Skip to main content

ECLI:NL:RBGEL:2026:5265

Gericht

Arnhem

Datum

20 May 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Civiel recht; Verbintenissenrecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Arnhem

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; VerbintenissenrechtType: uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: 11990551 \ CV EXPL 25-9592

Vonnis van 20 mei 2026

in de zaak van

WERELDHAVE NEDERLAND B.V.,

te Schiphol,

eisende partij,

hierna te noemen: Wereldhave,

gemachtigde: mr. M.C. Blok,

tegen

1. [naam gedaagd bedrijf] ',

te [vestigingsplaats] ,

procederend in persoon, 2. [gedaagde 1],

te [woonplaats] ,

niet verschenen, 3. [gedaagde 2],

te [woonplaats] ,

procederend in persoon,

gedaagde partijen,

hierna te noemen [bedrijf] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en samen [gedaagde partij] .

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding 12 november 2025;

  • de akte wijziging van eis; - de conclusie van antwoord, bestaande uit een proces-verbaal van antwoord van de rolzitting op 3 december 2025, een aanvullend antwoord en een afschrift van betalingen;

  • de machtiging van [bedrijf] ; - de conclusie van repliek, tevens akte wijziging van eis; - de conclusie van dupliek; - de akte uitlating producties van Wereldhave.

1.2..

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.. Wereldhave, als rechtsopvolger van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, verhuurt met ingang van 1 maart 1993 aan de heer [naam 1] h.o.d.n. [handelsnaam] , later VOF [handelsnaam] , de bedrijfsruimte (een winkelruimte op de begane grond, entresol en kelderruimte) aan het adres [adres 1] in [plaats 1] (hierna: het gehuurde).

2.2.. Op 1 januari 2023 draagt VOF [handelsnaam] haar rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst over aan [naam gedaagd bedrijf] . De huurprijs is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op de huurovereenkomst zijn bijzondere bepalingen van toepassing.

2.3..
[gedaagde partij] heeft (een deel van) de huur en de afrekeningen voor de servicekosten over de jaren 2023 en 2024 niet (volledig) betaald. Wereldhave heeft [gedaagde partij] onder andere aangemaand op 28 mei 2025 om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.

3. Het geschil

3.1..

Wereldhave vordert - samengevat - na wijzigingen van eis, uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van een bedrag van

€ 36.079,91, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.. Wereldhave legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde partij] is tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting uit hoofde van de huurovereenkomst. Zij laat na om de huur (inclusief huurverhoging) en de afrekeningen servicekosten 2023 en 2024 (volledig) te betalen, waardoor tot en met november 2025 een achterstand is ontstaan van € 26.048,60. Wereldhave heeft haar vordering uit handen gegeven. Ondanks sommatie heeft [gedaagde partij] voornoemd bedrag niet betaald, reden waarom Wereldhave ook aanspraak maakt op de buitengerechtelijke incassokosten en contractuele rente van 1%.

3.3..
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] erkent dat sprake is van een achterstand, maar dat valt niet aan haar toe te rekenen. Wereldhave heeft de verkeerde partij gedagvaard en ook de facturen voor de huur en servicekosten, inclusief de huurverhoging(en), naar een verkeerd adres gestuurd. De vordering omtrent de extra kosten moet daarom worden afgewezen of gematigd.

3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1..
[gedaagde partij] voert als meest verstrekkende verweer aan dat de verkeerde partij is gedagvaard. [gedaagde partij] is gedagvaard, terwijl Wereldhave [naam 2] h.o.d.n. [handelsnaam] (hierna te noemen: [naam 2] ), waarvan [gedaagde 2] de eigenaar is, had moeten dagvaarden. Zij is de huurder en niet [bedrijf] . Vanwege dit verweer zal daarom eerst worden beoordeeld of Wereldhave kan worden ontvangen in haar vordering.

