Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18171

Gericht

Amsterdam

Datum

2 July 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.6176 (beroep)

NL26.6177 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1977, van Colombiaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. H. Loth),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. B.E.M. Goossens).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot het voorkomen van zijn uitzetting totdat op het beroep is beslist.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, D.P. Navarette als tolk in de Spaanse taal, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Het asielrelaas

1. Eiser heeft op 19 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft hieraan het volgende asielrelaas ten grondslag gelegd. Hij heeft verklaard dat hij in maart of april 2021 is aangesproken door twee personen die verbonden waren aan een criminele bende (Oficina de Cobro). Zij vroegen hem om hen informatie over mensen in de wijk te verschaffen en hen te helpen met illegale zaken, zoals het distribueren van drugs. Toen eiser dit weigerde, hebben de twee personen eiser met de dood bedreigd. Eiser heeft hiervan aangifte gedaan en is bij zijn zus ondergedoken. In november of december 2021 is eiser met zijn neefje naar een ijssalon gegaan, toen hij de twee mannen opnieuw zag. Een van hen had een wapen bij zich. Eiser heeft zich vervolgens verstopt in de ijssalon en is ondergedoken. In februari 2022 heeft hij Colombia verlaten. Bij terugkeer naar Colombia vreest hij te worden vermoord.

Het bestreden besluit

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

Problemen met leden van de Oficina.

De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De minister acht de problemen van eiser met de leden van de Oficina daarentegen niet geloofwaardig. De minister meent namelijk dat de verklaringen van eiser hierover zijn gebaseerd op aannames en vermoedens. Daarnaast werpt de minister tegen dat eiser de mannen die hem bedreigden niet concreter kan beschrijven. Ook heeft eiser volgens de minister tegenstrijdig verklaard over de werkwijze van de leden van de Oficina. Verder stelt de minister dat het tegenstrijdig is dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij ondergedoken zat en anderzijds dat hij in het openbaar te vinden was en bleef werken. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij op dit moment gezocht wordt. Tot slot werpt de minister tegen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven.

2.1.. Omdat de minister de problemen van eiser met de leden van de Oficina niet geloofwaardig geacht, heeft de minister enkel beoordeeld of het feit dat eiser uit Colombia komt maakt dat hij als vluchteling moet worden aangemerkt of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Colombia. Dat is volgens de minister niet het geval. De minister meent daarom dat eiser niet voor een asielvergunning in aanmerking komt. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen omdat hij meent dat eiser zijn asielaanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verwijderenen omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dit mogelijk was.

Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de vrees van eiser voor de leden van de Oficina gebaseerd is op aannames en vermoedens?

3. Eiser voert aan dat de minister er ten onrechte aan voorbijgaat dat hij een duidelijk beeld heeft geschetst van de grondslag van zijn vrees voor de bende. De minister kan deze door eiser geschetste vrees niet terzijde schuiven met de stelling dat slechts sprake zou zijn van aannames aan de zijde van eiser.

3.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiser over zijn vrees voor de leden van de Oficina zijn gebaseerd op aannames en vermoedens. De minister heeft hierbij onder meer terecht betrokken dat eiser naar eigen zeggen al tientallen jaren in de bouw werkzaam was en de Oficina al zo’n dertig jaar in zijn wijk actief is. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij in 2021 opeens het doelwit van deze organisatie is geworden. Eiser heeft verklaard dat de bendeleden hem persoonlijk hebben bedreigd, maar kan niet concreet verklaren wat zij tegen hem hebben gezegd. Eiser heeft verder niet inzichtelijk gemaakt dat de bendeleden het specifiek op hem gemunt hadden toen hij hen bij de ijssalon zag. Eiser heeft hen immers enkel van afstand gezien. De bendeleden hebben niet hun wapen op hem gericht, hem benaderd of iets tegen hem geroepen. Eiser heeft verklaard dat er niemand anders was op wie zij het gemunt konden hebben omdat niemand anders wegrende of zich verstopte. De minister werpt terecht tegen dat dit een aanname is, aangezien eiser niet kan weten of zij ook problemen met andere mensen hadden of enkel bij toeval in de buurt van de ijssalon waren.

Mocht de minister aan eiser tegenwerpen dat hij niet nauwkeuriger heeft kunnen verklaren over de ontmoetingen met zijn belagers?

4. Eiser stelt dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet nauwkeuriger heeft kunnen verklaren over de ontmoetingen met zijn belagers. De eisen die de minister lijkt te stellen aan het concreet kunnen beschrijven van de daders zijn niet realistisch en laten onvoldoende beoordelingsruimte voor de omstandigheden van het geval.

4.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister gedetailleerdere verklaringen van eiser mocht verwachten ten aanzien van zijn belagers. Eiser heeft op de zitting verklaard dat hem niet is gevraagd een fysieke beschrijving van de belagers te geven, maar alleen van de kleding die zij droegen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt echter dat de gehoormedewerker aan eiser heeft gevraagd hoe deze twee personen eruit zagen. Eiser heeft hierop enkel geantwoord dat alle zwarte mensen op elkaar lijken. Op de vervolgvraag of eiser hun postuur kan omschrijven en wat zij aan hadden, heeft eiser geantwoord dat hij het niet weet en dat een van hen ongeveer even lang als hij was en de ander iets kleiner. De minister werpt terecht tegen dat niet valt in te zien waarom eiser deze mannen niet concreter kan beschrijven, aangezien hij heeft verklaard dat hij hen in totaal vier keer heeft gezien. Bovendien heeft eiser hen bij het laatste contactmoment bij de ijssalon op afstand herkend. Ook daarom kon van eiser worden verwacht dat hij een nadere beschrijving van de daders kan geven.

