ECLI:NL:RBDHA:2026:18471
Zusammenfassung
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Arnhem
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42251
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. van den Hombergh),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.J. Rossing).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens de minister kan eiser terugkeren naar de provincie Aden in Jemen. Eiser is het niet eens met dit besluit.
1.1.. De rechtbank gaat in deze uitspraak voor het eerst in op de vraag of de minister in het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Jemen, zoals vastgesteld met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/20, terecht voor de provincie Aden een relatief hoger niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen.
1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister in WBV 2025/20 voor de provincie Aden terecht niet is uitgegaan van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Toch is het beroep gegrond, omdat het besluit was gebaseerd op het eerdere landgebonden asielbeleid (WBV 2024/9) dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) niet houdbaar heeft geacht. Pas na het aanvullen van de motivering in beroep heeft de minister het besluit deugdelijk gemotiveerd. Eiser heeft ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij wegens discriminatie verdragsvluchteling is of bij terugkeer naar Jemen het individueel het risico loopt het slachtoffer te worden van op hem gericht geweld.
1.3.. De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop uiteen (2), gevolgd door een weergave van het asielrelaas van eiser (3) en het standpunt van de minister (4). Daarna gaat de rechtbank in op de door eiser gestelde discriminatie (5), zijn vrees voor rekrutering (6), de vrees vanwege zijn deelname aan een protest en een bijeenkomst in Nederland (7) en zijn vrees wegens zijn verblijf in het buitenland (8). Vervolgens beoordeelt de rechtbank onder 9 tot en met 14 of eiser in Jemen een risico loopt als gevolg van willekeurig geweld: de rechtbank beantwoordt de vraag of de minister een volledige beoordeling heeft verricht, of de minister voor de provincie Aden in Jemen terecht niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld heeft aangenomen en wat de uitkomst van die beoordeling betekent voor eiser. Onder 15 gaat de rechtbank in op de vraag of de minister in de humanitaire situatie in Jemen aanleiding had moeten zien om een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (16).
Procesverloop
2. Eiser heeft op 4 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 september 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 23 december 2024 en 12 maart 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 4 december 2025 en 13 maart 2026 verweerschriften ingediend.
2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser komt uit Jemen. Hij is op [geboortedag] 1995 geboren in het dorp [geboortedorp], dat deel uitmaakt van het district Asabeh, in de provincie Taiz. In 2013 is hij gaan studeren in de stad Taiz en verbleef tot 2015 wisselend in Taiz en zijn geboortedorp. Tussen 2016 en 2020 heeft eiser in verband met studie in Sanaa gewoond. Na zijn studie is eiser in 2020 in Aden gaan wonen, waar hij verbleef tot aan zijn vertrek uit Jemen in 2023.
Kort samengevat heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat hij Jemen heeft verlaten vanwege de ondervonden discriminatie in Aden (vanwege zijn afkomst uit Taiz) en vanwege de oorlog. In de zienswijze heeft eiser naar voren gebracht dat hij vreest te worden gerekruteerd door een van de strijdende partijen in Jemen. Hij stelt in dit verband dat de Islah-militie hem twee keer heeft geprobeerd te rekruteren en dat zij na zijn vertrek uit Jemen in 2024 twee keer bij zijn ouders langs zijn geweest om hem te rekruteren. Daarnaast heeft hij gewezen op het risico bij terugkeer vanwege zijn deelname aan een protest en bijeenkomst in Nederland en het lange verblijf in Nederland.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De ondervonden discriminatie op grond van zijn afkomst uit Taiz vindt de minister ook geloofwaardig, maar deze is volgens hem onvoldoende zwaarwegend. De gestelde rekruteringspogingen acht de minister deels niet geloofwaardig en met de poging in 2016 die hij wel geloofwaardig acht is niet aannemelijk gemaakt dat eiser nu nog bij terugkeer heeft te vrezen voor rekrutering. Eiser loopt volgens de minister ook geen reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Voor de provincie Aden, dat volgens de minister als eisers laatste woonplaats moet worden aangemerkt, heeft de minister een hoger niveau van willekeurig geweld aangenomen. Dat betekent dat eiser met specifieke omstandigheden aannemelijk moet maken dat hij een verhoogd risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld en daarvan is niet gebleken.