4.2.. De kantonrechter stelt vast dat in de huurovereenkomst en de daarvan deel uitmakende allonges staat dat [bedrijf] , met KVK nummer [nummer 1] en kantoorhoudende aan het adres [adres 2] te [plaats 2] , met ingang van 1 januari 2023 de huurder is. [naam 2] is een besloten vennootschap met KVK nummer [nummer 2] en dus een andere onderneming dan vermeld in de huurovereenkomst. Wereldhave betwist dat zij de verkeerde partij heeft gedagvaard. [gedaagde partij] voert aan dat [naam 2] de huurbetalingen verricht en heeft daarvan afschriften overgelegd. Uit deze afschriften blijkt slechts dat betalingen aan Wereldhave zijn verricht, maar niet van wie deze betalingen afkomstig zijn. Verdere feiten en of omstandigheden waaruit zou moeten volgen dat niet [bedrijf] de huurder is maar [naam 2] , zijn niet gesteld of gebleken. De kantonrechter oordeelt daarom dat Wereldhave kan worden ontvangen in haar vordering, omdat niet vast is komen te staan dat zij de verkeerde partij (huurder) heeft gedagvaard.

4.3.. Het bedrag dat Wereldhave aan huurachterstand vordert heeft voor een deel betrekking op de huurverhoging, die volgens haar ook aan [bedrijf] is medegedeeld. [gedaagde partij] erkent dat sprake is van een huurachterstand, maar (een deel van) de facturen en de brief waarin de huurverhoging is aangekondigd heeft zij niet ontvangen. Om die reden is zij de oorspronkelijke huur blijven betalen totdat na ontvangst van de dagvaarding bleek dat de huur verhoogd was. Zij heeft toen direct de huur plus de verhoging voor één maand betaald. Verder gaat [gedaagde partij] akkoord met de huurverhoging.

4.4.. Uit de overeenkomst, de bijzondere bepalingen en allonges (of aanhangsels) blijkt dat de huurprijs jaarlijks, voor het eerst op 1 maart 2004, geïndexeerd wordt aan de hand van de consumentenprijsindex CPI-werknemers laag, thans de consumentprijsindex alle huishoudens (CPI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (artikel 3 lid 5 en 7 huurovereenkomst, artikel 1 bijzondere bepalingen, artikel 4 aanhangsel en artikel 3 tweede aanhangsel). Door deze bepalingen te aanvaarden heeft [bedrijf] de verschuldigdheid van de jaarlijkse indexering geaccepteerd. Een nadere (wils)uiting, dan wel aanzegging van Wereldhave is blijkens de inhoud van de huurovereenkomst niet nodig: elk jaar op 1 maart wordt de geïndexeerde huurprijs de dan geldende huurprijs. Op [bedrijf] rust een eigen verantwoordelijkheid om de hoogte van de verschuldigde huurprijs in de gaten te houden, ongeacht of de facturen en de aanzeggingsbrief wel of niet zijn ontvangen (vgl. ook Gerechtshof Amsterdam 14 maart 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:836). Dat betekent dat het verweer van [gedaagde partij] niet slaagt en zij de gevorderde huurverhoging moet betalen aan Wereldhave.

4.5..
[gedaagde partij] heeft de verschuldigdheid van de servicekosten 2023 en 2024 niet betwist. De kantonrechter is verder van oordeel dat Wereldhave de vordering aan huurachterstand en servicekosten voldoende heeft gespecificeerd. Zij heeft dit onderbouwd met een overzicht van verschuldigde huurtermijnen en servicekosten en betalingen van [bedrijf] . [gedaagde partij] heeft betaalbewijzen overgelegd, maar deze betalingen zijn door Wereldhave in mindering gebracht. Dat zij niet de beschikking had over de facturen doet aan de betalingsverplichting van [bedrijf] niet af. Huurbetaling is een brengschuld. Het is dus aan [bedrijf] om de huur (tijdig) te betalen. De betalingsverplichting en de hoogte van de huur vloeien voort uit de huurovereenkomst. Zij heeft dan ook geen factuur nodig om aan haar betalingsverplichting te voldoen. Bovendien zijn de facturen gestuurd naar het adres van het gehuurde, waar [bedrijf] conform artikel 21 van de bijzondere bepalingen haar domicilie heeft gekozen. Voor zover zij facturen niet heeft ontvangen en zij deze nodig heeft voor haar administratie, kan zij (een kopie van) deze facturen opvragen bij Wereldhave. De gevorderde achterstand van € 26.048,60 wordt op basis van het voorgaande toegewezen.

4.6..

