ECLI:NL:RBDHA:2026:18169
Zusammenfassung
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.23373
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J. van Putten),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister.
Inleiding
Bij besluit van 5 december 2025 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) afgewezen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
De minister heeft met het besluit van 17 april 2026 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek strekt ertoe om verzoeker toe te staan zijn werkzaamheden te continueren gedurende de beroepsprocedure.
Op 24 april 2026 heeft de voorzieningenrechter de minister verzocht binnen één week op dit verzoek te reageren. De minister heeft geen reactie gegeven.
De voorzieningenrechter doet op grond van 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak
zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.
2. Verzoeker stelt dat hij een zwaarwegend en spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de gevraagde voorlopige voorzieningen. Dat verzoeker voor onbepaalde tijd zonder werk komt te zitten, de grote onzekerheid over zijn verblijfsrechtelijke positie en daarmee samenhangende dienstverband, brengen voor hem een grote mate van psychische spanning mee. Hierbij dient voor ogen gehouden te worden dat verzoeker in Nederland geen familie en, gelet op zijn relatief korte verblijf, slechts een beperkt sociaal netwerk heeft, dat grotendeels samenhangt met zijn werkomgeving. Zijn werkzaamheden als kok vormen voor hem dan ook niet alleen een bron van inkomsten, maar deze bieden ook structuur, sociale contacten en hij haalt er bovendien veel plezier uit. Het wegvallen hiervan zal dan ook van een negatieve impact zijn op zijn mentale gesteldheid.
3. Omdat de minister desgevraagd zijn belangen niet kenbaar heeft gemaakt, valt de belangenafweging uit in het voordeel van verzoeker. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de
minister in de door verzoeker gemaakte griffie- en proceskosten. De proceskosten stelt de
voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht
voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor
het indienen van het verzoekschrift met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor
1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
bepaalt dat de vertrekplicht wordt opgeschort en dat verzoeker gedurende de
beroepsprocedure mag blijven werken;
bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Algemene wet bestuursrecht.