Heeft de minister de gestelde discriminatie in Aden terecht onvoldoende zwaarwegend geacht?
5. Eiser betoogt dat het standpunt van de minister over de in Aden ondervonden discriminatie in strijd is met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister heeft de omstandigheden waaronder eiser in Aden moest leven gebagatelliseerd. De minister acht ook ten onrechte van belang dat eiser zonder problemen tussen Al Ufa en Al Turba (Taiz) kon reizen. Dat ziet namelijk op een andere periode (vóór 2020) en op een andere locatie (Taiz) dan de problemen waar eiser op doelt, namelijk discriminatie in Aden vanwege zijn afkomst uit Taiz nadat hij daar ging werken. Vanuit Aden kon eiser alleen naar zijn ouders in Taiz reizen met hulp van een chauffeur/smokkelaar die ook geld betaalde bij controleposten. Evenmin kon hij op de normale manier een paspoort krijgen; hij had daar een tussenpersoon voor nodig.
5.1.. In geschil is of eiser met de door hem aangedragen persoonlijke feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem ondervonden discriminatie moet worden aangemerkt als daad van vervolging. Hiervan is volgens paragraaf C2/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026, sprake als hij door deze discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.
5.2..
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat van een zodanige situatie geen sprake is. Eiser heeft niet betwist dat hij in Aden beschikte over huisvesting en sinds 2020 in zijn levensonderhoud voorzag door te werken als assistent accountant bij het instituut [instituut] in [plaats]. Dit wijst er niet op dat eiser niet op normale wijze aan de Jemenitische samenleving kon deelnemen. Dat leden van de Zuidelijke Transitieraad (STC) hem en anderen regelmatig lastigvielen op zijn werk, neemt niet weg dat eiser deze werkzaamheden jarenlang heeft kunnen verrichten. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij persoonlijk geen problemen ondervond.Dat eiser uit angst voor checkpoints en de veiligheidssituatie weinig buiten zijn werkomgeving kwamheeft de minister terecht onvoldoende geacht voor een ander oordeel. De minister neemt ook terecht in aanmerking dat eiser documenten, zoals een paspoort en een identiteitskaart, kon verkrijgen. Dat eiser deze documenten, zoals hij stelt, via een tussenpersoon heeft geregeld, doet er niet aan af dat hij ze uiteindelijk wel heeft kunnen verkrijgen. Daarbij komt dat deze verklaring over de wijze van verkrijging van de documenten niet overeenkomt met eisers eerdere verklaring dat hij het paspoort en de identiteitskaart zelf heeft aangevraagd.De door eiser gestelde vrees om vanwege zijn afkomst uit de regio Taiz bij controleposten gediscrimineerd te worden, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser deze vrees onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de door eiser overgelegde algemene informatie uit het ambtsbericht over controleposten volgt niet dat de vermelding van Taiz op een identiteitskaart al tot problemen leidt bij controles.De minister heeft er bovendien terecht (en onweersproken) op gewezen dat de in het ambtsbericht genoemde risico’s met name zien op politici, journalisten en activisten, tot welke groepen eiser niet behoort. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van eiser niet dat hij zelf problemen heeft ondervonden bij controleposten. De aanvullende verklaring van eiser in beroep dat hij in de laatste maand voor zijn vertrek bij reizen naar zijn ouders gebruikmaakte van een smokkelaar, waardoor hij problemen kon ontlopen, heeft hij niet eerder naar voren gebracht. Het laat ook onverlet dat hij volgens zijn verklaringen op de dag van zijn vertrek en zijn reis naar de luchthaven geen problemen had bij controleposten.Eiser heeft niet verklaard dat hij ook toen gebruikmaakte van een smokkelaar. De minister heeft zijn standpunt dat eiser probleemloos tussen Al Ufa en Al Turba (Taiz) kon reizen – dit zag niet op de provincie Aden – op zitting laten vallen, maar dat neemt niet weg dat de minister, gelet op het voorgaande, al voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser de gestelde discriminatie bij controleposten onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
Uit dit alles volgt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde discriminatie niet de vereiste zwaarte heeft. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op rekrutering?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte zijn relaas over de gestelde rekrutering deels buiten beschouwing heeft gelaten. De minister werpt eiser namelijk ten onrechte tegen dat het relaas innerlijk tegenstrijdig is en dat eiser pas in de zienswijze over de rekrutering heeft verklaard. Hij voert aan dat het nader gehoor van beperkte duur was en dat onvoldoende is doorgevraagd. Gelet op de beleidswijziging voor Jemen had de minister hem bovendien opnieuw moeten horen. In ieder geval had de minister hem naar aanleiding van de zienswijze de gelegenheid moeten geven om nader over de rekruteringspogingen te verklaren.Eiser wijst in dit verband op de samenwerkingsplicht uit Werkinstructie 2024/6. Dat eiser een rekruteringspoging uit 2019 pas in de zienswijze heeft genoemd, kan hem niet worden tegengeworpen, omdat hij zich tijdens het nader gehoor niet bewust was van de relevantie daarvan en ervan uitging dat hij op grond van de algemene situatie in Jemen al voor bescherming in aanmerking zou komen. Eiser wijst tot slot op de uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 26 november 2024.
