ECLI:NL:RBLIM:2026:4453
Zusammenfassung
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Roermond
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/346740 / HA ZA 25-467
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[de man],
te [plaats 1] (België),
eisende partij in conventie, tevens verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. R.M.J.K.M. Teeuwen,
tegen
[de vrouw],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie, tevens eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. R.A.J. van der Leeuw.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 21 oktober 2025,
de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, - de conclusie van antwoord in reconventie,
de mondelinge behandeling van 16 april 2026 en de tijdens de mondelinge behandeling
overgelegde spreekaantekeningen van [de vrouw] en de door [de man] overgelegde uitspraak van het gerechtshof Den Haag.
1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.. Partijen hebben gedurende een periode van vier jaren een affectieve relatie met elkaar gehad. De relatie is in november 2024 geëindigd. Zij zijn niet gehuwd (geweest) en/of geregistreerd partners van elkaar (geweest) en hebben ook geen samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten.
2.2.. Op 5 oktober 2020 zijn partijen gezamenlijk eigenaar geworden van de woning aan [adres] (hierna: de woning). De woning is aangekocht voor een bedrag van € 195.000,-. Voor de aanschaf van de woning hebben partijen een hypothecaire geldlening afgesloten bij NIBC Bank. Op 25 november 2024 bedroeg deze hypothecaire geldlening € 174.164,82.
3. Het geschil
In conventie
3.1..
[de man] vordert - samengevat - dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
Ten aanzien van de overeenkomst d.d. 16 november 2024:
voor recht verklaart dat deze:
I. Primair: nietig is op grond van art. 3:40 lid 2 BW, althans dat de daarin opgenomen bepalingen zoals onder punt 26 en 27 van de dagvaarding zijn opgenomen nietig zijn, zodat de overeenkomst als geheel geen rechtsgevolg kan hebben, althans dat de overeenkomst op grond van art. 3:40 lid 2 BW vernietigd dient te worden nu de overeenkomst naar haar strekking in strijd is met de wet;
II. Subsidiair: bij schrijven d.d. 28 maart 2025 buitengerechtelijk is vernietigd op grond van art. 3:44 lid 4 BW (misbruik van omstandigheden), althans deze te vernietigen op grond van art. 3:44 lid 4 BW;
III. Meer subsidiair: bij schrijven d.d. 28 maart 2025 buitengerechtelijk is vernietigd op grond van art. 6:228 BW (dwaling), althans deze te vernietigen op grond van art. 6:228 BW;
IV. Nog meer subsidiair: nietig is, althans buiten toepassing blijft wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van art. 6:248 BW en daaraan aldus geen rechtsgevolgen kunnen worden ontleend;
Uiterst subsidiair
V. de overeenkomst d.d. 16 november 2024 op grond van art. 67:74 [de rechtbank begrijpt: 6:74] jo. 6:265 BW ontbindt wegens wanprestatie;
In alle gevallen:
VI. [de vrouw] op straffe van een dwangsom veroordeelt haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht aan [makelaar 1] , althans een door de rechtbank aan te wijzen makelaar/taxateur, om tot taxatie van de woning over te gaan op grond van art. 3:178 jo 3:300 BW, waaronder begrepen de verplichting om haar handtekening te zetten onder de benodigde stukken binnen 7 dagen na vonnis, waarbij de kosten van de taxatie voor haar rekening komen nu de woning aan haar toegedeeld zal worden;
althansvoor het geval [de vrouw] ondanks de dwangsom weigerachtig blijft haar medewerking aan de taxatie te verlenen, bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring/handtekening van [de vrouw] voor het verstrekken van de opdracht aan de taxateur, waarbij uitdrukkelijk wordt bepaald dat de kosten van de taxatie voor rekening van [de vrouw] zullen komen op grond van art. 3:300 BW;
VII. De verdeling van de woning gelast op grond van art 3:178 jo 3:300 BW, waarbij de woning aan [de vrouw] wordt toegedeeld tegen betaling van de helft van de getaxeerde waarde aan [de man] , met inbegrip van de op deze woning rustende hypotheek bij NIBC onder ontslag van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [de man] ter zake de aan de woning verbonden hypotheekschuld, binnen 3 maanden na het in dezen te wijzen vonnis, waarbij zij binnen 4 weken na kennisneming van de taxatiewaarde ondubbelzinnig schriftelijk aan [de man] te kennen dient te geven of zij de woning voor de taxatiewaarde over zal nemen, zonder enig financieringsvoorbehoud en waarbij de (notariële) kosten van de overname van de woning door [de vrouw] volledig ten laste van [de vrouw] zullen komen,