Heeft de minister ten onrechte de aan eiser tegengeworpen inconsistenties niet tijdens het nader gehoor aan eiser voorgehouden?

5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte de in het voornemen tegengeworpen inconsistenties niet tijdens het nader gehoor aan hem zijn voorgehouden. Daarmee is sprake van een gebrek in het horen en is sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.

5.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser tijdens het nader gehoor voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om over zijn asielrelaas te verklaren en te reageren op de in de besluitvorming tegengeworpen inconsistenties. Eiser heeft op de zitting naar voren gebracht dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd over de reden waarom de bendeleden niet de ijssalon zijn binnengetreden toen zij eiser zagen. De gehoormedewerker heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank echter voldoende in de gelegenheid gesteld hierover te verklaren. De medewerker heeft eiser na zijn verklaring dat hij zich in de ijssalon had verstopt voorgelegd dat zij naar binnen hadden kunnen komen om hem te vinden. Eiser heeft hierop geantwoord dat zij dit niet doen als er mensen zijn en dat zij zich niet in menigtes begeven. De gehoormedewerker heeft vervolgens gevraagd waarom eiser denkt dat zij hem wilden vermoorden, nu hij heeft verklaard dat zij zich niet begeven in menigtes en geen moorden uitvoeren als er mensen bij zijn. Eiser heeft hierop verklaard dat zij wel degelijk moorden uitvoeren op plekken zoals een discotheek, restaurant en bars en dat daar ook menigtes bij zijn, maar dat het best risicovol is om ergens naar binnen te gaan als zij gezien worden. Eiser heeft deze verklaringen in de correcties en aanvullingen niet gewijzigd of aangevuld. De minister heeft gelet op deze verklaringen terecht geconcludeerd dat eiser hiermee tegenstrijdig over de werkwijze van de bendeleden heeft verklaard. Eiser heeft verder niet geconcretiseerd over welke andere inconsistenties de minister onvoldoende heeft doorgevraagd. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.

Heeft de minister de aangifte van eiser en de algemene informatie over het bendegeweld in Cali ten onrechte niet in de beoordeling betrokken?

6. Eiser voert aan dat de minister de door hem overgelegde aangifte ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, evenals het evidente bendegeweld in Cali zoals beschreven in het algemeen ambtsbericht.

6.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte niet kenbaar op het door eiser overgelegde Spaanstalige formulier van de politie is ingegaan. De minister heeft echter op de zitting alsnog voldoende gemotiveerd dat dit document niet maakt dat het asielrelaas van eiser geloofwaardig wordt geacht. De rechtbank maakt uit hetgeen met partijen op zitting is besproken op dat dit document geen aangifte betreft, maar een formulier met verschillende aanbevelingen die de politie aan eiser heeft gegeven om zichzelf en zijn familieleden te beschermen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat – mede omdat geen vertaalde versie van het document is overgelegd – de precieze aard en inhoud van dit document onduidelijk is. Uit het document kan niet worden afgeleid dat dit is verstrekt naar aanleiding van zijn aangifte tegen de bedreigingen. Voor zover dit al zou worden aangenomen, bevestigt dit formulier niet dat deze bedreigingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Bovendien betreft het document een kopie, die niet op echtheid kan worden onderzocht. De minister heeft dan ook terecht geconcludeerd dat dit document er niet toe leidt dat het asielrelaas van eiser geloofwaardig moet worden geacht.

6.2.. Ten aanzien van de landeninformatie over het bendegeweld in Cali overweegt de rechtbank dat het gegeven dat er bendegeweld voorkomt nog niet direct betekent dat de problemen van eiser geloofwaardig moeten worden geacht. Het is in eerste instantie aan eiser om zijn asielaanvraag te staven en om aannemelijk te maken dat hij in zijn individuele geval problemen heeft ervaren wegens een criminele bende. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat eiser hier niet in is geslaagd.

Heeft de minister terecht tegengeworpen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend?

7. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Eiser heeft namelijk vanaf juli in 2023 in Nederland verbleven en heeft pas asiel aangevraagd nadat hij op 19 januari 2026 is staande gehouden. Eiser heeft verklaard dat hij niet eerder asiel heeft aangevraagd omdat hij niet wist hoe de asielprocedure werkte, landgenoten hem hadden verteld dat hij meteen asiel had moeten vragen en hij bang was teruggestuurd te worden naar Colombia. De minister heeft deze verklaringen terecht niet als verschoonbare redenen voor de late indiening van de asielaanvraag aangemerkt. Voor zover eiser niet duidelijk was hoe de asielprocedure werkte, lag het op de weg van eiser om hierover informatie in te winnen bij de relevante autoriteiten.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

9. Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep beslist, bestaat er geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met nummer NL25.6176:

  • verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak met nummer NL25.6177:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de

uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

De minister spreekt in de besluitvorming van OFICNAS, maar gelet op de landeninformatie over Colombia zal de rechtbank de spelling ‘Oficina’ aanhouden.

Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.

Weitere Entscheidungen