ECLI:NL:RBGEL:2026:5195
Zusammenfassung
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Apeldoorn
RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 11908728 \ CV EXPL 25-3150
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoonGEMEENTE [gemeentenaam],
te [plaatsnaam] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer en mr. M. de Boer,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. W. Sallé.
1. De procedure
1.1..
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 april 2026 - de akte van de gemeente - de akte van [gedaagde] .
1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling in conventie en in reconventie
2.1.. In het tussenvonnis is de gemeente in de gelegenheid gesteld nader toe te lichten hoe het bedrag van € 11.000,00 is ontstaan. De gemeente heeft in de akte uiteengezet dat dit bedrag volgt uit de toepassing van de Plankostenscan, zoals die in alle soortgelijke zaken wordt toegepast. Het betreft een rekentool met forfaitaire bedragen, die per 1 april 2017 is vastgelegd in een ministeriële regeling, de Regeling plankosten exploitatieplan (hierna: de Regeling). De gemeente hanteert sinds 2013 een vaste bijdrage. In 2018 is dit beleid door de gemeente geëvalueerd en daarbij is beoordeeld hoe de forfaitair in rekening gebrachte bedragen zich verhouden tot de werkelijke kosten. Daarbij is geconcludeerd dat de tot dan toe in rekening gebrachte bedragen niet kostendekkend waren voor een klein project met 1 of 2 woningen. Daarom zijn voor die projecten de bedragen vervolgens verhoogd. De plankosten zijn bij Collegebesluit van februari 2018 vastgesteld op € 11.000,00 voor een project met twee woningen. Er is voor [gedaagde] dus geen ander bedrag in rekening gebracht dan voor andere aanvragen, aldus de gemeente. De gemeente heeft verder in een werkoverzicht aangegeven welke (soorten) werkzaamheden door de gemeente zijn verricht ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging van [gedaagde] .2.2..
[gedaagde] heeft in haar akte betwist dat met de door de gemeente verstrekte informatie voldoende inzichtelijk geworden is dat het bedrag van € 11.000,00 gerechtvaardigd wordt door de werkzaamheden van de gemeente. Zij stelt dat hier geen sprake was van een kleinschalig woningbouwproject, maar slechts van een bestemmingswijziging om de formele bestemming in overeenstemming te brengen met de werkelijke situatie. Bovendien is in 2013 door de gemeente geadviseerd alleen voor nieuw te bouwen woningen het kostenverhaal te verplichten. De feitelijke werkzaamheden, zoals in het overzicht genoemd, zijn beperkt geweest en betreffen ook werkzaamheden van vóór het aangaan van de overeenkomst. De werkzaamheden rechtvaardigen de hoogte van het bedrag niet, aldus [gedaagde] .2.3.. Uit de door de gemeente aangeleverde informatie blijkt dat de in rekening gebrachte kosten niet zijn opgebouwd uit de kosten voor concrete uren met tarieven per uur, maar bestaan uit forfaitaire tarieven, die gebaseerd zijn op een landelijk gehanteerde manier van berekenen. Achter de forfaitaire tarieven zit een inschatting van in het algemeen voor dergelijke werkzaamheden benodigde uren en de kosten daarvan. In de door de gemeente overgelegde eindrapportage uit 2018 is opgenomen dat de (toenmalige) wettelijke regeling een minimale bijdrage van € 8.000,00 per plan zou voorschrijven. Dit is in zoverre onjuist dat in artikel 5 van de Regeling geen minimumbedrag, maar in beginsel een maximumbedrag van € 8.000,00 was opgenomen. In de rapportage wordt verder zonder controleerbare onderbouwing aangegeven dat de vaste kosten voor de planvoorbereiding en besluitvorming feitelijk € 8.825,00 bedragen. Hier wordt vervolgens een bedrag van € 1.500,00 per woning bij opgeteld aan variabele kosten voor planologische begeleiding en contractbeheer. Voor de bestuurlijke besluitvorming is dit kennelijk voldoende (inzichtelijk) geweest en hierop is het beleid aangepast.
2.4.. Hoewel [gedaagde] er enigszins in kan worden gevolgd dat de door de gemeente aan haar beleid ten grondslag liggende inschatting van de werkelijke kosten niet erg inzichtelijk is, is met deze uitleg wel voldoende onderbouwd dat het bedrag van € 11.000,00 door de gemeente ook voor andere aanvragers van soortgelijke bestemmingsplanwijzigingen in een anterieure overeenkomst wordt gehanteerd. Dus niet alleen in situaties waarin het gaat om daadwerkelijke bouwactiviteiten, maar ook in alle situaties waarin het gaat om een aanvraag om alleen de bestemming te wijzigen. Daarmee strandt het verweer van misbruik van omstandigheden. Dat een deel van de in de berekening betrokken werkzaamheden is uitgevoerd voordat tot het sluiten van de overeenkomst is overgegaan, maakt dat niet anders. Het bedrag is immers ook dan gebaseerd op (de kosten voor) de werkzaamheden die samenhangen met de gevraagde bestemmingswijziging, ook in soortgelijke zaken.2.5.. Omdat een anterieure overeenkomst niet bestuursrechtelijk, maar privaatrechtelijk van aard is en een overeenkomst gesloten wordt op basis van wilsovereenstemming tussen partijen en in principe vrijwillig is, is de uitkomst van de plankostenscan strikt genomen niet bindend voor de gemeente. [gedaagde] heeft aangevoerd dat er in haar geval redenen hadden moeten zijn voor de gemeente om een lager bedrag in rekening te brengen, of in elk geval het overeengekomen bedrag niet op haar te verhalen. Hiermee doet zij een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Voor het slagen van een dergelijk beroep ligt de lat echter erg hoog. Dan moet worden vastgesteld dat het beroep van de gemeente op nakoming van de contractuele afspraken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Die hoge lat wordt hier niet gehaald. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van de gemeente in hoofdsom toewijsbaar is en dat de vorderingen van [gedaagde] in reconventie afgewezen zullen worden.
2.6.. De gemeente vordert daarnaast een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Die vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagde] is een consument, zodat moet worden beoordeeld of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De gemeente heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal het bedrag van € 650,00, dat past bij de hoofdsom, worden toegewezen. Ook de gevorderde vergoeding van de wettelijke rente over de hoofdsom is toewijsbaar.
2.7..
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van de gemeente betalen. Omdat de standpunten en stellingen in reconventie samenvallen met de kosten in conventie worden daarvoor geen afzonderlijke kosten begroot. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,21
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
900,00
(2,5 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.707,21.
3. De beslissing in conventie en in reconventie
De kantonrechter
3.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 6.757,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 5.500,00, met ingang van 10 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.707,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,3.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.