Skip to main content

ECLI:NL:RBLIM:2026:5324

Gericht

Maastricht

Datum

10 June 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Civiel recht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Maastricht

Procedure: UitspraakDomain: Civiel rechtType: uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/332605 / HA ZA 24-316

Vonnis van 10 juni 2026

in de zaak van

[persoon 1],

te [plaats 1],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [persoon 1],

advocaat: mr. V.C.C. Luijten,

tegen

[persoon 2],

te [plaats 2],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [persoon 2],

advocaat: mr. I.K. Decupere.

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding, - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

  • de conclusie van antwoord in reconventie, - het bericht van 29 april 2025 met productie van [persoon 2], - het bericht van 6 mei 2025 met productie van [persoon 1], - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 mei 2025,

  • de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling door mr. Decupere voorgedragen spreekaantekeningen,

  • de verwijzing naar de parkeerrol in overleg met partijen,

  • het bericht van 11 februari 2026 van partijen waarin zij verzoeken de zaak weer op de reguliere rol van 11 maart 2026 te plaatsen, - de akte uitlaten productie van [persoon 2].

1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1..
[erflater], geboren op [datum 1] 1961, (hierna te noemen: erflater) heeft bij testament van 21 juli 2000 over zijn nalatenschap beschikt. Daarin staat onder meer:

‘B. VRUCHTGEBRUIK-

Ik legateer aan mijn partner, Mevrouw [persoon 1] (lees: [persoon 1] toevoeging rechtbank) geboren te [plaats 3] op [datum 2] negentienhonderddrieënzestig:

a.

het recht van vruchtgebruik van het registergoed [adres] dan wel van het registergoed dat mijn genoemde partner en ik in de plaats daarvan bij mijn overlijden als eigenaar mochten bewonen dan wel van mijn aandeel in bedoeld registergoed. (…)

b. het recht van vruchtgebruik van al mijn inboedelgoederen dan wel mijn aandeel in bedoelde inboedelgoederen, waarbij onder inboedel dient te worden verstaan het geheel van tot huisraad en tot stoffering en meubilering van een woning dienende roerende zaken met inbegrip van boekerijen en kunstvoorwerpen.

(…)

C. ERFSTELLING

Onder de last van voormeld legaat benoem ik tot mijn erfgenamen mijn ouders en voorts uitsluitend de bloedverwanten van moederszijde, dus diegenen die mijn erfgenamen volgens de wet zouden zijn (met uitzondering van de bloedverwanten van mijn vader), indien ik ongehuwd zou zijn overleden, tezamen en voor gelijke delen met inachtneming van plaatsvervulling zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek voor erfopvolging bij versterf.’

2.2..
[persoon 1] en erflater zijn op [datum 3] 2002 gehuwd.

2.3.. Erflater is overleden op [datum 4] 2021. Zijn ouders waren vooroverleden. [persoon 2] is een oom van erflater aan moederszijde. Tot de nalatenschap van erflater behoort de onderverdeelde aandeel van een woning die hij samen met [persoon 1] in eigendom had.

3. Het geschil in conventie en reconventie

3.1..
[persoon 1] vordert in conventie - samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart:

primair: dat het testament van erflater aldus moet worden uitgelegd dat [persoon 1] enig erfgename van erflater is,

subsidiair: dat aan het testament van erflater de werking is komen te ontvallen, aldus dat daaraan geen betekenis toekomt voor wat de vererving van de nalatenschap van erflater en dat daarop het versterferfrecht van toepassing is

3.2..
[persoon 2] vordert in reconventie - samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart dat hij de enig erfgenaam is in de nalatenschap van erflater.

3.3..

Partijen voeren verweer tegen de vordering van de ander. Op hun stellingen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling in conventie en reconventie

4.1..

Deze procedure gaat over de uitleg van de in het testament van erflater opgenomen erfstelling. [persoon 1] baseert haar vordering op het standpunt dat erflater de erfstelling alleen heeft bedoeld voor het geval hij ongehuwd zou komen te overlijden, wat niet het geval was. In die situatie was de erfstelling uit het testament volgens [persoon 1] niet van toepassing, wat zou betekenen dat zij op grond van het versterfrecht de enige erfgenaam is. [persoon 2] stelt dat uit het testament volgt dat, omdat de ouders van erflater zijn vooroverleden, de familieleden aan moederszijde erven.

Op de uitleg van de erfstelling in het testament zal hierna verder worden ingegaan.

4.2.. Bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking zoals een testament, moet worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (art. 4:46 lid 1 BW). De rechtbank stelt voorop dat zij bij de verdere beoordeling geen acht slaat op het door [persoon 2] overgelegde bericht van het notariskantoor waaraan de notaris die het testament opstelde was verbonden. De daarin vervatte opinie is namelijk niet kenbaar gebaseerd op de aantekeningen van de betrokken notaris en ook is niet gebleken dat de inhoud van de opinie anderszins volgt uit het dossier van deze concrete zaak. Daarmee betreft het een mening met geen bijzondere toegevoegde waarde.

