Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17910

Gericht

Amsterdam

Datum

8 January 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL24.44600

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 1994, van Pakistaanse nationaliteit, eiseres

(gemachtigde: mr. N. den Ouden),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, hierna: de minister,

(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres tot verlening van een visum kort verblijf afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 oktober 2024 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.

Op 13 november 2024 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2025. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen. Eiseres en haar zus [persoon] , tevens referente, namen via digitale beeldverbinding deel aan de zitting.

Overwegingen

Achtergrond

1. Eiseres heeft verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf bij haar zus en haar gezinsleden voor de periode van 25 maart 2024 tot en met 23 april 2024.

Besluitvorming

2. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres het doel en omstandigheden van het verblijf niet heeft aangetoond en omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen om tijdig terug te keren, omdat eiseres haar sociale en economische binding met Pakistan niet aannemelijk heeft gemaakt.

Standpunt eiseres

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is gemotiveerd waarom eiseres het doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Eiseres is van mening dat zij dit voldoende heeft gedaan, nu zij heeft aangegeven dat zij haar zus en diens gezinsleven wil bezoeken. Dat in de visum-vragenlijst geen datum is aangegeven van het bezoek, is omdat de voorgenomen data niet meer haalbaar waren en dus niet exact bekend meer waren.

3.1..

Eiseres voert verder aan dat zij, alles in samenhang bezien, voldoende sociale en economische binding met Pakistan heeft. Eiseres leidt een comfortabel leven in Pakistan. Eiseres wordt financieel ondersteund door haar broer en zal na het huwelijk door haar echtgenoot worden onderhouden. Als zij in Nederland is, kan zij niet financieel worden ondersteund. Daarom is sprake van een sterke economische binding met Pakistan. De minister had hierbij moeten betrekken dat vrouwen in Pakistan een meer afhankelijke positie hebben. Wat betreft de sociale binding met Pakistan, voert eiseres aan dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom de sociale binding vanwege haar aanstaande huwelijk op

22 december 2024 onvoldoende is. Bovendien wordt hier ten onrechte niet meegenomen dat eiseres nog onderdeel uitmaakt van het gezin van haar broer en dus niet alleen een zeer sterke sociale binding heeft vanwege haar aanstaande huwelijk, maar ook vanwege andere familierelaties die zij in Pakistan heeft. Ook heeft de minister onvoldoende betrokken dat referente al meerdere malen familie en vrienden heeft ontvangen in Nederland, en zij allen tijdig zijn teruggekeerd.

3.2.. Bovendien voert eiseres aan dat de minister in strijd met de hoorplicht heeft gehandeld. Ten aanzien van de waarborg om terug te keren heeft eiseres in bezwaar verschillende stukken overgelegd ter onderbouwing hiervan. Met deze stukken heeft betrokkene invulling gegeven aan de vragen van de minister over wat eiseres sociaal en economisch bindt aan Pakistan. Daarnaast heeft zij toegelicht wat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf zijn. Gezien deze omstandigheden kan niet op voorhand worden gesteld dat er geen twijfel mogelijk was over de vraag of de bezwaren tot een andersluidend besluit konden leiden.

4. In de aanvullende gronden van beroep is door eiseres aangevoerd dat zij inmiddels is gehuwd en referente in verwachting is, en vanwege complicaties eiseres haar graag voor de uitgerekende datum in maart 2026 zou willen bezoeken.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank overweegt dat de minister de aanvraag van eiseres heeft afgewezen met een kruisjesformulier. Daarna heeft de minister in bezwaar toch aanleiding gezien eiseres via de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ nadere vragen te stellen. Eiseres heeft in reactie hierop de vragen schriftelijk beantwoord. Vervolgens heeft de minister, zonder haar in bezwaar te horen, vestigingsgevaar tegengeworpen.

5.1..

Volgens de minister is terecht afgezien van een hoorzitting, aangezien op

voorhand duidelijk voor de minister was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander oordeel zou leiden. Tijdens de hele procedure heeft eiseres namelijk verklaard niet te werken en ook na haar bruiloft niet te zullen werken.

5.2.. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres ten onrechte niet heeft gehoord. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022volgt dat horen in bezwaar het uitgangspunt is. Zeker in procedures waarbij de minister beslissingsruimte heeft en de beslissing afhangt van de omstandigheden van het geval. Dit is in zaken waarin verzocht wordt om een visum voor kort verblijf bij uitstek het geval. Bij beoordeling van vestigingsgevaar gaat het om het voorspellen van toekomstig gedrag. Het horen biedt dan bij uitstek de gelegenheid om vragen te stellen over de intentie en aldus aan eiseres om haar de gelegenheid te geven alle kennelijk voor de minister relevante gegevens naar voren te brengen. Hierbij benadrukt de rechtbank dat uit voornoemde uitspraak blijkt dat horen in bezwaar, naast nadere informatieverschaffing, ook een schikkende functie kan hebben. Zo heeft referente tijdens de zitting bij de rechtbank aangeboden garanties te geven. De rechtbank acht het onzorgvuldig dat dit in het geval van eiseres niet is gebeurd. Eiseres heeft aangegeven geen reden te hebben om zich te willen vestigen in Nederland. Door eiseres te horen zou zij de mogelijkheid hebben gehad de minister ervan te overtuigen dat zij tijdig terug zal keren naar Pakistan om zich weer te voegen bij haar gestelde, inmiddels echtgenoot. Ook acht de rechtbank hierbij relevant dat zowel de broer als echtgenoot van eiseres een goede baan als ambtenaar in Pakistan hebben en eiseres in haar onderhoud voorzien. Bovendien is door eiseres aangevoerd, en door referente op de zitting beaamd, dat binnen de familie vaker familieleden referente komen bezoeken, en dan tijdig weer terugkeren. Dat is volgens referente de gang van zaken binnen de familie. Tijdens een gehoor hadden deze omstandigheden kunnen worden besproken. Allerlaatst overweegt de rechtbank dat de door de minister aangehaalde uitsprakenop zitting geen doel treffen, nu dit geen vergelijkbare gevallen betreffen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awbomdat de minister de hoorplicht heeft geschonden. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.

7. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en op de zitting is verschenen.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;

-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Op grond van artikel 32, onder a) ii. en b) van de Visumcode.

ECLI:NL:RVS:2022:1918.

ECLI:NL:RBAMS:2025:6667 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14917.

Algemene wet bestuursrecht.

Weitere Entscheidungen