6.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verklaard over vier rekruteringspogingen. Tijdens het nader gehoor heeft hij verklaard dat een dorpsgenoot hem in 2016 in Al Ufa heeft gevraagd zich bij de Islah-militie aan te sluiten, wat hij heeft geweigerd. In de zienswijze heeft hij hieraan toegevoegd dat in 2019 opnieuw een rekruteringspoging is gedaan, en dat in april en juni 2024 leden van de Islah-militie naar het ouderlijk huis zijn gegaan om hem te rekruteren.
6.2.. De minister heeft op zitting toegelicht dat hij alleen de eerste rekruteringspoging geloofwaardig acht. De rechtbank begrijpt het standpunt van de minister aldus dat die enkele poging in 2016 niet maakt dat eiser nu nog een reëel risico loopt op gericht geweld wegens rekruteringen dat deze omstandigheid ook geen betekenis heeft bij de beoordeling van het risico op willekeurig geweld.
6.3.. Het betoog dat eiser ten onrechte niet aanvullend is gehoord slaagt niet. Hoewel het nader gehoor kort was, is eiser tijdens dat gehoor uitdrukkelijk gevraagd of hij in Jemen wel eens is benaderd door een strijdende partij om mee te vechten.Hij heeft toen verklaard dat dit éénmaal, in 2016, is gebeurd. Op vervolgvragen heeft hij bevestigd dat het om een eenmalige gebeurtenis ging.De gehoorambtenaar heeft tijdens dat gehoor ook duidelijk gemaakt dat eiser volledig dient te antwoorden op de gestelde vragenen heeft aan het eind van het gehoor gevraagd of eiser nog iets wil toevoegen, wat eiser niet heeft gedaan.Hiermee heeft de minister voldaan aan zijn deel van de samenwerkingsplicht. De enkele beleidswijziging maakt niet dat eiser aanvullend gehoord had moeten worden. Eiser heeft tijdens het nader gehoor naar voren kunnen brengen om welke redenen hij vreest bij terugkeer.
6.4.. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de door eiser in de zienswijze genoemde aanvullende rekruteringspogingen terecht niet geloofwaardig heeft geacht. Deze verklaringen zijn niet in overeenstemming met de eerdere (niet met correcties en aanvullingen gewijzigde) verklaring van eiser dat hij slechts eenmaal is benaderd. Dat eiser het belang toen niet inzag om ook over de andere rekruteringspoging in 2019 te vertellen, is geen toereikende verklaring, nu eiser expliciet is gevraagd naar het aantal rekruteringspogingen. Verder heeft de minister terecht gewezen op de onaannemelijkheid dat eiser in 2024 opnieuw twee keer zou zijn benaderd, terwijl al lang bekend moest zijn – de militieleden waren volgens eisers eigen verklaringen immers dorpsgenoten– dat hij was vertrokken. Hierop is eiser in beroep ook niet ingegaan. De overgelegde algemene landeninformatie leidt niet tot een ander oordeel, nu deze niet ziet op eisers persoonlijke situatie. Ook heeft de minister, gelet op artikel 31, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), zoals dat luidde tot 12 juni 2026, terecht bij de beoordeling betrokken dat gestelde incidenten laat – pas na het voornemen – zijn gemeld. De minister heeft daarom de in de zienswijze genoemde rekruteringspogingen terecht buiten beschouwing gelaten. Over de (wel geloofwaardig geachte) rekruteringspoging in 2016 heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden en volgens eisers verklaringen niet tot problemen heeft geleid, zodat daaruit geen actueel risico bij terugkeer kan worden afgeleid. De beroepsgrond slaagt niet.
