ECLI:NL:RBDHA:2026:18176
Zusammenfassung
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.19022 en NL 24.19026
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[naam 1] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [naam 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordelen de enkelvoudige kamer van de rechtbank en de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het verzoek van verzoeker om een veroordeling van verweerder in de proceskosten in de hiernavolgende samenhangende procedures. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van verweerder van 2 april 2024 (zaaknummer NL24.19022) en het daarmee samenhangende verzoek om een voorlopige voorziening (zaaknummer NL24.19026). Verzoeker heeft voornoemde procedures ingetrokken omdat hij inmiddels in bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘studie’.
1.1.. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek. Verweerder heeft de rechtbank verzocht het verzoek af te wijzen. Verweerder stelt dat de intrekking van de procedures niet het gevolg is van een tegemoetkoming aan het beroep van verzoeker, zoals artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorschrijft, maar samenhangt met de inwilliging van een afzonderlijke aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning met een ander verblijfsdoel, namelijk ‘studie’.
1.2.. Verzoeker stelt in reactie daarop dat voor de beoordeling van het verzoek gekeken moet worden naar de materiële uitkomst voor verzoeker en niet naar de ingestelde beroepsprocedure waarlangs de uitkomst wordt bereikt. Bovendien was verweerder – aldus verzoeker – bekend met de toepassing van de studieomstandigheden. Door het begrip ‘tegemoetkomen’ uit artikel 8:75a van de Awb te reduceren tot het bestreden besluit of exact dezelfde vergunning in de lopende beroepsprocedure geeft verweerder een te beperkte uitleg en toepassing aan artikel 8:75a van de Awb. Verzoeker wijst daarbij op de intrekking van de rechtsgevolgen ten aanzien van het terugkeerbesluit en de opgelegde vertrektermijn.
1.3..
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst de verzoeken om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
2.1.. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
2.2.. Op 30 april 2024 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard. Dat bezwaar zag op de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning ‘EU langdurig ingezetene’. Ook kwam verzoeker volgens verweerder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en werd de toen geldige verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘zoekjaar’ niet verlengd. Het besluit gold tevens als terugkeerbesluit. In de beslissing op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij de afwijzing gebleven. Daartegen heeft verzoeker beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.. Op 2 mei 2026 heeft verzoeker de rechtbank geïnformeerd dat hij inmiddels in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘studie’. Daarvoor had verzoeker op 9 juli 2024 een afzonderlijke aanvraag ingediend. De verblijfsvergunning is geldig van 1 augustus 2024 tot 30 november 2026. Verzoeker heeft daarbij aangegeven geen proces- en spoedeisend belang meer te hebben bij het voortzetten van de lopende procedures die verband houden met het bestreden besluit van 2 april 2024. Verzoeker heeft vervolgens het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en tegelijk verzocht om een proceskostenveroordeling in beide procedures.
2.4..
De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat verweerder niet tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoeker. Uit het verlenen van de verblijfsvergunning op een andere verblijfsgrond naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van verzoeker kan immers niet worden afgeleid dat verweerder van mening is dat het bestreden besluit onrechtmatig was. De enkele en niet onderbouwde stelling van verzoeker dat dit een te beperkte toepassing is van artikel 8:75a van de Awb volgt de rechtbank niet. Zowel de wettekst als de parlementaire geschiedenis bieden ook geen aanknopingspunten voor een bredere toepassing van deze bepaling dan de beroepsprocedure die voorligt. Daardoor wordt uitsluitend beoordeeld of is tegemoetgekomen aan het beroep van de verzoeker in die procedure. Dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit zijn ingetrokken en verweerder volgens verzoeker daardoor materieel ten minste gedeeltelijk of geheel tegemoet is gekomen aan zijn beroep, volgt de rechtbank niet. Dat verzoeker niet terug hoeft te keren naar het land van herkomst is immers het rechtstreekse gevolg van de toekenning van de andere verblijfsvergunning. De rechtbank wijst het verzoek om een veroordeling in de proceskosten in zowel het beroep (NL24.19022) als het verzoek om een voorlopige voorziening (NL24.19026) daarom af als kennelijk ongegrond.
Beslissing
De rechtbank wijst de verzoeken om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met de uitspraak, kunnen zij, voor zover het betreft de uitspraak in de procedure betreffende het beroep, een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de beslissing op het verzoek in de procedure betreffende de voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Dit volgt voor de bodemprocedure uit artikel 8:54, eerste lid, samen met artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Voor de voorlopige voorziening volgt dit uit artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).