ECLI:NL:RBDHA:2026:17912
Zusammenfassung
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.3026
V-nummer: [V-nummer]uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 2002, van Somalische nationaliteit, verzoeker,
(gemachtigde: mr. A. Dogan)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. Y.D. Ancion)
Inleiding
1. Verweerder heeft verzoeker op 16 januari 2026 met een kennisgeving geïnformeerd over zijn overdracht op [datum] 2026 om [tijdstip] per vliegtuig met vluchtnummer [vluchtnummer] naar Barcelona, Spanje.
1.1.. Verzoeker heeft op 16 januari 2026 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van de overdracht aan Spanje.
1.2.. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, als tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.. Verzoeker heeft op 5 juli 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft met het besluit van 23 oktober 2025 deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is. Het beroep van verzoeker is met de uitspraak van 8 december 2025door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bevestigd met de uitspraak van de Afdelingvan 9 januari 2026.
2.2.. Het bezwaar is gericht tegen de feitelijke overdracht van verzoeker aan Spanje, wat een handeling is van verweerder die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vwmet een besluit gelijk is gesteld.
2.3.. De voorzieningenrechter overweegt dat de mogelijkheid tot het maken van bezwaar krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw tegen de feitelijke overdracht is beperkt tot de wijze waarop van de bevoegdheid tot overdracht gebruik wordt gemaakt.Daarnaast is bij uitzondering bezwaar krachtens die bepaling mogelijk, indien de situatie ten tijde van de feitelijke overdracht dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit die bevoegdheid voortvloeit, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de feitelijke overdracht mag worden uitgegaan. In dat geval moet de vreemdeling nieuwe feiten en omstandigheden aanvoeren ten aanzien van wat hij heeft aangevoerd (of had kunnen aanvoeren) tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot overdracht voortvloeit. Is wat een vreemdeling aanvoert niet nieuw of niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de overdracht, dan kan dit niet tot een geslaagd rechtsmiddel tegen de voorgenomen feitelijke overdracht leiden.
2.4.. Verzoeker voert aan dat zijn overdracht, onder verwijzing naar het arrest Paposhvili, in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verzoeker stelt dat hij kampt met beperkt functionerende nieren en lever. Verzoeker stelt dat nu hij hier in Nederland onder behandeling is van een specialist, zijn medische behandeling niet gewaarborgd is in Spanje. Door het uitblijven van een medische behandeling in Nederland zal een medische noodsituatie ontstaan. Verzoeker stelt verder dat zijn medische behandeling beschermingswaardig privéleven oplevert. Daarnaast voert verzoeker aan dat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ter onderbouwing verwijst verzoeker naar het AIDA-rapport van 30 april 2025: ‘Country report: Spain (2024 update)’ en de inbreukprocedure die is gestart door de Europese Commissie. Verzoeker stelt dat hij dient te worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel, nu hij eerder in Spanje ziek is geworden en op straat heeft geleefd.
2.5.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker met wat hij heeft aangevoerd geen nieuwe of relevante feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat de situatie ten tijde van de feitelijke overdracht dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit van 23 oktober 2025 dat niet langer van de rechtmatigheid van de voorgenomen overdracht kan worden uitgegaan. De door verzoeker aangevoerde bezwaargronden zijn reeds betrokken in de uitspraken van 8 december 2025 en 9 januari 2026. Uit deze uitspraken volgt dat ten aanzien van Spanje nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij is het AIDA-rapport van 30 april 2025 betrokken.Hetzelfde geldt voor de door verzoeker gestelde medische problematiek en kwetsbaarheid. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn bezwaar (controle)afspraken overgelegd bij de ziekenhuisafdelingen urologie, radiologie, nefrologie, alsmede bij de GGD voor een controle TBC-bestrijding. Uit deze stukken blijkt dat deze afspraken reeds in november en december 2025 zijn gemaakt, en deze informatie reeds door de rechtbank en Afdeling zijn betrokken. In de uitspraak van 8 december 2025 staat dat niet voldoende is gebleken vanernstigemedische problematiek, noch dat verzoeker daardoor is gebonden aan Nederland dan wel dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van verzoeker.Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit nu anders ligt.
2.6.. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 van het EVRM overweegt de voorzieningenrechter dat deze grond niet tot een ander oordeel leidt, nu verzoeker dit op geen enkele manier heeft geconcretiseerd of onderbouwd. Het arrest Paposhvili ziet immers op artikel 3 van het EVRM.
2.7.. Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar tegen de feitelijke overdracht geen kans van slagen en bestaat, ook bij afweging van alle betrokken belangen, geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Algemene wet bestuursrecht.
ECLI:NL:RBLIM:2025:12113 (NL25.51922).
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2026:92.
Vreemdelingenwet 2000.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788.
ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD00417381.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
Asylum Information Database.
ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
Zie r.o. 10 en 10.1. van de uitspraak van 8 december 2025.
Zie r.o. 12.1. van de uitspraak van 8 december 2025.