Leiden eisers deelname aan een protest en bijeenkomst in Nederland tot een gegronde vrees voor vervolging?
7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij vanwege zijn deelname in Nederland aan een protest tegen de milities gelieerd aan de STC en de Houthi’s, een bijeenkomst van Vluchtelingenwerk en zijn posts op sociale media, problemen heeft te verwachten bij terugkeer. Eiser vreest dat zijn activiteiten, ook al zijn deze beperkt, kunnen worden opgevat als activiteiten van een ongelovige en hij is bang dat dit wordt opgepikt in Jemen. De minister onderschat volgens eiser de vergaande mate van monitoring en controle van activiteiten door de Houthi’s, waarbij hij verwijst naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 14 januari 2026.
7.1.. Eiser heeft volgens zijn zienswijze deelgenomen aan een protest tegen de milities gelieerd aan de STC en de Houthi’s en een bijeenkomst van Vluchtelingenwerk. Hoewel eiser heeft verklaard dat posts op sociale media zijn geplaatst waarop hij te zien is heeft eiser niet nader onderbouwd waaruit blijkt dat dit demonstraties tegen de Jemenitische autoriteiten of groeperingen betreft, noch dat die op de hoogte zijn van deze, ook volgens hemzelf, beperkte activiteiten, laat staan dat eiser hierdoor in de negatieve belangstelling staat. Voor zover eiser stelt dat hij vreest voor de Houthi’s in verband met hun vergaande monitoring is van belang dat, zoals de rechtbank hierna onder 13.1 en 13.2 zal oordelen, eisers laatste woon- en verblijfplaats in de provincie Aden was en dat is geen Houthi-gecontroleerd gebied. De rechtbank merkt ook op dat [geboortedorp] volgens eisers eigen verklaringen geen Houthi-gecontroleerd gebied is.
Loopt eiser vanwege zijn langdurige verblijf in Europa een reëel risico bij terugkeer naar Jemen?
8. Het (met stukken onderbouwde) betoog van eiser dat zijn langdurige verblijf in Europa hem in de negatieve belangstelling zal plaatsen van de Houthi’s, omdat hij als spion zal worden gezien, slaagt om dezelfde reden niet. Zoals de rechtbank hierna onder 13.1 en 13.2 zal oordelen hoeft eiser namelijk niet terug te keren naar door Houthi’s gecontroleerd gebied.
Loopt eiser het risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld?
9. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij bij terugkeer het risico loopt op ernstige schade wegens het willekeurige geweld in Jemen. Eiser heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd die de rechtbank hieronder zal bespreken. Voorafgaand daaraan zal de rechtbank het toepasselijke beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.
Beleid minister en relevante rechtspraak
10. De minister neemt als gevolg van het arrest X en Yen de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024over dit arrest, voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000,verschillende gradaties aan van willekeurig geweld.De drie gradaties zijn:
1. uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Dit betreft de uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon;
relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
relatief lager niveau van willekeurig geweld.
In de hoogste gradatie van willekeurig geweld beperkt het individualiseringsvereiste zich tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld.Bij de laagste twee gradaties moet de betrokkene aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarbij geldt een glijdende schaal. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen.
10.1.. Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld.In WBV 2024/9heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.
10.2.. De Afdeling is in de uitspraken van 16 juli 2025ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden globaal in zijn beoordeling betrokken. Op het moment van deze Afdelingsuitspraak was het ambtsbericht van april 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van dit nieuwe ambtsbericht.
10.3.. In de brief van 8 oktober 2025heeft de minister naar aanleiding van het ambtsbericht van april 2025 en voormelde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, de voorgenomen wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. Daarna is met WBV 2025/20het landenbeleid gewijzigd.