4.3.. Niet in geschil is dat erflater in ieder geval wenste dat, ingeval van het vooroverlijden van zijn ouders, zijn familieleden aan vaderszijde niet zouden erven. In zoverre is de bedoeling van erflater duidelijk. De vraag is wat de erfstelling betekent voor de positie van degene met wie erflater gehuwd was bij zijn overlijden, [persoon 1] dus.

4.4..
[persoon 1] stelt dat uit de zinsnede ‘indien ik ongehuwd zou zijn overleden’ blijkt dat erflater de erfstelling enkel heeft gemaakt voor de situatie dat hij ongehuwd zou komen te overlijden. Nu die situatie zich niet heeft voorgedaan, wordt aan de erfstelling niet toegekomen of komt daar geen betekenis aan toe, aldus [persoon 1]. De rechtbank volgt haar daarin niet.

Als erflater bedoeld zou hebben de erfstelling alleen van toepassing te laten zijn als hij ongehuwd zou overlijden, had daarbij gepast dat er bewoordingen zouden zijn gebruikt als ‘indien ik ongehuwd overlijd’ en niet ‘indien ik ongehuwd zou zijn overleden’. Immers kan bij het overlijden worden vastgesteld of erflater gehuwd was, dus is het onlogisch om dat in de door [persoon 1] voorgestane uitleg in een erfstelling in het midden te laten.

Daarbij komt dat in de erfstelling niet apart aandacht wordt gegeven aan de situatie waarin erflater gehuwd was bij overlijden. Dat zou voor de hand hebben gelegen als bedoeld was de echtgenote tot erfgenaam te benoemen in plaats van (of eventueel naast) de expliciet genoemde erfgenamen. Het is, anders gezegd, niet aannemelijk dat erflater heeft gewild zijn echtgenote tot erfgenaam te benoemen zonder dat met zoveel woorden te vermelden in het testament terwijl tegelijkertijd ouders en familie moederszijde wel expliciet als erfgenamen zijn genoemd.

Verder geldt dat de door [persoon 1] aangehaalde zinsnede klaarblijkelijk onderdeel uitmaakt van de uitleg van of toelichting op de kring van erfgenamen die zijn geduid als ‘mijn ouders en voorts uitsluitend de bloedverwanten van moederszijde’. Dit blijkt uit het woordje ‘dus’. Wat daarop volgt is daarom een andere omschrijving van deze kring van erfgenamen, waartoe overduidelijk de eventuele echtgenote niet behoort. In zoverre is de wijze waarop de erfstelling is verwoord veeleer een aanwijzing dat erflater ook een eventuele huwelijkspartner niet tot de kring van erfgenamen wenste te vatten. Hij benoemde immers zijn ouders en bloedverwanten moederszijde en benadrukt in de verdere uitleg (na ‘dus’) dat dit de personen zijn die zijn erfgenamen zouden zijn als hij ongehuwd zou zijn overleden. Hier wijzen de woorden ‘zou zijn’ erop dat het er niet om gaat wat de daadwerkelijke huwelijksstatus bij overlijden was, maar om de kring van erfgenamen vast te stellen uitgaande van de aanname of fictie dat erflater ongehuwd zou komen te overlijden.

De slotsom is dat de rechtbank ervan uitgaat dat de erfstelling gold voor zowel het geval dat erflater bij overlijden gehuwd was als het geval waarin hij ongehuwd was. In beide gevallen zouden alleen zijn ouders en bloedverwanten moederszijde de erfgenamen zijn.

4.5..
[persoon 1] heeft in de dagvaarding gesteld dat erflater haar tijdens hun huwelijk altijd heeft voorgehouden dat het testament zodanig was opgesteld dat zij door het huwelijk zijn erfgenaam was. Tijdens de mondeling behandeling is echter gebleken dat deze stelling op een misverstand was gebaseerd. [persoon 1] huidige standpunt is dat zij pas na het overlijden van erflater is geconfronteerd met het feit dat er een testament was en zij dus niet voor diens overlijden met erflater heeft gesproken over het testament. De stelling in de dagvaarding is daarmee verlaten en geeft dus geen aanleiding om te onderzoeken of de feitelijke verhoudingen bij overlijden niet meer aansloten bij wat erflater wenste te regelen.

4.6..