althans, bij gebreke van toedeling aan [de vrouw] omdat [de rechtbank begrijpt: zij] binnen de gestelde termijn van 4 weken na kennisneming van de getaxeerde waarde schriftelijk heeft aangegeven de woning niet over te nemen, beveelt dat de woning aan een derde wordt verkocht en binnen 14 dagen na de schriftelijke mededeling van [de vrouw] dat zij de woning niet over zal nemen, te koop wordt aangeboden via een gecertificeerd makelaar (lid van NVM of VBO), met verdeling van de opbrengst bij helfte tussen partijen, waarbij [de vrouw] op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht aan deze makelaar, waaronder begrepen de verplichting om haar handtekening te zetten onder de benodigde stukken, waarbij de kosten van de verkoop tussen partijen bij helfte worden gedeeld,
althansvoor het geval [de vrouw] ondanks de genoemde dwangsom weigerachtig blijft haar medewerking aan het verkooptraject te verlenen, bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring/handtekening van [de vrouw] voor het verstrekken van de opdracht aan de makelaar met een verdeling van de kosten van de verkoop bij helfte tussen partijen op grond van art. 3:300 BW;
VIII. De verdeling van de (voormalig) gemeenschappelijke bankrekening bij de Rabobank met kenmerk [rekeningnummer 1] gelast op grond van art 3:166 jo. 3:178 jo. 3:300 BW met verdeling van het saldo per 16 november 2024 bij helfte tussen partijen en [de vrouw] op straffe van een dwangsom veroordeelt tot betaling van het aandeel van [de man] aan hem alsmede haar medewerking te verlenen aan het verstrekken van het saldo d.d. 16 november 2024, binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis,
althansbepaalt dat, voor het geval [de vrouw] ondanks de genoemde dwangsom weigerachtig blijft het saldo op de peildatum prijs te geven, bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring/handtekening van [de vrouw] voor het verkrijgen van het banksaldo op grond van art. 3:300 BW;
IX. De verdeling van de auto merk Ford Focus met [kenteken 1] gelast op grond van art 3:178 BW, waarbij de auto aan [de vrouw] wordt toegedeeld tegen betaling van de helft van de waarde, zijnde € 3.750,- aan [de man] binnen 14 dagen na vonnis, althans een dusdanig bedrag dat de rechtbank geraden acht;
X. [de vrouw] veroordeelt in de reële kosten van deze procedure, alsmede de nakosten en buitengerechtelijke kosten ad € 1.175,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, althans, [de vrouw] te veroordeelt in de kosten van deze procedure overeenkomstig het liquidatietarief, alsmede de nakosten, buitengerechtelijke kosten ad € 1.175,- en wettelijke rente.
In reconventie
3.2..
[de vrouw] vordert dat de kantonrechter [begrepen wordt: de rechtbank] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [nummering aangebracht door de rechtbank]:
verklaart voor recht dat aan [de vrouw] het gebruiksrecht van de woning toekomt uiterlijk tot de woning aan haar wordt toegescheiden, dan wel de eigendom van de woning is geleverd aan de koper;
verklaart voor recht dat de overeenkomst van 16 november 2024 rechtsgeldig is overeengekomen en [de man] gehouden is tot nakoming daarvan;
[de man] veroordeelt tot nakoming van de overeenkomst en de wijze van verdeling van de gemeenschap dienovereenkomstig als volgt vast stelt:
Aan [de vrouw] wordt toegedeeld:
de auto merk Ford, type Focus met [kenteken 1] , zonder nadere verrekening;
de woning tegen de openstaande hypotheeksom, althans tegen de WOZ-waarde onder de voorwaarde dat:
[de vrouw] in staat is om uiterlijk vóór 16 november 2029, althans binnen drie maanden na de datum vonnis de overname van het aandeel van [de man] in de woning te financieren en dat [de man] zal kunnen worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van de hypothecaire geldlening;
dat de overwaarde volledig aan [de vrouw] toekomt;
dat de kosten van het notariële transport voor rekening van [de vrouw] komen, in het geval de woning aan haar wordt toegedeeld.