Besluit van 19 september 2024
11. De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit van 19 september 2024 toepassing heeft gegeven aan het beleid, zoals dat is opgenomen in WBV 2024/9. Gelet op de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 kan dat besluit geen stand houden. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het besluit van 19 september 2024. In zijn verweerschriften van 4 december 2025 en 13 maart 2026 heeft de minister uiteengezet dat toepassing van het voor Jemen gewijzigde landgebonden beleid in WBV 2025/20, voor de beoordeling of eiser bij terugkeer naar Aden een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, niet tot een andere uitkomst leidt. De rechtbank ziet hierin aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.
Is de beoordeling in WBV 2025/20 volledig?
12. Eiser betoogt dat de minister ook zijn beleid in WBV 2025/20, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, onvoldoende heeft gemotiveerd. Dat beleid is namelijk gebaseerd op de brief van 8 oktober 2025, waaraan de beslisnota van 18 juni 2025 ten grondslag ligt die van vóór de uitspraak van de Afdeling dateert. In deze beslisnota is onvoldoende aandacht besteed aan de humanitaire omstandigheden bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld. Dit is volgens eiser problematisch omdat uit het ambtsbericht van april 2025 blijkt dat de ernstige humanitaire situatie in Jemen mede het gevolg is van het handelen of nalaten van de strijdende partijen. De effecten op de economie en daarmee op burgers als gevolg van oorlog kunnen worden gezien worden als een ‘indirect gevolg’ van het handelen van strijdende partijen en moeten bij de beoordeling worden betrokken.
12.1..
De rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, volgens zijn beleid in paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc 2000, zoals dat luidde tot 12 januari 2026, in ieder geval de volgende elementenin samenhang weegt:
• de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;
• de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;
• de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;
• de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;
• de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;
• de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.
12.2..
De Afdeling heeft in de eerdergenoemde uitspraken van 16 juli 2025 geoordeeld dat de minister in het landgebonden beleid voor Jemen niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De Afdeling heeft de minister toen opgedragen om in een nieuwe beoordeling, en dit alles tegen de achtergrond van de daadwerkelijke bestemming of het woongebied van een betrokkene, de volgende aspecten kenbaar te betrekken:
(1) slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;
(2) de recente confrontaties;
(3) het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en
(4) de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.
12.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante omstandigheden, zoals genoemd in paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc 2000, het arrest CF en DNen de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 in de beoordeling heeft betrokken. In de brief van 8 oktober 2025heeft de minister verwezen naar één van deze uitspraken. Uit de daarbij behorende ‘bijlage 15c-beoordeling’ blijkt dat de minister bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurig geweld de onder 12.1. genoemde elementen heeft meegewogen. Verder is in de brief per provincie aangegeven welke gradatie van willekeurig geweld wordt aangenomen en de motivering daarvan blijkt uit de ‘bijlage 15c-beoordeling’. In de bijlage is ook ingegaan op de slachtoffers van landmijnen en explosieve oorlogsresten, recente ontwikkelingen in de Rode Zeeen de aantallen ontheemden.Verder is in de briefen de daaraan ten grondslag liggende bijlageningegaan op de humanitaire situatie in Jemen, inclusief de omstandigheden die indirect voortvloeien uit het handelen en nalaten van de strijdende partijen. Deze aspecten zijn daarnaast besproken in de verweerschriften, ook specifiek voor de situatie in Aden. Anders dan eiser betoogt is deze beoordeling volledig en komt deze tegemoet aan de opdracht van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Voor de omvang van de mee te wegen humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 19 mei 2026, waarin is ingegaan op het vereiste causale verband tussen willekeurig geweld en schade als gevolg van humanitaire omstandigheden. Tegen die achtergrond bestond voor de minister geen aanleiding de humanitaire omstandigheden verdergaand in de beoordeling te betrekken, zoals door eiser bepleit, bijvoorbeeld door ook de effecten van de oorlog op de economie en de gevolgen daarvan voor burgers mee te wegen. De rechtbank verwijst ook naar haar eerdere uitspraak van 5 februari 2026.De door eiser genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 25 november 2025geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister een te lage gradatie van het willekeurig geweld aangenomen?
13. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet heeft aangenomen dat in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Eiser is in dit verband zowel ingegaan op de veiligheidssituatie in de provincie Taiz als Aden. Ten aanzien van Aden voert eiser aan dat de situatie eind 2025 en begin 2026 wezenlijk is gewijzigd, doordat de STC als machtsfactor grotendeels is weggevallen en kantoren zijn gesloten, waardoor de toekomstige veiligheidssituatie onzeker is. Deze recente ontwikkelingen zijn volgens eiser niet meegenomen in het ambtsbericht of het huidige beleid. De minister moet hierover een standpunt innemen, mede in het licht van de mogelijke invloed van de spanningen tussen de Verenigde Staten en Iran op het conflict in Jemen.
13.1.. Uit het arrest CF en DN volgt dat de minister bij de beoordeling of een betrokkene bij terugkeer een risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld, de daadwerkelijke bestemming in het geval van terugzending naar het betrokken land of gebied moet betrekken. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij de beoordeling of zich in een land dan wel, in voorkomend geval, het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet, moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- en verblijfplaats heeft gehad. In dit geval is dat de provincie Aden, waar eiser van 2020 tot en met 2023 heeft gewoond en gewerkt. Dat Aden niet als normale woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt omdat eiser daarheen zou zijn gevlucht en het dus geen vrijwillige keuze was, heeft de minister terecht niet gevolgd. Eiser heeft in zijn aanmeldgehoor verklaard dat hij na het afronden van zijn studie in 2020 naar Aden is vertrokken.Dat dit een vlucht zou zijn geweest volgt nergens uit. Gelet hierop dient het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn beoordeeld te worden in de context van de provincie Aden. Dat de familie van eiser in de provincie Taiz woont, maakt het voorgaande niet anders.
13.2.. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om in te gaan op dat wat eiser in beroep heeft aangevoerd over de situatie in de provincie Taiz. Ook bestaat geen aanleiding om de beroepsgrond te bespreken dat Aden ten onrechte als beschermingsalternatief voor een persoon uit Taiz zou zijn aangemerkt, alleen al omdat de minister een dergelijk beschermingsalternatief niet aan eiser heeft tegengeworpen.
13.3.. De minister heeft in zijn beleid voor de provincie Aden geen uitzonderlijke situatie aangenomen waarbij een vreemdeling enkel door zijn aanwezigheid in Aden al te vrezen heeft voor een reëel risico op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. De uitleg hiervan staat in de twee bijlagen die aan de brief van de minister van 8 oktober 2025 ten grondslag liggen. De minister heeft dit in de verweerschriften nader toegelicht.
13.4..
De rechtbank volgt de minister in dit standpunt. De rechtbank acht van belang dat uit de ambtsberichten van september 2023 en april 2025 volgt dat sinds april 2022 een bestand van kracht is, dat sinds oktober 2022 feitelijk wordt voortgezet. Hoewel lokaal geweld, mensenrechtenschendingen en een precaire humanitaire situatie blijven bestaan, blijkt uit deze ambtsberichten en de door de minister genoemde gegevens van Armed Conflict Location & Event Data (ACLED)dat het aantal vijandelijkheden sinds 2022 aanzienlijk is afgenomen en het aantal burgerslachtoffers is gedaald.De gevechtshandelingen concentreren zich vooral langs de bestandslijnen en niet in de nabijheid van Aden. Sinds 2019 hebben zich in Aden geen grootschalige confrontaties meer voorgedaan. Wel vinden incidenteel gewapende incidenten plaats, maar het aantal burgerslachtoffers is beperkt gebleven. Volgens ACLED zijn tussen 1 maart 2025 en 18 februari 2026 275 veiligheidsincidenten geregistreerd, waarvan 56 onder de categorie ‘political violence’ vielen, met in totaal 15 dodelijke slachtoffers, onder wie vier burgers. De rechtbank acht dit aantal, afgezet tegen de omvang van de bevolking, beperkt, hetgeen volgens het Hof van Justitie een relevante factor vormt bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld.
Ook heeft de minister de door eiser genoemde recente ontwikkelingen in Aden voldoende in de beoordeling betrokken. De STC en regeringsstrijdkrachten raakten met elkaar in conflict, waarna de situatie eind 2025 veranderd is. De STC is formeel opgeheven en gebieden
voorheen onder controle van de STC, staan nu grotendeels onder controle van
de internationaal erkende regering. Deze verschuiving in de machtsverhouding heeft niet tot een wezenlijke wijziging van de veiligheidssituatie in Aden geleid.
Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat in Aden geen significante problematiek met landmijnen bestaat en dat actieve ontmijningsprogramma’s worden uitgevoerd, zoals Project Masam en Halo Trust.
Verder volgt uit het ambtsbericht van april 2025 dat Aden niet behoort tot de provincies waar in 2024 nieuwe ontheemding heeft plaatsgevonden als gevolg van het conflict.
Wat betreft de humanitaire situatie geldt dat Aden niet behoort tot de zwaarst getroffen gebiedenen dat de toegankelijkheid van hulp in 2024 licht is verbeterd. Ook heeft de minister erop gewezen dat uit de eerdergenoemde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat de wapenstilstand in de zuidelijke provincies van Jemen, zoals Aden, heeft geleid tot betere toegang van hulporganisaties tot hulpbehoevenden.Voor zover eiser heeft gewezen op de humanitaire situatie, merkt de rechtbank nog op dat de Afdeling eerder heeft overwogen dat humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend zijn voor de beoordeling onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
13.5.. Uit het voorgaande volgt dat de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zich in de provincie Aden niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld (‘uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld’), als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet. De rechtbank acht het daarom niet onjuist dat de minister voor deze provincie een relatief hoger niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Loopt eiser een verhoogd risico slachtoffer te worden van willekeurig geweld?
14. Zoals volgt uit het arrest X en Y, en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc 2000, moet de betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de betrokkene specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
14.1.. De rechtbank is van oordeel dat geen aanleiding bestond, zoals eiser betoogt, om hem aanvullend te horen over zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden. Tijdens het nader gehoor is hem om een toelichting gevraagd waarom juist hij in verband met de algemene situatie in Jemen een risico loopt.Bovendien heeft eiser de gelegenheid gehad om deze persoonlijke omstandigheden naar aanleiding van het voornemen in de zienswijze naar voren te brengen. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 26 november 2024, leidt niet tot een ander oordeel.
14.2.. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom juist hij bij terugkeer een risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hoewel eiser aangeeft dat Jemen onveilig is, heeft hij ook expliciet aangegeven dat hij persoonlijk niets heeft meegemaakt.Ook zijn eisers afkomst, de omstandigheid dat in 2016 een poging is gedaan hem te rekruteren en zijn deelname aan een protest en bijeenkomst in Nederland geen risicoverhogende omstandigheden, nog afgezien van de vraag of het bij deze omstandigheden niet gaat om het risico om slachtoffer te worden van gericht, en dus niet willekeurig, geweld. De rechtbank verwijst in dit verband naar de overwegingen onder 5 tot en met 7. De beroepsgrond slaagt niet.
Is uitzetting wegens de humanitaire situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM?
15. Eiser betoogt dat terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat hij in Jemen terecht zal komen in erbarmelijke humanitaire omstandigheden. In dat verband heeft eiser gewezen op het arrest Sufi en Elmi van 28 juni 2011 van het EHRM.
15.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat voor de vraag of uitzetting zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM vanwege de slechte humanitaire omstandigheden in het betreffende land, onder meer de oorzaken voor die humanitaire omstandigheden van belang zijn.Als die omstandigheden in overwegende mate het gevolg zijn van armoede of de onmacht van de autoriteiten in het land van herkomst om met natuurlijk optredende omstandigheden om te gaan, is slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden (‘very exceptional cases’), sprake van een schending. Deze omstandigheden moeten dan overtuigend (‘compelling’) zijn. Hierbij verwijst het Hof naar het arrest N. tegen het Verenigd Koninkrijk.Wanneer de slechte humanitaire omstandigheden echter in overwegende mate het gevolg zijn van het doelbewust handelen of nalaten van de autoriteiten of niet-statelijke actoren in een land, moet de minister beoordelen of eiser bij terugkeer in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften (‘to cater for his most basic needs’), zoals voedsel, hygiëne en onderdak, en moet de minister rekening houden met eventuele kwetsbaarheid voor misbruik en met het zicht op verbetering van eisers situatie binnen een redelijke termijn. Dit is het criterium zoals gehanteerd in het arrest M.S.S. tegen België.
