ECLI:NL:RBDHA:2026:18455
Zusammenfassung
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Arnhem
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33833
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: L. Ploeger).
Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De minister stelt in de maatregel van bewaring dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister vermeldt, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden dat eiser: 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
1.1.. Tijdens de zitting heeft de minister aangegeven dat hij de lichte gronden, 4a, 4d en 4e laat vallen. Wat eiser tegen die gronden aanvoert, behoeft daarom geen bespreking.
Het onttrekkingsrisico
2. Eiser betwist de zware gronden 3b, 3c en 3d. Daarbij licht eiser toe dat hij beroep had ingesteld tegen de afwijzende beschikking van 25 november 2025 op zijn asielaanvraag. De rechtbank heeft eisers beroep ongegrond verklaard in de uitspraak van 20 mei 2026, maar eiser kwam hier pas achter toen hij in bewaring werd gesteld. Zijn asieladvocaat heeft hem niet geïnformeerd over de uitspraak. Voorafgaand aan de bewaring was eiser dus in afwachting van de uitspraak op zijn beroep en wist hij ook niet dat hij een vertrekplicht had. Daar komt bij dat eiser op een opvanglocatie van het COa verbleef. Eiser meent daarom dat niet gezegd kan worden dat in zijn geval sprake is van een risico op onttrekking.
2.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De minister licht bij de zware grond 3b toe dat eiser sinds 2016 in Nederland verblijft en op 24 december 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Daarmee heeft eiser zich enige tijd aan het toezicht onttrokken. Dit wordt door eiser niet betwist. Daarmee is de zware grond 3b feitelijk juist. Verder betwist eiser de zware grond 3i niet. Daarmee is de feitelijke juistheid daarvan niet in geschil. Nu de zware gronden 3b en 3i feitelijk juist zijn, stelt de minister terecht dat deze van toepassing zijn en aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd.Eisers verklaring dat hij in afwachting was van een uitspraak op zijn beroep en op een opvanglocatie verbleef, maakt deze gronden niet feitelijk onjuist. De gronden samen zijn voldoende om de maatregel te dragen. Uit de gronden samen volgt ook dat in eisers geval sprake is van een onttrekkingsrisico.
Lichter middel
3. Eiser voert aan dat het onredelijk is dat hij in bewaring is gesteld. Daartoe voert eiser aan dat hij niet op de hoogte was van de al eerder genoemde uitspraak van 20 mei 2026 op zijn beroep tegen de asielbeschikking. Daarom wist hij ook niet dat hij een vertrekplicht had. Ook verbleef hij in een opvanglocatie van het COa.
3.1.. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee bedoelt te betogen dat de minister moet volstaan met een lichter middel. Dit slaagt echter niet. De minister motiveert voldoende waarom niet wordt volstaan met een lichter middel. Uit de zware gronden volgt een onttrekkingsrisico. Eiser geeft aan dat hij niet wil meewerken aan zijn uitzetting naar Egypte en is eerder met onbekende bestemming vertrokken. Dat eiser op een opvanglocatie verbleef neemt dit onttrekkingsrisico niet weg. Dat hij geen weet had van de uitspraak van 28 mei 2026 ook niet. Dat doet er namelijk niet aan af dat eisers beroep ongegrond is verklaard. In het besluit van 25 november 2025 staat dat eiser moet terugkeren naar Egypte en Nederland onmiddellijk moet verlaten, zodat hij na 20 mei 2026 een vertrekplicht had. Eiser is al eerder, toen hem was medegedeeld dat hij moest vertrekken, met onbekende bestemming vertrokken. Daarom kon de minister, toen hem bekend werd dat eiser strafrechtelijk was aangehouden, besluiten om eiser in bewaring te stellen en geen lichter middel op te leggen.
Zicht op uitzetting
4. Eiser voert aan dat het erop lijkt dat uitzettingen naar Egypte stroperig verlopen. Daarbij wijst eiser erop dat in het verslag van het vertrekgesprek van 7 juni 2026 staat dat de regievoerder heeft aangegeven dat onderzoek bij de Egyptische autoriteiten een bovengemiddelde lange doorlooptijd kent.
4.1.. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee bedoelt te betogen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte ontbreekt. Dit slaagt echter niet. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat in 2025 door de Egyptische autoriteiten 5 laissez-passers (lp’s) zijn verstrekt. Verder heeft de minister op 5 juni 2026 een lp aanvraag voor eiser verzonden. De Egyptische autoriteiten hebben hier nog niet op gereageerd maar dat betekent niet dat er geen lp zal worden verstrekt, of dat dit (te) lang zal gaan duren. Bovendien moet de minister voorlopig in de gelegenheid worden gesteld om een antwoord af te wachten. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het lp-traject op niets zal uitlopen. Het traject duurt ook nog niet zo lang dat die conclusie op dit moment moet worden getrokken. Daar komt bij dat op eiser een plicht rust tot het meewerken aan zijn vertrek. Het is niet gebleken dat eiser aan die verplichting voldoet.
Ambtshalve toetsing
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zoals dat luidde tot 12 juni 2026.
Rb. Den Haag (zp. Middelburg), ECLI:NL:RBDHA:2026:13196.
Vergelijk ABRvS 20 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.