In artikel 19.3 van de bijzondere bepalingen is opgenomen dat als de huur niet op tijd wordt betaald, [bedrijf] een direct opeisbare (boete)rente van 1% per maand aan Wereldhave verschuldigd is. Dit is berekend tot 12 november 2025 een bedrag van

€ 2.824,11. Nu vast is komen te staan dat [bedrijf] een bedrag van € 26.048,60 te laat heeft betaald, is zij in beginsel de (boete)rente verschuldigd. [gedaagde partij] voert aan dat onder andere het gevorderde bedrag aan (boete)rente onaanvaardbaar is, vanwege de onduidelijkheid omtrent de facturatie en zij altijd bereid is geweest om te betalen. Dit moet volgens haar daarom worden afgewezen of gematigd.

4.7.. Op grond van artikel 6:94 BW kan de kantonrechter een boete matigen. Volgens vaste rechtspraak moet de kantonrechter deze bevoegdheid terughoudend toepassen. Er is alleen ruimte voor matiging als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt (HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638). Daarbij moet de kantonrechter niet alleen rekening houden met de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook met de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en met de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen (HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:207).

4.8.. In de huurovereenkomst en de bijbehorende bijzondere bepalingen en allonges hebben partijen niks afgesproken over het karakter van de contractuele (boete)rente. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat het zowel dient als financiële prikkel en als schadevergoeding. Op grond van de wet moet de schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom in dit geval worden gesteld op de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW. De kantonrechter begrijpt uit wat [gedaagde partij] heeft aangevoerd dat geen sprake is van betalingsonwil, maar zij wegens gebrek aan communicatie onder andere te lage bedragen heeft betaald. Verder zijn partijen professionele partijen en kunnen zij van de wet afwijkende afspraken overeenkomen. [bedrijf] is in de plaats gesteld van de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst van VOF [handelsnaam] , waardoor zij niet direct zelf over de diverse (bijzondere) voorwaarden met Wereldhave heeft onderhandeld. Ook is niet gesteld of gebleken dat Wereldhave daadwerkelijk schade heeft geleden die hoger is dan de wettelijke handelsrente als gevolg van het niet tijdig betalen. Gelet op deze omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om de (boete)rente te matigen tot de wettelijke handelsrente, omdat onverkorte toepassing van de contractuele (boete)rente tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat zal leiden.

4.9..

Wereldhave vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 7.189,20. In artikel 19.2 van de bijzondere bepalingen is opgenomen dat Wereldhave buitengerechtelijke incassokosten in rekening kan brengen die worden vastgesteld op een bedrag van 15% over het verschuldigde achterstallige bedrag. Wereldhave heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat zij buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. Het gevorderde bedrag is echter hoger dan de tarieven opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, die geacht worden redelijk te zijn. Door Wereldhave is, mede gelet op de gevraagde matiging door [gedaagde partij] , niet onderbouwd dat en waarom in dit geval een hoger bedrag dan in het Besluit genoemde bedrag redelijk is. De kantonrechter wijst de buitengerechtelijke incassokosten daarom toe tot het wettelijke tarief berekend over de toegewezen hoofdsom van € 26.048,60. Dit betekent dat een bedrag van

€ 1.035,49 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen.

4.10..
[gedaagde partij] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wereldhave worden begroot op:

  • kosten van de dagvaarding

125,11

  • griffierecht

1.461,00

  • salaris gemachtigde

107,50

(2,5 punten × € 43,00)

  • nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.837,61

4.11.. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.12..
[gedaagde partij] heeft verzocht om een betalingsregeling. De kantonrechter is niet bevoegd om partijen een betalingsregeling op te leggen. Voor het treffen van een betalingsregeling kan zij zich wenden tot (de gemachtigde van) Wereldhave.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1.. veroordeelt [gedaagde partij] hoofdelijk om te betalen aan Wereldhave:

  • € 26.048,60 aan achterstallige huur tot en met november 2025 en eindafrekeningen servicekosten 2023 en 2024, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de verschuldigde huurtermijnen en servicekosten, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van de huurtermijn of de eindafrekening tot de dag van voldoening,

  • veroordeelt [gedaagde partij] om aan Wereldhave te betalen een bedrag van € 1.035,49 aan buitengerechtelijke kosten,

5.2.. veroordeelt [gedaagde partij] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.837,61, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.. wijst het meer of anders gevorderde af,

5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

47414 / 68707

Weitere Entscheidungen