 verzocht om de man te belasten met de voogdij over [de minderjarige] . Op dit verzoek is nog geen beslissing genomen, zodat de voorlopige voogdij van de gecertificeerde instelling na 20 januari 2026 is blijven doorlopen.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 6 januari 2026 is mr. E.G.S.N. Asselbergs voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [de minderjarige] ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe:
- primair: de man vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij [de minderjarige] kan erkennen;
subsidiair: het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen;
- de man met het gezag over [de minderjarige] te belasten,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De bijzondere curator verzoekt zelfstandig het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
De man heeft primair verzocht hem vervangende toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen. Subsidiair heeft de man verzocht om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.
Voor de bijzondere curator staat vast dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] . Zij acht het in het belang van [de minderjarige] dat het vaderschap van de man komt vast te staan. De bijzondere curator heeft op zich geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen. Haar voorkeur gaat echter uit naar gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man omdat dit terugwerkt tot de geboorte van [de minderjarige] .
Nadat de man kennis heeft genomen van het verslag van de bijzondere curator, heeft hij gepersisteerd bij zijn primaire verzoek.
De rechtbank ziet in erkenning geen nadeel voor [de minderjarige] en nu dit de uitdrukkelijke wens van de vader is, zal de rechtbank het primaire verzoek van de man beoordelen.
Artikel 1:204, derde lid, BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
De moeder kan door haar overlijden geen toestemming meer geven voor de erkenning door de man. Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 1:204 BW dient onder het ontbreken van toestemming ook te worden begrepen het geval dat de moeder geen toestemming meer kan geven omdat zij is overleden.
Nu voldoende is komen vast te staan dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] , alle betrokkenen het eens zijn met het verzoek en de rechtbank niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] in het gedrang kan komen, zal de rechtbank het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen, toewijzen. Het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator om het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen, zal worden afgewezen.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezag
De rechtbank zal de beslissing op het verzoek van de man om hem met het gezag over [de minderjarige] te belasten aanhouden. Op dit verzoek kan pas worden beslist nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na de datum van deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde moet zijn gegaan. Het verzoek van de man aangaande het gezag zal samen met het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot voorziening in de voogdij (zaaknummer C/09/696516) worden behandeld.
Beslissing
De rechtbank:
verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1984 te [geboorteplaats 1] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1983 te [geboorteplaats 2] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ;
wijst af het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator;
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
bepaalt dat de beslissing ten aanzien van het gezagpro forma wordt aangehouden tot1 november 2026;
bepaalt dat de man vóór de genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door
mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.