In het geval [de vrouw] niet uiterlijk 16 november 2029, althans niet binnen drie maanden na datum van het vonnis in staat is de overname van de woning te financieren bepaalt:
dat de woning uiterlijk op 16 november 2029, althans onverwijld nadat drie maanden zijn verstreken na vonnis, te koop wordt gezet bij [makelaar 2] te [plaats 2] ;
dat beide partijen bevoegd zijn namens hen beiden de opdracht aan de makelaar te verstrekken;
dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning de beste mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de beste mogelijke prijs is, dan zal de makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepalen;
dat [de man] verplicht is zijn medewerking te verlenen aan het tekenen van de koopovereenkomst en aan het notariële transport van de woning aan de koper;
dat iedere partij gehouden is om de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten terzake de verkoop en levering van de woning te dragen;
dat de hypotheekschuld zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;
dat de netto-verkoopopbrengst aan [de vrouw] toekomt.
In alle gevallen te bepalen dat [de man] gehouden is aan de verkoop en de daaropvolgende overdracht en notariële levering zijn medewerking te verlenen aan alle daartoe benodigde handelingen en dat indien [de man] die medewerking niet op eerste verzoek van [de vrouw] verleent, het vonnis in de plaats treedt van de toestemming, medewerking, wilsverklaring en /of handtekening van
[de man] .
4. [de man] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
In conventie en in reconventie
3.3.. Partijen voeren over en weer verweer.
3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.. Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie zal de rechtbank de vorderingen gezamenlijk beoordelen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht4.2..
[de man] woont in België; [de vrouw] in Nederland. De zaak heeft daarmee een internationale component. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en welk recht van toepassing is op het geschil.
4.2.1.. Omdat sprake is van een handelszaak is in deze zaak van toepassing de Herschikte EEX-Vo.Omdat de gedaagde partij in conventie ( [de vrouw] ) in Nederland woont en er geen gerecht is dat op grond van de verordeningexclusief bevoegd is, komt de rechtbank ten aanzien van de vordering in conventie rechtsmacht toe.Nu de reconventionele vorderingen voortspruiten uit hetzelfde rechtsfeit waarop de conventionele vordering is gegrond, heeft de Nederlandse rechter ook ten aanzien van die vorderingen rechtsmacht.Dit betekent dat de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.
4.2.2.. Ten aanzien van het toepasselijke recht overweegt de rechtbank als volgt. [de man] baseert de vorderingen op vernietiging c.q. nietigheid van de op 16 november 2024 tussen partijen geslotenovereenkomst en vordert verdeling op basis van de wet. De vorderingen in reconventie zijn gebaseerd op contractuele verbintenissen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Op de niet op de overeenkomst gebaseerde vorderingen is de Rome-II verordening van toepassing.Daaruit volgt(eventueel in samenhang met artikel 10:159 BW) dat op die vorderingen Nederlands recht van toepassing is. Voor wat betreft de verdeling van de woning volgt dat uit artikel 10:127 BW. Op de vorderingen die zijn gebaseerd op contractuele verbintenissen (uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst) is van toepassing de Rome-I Verordening.Daaruit volgt dat ook op die vorderingen Nederlands recht van toepassing is.
De overeenkomst van 16 november 20244.3.. Niet in geschil is dat [de vrouw] op 16 november 2024 een door haar in de Nederlandse taal opgemaakte, handgeschreven overeenkomst aan [de man] heeft voorgelegd en dat [de man] die overeenkomst die dag heeft ondertekend (hierna: de overeenkomst). Hierin is opgenomen dat partijen “in verband met het beindigen [sic] van hun relatie de volgende zaken zijn overeengekomen”. Samengevat worden vervolgens de volgende afspraken genoemd [nummering aangebracht door de rechtbank]:
[de man] verlaat eind november 2024 definitief de woning;
[de vrouw] zal samen met haar kinderen in de woning blijven;
[de man] blijft voor onbepaalde tijd medeverantwoordelijk voor de door bij partijen bij NIBC afgenomen hypotheek;
[de man] wordt per direct vrijgesteld van zijn verplichtingen t.o.v. de woning en lening, [de vrouw] neemt deze verplichtingen op zich;
[de man] doet afstand van al zijn rechten t.o.v. de woning en de lening;
[de man] doet afstand van zijn rechten op een af-/uitkoopsom en van zijn deel bij verkoop van de woning en van zijn deel van de woning bij het overlijden van [de vrouw] ;
Bij het overlijden van [de vrouw] zal haar deel van de woning en het deel van [de man] worden overgedragen aan de drie kinderen van [de vrouw] ;
Bij het overlijden van [de man] zal zijn deel overgedragen worden aan [de vrouw] ;
[de vrouw] zal € 4000,- en een auto van het merk Audi (TT) met het [kenteken 2] aan [de man] geven;
[de man] neemt zijn eigen bezittingen mee uit de woning, de overige spullen blijven achter bij [de vrouw] ;
Verder zijn partijen elkaar niets verschuldigd.
