ECLI:NL:RBDHA:2026:18578
Zusammenfassung
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.9718 (beroep)
NL26.9719 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1989, van Egyptische nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
1.3.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
4. Eiser heeft verklaard dat hij Egypte heeft verlaten voor een betere toekomst voor zichzelf en zijn kinderen. Bij terugkeer vreest eiser voor bendes die hij zou kunnen tegenkomen tijdens zijn werkzaamheden als archeologisch inspecteur.
Besluitvorming
5. De minister heeft het volgende asielmotief onderscheiden:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst.
5.1.. De minister acht eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Dat eiser uit Egypte komt is echter niet genoeg voor een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat hij door de sociaaleconomische omstandigheden bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op ernstige schade. Niet is gebleken van een ‘minimum level of severity’. Eiser heeft daarnaast zijn vrees voor bendes niet aannemelijk gemaakt, nu hij heeft verklaard dat hij nooit eerder dergelijke bendes is tegengekomen tijdens zijn werkzaamheden. Ook werpt de minister in dit verband tegen dat eiser heeft verklaard dat hij niet van plan was om een asielaanvraag in te dienen.
5.2.. De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat eiser de aanvraag enkel heeft ingediend om uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen, en omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.
Standpunt eiser
6. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat de minister ten onrechte zijn vrees voor problemen met bendes niet als asielmotief heeft aangemerkt. Dit is onzorgvuldig omdat de beoordeling in het kader van het Vluchtelingenverdragen artikel 3 van het EVRMeen ander gezicht krijgt, wanneer die vrees geloofwaardig wordt geacht.
6.1.. Daarnaast voert eiser aan, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 12 september 2025, dat de beoordeling onder artikel 3 van het EVRM niet toereikend is. De minister heeft in het bestreden besluit de aangevoerde omstandigheden van eiser onvoldoende beoordeeld en onvoldoende onderzoek gedaan naar deze omstandigheden. In het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat het leven van zijn kinderen met de dood wordt bedreigd vanwege armoede. In het nader gehoor heeft hij verklaard dat zijn kinderen niet naar de arts en naar school kunnen. Hij heeft verklaard dat het heel moeilijk is om een andere baan te krijgen. Hij wil zijn gezin redden van de armoede. In het nader gehoor is niet verder ingegaan op de vraag of zijn kinderen basisvoorzieningen hebben. Eiser wijst op verschillende nieuwsberichten waaruit volgt dat de economische situatie in Egypte al jaren problematisch is en armoede een blijvend probleem is.
Oordeel van de rechtbank
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat de vrees voor problemen met bendes in het voornemen niet als asielmotief is beoordeeld, niet betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is. In het bestreden besluit heeft de minister erkend dat hij de vrees van eiser voor problemen met bendes formeel als asielmotief had moeten aanmerken, maar is de vrees wel meegenomen bij de beoordeling of eiser bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op ernstige schade.
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat, zelfs als de vrees voor bendes geloofwaardig zou worden geacht, deze niet voldoet aan de vereiste zwaarwegendheid welke in het besluit onder artikel 3 van het EVRM is getoetst. De rechtbank acht de toetsing van het asielrelaas op deze wijze niet onjuist. De beroepsgrond slaagt niet.
7.1.. Ten aanzien van de sociaaleconomische situatie in Egypte, overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak van het EHRMvolgt dat, om binnen de reikwijdte van de bescherming van artikel 3 van het EVRM te vallen, de gevreesde behandeling een ‘minimum level of severity’moet bereiken. Uit het arrest Sufi en Elmivolgt dat als erbarmelijke humanitaire omstandigheden uitsluitend of zelfs hoofdzakelijk te wijten zijn aan armoede er slechts sprake zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM in ‘very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Verder volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat het enkele feit dat een persoon terugkeert naar een land waar zijn economische positie slechter zal zijn dan in het land waar hij thans verblijft, onvoldoende is om te oordelen dat artikel 3 van het EVRM in dat geval zal worden geschonden. Artikel 3 van het EVRM verplicht in zijn algemeenheid de lidstaten ook niet te waarborgen dat eenieder binnen de jurisdictie van een lidstaat onderdak heeft of financiële ondersteuning ontvangt waarmee een bepaalde levensstandaard kan worden gewaarborgd.
7.2.. Met de enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat hij en zijn gezin bij terugkeer niet kunnen rondkomen, zij geen toegang tot de gezondheidszorg hebben en eisers kinderen niet naar school kunnen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in een situatie zal belanden die het vereiste ‘minimum level of severity’ bereikt. De door eiser overgelegde artikelen bieden daarvoor evenmin steun, nu niet inzichtelijk is gemaakt hoe deze betrekking hebben op zijn persoonlijke situatie. Zo verwijst eiser naar een nieuwsartikel van Al Jazeera, waarin wordt beschreven dat er de afgelopen jaren investeringen in Egypte zijn gedaan, maar dat het platteland daarbij achterblijft, het leven daar duurder is geworden en van boeren niet kan worden verwacht dat zij naar de stad trekken. Eiser heeft echter niet gesteld dat hij boer is of dat deze omstandigheden op hem van toepassing zijn. Uit het artikel van Human Rights Watch volgt weliswaar dat het recht op onderwijs onder druk staat door beperkte begrotingsmiddelen en dat de kwaliteit van het onderwijs tekortschiet, maar daaruit blijkt niet dat onderwijs voor eisers kinderen ontoegankelijk of onbetaalbaar is. Uit het artikel volgt dat onderwijs tussen de 5 en 10 dollar per jaar kost en soms voor lage inkomens wordt kwijtgescholden. Ten slotte blijkt uit het rapport van UNICEF dat in 2022 circa 21 procent van de Egyptische bevolking in multidimensionale armoede leefde, waarbij dit percentage hoger ligt op het platteland dan in stedelijke gebieden. Eiser heeft echter niet onderbouwd waarom hij tot deze groep zou behoren. Gelet hierop biedt het betoog van eiser geen concrete aanknopingspunten voor het aannemen van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is daarmee ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
9. Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, bestaat er geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL26.9718:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.9719:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 30b, eerste lid en onder f en h, van de Vreemdelingenwet 2000.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
ECLI:NL:RBDHA:2025:16847.
Aljazeera, “Egypt’s economy stabilises, but poverty challenges persist”, 5 december 2025
Human Rights Watch, “Egypt: Declining Funding Undermines Education”, 22 september 2024
Unicef, “Multidimensional poverty in Egypt: an in-depth analysis”, December 2024,
https://www.unicef.org/egypt/reports/multidimensional-poverty-egypt-depth-analysis.
Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
Zie onder meer het arrest Sufi en Elmi van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.
Vergelijk de beslissing van het EHRM van 2 april 2013, Mohammed Hussein tegen Nederland en Italië, ECLI:CE:ECHR:2013:0402DEC002772510.