ECLI:NL:RBDHA:2026:18202
Zusammenfassung
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20139
V-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1999 en van Marokkaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. Š. Petković),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
(gemachtigde: mr. E. Konstapel).
Inleiding
Met het primaire besluit van 9 augustus 2024 heeft de minister de aanvraag van eiser om een visum voor kort verblijf afgewezen.
Met het bestreden besluit van 7 april 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser op 30 april 2025 beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door mr. L. Hu, waarneemster van de gemachtigde van eiser. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Griffierecht
1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De griffier heeft dit verzoek met de brief van 1 mei 2025 voorlopig toegewezen. De rechtbank wijst het verzoek definitief toe.
Beroep tegen het bestreden besluit
Achtergrond
2. Eiser heeft op 17 juli 2024 een visum kort verblijf aangevraagd om op bezoek te gaan bij [referent] (referent) in de periode van 16 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024. In het ‘Bewijs van garantstelling en/of Particuliere logiesverstrekking’ heeft referent verklaard dat eiser zijn neef is.
Besluitvorming
3. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Ook heeft eiser zijn sociale en economische binding met Marokko onvoldoende aangetoond, waardoor hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij (tijdig) het Schengenbied zal verlaten.
Juridisch kader
4. De rechtbank overweegt dat in artikel 32, eerste lid, onder a (onderdeel ii) en b, van de Visumcode staat dat een visum wordt geweigerd als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt de minister een ruime beoordelingsruimte toe.De minister kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en/of sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.
Sociale binding
5. Eiser voert aan dat hij wel een sterke sociale binding met Marokko heeft. Eiser maakt deel uit van een gezin. Hij woont bij zijn moeder en stiefvader en een aanzienlijk deel van zijn familie verblijft in Marokko. Eiser is geboren en getogen in Marokko, heeft daar een sociaal leven opgebouwd en volgt een [opleiding] aan de [universiteit] in [plaats] . De opvatting van de minister zou ertoe kunnen leiden dat bij geen enkele alleenstaande zonder zorgtaken sprake kan zijn van voldoende sociale binding en dat is slecht verdedigbaar. Eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 april 2023.
5.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn sociale binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Eiser is 25 jaar oud, ongehuwd en heeft geen kinderen. Hij draagt dus niet de verantwoordelijkheid voor een eigen gezin. Ook is niet gebleken dat eiser zorgdraagt voor zijn moeder, stiefvader of overige directe familieleden of dat er zwaarwegende verplichtingen op hem rusten in Marokko. Verder kan de rechtbank zich indenken dat eiser een sociaal leven heeft in Marokko. Maar de enkele stelling dat dat zo is, zonder onderbouwing waaruit dit sociale leven dan bestaat, heeft de minister onvoldoende kunnen achten voor het aannemen van een dusdanige sociale binding naar Marokko dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Voor zover eiser aanvoert dat de studie van eiser een sociale binding met Marokko oplevert, vanwege het contact met bijvoorbeeld medestudenten, heeft eiser ook dit verzuimd te onderbouwen. Tot slot kan de verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van 24 april 2023 eiser niet baten, omdat dit volgens de rechtbank geen vergelijkbare zaak betreft. Zo vond de rechtbank in die uitspraak ook van belang dat de betrokkene sinds het overlijden van zijn vader de enige man in het gezin was, dat verder bestond uit een moeder en drie zussen Volgens de rechtbank had de minister dit in die zaak wel in zijn beoordeling moeten betrekken, omdat dat een bepaalde sociale binding met zijn gezinsleden en daarmee met het land van herkomst opleverde. In de huidige zaak is eiser echter niet de enige man in het gezin, omdat zijn stiefvader ook deel uitmaakt van het gezin. De beroepsgrond slaagt niet.
Economische binding
6. Eiser voert verder aan dat hij wel een sterke economische binding met Marokko heeft. Eiser volgt een [opleiding] aan de [universiteit] in [plaats] . Dit is een veeleisende studie, waarvan hij reeds meerdere vakken met succes heeft afgerond. Vanwege privéomstandigheden heeft hij de studie in de afgelopen periode tijdelijk niet actief kunnen voortzetten. Verder is van belang dat het een Arabischtalige [opleiding] betreft, die niet internationaal erkend is. Hierdoor is het feitelijk uitgesloten om de studie elders voort te zetten.
6.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn economische binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Het is niet in geschil dat eiser niet over een stabiel en regelmatig inkomen beschikt om zelfstandig in zijn onderhoud te voorzien in Marokko. Ten aanzien van de studie van eiser is de rechtbank ervan uitgegaan dat dit gaat om een studie over het recht in Marokko en niet over een (algemene) [opleiding] in het Arabisch, zoals de gemachtigde van de minister op zitting heeft gesteld. De rechtbank kan zich lastig indenken dat een studie over het recht in Marokko makkelijk elders kan worden voortgezet. Dit leidt echter niet tot een geslaagd beroep, omdat eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk die studie volgt. De inschrijvingen voor het leerjaar 2023-2024, de inschrijving voor het leerjaar 2024-2025 en een vakantierooster is daarvoor niet genoeg. De rechtbank is het met de minister eens dat het op de weg van eiser had gelegen om zijn studie(voortgang) nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met cijferlijsten of uitslagen van behaalde tentamens. Dat heeft eiser niet gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
7. Eiser voert tot slot aan dat hij ten onrechte niet door de minister is gehoord. Het staat immers niet op voorhand vast dat hetgeen eiser mogelijk nog aanvullend zou kunnen verklaren of bewijzen niet kan leiden tot een ander oordeel en dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de uitkomst van het bezwaar.
7.1.. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awbkan van horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met wat in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit.
7.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het geval van eiser kunnen afzien van het horen in bezwaar. In wat eiser in het bezwaarschrift heeft aangevoerd, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om eiser nader te horen over het doel van zijn verblijf en zijn gestelde sociale en economische binding met het land van herkomst. Het is allereerst aan eiser om zijn sociale en economische binding met het land van herkomst aannemelijk te maken. Ook met de in de bezwaarfase overgelegde documenten is eiser daarin niet geslaagd. Een mondelinge toelichting had dat niet anders gemaakt. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 juni 2026, omdat in die zaak in de bezwaarfase meer stukken waren overgelegd. Zo had de betrokkene in die zaak naast registratiecertificaten ook afschriften van cijferlijsten over drie studiejaren overgelegd. Op grond daarvan kwam de rechtbank tot de conclusie dat eiser voldoende inspanningen had verricht om de door de minister verlangen informatie te verkrijgen en inzichtelijk te maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag om een visum voor kort verblijf in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.
ECLI:NL:RBDHA:2023:6137.
Algemene wet bestuursrecht.
Zie hierover ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
ECLI:NL:RBDHA:2026:15428.