4.4.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen in de overeenkomst kennelijk getracht overeenstemming over de verdeling in de zin van artikel 3:182 BW te bereiken. In die overeenkomst heeft [de man] verklaard afstand te doen “van al zijn rechten ten opzichte van de woning en de lening” en van “een af-/uitkoopsom” en “zijn deel bij verkoop van de woning”. Van een overeenstemming over de verdeling als bedoeld in voornoemd artikel is evenwel slechts sprake indien partijen het niet alleen eens zijn geworden over de feitelijke verdeling maar ook over de financiële consequenties daarvan.Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval in ieder geval vereist dat bij partijen bekend was wat de waarde was van de woning, zodat partijen duidelijk was waarvan afstand werd gedaan door [de man] . Uit de overeenkomst volgt niet dat partijen zich bewust waren wat de financiële consequenties van de overeenkomst en bijvoorbeeld bekend waren met de (over)waarde van de woning. Ter zitting is door [de man] ook bevestigd dat hij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet bekend was met de waarde van de woning. De rechtbank is derhalve van oordeel dat tussen partijen niet een rechtsgeldige verdeling in de zin van artikel 3:182 BW tot stand is gekomen.
4.5.. Voor wat betreft het deel van de overeenkomst waarin partijen hebben beschikt over hun uiterste wil geldt het volgende. Ten aanzien van de bepaling waarin is opgenomen dat bij het overlijden van [de man] [de vrouw] zijn deel van de woning zal ontvangen (h.), geldt dat partijen het erover eens zijn dat deze bepaling nietig is. Voor wat betreft de bepaling uit de overeenkomst waarin is bepaald dat bij het overlijden van [de vrouw] [de man] afstand doet van zijn rechten op een af-/uitkoopsom en van zijn deel bij verkoop van de woning en van zijn deel van de woning (f.) en dat bij het overlijden van [de vrouw] haar deel van de woning en het deel van [de man] zal worden overgedragen aan de drie kinderen van [de vrouw] (g.), geldt het volgende. De rechtbank begrijpt een en ander aldus dat [de man] zijn deel van de woning zal overdragen aan de kinderen van [de vrouw] onder de opschortende voorwaarde dat [de vrouw] overlijdt en de ontbindende voorwaarde dat [de man] op dat moment nog in leven is. De kinderen zijn evenwel geen partij bij de overeenkomst. Er is derhalve sprake van een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW. Dat het derdenbeding de kinderen heeft bereikt en/of dat zij het hebben aanvaard is niet door [de vrouw] gesteld en ook overigens niet gebleken. Nu uit de overeenkomst niet volgt dat partijen het recht om het beding te herroepen hebben uitgesloten (en de situatie van lid 4 dus niet aan de orde is), kan het beding op grond van het bepaalde in artikel 6:253 lid 2 BW door degene die het heeft gemaakt tot de aanvaarding worden herroepen. [de man] was dus bevoegd het derdenbeding te herroepen middels een verklaring gericht tot [de vrouw] of de kinderen. De rechtbank merkt in ieder geval de brief van 28 maart 2025 van [de man] aan [de vrouw] (productie 6 bij dagvaarding) waarbij de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst wordt ingeroepen aan als een herroeping van het derdenbeding. Dit leidt tot de conclusie dat de door [de vrouw] op de overeenkomst gebaseerde vorderingen moeten worden afgewezen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om nader in te gaan op de gestelde nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomst. De door [de man] ter zake gevorderde verklaringen voor recht zullen worden afgewezen.
