ECLI:NL:RBGEL:2026:5204
Zusammenfassung
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Nijmegen
RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaakgegevens: 12228824 \ VV EXPL 26-37
Vonnis in kort geding van 17 juni 2026
in de zaak van
VEVAG B.V.,
gevestigd in Berkel-Enschot,
eisende partij,
hierna te noemen: Vevag,
gemachtigde: mr. M. Stokdijk,
tegen
[naam gedaagde], tevens handelende onder de naam[gedaagd bedrijf],
wonende en zaakdoende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
niet verschenen.
1. De procedure
1.1.. Bij dagvaarding van 22 mei 2026, met producties, heeft Vevag een voorziening gevorderd.
1.2.. Op 2 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voor Vevag zijn [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] , beiden aandeelhouder en bestuurder van Vevag, en de gemachtigde verschenen. Aangezien alle voorgeschreven formaliteit en termijnen voor oproeping in acht zijn genomen, heeft de kantonrechter tegen de niet verschenen [de gedaagde] verstek verleend. Vevag heeft haar vorderingen toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat hij een vonnis in de zaak zal wijzen.
2. De vordering en de beoordeling daarvan
2.1.. Vevag verhuurt aan [de gedaagde] de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] in [plaatsnaam] (hierna: het gehuurde). Vanaf december 2023 is een huurachterstand ontstaan, die tot en met mei 2026 is opgelopen tot een bedrag van € 14,899,60, zoals blijkt uit de stellingen uit de dagvaarding en de daarbij overgelegde specificatie (productie 4). Tegen deze achtergrond vordert Vevag – zakelijk weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [de gedaagde] te veroordelen om het gehuurde binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en tot betaling van:
een bedrag van € 14.993,57 ter zake achterstallige huur tot en met mei 2026,
de huur van € 4.906,03 per maand over de periode van 1 juni 2026 tot en met de dag waarop het gehuurde door [de gedaagde] leeg en ontruimd ter beschikking aan Vevag wordt gesteld of na gedwongen ontruiming ter beschikking van Vevag komt te staan, waarbij een gedeelte van een ingetreden maand voor een gehele maand heeft te gelden,
een bedrag van € 32.100,00 aan verbeurde contractuele boetes,
de buitengerechtelijke incassokosten van € 10.086,39,
de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
2.2.. In geval van verstek, wijst de kantonrechter de vordering toe, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv). In geval van een vordering in kort geding geldt verder dat deze slechts kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zodanig veel spoed heeft dat hij/zij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van Vevag volgt dat zulke spoed aanwezig is.
2.3.. De vorderingen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zullen worden toegewezen, met inachtneming en uitzondering van het navolgende.
2.4..
Vevag vordert betaling van een bedrag van € 32.100,00 aan verbeurde contractuele boetes vanwege niet of te late betaling van de huur als bedoeld in artikel 26.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden. Deze vordering zal voor een bedrag van € 9.000,00 worden toegewezen. Dat bedrag staat gelijk aan het aantal niet-betaalde huurtermijnen (30) vermenigvuldigd met de (enkelvoudige) contractuele boete van (minimaal) € 300,00. De cumulatieve uitleg die Vevag aan het boetebeding geeft, inhoudende dat iedere maand opnieuw een boete verschuldigd is van minimaal € 300,00 als de huur niet op tijd wordt betaald, komt de kantonrechter voorshands ongegrond voor. Deze uitleg strookt immers niet met de in de rechtspraak gangbare uitleg dat de boetes die verschuldigd raken op grond van een boeteding als de onderhavige niet cumuleren, maar slechts eenmalig verbeurd raken (vgl. Hof Amsterdam 17 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4499 en
Hof ‘s-Hertogenbosch 16 maart 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:892). Vevag heeft, daar ter zitting door de kantonrechter naar gevraagd, geen omstandigheden gesteld die maken dat in deze zaak anders moet worden geoordeeld.
2.5.. Vevag vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Vevag heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Zij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Wel zal deze vergoeding worden berekend op basis van de toe te wijzen hoofdsom, te weten over (€ 14.993,57 + € 9.000,00 =) € 23.993,57. Op grond van de staffel bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt een bedrag van € 1.228,07 inclusief btw toegewezen.
2.6..
[de gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Vevag worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
126,46
- griffierecht
€
1.504,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.639,46
2.7.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3. De beslissing
De kantonrechter
3.1.. veroordeelt [de gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte gelegen aan [adres] in [plaatsnaam] verlaten en te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Vevag zijn, en de sleutels af te geven aan Vevag,
3.2.. veroordeelt [de gedaagde] om te betalen aan Vevag:
a. a) € 14.993,57 aan achterstallige huur tot en met mei 2026,
b) de huur van € 4.906,03 per maand vanaf 1 juni 2026 tot en met de dag waarop het gehuurde door [de gedaagde] leeg en ontruimd ter beschikking aan Vevag wordt gesteld of na gedwongen ontruiming ter beschikking van Vevag komt te staan, waarbij een gedeelte van een ingetreden maand voor een gehele maand heeft te gelden,
c) een bedrag van € 9.000,00 aan verbeurde contractuele boetes,
d) een bedrag van € 1.228,07 aan buitengerechtelijke incassokosten,
3.3..
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 2.639,46, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend, verder te vermeerderen met
de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
61512/560