ECLI:NL:RBGEL:2026:5371
Zusammenfassung
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Uitspraak
Arnhem
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3061
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen
(gemachtigden: mr. M. Litjens en J. Bannink).
Inleiding
1. Dit proces-verbaal bevat een zakelijk weergave van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek.
1.1.. Verzoeker heeft op 8 juni 2026 bij het college een handhavingsverzoek ingediend tegen een aantal activiteiten (bouw-, aanleg- en kapwerkzaamheden) ten behoeve van een tijdelijke daklozenopvang op het terrein gelegen bij het [adres] in [plaats] . Het college heeft dit verzoek op 15 juni 2026 afgewezen omdat verzoeker geen belanghebbende is bij deze activiteiten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en de gemachtigden van het college hebben hieraan deelgenomen.
1.3.. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die mondelinge uitspraak luidt zakelijk weergegeven als volgt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarin hij de voorzieningenrechter – kort samengevat – verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat alle werkzaamheden worden gestaakt, dat de feitelijke ingebruikname van de locatie als tijdelijke daklozenopvang wordt verboden en dat het college wordt opgedragen een inhoudelijk besluit op het handhavingsverzoek te nemen.
2.1.. Uit artikel 8:81, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1 en artikel 7:1 van de Awb, vloeit voort dat de voorzieningenrechter (behoudens hier niet van belang zijnde uitzonderingen) alleen bevoegd is om een voorlopige voorziening te treffen als sprake is van een besluit. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald wat een besluit is, namelijk een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2.2.. Uit vaste rechtspraak volgt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit in beginsel belanghebbende is bij een besluit daarover. Wel moeten deze gevolgen van enige betekenis zijn. Daarbij wordt gekeken naar de afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en de milieugevolgen (zoals geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit waar het besluit op ziet.
2.3.. Verzoeker woont op 209 meter afstand van de tijdelijke daklozenopvang. Verzoeker heeft op zitting erkend dat hij geen zicht heeft op de bebouwing. Gelet op deze afstand en het feit dat verzoeker geen zicht heeft op de daklozenopvang is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker in beginsel geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten waar zijn handhavingsverzoek op ziet. Verzoeker heeft op zitting toegelicht dat hij naar zijn mening wel een voldoende persoonlijk belang heeft, omdat hij zich onveiliger zal voelen als hij wandelt in het park. Ook verwacht hij dat er mogelijk gedeald zal worden in zijn straat.
2.4.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het pand nog niet in gebruik is genomen als daklozenopvang en dat het handhavingsverzoek daar ook geen betrekking op heeft. Dat handhavingsverzoek ging over bouw-, kap- en aanlegwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de daklozenopvang. Aan de gestelde toekomstige gevolgen van de ingebruikname van het pand kan verzoeker geen belang ontlenen dat relevant is voor de beoordeling van de belanghebbendheid bij de activiteiten waar zijn handhavingsverzoek op ziet. Die gevolgen vallen immers buiten de reikwijdte van zijn handhavingsverzoek.
2.5.. Verder merkt de voorzieningenrechter nog op dat een eventueel toekomstig subjectief onveiligheidsgevoel, wat daar ook van zij, onvoldoende is om aan te nemen dat verzoeker gevolgen van enige betekenis ondervindt. Daarbij is ook van belang dat verzoeker zich onvoldoende onderscheidt van andere mensen die van het park gebruik maken. Het is de voorzieningenrechter daarnaast niet op voorhand gebleken dat er in zijn straat gedeald zal gaan worden. Dat zou ook geen direct (ruimtelijk) gevolg zijn van de ingebruikname van het pand als daklozenopvang.
2.6.. Het is dus niet aannemelijk dat verzoeker gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten waartegen hij een handhavingsverzoek heeft ingediend. Verzoeker is daarom geen belanghebbende. Dit betekent dat er geen sprake is van een aanvraag. De afwijzing van 15 juni 2026 is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter is gelet daarop niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit betekent niet dat er helemaal geen rechtsbescherming openstaat voor verzoeker. Verzoeker kan zich als hij dat wil met deze zaak tot de burgerlijke rechter wenden.
2.7.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat de voorzieningenrechter onbevoegd is, hoeft verzoeker voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening geen griffierecht te betalen.
2.8.. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
verklaart zich onbevoegd;
bepaalt dat de griffier van de rechtbank aan verzoeker het griffierecht terugbetaalt.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026 door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.
De griffier is verhinderd om dit proces-verbaal te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2923, r.o. 3.2.