4.6.. Uit het bovenstaande volgt dat niet kan worden aangenomen dat sprake is van overeenstemming over de verdeling van de woning. Voor zover [de vrouw] bedoeld heeft zich subsidiair te beroepen op uitsluiting van de bevoegdheid om verdeling te vorderen voor onbepaalde tijd overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 3:178 lid 1 BW is voor zover hier van belang bepaald dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. In lid 5 is bepaald dat zij die bevoegd zijn verdeling te vorderen hun bevoegdheid daartoe een of meer malen bij overeenkomst kunnen uitsluiten, maar telkens voor ten hoogste vijf jaren. [de vrouw] heeft gesteld dat partijen uitsluiting van de verdeling voor onbepaalde tijd zijn overeengekomen door af te spreken dat [de man] , ‘ondanks zijn vertrek, voor onbepaalde tijd stilzwijgend samen met mevr. [de vrouw] deze hypotheek aanhouden, zodat mw. [de vrouw] de mogelijkheid heeft in deze woning te blijven’. Nu dat in strijd is met een dwingende wetsbepaling is [de vrouw] van mening dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de afspraak tussen partijen om de verdeling uit te sluiten geldt voor vijf jaar. [de man] bestrijdt dit. [de man] stelt dat de afspraken de strekking hadden om [de vrouw] en haar kinderen tijdelijk in de woning te laten wonen. Volgens [de man] is het nimmer de zijn bedoeling geweest dat [de vrouw] (op grond van deze afspraken) in de woning zou blijven, terwijl [de man] hieraan tot in lengte der dagen verbonden zou blijven. De rechtbank overweegt dat [de vrouw] dit in feite ook erkent, zij stelt immers dat sprake was van een gebruiksrecht tot de woning zou worden verkocht of tot het moment dat zij de bestaande hypothecaire lening zou kunnen overnemen. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat partijen met de gemaakte afspraken nimmer beoogd hebben de bevoegdheid tot het vorderen van verdeling (voor vijf jaar) uit te sluiten als bedoeld in artikel 3:178 lid 5 BW.
4.7.. Nu geen verdeling tot stand is gekomen en de bevoegdheid verdeling te vorderen ook niet is uitgesloten zal de rechtbank de (wijze van) verdeling vaststellen. Tussen partijen staat vast dat ten aanzien van onderstaande zaken sprake is van een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW:
de woning;
de gemeenschappelijke bankrekeningen
De woning4.8.. Partijen zijn het erover eens dat de woning in beginsel kan worden toegedeeld aan [de vrouw] . Naar het oordeel van de rechtbank moet de woning derhalve eerst worden getaxeerd. [de vrouw] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de door [de man] voorgestelde taxateur, [makelaar 1] . De rechtbank zal de door [de man] ter zake van de taxatie van de woning en toedeling van de woning aan [de vrouw] ingestelde vorderingen toewijzen zoals in het dictum is bepaald. Omdat een dwangsom naar het oordeel van de rechtbank geldt als voldoende prikkel tot nakoming wordt de vordering van [de man] die ertoe strekt het vonnis in de plaats te laten treden afgewezen. Dit geldt voor alle vorderingen van [de man] waaraan zowel een dwangsom als een indeplaatstreding van het vonnis is gevorderd. De gevorderde dwangsom (€ 500,- per dag, met een maximum van € 25.000,-) zal worden toegewezen.
4.9.. De rechtbank zal bepalen dat [de vrouw] binnen vier weken nadat de taxatiewaarde bekend is, schriftelijk aan [de man] kenbaar zal dienen te maken of zij de woning voor die waarde aan haar toebedeeld wenst te zien. Voor het geval [de vrouw] dit wenst, zal de rechtbank bepalen dat die toedeling c.q. levering binnen drie maanden nadat de taxatiewaarde bekend is geworden, zijn beslag zal moeten krijgen; [de vrouw] dient dan de volledige hypotheekschuld op zich te nemen (zo nodig met ontslag van [de man] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid) en dient dan de helft van de overwaarde aan [de man] te vergoeden. Beide partijen hebben gesteld dat zij uit hun eigen vermogen geïnvesteerd hebben in (verbouwing van) de woning, maar geen van beide partijen heeft dat onderbouwd en geen van partijen heeft daar een rechtsgevolg aan verbonden, zodat dit geen gevolgen heeft voor de verdeling van de overwaarde die derhalve bij helfte dient te geschieden. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit vonnis in het geval dat de woning aan [de vrouw] wordt toebedeeld ex artikel 3:300 BW in de plaats te laten treden van de medewerking van [de man] aan de notariële levering aan [de vrouw] .
4.10..
