Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18163

Gericht

Amsterdam

Datum

2 July 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.9465 (beroep)

NL26.9466 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1992, van Algerijnse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. N. Birrou),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen de kennelijke ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het verzoek om een voorlopige voorziening.

1.1.. Eiser heeft op 3 februari 2026 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 februari 2026 kennelijk ongegrond verklaard.

1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

1.3.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is zonder bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond en wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Achtergrond

4. Eiser heeft eerder op 8 augustus 2024 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is door verweerder met het besluit van 12 september 2024 buiten behandeling gesteld omdat uit informatie van het COAis gebleken dat eiser op 23 augustus 2024 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Bij dit besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrektermijn uitgevaardigd. Eiser heeft vervolgens op 22 mei 2025 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is door verweerder met het besluit van 17 juni 2025 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft eiser op 3 februari 2026 zijn huidige asielaanvraag ingediend. Bij deze aanvraag is aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.Tegen deze vrijheidsontnemende maatregel heeft eiser beroep ingesteld, waar op 3 juni 2026 door deze rechtbank en zittingsplaats uitspraak is gedaan.

4.1.. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat de maatregel van bewaring van eiser op 28 mei 2026 is opgeheven. Eiser heeft zich daarna niet gemeld bij het COA voor opvang, waarna er een MOB-melding is gemaakt. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting verklaard dat hij na deze datum nog contact heeft gehad met eiser.

Asielrelaas

5. Eiser heeft het volgende aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft een relatie gehad met de vrouw van zijn oom. Met de vrouw van zijn oom heeft eiser vervolgens een kind gekregen. Als gevolg hiervan heeft zijn oom hem bedreigd.

Bestreden besluit

6. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:

identiteit, nationaliteit en herkomst;

de problemen met zijn oom als gevolg van een relatie met zijn vrouw.

6.1.. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Dat eiser bedreigd wordt door zijn oom als gevolg van een relatie met diens vrouw is ongeloofwaardig. Eiser heeft namelijk geen oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven, zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel en eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd.

Procesbelang

7. Gezien het feit dat de gemachtigde van eiser op de zitting heeft verklaard dat hij nog contact heeft gehad met eiser na diens MOB-melding, stelt de rechtbank vast dat eiser nog procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep.

Kennelijke ongegrondheid

8. Eiser stelt dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgedaan. Het enkele feit dat de aanvraag opvolgend is rechtvaardigt geen automatische kwalificatie als kennelijk ongegrond wanneer nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd. De nieuwe elementen zijn hier juist de kern van het geschil. Dat de aanvraag als kennelijk ongegrond is afgedaan omdat eiser de aanvraag kort voor de geplande uitzetting is ingediend is ook geen goede grond.

8.1.. De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid en onder f, van de Vw en artikel 30b, eerste lid en onder g van de Vw. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser bij de huidige asielaanvraag slechts omstandigheden heeft aangevoerd die reeds bestonden ten tijde van zijn eerdere asielprocedure. Daarnaast heeft eiser zijn aanvraag één dag voor zijn uitzetting ingediend, waardoor verweerder terecht heeft overwogen dat hij zijn aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Problemen met oom

9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop de bedreigingen van zijn oom zouden zijn begonnen. Eiser heeft namelijk eerst over het voorval verklaard dat zijn oom hem begon te bedreigen nadat de vrouw van zijn oom in de zevende maand van haar zwangerschap tijdens een ruzie heeft verklaard dat het kind van eiser was en niet van zijn oom. Daarnaast heeft eiser verklaard dat de bedreigingen opnieuw begonnen en explicieter werden nadat een DNA-test uitwees dat zijn oom niet de biologische vader was. Volgens eiser werpt verweerder ook ten onrechte aan hem tegen dat hij in de eerdere procedure niet over het kind en de relatie met de vrouw van zijn oom heeft verklaard. Het gaat hier om een seksuele relatie met de echtgenote van een oom binnen een conservatieve familie- en eercultuur, waardoor het niet onaannemelijk is dat schaamte en angst voor verdere escalatie ertoe hebben geleid dat eiser aanvankelijk niet volledig over de gebeurtenis heeft verklaard. Tot slot heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven met documenten. Het is eiser echter door zijn vrijheidsontnemende maatregel niet gelukt om de documenten te verkrijgen.

9.1.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de problemen van eiser met zijn oom ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft namelijk wisselend en tegenstrijdig verklaard over de bedreigingen van zijn oom. Tijdens een eerdere procedure heeft eiser verklaard dat hij bij terugkeer naar Algerije niet te vrezen heeft voor zijn oom omdat hij op leeftijd is en niet in staat is om geweld te gebruiken. Dit strookt niet met de verklaringen van eiser in de huidige procedure waarin hij stelt dat hij vreest vermoord te worden door zijn oom. Dat eiser verklaart eerder bang te zijn geweest om het asielmotief naar voren te brengen is geen verschoonbare reden voor deze wisselende verklaringen. Daarnaast heeft eiser in een eerdere procedure verklaard dat hij geen kinderen heeft, terwijl het kind waar het in deze procedure om gaat al in 2020 is geboren. Ook heeft eiser geen documenten overgelegd die zijn asielmotief onderbouwen. Zo heeft eiser bijvoorbeeld geen geboorteakte van het kind overgelegd en evenmin foto’s waarin de vrouw van zijn oom zegt dat het kind van eiser is. Ook zijn er geen foto’s overgelegd van de aanval in Frankrijk en de Facebookberichten met de bedreigingen van zijn oom. Eiser heeft in de zienswijze aangegeven in het bezit te zijn van deze documenten, maar heeft deze nooit overgelegd. Daarnaast heeft eiser niet de kans genomen om op zitting zijn asielaanvraag toe te lichten en om eventuele vragen van de rechtbank te beantwoorden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

11. Nu op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

12. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.9465:

  • verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.9466:

  • wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze

partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend

binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de

behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de

indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van

State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

Op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

ECLI:NL:RBLIM:2026:5420.

Weitere Entscheidungen