[persoon 1] heeft als productie 4 een formulier van de uitvaartverzekeraar van erflater overgelegd, waaruit blijkt dat erflater op enig moment heeft aangegeven wie hij voor zijn uitvaart uitgenodigd zou willen zien. [persoon 2] staat daar niet bij. Als productie 5 heeft [persoon 1] een verklaring van haar zus en schoonbroer overgelegd. Deze verwijzen daarin ook naar de wensen van erflater over zijn uitvaart. Ook verklaren zij dat zij zijn geïnformeerd over de verstoorde verhouding tussen erflater en (onder andere) [persoon 2] als gevolg van kwetsende uitlatingen aan het adres van erflater. Als productie 6 heeft [persoon 1] een eigen verklaring overgelegd met als bijlage een aan erflater toegeschreven verklaring. In de eigen verklaring van [persoon 1] wordt een op een niet nader geduid moment gevoerd telefoongesprek aangehaald waarin iets door [persoon 2] zou zijn gezegd waardoor erflater gegriefd was. Ook verklaart zij dat erflater niet wilde dat er familie bij zijn uitvaart was. De aan erflater toegeschreven verklaring is een brief aan zijn op dat moment al overleden vader, kort gezegd een aanklacht inhoudend over hoe erflater is behandeld door zijn vader. [persoon 2] wordt in deze verklaring wel een enkele keer genoemd maar over diens relatie met erflater wordt niet uitgeweid. Over de echtgenote van [persoon 2] (‘[naam]’) vermeldt de verklaring dat zij [persoon 1] op enig moment zou hebben beledigd, zonder dat duidelijk wordt waaruit dat heeft bestaan.

Naar de rechtbank begrijpt wenst [persoon 1] met deze stukken te betogen dat de feitelijke verhoudingen bij overlijden niet meer aansloten bij wat erflater in de erfstelling wenste te regelen. [persoon 2] heeft dat betwist, daarbij onder meer ontkennend dat hij of zijn echtgenote erflater onheus heeft bejegend en ook dat zij gebrouilleerd waren. Het contact zou goed en nauw zijn geweest, zij het in de latere jaren wat verwaterd, zonder dat [persoon 2] daarvoor een duidelijke reden kan aanwijzen.

Bij de beoordeling van het standpunt van [persoon 1] stelt de rechtbank voorop dat, als de relatie tussen erflater en [persoon 2] is verslechterd, dit op zichzelf niet zonder meer betekent dat de feitelijke verhoudingen bij overlijden niet meer aansloten bij wat erflater wenste te regelen. Het één leidt immers niet zonder meer tot het ander. Daarbij kan worden gewezen op de slechte verhouding die erflater, uitgaande van de aan hem toegeschreven verklaring, van jongs af aan – dus ook voorafgaand aan het opmaken van het testament in 2000 – met beide ouders had, wat hem er niet van heeft weerhouden beiden als erfgenaam aan te wijzen. Verder moet worden vastgesteld dat de door [persoon 1] aangenomen aanleiding voor de verslechterde verhouding met specifiek [persoon 2], is gebaseerd op een enkel telefoongesprek en een niet nader geduid voorval tussen [persoon 1] en de echtgenote van [persoon 2]. Zonder te willen afdoen aan de mogelijke impact van een en ander, gaat het naar het oordeel van de rechtbank te ver om aan deze incidenten, afgezet tegen de (duur van de) gehele relatie tussen erflater en [persoon 2] de gevolgtrekking te verbinden dat erflaters testament niet meer beantwoordde aan wat hij wilde. Daarbij moet worden opgemerkt dat erflater in de aan hem toegeschreven verklaring aan [persoon 2] geen (duidelijke) verwijten maakt. Dat erflater geen enkele bloedverwant heeft opgenomen in het lijstje van mensen die hij op zijn uitvaart uitgenodigd wilde zien, en [persoon 2] dus ook niet, geeft onvoldoende aanleiding om daarom aan te nemen dat de erfstelling ten gunste van (uiteindelijk) [persoon 2] toch niet meer was wat erflater wilde.

4.7.. De conclusie is dat:

  • wordt aangenomen dat de erfstelling ook is bedoeld te gelden als erflater bij zijn overlijden gehuwd was,

  • die erfstelling inhoudt dat, vanwege het vooroverlijden van de ouders van erflater, de bloedverwanten aan moederszijde de erfgenamen zijn,

  • niet kan worden aangenomen dat de erfstelling bij het overlijden van erflater niet meer beantwoordde aan diens wens,

  • [persoon 2] als (kennelijk) de enige bloedverwant aan moederszijde bij het overlijden van erflater de enige erfgenaam van erflater is.

Dit betekent dat de vordering van [persoon 1] moeten worden afgewezen en die van [persoon 2] moet worden toegewezen.

4.8..
[persoon 1] is in conventie en reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon 2] worden begroot op:

  • griffierecht

320,00

  • salaris advocaat

1.306,00

(2 punten × € 653,00)

  • nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.815,00

4.9..

Bij de begroting van dr proceskosten is er rekening mee gehouden dat [persoon 2] in reconventie nagenoeg geen extra proceshandelingen heeft hoeven te verrichten.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.. wijst de vorderingen van [persoon 1] af,

in reconventie

5.2.. verklaart voor recht dat [persoon 2] enig erfgenaam is in de nalatenschap van erflater,

in conventie en in reconventie

5.3.. veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten van € 1.815,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

5.4.. veroordeelt [persoon 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.5.. veroordeelt [persoon 1] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

Weitere Entscheidungen