Indien [de vrouw] afziet van toedeling van de woning aan haar tegen de taxatiewaarde, of binnen drie maanden nadat de taxatiewaarde bekend is geworden toedeling c.q. levering aan haar niet heeft plaatsgevonden, zal de woning verkocht moeten worden aan een derde zoals door beide partijen gevorderd en zoals -met aanpassingen-toegewezen zoals in het dictum weergegeven. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat partijen een verkoopopdracht zullen geven aan de door [de vrouw] genoemde makelaar ( [makelaar 2] te [plaats 2] ), waartegen door [de man] geen inhoudelijk verweer is gevoerd. [de man] vordert dat de verkoop ter hand wordt genomen door een gecertificeerd makelaar. Nu [makelaar 2] een NVM-makelaar is wordt aan die wens tegemoetgekomen. Indien [makelaar 2] de opdracht weigert zullen partijen in onderling overleg een andere makelaar moeten benaderen. De rechtbank ziet aanleiding om aan de noodzakelijke medewerking aan de verkoop voor beide partijen een dwangsom te verbinden.
Het nu reeds veroordelen van [de man] tot het meewerken aan verkoop en notariële levering aan een derde is naar het oordeel van de rechtbank prematuur. Er zal vooreerst duidelijk moeten worden of [de vrouw] de woning wenst en kan overnemen dan wel deze moet worden verkocht aan een derde. Dit deel van de vordering in reconventie wordt afgewezen.
Nu door geen van beide partijen een ander standpunt is ingenomen dient de overwaarde na verkoop bij helfte te worden verdeeld.
Bankrekeningen4.11.. Tussen partijen is niet in geschil dat er ten tijde van de verbreking van de samenwoning sprake was van een tweetal gezamenlijke bankrekeningen met een gezamenlijk banksaldo. Deze vertoonden op 16 november 2024 de volgende saldi:
[rekeningnummer 1] (Rabo Totaalrekening) ad € 103,30 en
[rekeningnummer 2] (Rabo SpaarRekening) ad € 5.000,-.
4.12.. De bankrekeningen staan inmiddels op naam van [de vrouw] . Aangezien [de vrouw] lopende de procedure inzage heeft verschaft in de saldi op voornoemde rekeningen, hoeft de vordering van [de man] strekkende tot inzage ter zake geen bespreking meer.
4.13.. De rechtbank is van oordeel dat de saldi op datum 16 november 2024 bij helfte moeten worden verdeeld. [de vrouw] dient [de man] in dat kader een bedrag van € 2.551,65 te betalen. De daarop door [de man] toegespitste vordering kan worden toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen omdat geen dwangsom kan worden verbonden aan een veroordeling tot betaling van een geldsom.
Ford Focus4.14.. Tot slot debatteren partijen over de Ford Focus met [kenteken 1] (hierna: de auto). [de man] stelt dat de auto gezamenlijk eigendom is en dat deze verdeeld moet worden. [de vrouw] stelt zich op het standpunt dat de auto haar eigendom is. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat [de vrouw] de auto heeft gekocht, dat het kenteken op haar naam is gesteld en dat zij degene was die gebruik maakte van de auto. De rechtbank is van oordeel dat de auto niet verdeeld hoeft te worden omdat deze eigendom van [de vrouw] is, althans niet is gebleken dat deze gezamenlijk eigendom is. Het enkele feit dat de auto mogelijk voor een deel is voldaan uit van [de man] afkomstige middelen kan eventueel leiden tot een vorderingsrecht (waarop geen beroep is gedaan), maar is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van gezamenlijk eigendom van de auto. Ook het feit dat [de man] de opbrengst van de Audi, die zijn eigendom was, wel heeft gedeeld met [de vrouw] kan er niet toe leiden dat de Ford Focus als gezamenlijk eigendom moet worden aangemerkt.
Gebruiksrecht woning4.15..
[de vrouw] vordert voor het overige nog om voor recht te verklaren dat aan [de vrouw] het gebruiksrecht van de woning toekomt uiterlijk tot de woning aan haar wordt toegescheiden, dan wel de eigendom van de woning is geleverd aan de koper. Deze vordering wordt toegewezen zoals in het dictum is bepaald.
Proceskosten4.16.. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen zowel in conventie als in reconventie compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van het gebruik dat proceskosten in geval van ex-partners worden gecompenseerd.