15.2.. De rechtbank stelt vast dat in Aden sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie en deze is naar het oordeel van de rechtbank in overwegende mate het gevolg van het jarenlange conflict in Jemen. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of eiser bij terugkeer in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dat niet het geval zal zijn. Zoals hiervoor onder 5.2. overwogen beschikte eiser in Aden over huisvesting, voorzag hij in zijn levensonderhoud door te werken als assistent accountant en kon hij op normale wijze aan de Jemenitische samenleving deelnemen. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dat bij terugkeer niet opnieuw zou kunnen. De rechtbank betrekt daarbij dat, zoals hiervoor onder 13.3 is overwogen, hulporganisaties aanwezig zijn in Jemen, in het bijzonder ook in Aden, de toegankelijkheid van hulp in 2024 is verbeterd en Aden niet behoort tot de zwaarst getroffen gebieden.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep tegen het besluit van 19 september 2024 is gegrond, omdat het in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 19 september 2024;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. T.G. Noordhof en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Stcrt. 2025, nr. 35447.
Zie aanmeldgehoor, p. 5.
De STC is separatistenbeweging in Zuid-Jemen, opgericht in 2017 met steun van de Verenigde Arabische Emiraten. Ze streven naar herstel van een onafhankelijke Zuid-Jemenitische staat en had jarenlang de feitelijke controle over onder meer Aden. Eind 2025 en begin 2026 zijn de machtsverhoudingen verschoven na conflicten met regeringsstrijdkrachten. Daarbij is de STC formeel opgeheven en zijn de meeste gebieden overgegaan naar de internationaal erkende regering.
Nader gehoor, p. 7.
Nader gehoor, p. 5 en zienswijze, p. 2 onder punt 5.
Aanmeldgehoor, p. 4.
Ambtsbericht over Jemen van september 2023 , p. 26.
Aanmeldgehoor, p. 10.
Eiser verwijst naar artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2024:22998.
Hierop gaat de rechtbank onder 6.3 in.
Dit bespreekt de rechtbank onder 14.1 en 14.2.
Pagina 6.
Pagina 7.
Pagina 2.
Pagina 8.
Nader gehoor, p. 7.
Nader gehoor, p. 7.
Aanmeldgehoor, p. 6.
HvJEU 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843, punten 40 en 41.
ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.
Dit is de implementatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
Brief minister van 19 november 2024, TK 2024-2025, 19 637, nr. 3315. Zie ook WBV 2025/2 (5 februari, Stcrt. 2025, nr. 3204) en de verwerking daarvan in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc 2000.
Vóór het arrest X en Y was dit het enige niveau dat erkend werd in het Nederlandse beleid ten aanzien van ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, welk standpunt door het arrest niet meer houdbaar was.
Zie WBV 2016/18 en (laatstelijk) WBV 2022/26.
Stcrt. 2024, nr. 13067.
ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.
19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.
Stcrt. 2025, nr. 35447.
Deze criteria zijn gebaseerd op het arrest van het EHRM van 28 november 2011 (Sufi en Elmi), ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907. Zie ook het arrest van het HvJ EU van 10 juni 2021 (CF en DN), ECLI:EU:C:2021:472, onder 43.
HvJEU 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472, punt 43.
TK 2025-2026, 19 637, nr. 3489.
P. 2 en 4 tot en met 6.
P. 2, 5 en 8.
P. 8 tot en met 10.
P. 2 en 3.
Bijlage 15c-beoordeling: p. 1, 3, 4 en 9 en Beslisnota: p. 1 tot en met 6.
Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 19 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12595, onder 9 en 11.
ECLI:NL:RBDHA:2026:2066, onder 8.4.3.
ECLI:NL:RBDHA:2025:22462.
Aanmeldgehoor, p. 5.
[website].
Ambtsbericht 2025, p. 17-19.
Zie het arrest CF en DN, onder 31.
Zie paragraaf 1.2 ‘Leefomstandigheden’ van het ambtsbericht.
ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 5.8.
ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 4.2.
Punt 42 van het arrest.
Nader gehoor, p. 5.
ECLI:NL:RBDHA:2024:22998.
Nader gehoor, p. 5.
EHRM 28 juni 2011, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.
Onder 278 tot en met 283.
EHRM 27 mei 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0527JUD002656505.
EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609.