5. De beslissing
De rechtbank:
in conventie en in reconventie
ten aanzien van de woning
5.1.. veroordeelt [de vrouw] om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht aan [makelaar 1] te [plaats 2] om tot taxatie van de woning over te gaan, waaronder begrepen de verplichting om haar handtekening te zetten onder de benodigde stukken,
5.2.. veroordeelt [de vrouw] tot betaling van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij niet aan het in 5.1 genoemde voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,
5.3.. bepaalt dat de kosten van de in 5.1 genoemde taxatie voor rekening van [de vrouw] komen nu de woning aan haar toegedeeld zal worden,
5.4.. bepaalt dat [de vrouw] binnen vier weken nadat de taxatiewaarde bekend is, schriftelijk aan [de man] kenbaar dient te maken of zij de woning voor die waarde aan zich toebedeeld wenst te zien, in welk geval de toedeling c.q. levering binnen drie maanden na bekendmaking van de taxatiewaarde dient te geschieden tegen:
overname van de volledige hypotheekschulden (en eventuele daaruit ontstane betalingsachterstanden) door [de vrouw] ,
vergoeding door [de vrouw] aan [de man] van de helft van de overwaarde,
betaling van de (notariële) kosten verbonden aan de overname van de woning door [de vrouw] .
5.5.. bepaalt dat indien [de vrouw] de woning tegen de taxatiewaarde toebedeeld wenst te zien en is voldaan aan de in 5.4. genoemde voorwaarden [de man] gehouden is zijn medewerking te verlenen aan de notariële levering aan [de vrouw] en alle daartoe benodigde handelingen te verrichten,
5.6.. bepaalt, in het geval dat [de vrouw] afziet van toedeling, dan wel in het geval dat binnen drie maanden nadat de taxatiewaarde bekend is geworden toedeling c.q. levering van de woning aan [de vrouw] niet heeft plaatsgevonden, de woning aan een derde moet worden verkocht en door [makelaar 2] te [plaats 2] (voor zover deze laatste daarmee instemt) in de verkoop gebracht zal worden, waarbij ieder der partijen voor de helft gerechtigd is tot de netto verkoopopbrengst. Indien [makelaar 2] de verkoopopdracht weigert dienen partijen zich tot een andere in onderling overleg te bepalen makelaar te wenden,
5.7.. bepaalt, in het geval de woning ingevolge het bepaalde onder 5.6 aan een derde wordt verkocht:
dat beide partijen hun medewerking dienen te verlenen aan het geven van de opdracht aan voornoemde makelaar dan wel de in onderling overleg bepaalde makelaar, waaronder begrepen de verplichting om hun handtekeningen te zetten onder de benodigde stukken en veroordeelt partijen over en weer tot betaling van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij hier niet aan voldoen, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,
dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover partijen het erover eens zijn dat die prijs de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zullen zij zich conformeren aan het advies van de makelaar, op straffe van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij hier niet aan voldoen, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,
dat ieder van partijen gehouden is om de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten ter zake de verkoop en levering van de woning te dragen,
ten aanzien van de bankrekeningen5.8.. bepaalt onder verwijzing naar r.o. 4.13 dat [de vrouw] aan [de man] uit hoofde van verdeling van de voormalig gemeenschappelijke bankrekeningen met rekeningnummers: [rekeningnummer 1] (Rabo Totaalrekening) en [rekeningnummer 2] (Rabo SpaarRekening) een bedrag van € 2.551,65 moet betalen en veroordeelt [de vrouw] tot betaling daarvan aan [de man] ,
voor het overige5.9.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.. verklaart voor recht dat aan [de vrouw] het gebruiksrecht van de woning toekomt uiterlijk tot de woning aan haar wordt toebedeeld, dan wel de eigendom van de woning is overgedragen aan een derde,
5.11.. wijst het meer of anders gevorderde af,
5.12.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
van 19 juni 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1638
Verordening (EU) nr. 2015/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van de Raad van 12 december 2012 (herschikking), (Brussel Ibis), artikel 1 EEX-Vo II
artikel 24 EEX-Vo II
op grond van artikel 4 van de EEX-Vo II
artikel 8 lid 3 EEX-Vo II
Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen
artikel 10 lid 2 Rome II-Vo
Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst
artikel 4 lid 4 Rome I-Vo
HR 08-02-2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279 met noot L.C.A. Verstappen en zie ook: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 juni 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1853